ALLERLEI TEKSTEN

 

ALS EEN VAN UW VELE KINDEREN

 

 

De Sioux-Indianen noemen God " de grote geest " (er zijn slech­tere theolo­gische termen denkbaar).  Dat Hij niet ver is van ieder van ons (Hand.17,27) en dat Hij spreekt in al wat leeft (ps.147), weten zij evenzeer als wij, mis­schien beter.  Zij zeggen het Hem in elk geval in dit menselijke "natuur"lijke gebed.

 

Grote Geest, wiens stem ik hoor in de winden

en wiens adem de gehele wereld leven schenkt,

verhoor mij !

 

Ik treed voor uw aangezicht als één van uw vele kinderen.

Zie, ik ben klein en zwak ;

ik heb uw kracht en wijsheid van node.

 

Doe mij in schoonheid leven

en laat mijn ogen altijd

de purperrode zonsondergang aanschouwen.

 

Mogen mijn handen

de dingen eerbiedigen die Gij geschapen hebt

en laat mijn oren uw stem horen.

Maak mij wijs, opdat ik de dingen kennen kan

die Gij mijn volk geleerd hebt,

de les die Gij in elk blad en in elke rots verborgen hebt.

 

Ik verlang vurig naar kracht,

niet om mijn broeders te overtreffen,

maar om mijn grootste vijand - mijzelf -

te kunnen bestrijden.

 

Maak dat ik steeds bereid ben

met reine handen en met eerlijke ogen

tot U te komen, opdat mijn geest,

wanneer mijn leven als de ondergaande zon verdwijnt,

tot U kan komen zonder zich te moeten schamen.

 

Overgenomen uit: Vladimir Lindenberg.  Die Menschheit betet.  Praktiken der Meditation in der Welt. München-Basel (Rein­hardt) 1956, vlgs de nederl. ed. van B. Teesing-Koster: Zo bidt de mens­heid (Prisma 736), Utrecht-Antwerpen (Spec­trum) 1962, 96.

 

 

AVONDGEBED 1

 

God onze Heer,

op Uw woord zijn wij van wal gestoken ;

wij vlotten naar de overkant ;

elke dag van deze tocht is een nieuw avontuur

dat ons uitdaagt en volledig opeist !

Wees Gij onze kracht als wij moe worden en

dreigen op te geven,

richt Gij onze tocht en breng ons allen

op onze bestemming,

omwille van Hem

die ons is voorgegaan.

Jezus Christus, onze Heer.  Amen.

 

 

AVONDGEBED 2

 


Ik wil U danken

nu de avond beroesd nog nageniet.

De duiven korrelen het avondlied,

een lijster zingt wat ik U fluisteren wou :

heb dank, mijn God,

voor stille, strelende handen,

voor tederheid en heilige banden,

voor alles wat ik vergeten zou

en dat ik morgen

met uw genade geven mag.

 

 

AVONDGEBED 3

 

Heer onze God,

De drukte van deze dag maakt plaats voor stilte en rust ;

de kleuren vervagen, geluiden vallen stil,

alleen een avondvogel zingt straks zijn lied.

Kom bij ons, Heer en blijf bij ons,

want de dag loopt ten einde.

In vriendschap en hartelijkheid stonden wij

vandaag tegenover elkaar ;

het was een fijne dag.

Vergeef ons als wij tegen U

en tegen elkaar iets misdaan hebben.

Laat Uw zegenende hand over ons rusten.  Amen.

 

 

AVONDGEBED 4

 

De dag is af

God

ik ben blij

nu alles donkert

zachter wordt en stil

ik adem weer zelf

ik zie met eigen ogen

ik hoor en voel

de dingen duidelijk

die ik vandaag

met duizenden

heb ontmoet

 

de mensen

hun zorgen en hun dromen

draag ik

deel ik

wik en weeg :

't was goed.

 

't was goed dat ik erbij mocht zijn ;

't is goed dat Gij het zegent.

 

 

AVONDGEBED 5

 

Goede Vader,

Uw Zoon Jezus Christus heeft Zijn vrienden de weg gewezen

naar een hartelijke wereld.

De kring van vriendschap, eerlijkheid en inzet is sterker

dan deze van ruzie, onverdraagzaamheid en geweld.


Zo overwon Hij lijden en dood.

Hij is de Verrezen Heer omdat Hij van U

en van de mensen hield.

Jezus is ons voorbeeld.

Hij is ons boegbeeld ; Hij gaat ons voor naar U

die onze Vader zijt.

Daarom bidden wij : Onze Vader ...

 

 

AVONDGEBED 6

 

Deze dag zijn wij niet bij de pakken blijven zitten.

Wij hebben de haven achter ons gelaten

en volle zee gekozen.

Wij hebben ons goed gevoeld bij sport en spel,

wij hebben met spanning naar de boeiende vertelling geluis­terd,

wij hebben gezien hoe prachtig de wereld is die Gij ons geeft.

Nu deze dag voorbij is, zeggen wij dank

voor al het mooie en het goede dat Gij ons geeft.

Voor wij gaan slapen, vragen wij Uw zegen over ons

en over alle mensen die Gij graag ziet,

door Jezus onze Heer.

 

 

AVONDGEBED 7

 

God, Gij legt Uw droom in onze handen.

Sluiten wij onze hand, willen wij die droom

alleen voor onszelf, dan ontglipt hij ons

als korrels zand in een gebalde vuist.

Maar op een open hand,

gereed om door te geven,

wordt die droom

tastbare vreugde, echte vrijheid en diep geluk

voor elke mens. 

Bedankt God, voor die droom in onze handen ;

bedankt God, voor deze dag !

Zegene en beware ons de almachtige God, Vader,

Zoon en Heilige Geest.

 

 

AVONDGEBED 8

 

Met z'n allen zijn wij van wal gestoken ;

de zeilen uitgezet ; wij rekenen op een gunstige wind,

op een goede vaart ...  en stevenen recht op doel.

Geen stormwind met bulderende kracht,

geen dreigend or­kaan,

noch windstille waters bepalen onze bestemming,

want de zeilen liggen in onze handen ;

kracht wordt vriendschap en vertrouwen ;

onze ogen zijn gericht op U,

de grote stuurman.

Jezus Christus, onze Vriend.  Amen

 

 

AVONDGEBED 9

 

In de avond - de dag voorbij - bid ik tot U, God.

Ik zie nog uw mensen,

mensen zonder tijd en zonder rust,


gejaagd en opgejaagd.

Zij hebben toch zo veel te doen.

Er wordt van hen zoveel verwacht.

Zij leven onder druk, - of is het schuld ? -

om alles wat niet is gedaan

om alles wat hun kracht te boven gaat.

 

God, wees Gij hun toevlucht.

Niet dat Gij het in hun plaats moet doen,

ook niet dat Gij hen zult ontslaan

van enige verantwoordelijkheid ...

maar, laat hen tot rust komen bij U.

Neem Gij die spanning weg.

Verlicht Gij die druk op hun hart.

Laat hen weer op adem komen.

 

Laat Gij hen inzien

hoe veel " verplichtingen " er geen zijn.

Hoeveel spanning van mensen komt

en over uiterlijkheden gaat.

Laat hen bij U ontdekken, God,

waar het zwaartepunt ligt van hun leven.

Hoeveel vreugde zij kunnen beleven

aan de zuivere wet van menselijke liefde :

dat brede veld waar niets moet,

maar alles mag

voor het diepste geluk van de medemens.

 

Zeg hen dat het voor U niet uitmaakt

of zij wel " slagen " in het leven ?

Of zij wel ten volle presteren ?

 

God, het is avond - de dag voorbij -

Wandel nog eens door de nacht, God,

Wees Gij hun adem,

zolang het nacht is op de wereld.

Manu Verhulst

 

 

AVONDGEBED 10

 

GOEIE AVOND, HEER

Goeie avond, Heer, de zon gaat onder ...

danke, 't was een fijne dag.

 

Vreemd dat ik pas nu een goeiedag tegen Je zeg,

terwijl Je al de hele dag bij me bent.

 

Het wonder van de morgen ... en de dag die weer begint,

de nacht die plaats maakt voor de dag,

vreemd dat ik Je daar pas nu voor dank.

 

Het spelende kind in het gras

een wonder van eenvoud, myste­rie ...

vreemd dat ik niet ben blijven stilstaan.

 

De gewoonte van het dagelijks brood

dat vandaag terug op mijn tafel verscheen,

er niet aan denkend dat ik tot de minderheid behoor

die dit mag ontvangen.

Vreemd toch dat ik aan tafel zomaar een tafelgebed prevelde.


 

Ik mocht Jou leren kennen door mijn opvoeding,

door zovele fijne mensen die toen vrienden werden,

door de vele boeken die men over Jou heeft geschreven.

Te weten dat Jij er bent en Jij van ons houdt ...

het maakt me ergens gelukkig.

 

Ik ben gelukkig, Heer,

wat is 't toch vreemd dat ik pas vanavond

goeiedag en danke tegen Je zei.

 

Uit 'Kies volle zee'

 

 

AVONDGEBED 11

 

Goede Vader,

Nu het donker wordt en de

ganse natuur slapen gaat,

komen wij nog even bij U.

Vandaag hebben wij fijn gespeeld,

gedanst en gezongen.

Met zoveel vriendjes is het echt tof.

Weet je, goede Vader, als ieder van ons

de eerste stap zet naar iemand ander toe,

dan wordt alles opperbest.

Dit hebben wij geleerd van Jezus,

Uw Zoon en onze Vriend.

Zegen ons nu, voor wij slapen gaan !  Amen.

 

 

AVONDGEBED  12

(naar Martin Luther)

 

Blijf bij ons, Levende

want het wordt avond

en de dag is al ten einde.

 

U die weet wat deze dag waard was,

wat wij hebben gedaan en nagelaten -

U die weet wat wij te vergeven hebben

en wat ons vergeven moet worden -

U die de vruchten kent van de oogst

die deze dag in ons is gegroeid -

laat uw zegen dalen op ons.

 

U die weet wat goed was deze dag :

de vrijheid waarin wij mochten leven,

het voedsel dat wij mochten ontvangen,

het werk dat wij mochten verrichten,

de rust waarvan wij mochten genieten,

de mensen met wie wij hebben geleefd -

U die weet wat in ons is,

wij zegenen U, licht in ons leven.

 

Blijf bij ons en bij alle mensen,

blijf bij ons op de avond van de dag,

op de avond van het leven,

op de avond van de wereld.

 

Uw zegen vragen wij


over de mensen die deze dag gestreden hebben

- dat zij de weg naar vrede vinden -

over hen die nu werken,

over hen die de slaap niet kunnen vinden,

over de zieken en zwaarmoedigen,

blijf hen nabij met Uw licht en Uw vrede.

 

Van U is het licht van de dag,

van U is het donker van de nacht,

van U zijn leven en dood,

van U zijn  wij -

blijf ons nabij en behoed ons.

 

(Uit: Kring van mensen: teksten voor liturgie, Michaël Steehouder)

 

 

AVONDGEBED  13

 

Heer, nu deze dag voorbij is,

denken wij aan Uw goedheid ;

er zijn zoveel mensen die ons gelukkig maken,

zoveel dingen waaraan we vreugde beleven.

Schenk deze vreugde ook aan allen

die we pijn hebben gedaan.

Geef ons nu een rustige nacht,

veilig onder uw bescherming.

Wij willen ook denken aan hen

die deze nacht moeten werken.

Aan hen voor wie deze nacht vol onrust zal zijn,

zieken, stervenden en mensen die de slaap

niet kunnen vatten.

Wees voor allen een bron van troost,

van kracht en bemoediging.

Blijf met uw zegen onze wereld begeleiden,

en laat ons allen, slapend of wakend,

geborgen zijn bij U. Amen.

 

 

AVONDGEBED  14

Chileens avondgebed.

 

Heer, zegen de aarde waarover de duisternis valt,

zegen de steden en het platteland,

de rijken, opdat ze edelmoedig zijn,

de armen, opdat ze elkander beminnen,

ja, zegen vooral de armen, mijn God.

Stuur de kinderen op weg naar vader die thuiskomt,

verwijder de onenigheid tussen gehuwden,

breng vrede onder broers en zusters,

maak dat dit uur,

waarop kleinen en groten samen zijn,

voor ieder gelukkig weze,

opdat niemand van hen U beledige

maar allen U zegenen.

Ik bid  tot U in de naam van hen die U nog niet beminnen.

Ik geef U mijn leven,

opdat hun leven beter en minder hard zou zijn :

neem het aan, als het U behaagt, Heer. Amen.

 

 

DANKBAAR IS ONS HART


 

Dankbaar is ons hart, Heer,

en vervuld van vreugde.

Als vreemden zijn wij hier gekomen,

als vrienden vonden wij elkaar.

"We zijn de takken van één boom,

van 't zelfde huis de gangen".

Wij hebben naar elkaar geluisterd

en durfden spreken met elkaar.

Een antwoord kwam op vele vragen

en - waar geen antwoord was -

daar groeide hoop.

Wij weten ons nu door elkaar gedragen

wijl wij nog onderweg zijn

naar U, onze God,

die ons hier zo nabij waart.

Wij nemen wat hier groeide en wat wij hier beleefden

nu mee naar huis,

om verder van te leven

en vragen over ons Uw zegen.

 

uit "Hij brengt ons samen" Abdij Tongerlo

 

 

DANKGEBED : God van Maloja

 

God van Maloja, van het kleine dorp met de Bundnerstube

en het benzine­station, wat is de wereld hier mooi.

Wij danken U, omdat wij dit kleine stukje wereld een week lang

als een stuk speelgoed hebben mogen gebruiken,

speelgoed voor grote en kleinere mensen.

Wij danken U voor deze week,

waarin wel tien zondagen vie­len,

voor de week waarin zon en licht en sneeuw en bloemen

een verbond gesloten hadden.

Dank U wel, God van de ruwe Forno,

dank U om de glimlach van de nieuwe vrienden,

die we vorige week nog niet kenden.

Dank U om het wandelgenot,

wij danken U, God van de sneeuw,­

die de bergen bereikbaar maakt.

Wij danken U, God van het water,

dat tussen de eeuwige keien

alsmaar sneller en onstuimiger naar bene­den tuimelt,

omdat het ergens zomer voelt.

Wij danken U voor de rust van de bergen,

God van het land­schap

­dat reklame maakt voor echte prent­kaar­ten.

Dank U om de mensen die " Grüss Gott " tegen ons zeiden of

" Grüzzi miteinander " of " Viva "

als zij een glas op onze gezondheid dronken.

 

Afscheid nemen is altijd een beetje moei­lijk,

weldra zijn wij terug in het grote dorp dat Vlaanderen heet.

Wij zullen weer normaal aan het werk gaan

alsof er niets gebeurd is.

Maar ergens, diep in ons, ritselt een stukje herinnering

en een stukje hoop dat wij eens mogen weerke­ren naar Malo­ja,

Maloja in Graubunden, een plaatsje dat het hele jaar door

rekla­me maakt voor U, God.

DANK U WEL, GOD.


Louis Verbeeck

 

 

DANKGEBED 1

 

God, onze Vader,

Het is goed dat wij U op deze dag dank zeggen.

Uw aanwezigheid in ons midden mochten wij ervaren

in de wondermooie natuur,

in de vriendschap die tussen jongeren groeit,

in de niet-te-stuiten inzet en het

ongelofelijke enthousiasme van monitoren en kampleiding,

in de gemoedelijkheid en dienstbaarheid

van alle mensen die voor ons zorgden.

Geef dat wij, over alle kleine kanten heen,

spreken over het goede dat ons te beurt gevallen is

en dat wij U mogen danken

door Hem die onze Vriend en Leidsman is, Jezus Christus.

Amen.

 

 

DANKGEBED 2

 

Bedankt, God,

omdat ik kan gelukkig zijn

met een bloem, een vogel, een vis ;

bedankt

omdat ik de sterren en de zon kan zien ;

bedankt

omdat ik enig ben, uniek ;

bedankt

omdat ik mensen heb waarvoor ik kan leven ;

bedankt

omdat Jij mij helpt de juiste weg te kiezen,

de weg van liefde ;

bedankt, God,

omdat Jij liefde bent.

 

 

DANKGEBED 3

 

God onze Vader,

Gij laat nooit af ons op te roepen

tot een leven vol geluk.

Gij zijt een God van tederheid,

van goedheid en geluk.

Gij legt de liefde in ons hart

om niet alleen het goede met elkaar te delen,

maar ook wat moeilijk is.

Zo mochten wij U ervaren,

gedurende deze voorbije dagen in ...

Zo willen wij U verder ontdekken en ontmoeten

al de dagen die Gij ons geeft.

Daarom kunnen wij niets anders dan U dank te zeggen

voor alle goeds en schoons dat ons te beurt viel

door Jezus Christus, uw Zoon en onze Heer.  Amen.

 

 

DANKGEBED 4

 

Vader, Vriend,


vandaag bracht onze tocht ons op grote hoogten.

Moeizaam en hard,

maar "verbonden" niet klein te krijgen,

ging het langs slingerpaadjes hoger en hoger.

Boven op de berg hebben wij U ontmoet.

Gij hebt onze aandacht gevestigd

op de pracht van Uw schep­ping,

op het land dat wij bewonen,

op de mensen die met ons leven.

Naar die mensen moeten wij altijd terug ;

dat land geeft Gij ons in handen

als een kostbare parel,

als de glimlach op Uw gelaat.

Wij zeggen U dank voor deze dag vol uitzicht,

vrijheid, zon en muziek.

Dank vooral voor de vriendschap en verbondenheid

in Christus Jezus.  Amen.

 

 

EN DANK DE HEER !

 

Blootvoets lopen op groen gazon

en dank de Heer !

 

Eén dure roos kopen

en dank de Heer !

 

Twee flirtende, fladderende vogels volgen

en dank de Heer !

 

Je zondoorbakken laten bruinen

en dank de Heer !

 

Brood breken in Jezus' naam

en dank de Heer !

 

Zoen zomaar je moeder

en dank de Heer !

 

De zee, de zee, de zee

en dank de Heer !

 

De vuurvogel van Strawinsky

en dank de Heer !

 

Verzoenend woord en gebaar van een priester

en dank de Heer !

 

Lichamelijke deugd van stroelstrelend water

en dank de Heer !

 

Heerlijk met zijn twee

en dank de Heer !

 

Een zuiver meer, hemelhoge bergen

en dank de Heer !

 

Hij is verrezen en aanwezig

en dank de Heer !

 

Zomers laten regenen op je mond en ogen

en dank de Heer !

 

Buur-, straat-, tram-, werkmensen

en dank de Heer !


 

 

EUCHARISTISCH HOOGGEBED  1 - VAKANTIE

 

Vader God, wij hebben vakantie, vrij van school,

maar ook vrij voor spelen en zwemmen.

We gaan logeren of kamperen,

of we trekken er op uit naar andere plaatsen en lan­den.

We zien dan veel mooie dingen

en horen de talen van vreemde mensen.

 

En als we onderweg zijn, zult U voor ons zorgen,

zoals U gezorgd hebt voor Abraham op zijn lange reis

en voor Mozes en zijn volk op weg naar het beloofde land.

Allen zijn onderweg naar U toe, naar Uw Vaderland,

waar we altijd vrij zijn. 

Het moet bij U zo heerlijk zijn,

want bij U heeft niemand zorg of verdriet.

Bij U is er geen armoe, gevaar of honger.

Jezus heeft ons de weg gewezen naar dat land,

toen Hij zijn tent bij ons heeft opgeslagen.

Telkens gaat Hij met ons mee

en geeft ons heilig brood,

dat ons sterk maakt op onze tocht naar U.

 

Dat brood heeft Jezus ons het eerst gegeven

op de avond voor Hij sterven ging.

Toen nam Hij brood in zijn handen, bedankte U

en gaf het aan zijn vrienden, terwijl Hij zei:

'Neem en eet, mijn Lichaam voor jullie'.

 

Daarna nam Hij de beker wijn, bedankte U weer en zei:

'Drink allen hieruit ;

dit is mijn Bloed, dat voor jullie wordt vergoten.

Voortaan moet je samen aan tafel gaan,

om aan mij te blijven denken'.

 

Dit brood geeft Hij nu weer aan alle mensen

over heel de wereld.

Zo mogen alle mensen, die dit eten,

vrien­den van elkaar zijn.

Dit brood brengt ons in Gods land,

waar wij altijd vrij mogen leven,

omdat Jezus voor ons gestorven is.

Nu leeft Hij weer bij U en voor ons.

Hij is de eerste en de fijnste onder ons,

altijd weer tot in eeuwig­heid.  Amen.

 

 

EUCHARISTISCH HOOGGEBED  2

 

P.Heer, brood en wijn zijn tekenen van een gastvrije tafel

die ons aan een moeder doet denken die zegt :

het eten is klaar.

 

Graag gaan wij op Uw uitnodiging in en vragen U :

moge dit brood en deze wijn de vertrouwde smaak hebben als het brood bij ons thuis en de wijn op de tafel bij een feest.  Moge het ons allen samenbrengen in een sfeer van vrede en eerbied voor U en alle mensen ter wereld.

 


P.Ja, goede Vader, het is een feest voor ons U dank te zeggen en met Jezus voor U onze vreugde uit te zeggen.

 

Geloofd zijt Gij die van ons houdt.

 

P.Zoveel houdt Gij van ons dat Gij ons Jezus hebt gegeven, Uw Zoon, die beweging bracht in de mensenzee met Zijn boodschap.

 

Geloofd zijt Gij die van ons houdt.

 

P.Zoveel houdt Gij van ons dat Gij ons mensen hebt gegeven als Maria die leven naar die boodschap, in hun zijn en denken en doen.

 

Geloofd zijt Gij die van ons houdt.

 

P.Dat was Zijn boodschap : geven om anderen gelukkig te maken,

sterven om anderen leven te schenken.

En op de avond voor de laatste morgen sprak Hij zich uit.

Hij nam brood, sprak de zegen uit,

brak het en gaf het hun met de woorden :

 'Neem en eet, dit is Mijn lichaam'.

 

Daarna nam Hij de beker en na het spreken van het dankgebed reikte Hij hun die toe en zij dronken allen daaruit.

Hij sprak tot hen :

'Dit is Mijn bloed van het nieuw verbond,

dat vergoten wordt voor velen.

Blijf dit doen om Mij te gedenken'.

 

P.Wij danken U voor dit gebaar, Vader,

voor Jezus, voor zijn bood­schap.

Dank zeggen wij U voor alle mensen onder ons die,

zoals Maria, Uw schepping waard zijn ;

voor mensen die, zoals Maria eenvoudig en echt zijn

en delen van zichzelf ;

voor hen die opko­men voor rechtvaardig­heid

en stem geven aan het kleine

en zo beweging brengen in de stroom van het leven.

 

Door de vrede van Jezus,

met de vreugde van Jezus,

in de vriendschap van Jezus

willen wij U loven, Vader

en een ge­schenk zijn voor elkaar,

nu en tot wij allen samen thuis zullen zijn bij U.  Amen.

 

 

EUCHARISTISCH HOOGGEBED  3

 

Heer onze God,

wij danken U dat wij leven,

dat wij door deze wereld gaan,

en van dag tot dag onze weg mogen zoeken.

Wij danken U voor de dynamiek

die U in ons bestaan hebt gelegd

en die ons steeds weer verder doet gaan.

 

Er is soms onzekerheid, Heer,

over de richting die wij moeten kiezen :

vaak aarzelen wij


en vaak moeten wij achteraf bekennen

dat wij de verkeerde weg hebben gekozen.

Wij danken U

omdat U ons gebrek aan richtinggevoel kent

en zo op bijzondere wijze de weg wilt wijzen.

 

Wij danken U voor Uw Zoon Jezus Christus.

Hij werd mens als wij,

leefde tussen andere mensen, kende dezelfde problemen.

Maar vastberaden is Hij op weg gegaan naar Jeruzalem.

Hij heeft geleefd, geleden, gegeven.

Hij heeft waargemaakt wat wij

in onze beste ogenblikken als ideaal zien.

Hij kon voorzien wat Hem te wachten stond,

maar niets kon Hem afbrengen van Zijn weg.

Zo heeft Hij geleefd, zo heeft Hij de dood aanvaard.

 

Op de avond voor Zijn lijden

nam Hij brood in Zijn handen.

Hij sprak de zegenbede uit, brak het

en deelde het rond onder Zijn leerlingen en zei :

Neem en eet hiervan, gij allen,

want dit is Mijn lichaam dat voor u gegeven wordt.

 

Zo nam Hij ook de beker wijn

en sprak opnieuw het dankgebed.

Hij gaf hem aan Zijn leerlingen en sprak :

Neem deze beker en drink hier allen uit

want dit is de beker

van het nieuwe, altijddurende verbond ;

dit is Mijn bloed dat voor u en voor alle mensen

wordt vergo­ten tot vergeving van de zonden.

Blijf dit doen om Mij te gedenken.

 

Verkondigen wij dit mysterie van ons geloof

 

Heer Jezus, wij verkondigen Uw dood

en wij belijden tot Gij wederkeert

dat Gij verrezen zijt.

 

Daarom Heer, herdenken wij Uw Zoon Jezus Christus :

hoe zijn levensweg leek te eindigen in de dood ;

maar, hoe Hij door de dood ging

zoals het Joodse volk door de zee,

om verder te leven bij U, bij ons.

 

Wij vragen U :

dat wij Hem onderweg mogen herkennen

overal waar brood gebroken wordt,

overal waar leven gegeven wordt,

overal waar mensen werkelijk goed zijn.

 

Laat Hij ons voorgaan onderweg

en ons verzamelen als een nieuw volk Gods.

Laat Zijn geest ons bezielen zodat wij vastberaden

verder gaan op onze weg naar het einde,

het einde waarvan wij geloven dat alles goed zal zijn,

vrede en vreugde, liefde en begrip,

alles wat wij nog niet bereikt hebben.

 


Dat vragen wij U door Jezus Christus, Uw Zoon,

die door de dood is heengegaan

en nu met U en de heilige Geest

leeft in eeuwigheid.  Amen.

 

 

GEBED BIJ DE OFFERGAVE  1

 

God en Vader,

wat wij U aanbieden zijn eenvoudige gaven :

bloemen en kaarsen, wat brood en een beker wijn.

Maar zij drukken uit

dat wij U en elkaar toebehoren.

Zij spreken ons van de liefde

die Gij ons toedraagt

en die in Jezus gestalte kreeg,

Uw Zoon voor ons, Uw leven voor eeuwig.  Amen.

 

 

GEBED BIJ DE OFFERGAVE  2

 

God en Vader,

wat wij U aanbieden zijn eenvoudige tekenen :

bloemen, wat brood en een beker wijn.

Vandaag zijn er ook nog onze wensen voor elkaar.

Jezus zegt ons :

Schoonheid, macht en rijkdom zijn niet de tekenen

van Mijn komend Rijk en bieden geen toekomst.

Spreek Gij ons dan van brood dat gebroken wordt

en van gedeelde wijn,

van dienstbaar-zijn en inzet,

van tederheid en vriendschap

zoals Jezus ons is voorgegaan.  Amen.

 

 

GEBED BIJ DE OFFERGAVE  3

 

Heer onze God,

leer ons het brood en de beker

en alles met elkaar te delen.

Doe ons beseffen

dat alleen in "saamhorigheid" en "verbondenheid"

de dood, de onmacht en het onheil vernietigd wordt,

en Uw genade en heil doorbreekt,

door Hem die ons voorgaat, Christus Jezus, onze Heer.

 

 

GEBED BIJ DE OFFERGAVE  4

 

Heer God,

Gij zijt niet onbereikbaar en verheven,

Gij wilt geen grote en aanzienlijke plaats

innemen in deze wereld,

Gij zijt de weg gegaan van alle zaad,

Gij zijt als brood, zo onopvallend en gewoon

zo voedzaam en zo onmisbaar.

Wij hopen dat wij U herkennen mogen in alle zaad,

in alle brood, in al uw mensen ;

ja, geef ons nieuwe ogen om te zien,

geef ons opnieuw de kracht om te geloven,

vandaag en alle dagen van ons leven.


 

GEBED OM KRACHT EN STERKE WIL ...

 

God,

Gij hebt de wereld zo gemaakt

dat de mens zijn eigen weg naar de vrede moet vinden,

bij zichzelf en bij zijn naaste.

Gij hebt ons de middelen gegeven

om de hele wereld van voedsel te voorzien,

als we er maar een wijs gebruik van maken.

Gij hebt ons ogen gegeven

om in ieder mens het goede te zien,

als we er maar een juist gebruik van ma­ken.

Gij hebt ons de macht gegeven

om sloppenwijken op te ruimen

en weer hoop te schenken,

als we die macht maar rechtvaardig gebrui­ken.

Gij hebt ons een verstand gegeven

waarmee we geneesmiddelen en therapieën kunnen uitdenken,

als we er maar een constructief gebruik van maken.

Daarom bidden wij U, o God :

om kracht, vastberadenheid en een sterke wil

om te doen, in plaats van alleen maar te bid­den,

om te worden, in plaats van uitsluitend te wensen.

 

 

GEEF DAT WIJ WEER EENVOUDIG ZIJN

 

Geef dat wij weer eenvoudig zijn,

en als kind weer spelen ;

in duizend dagen duizendmaal

ons roekeloos verdelen.

 

Geef dat wij weer eenvoudig zijn

en als een kind weer geloven ;

in maan en sterren bloemen zien

die wond'ren geur beloven.

 

Geef dat wij weer eenvoudig zijn

en als een kind weer zingen ;

niet meer bevreesd voor nacht

wreed spel vol onbekende dingen.

 

Geef dat wij weer eenvoudig zijn

en als een kind weer dromen ;

een kleine vogel in Gods hand

op vleugels meegenomen.

 

Geef dat wij weer eenvoudig zijn

en als een kind weer huilen ;

en wil, o God, ons wijze hart

voor een dwaas hart weer ruilen.

 

 

HEER, IK WEET DAT U LUISTERT ...

 

Heer, ik weet dat U luistert

naar de kleinen en geringen :

neem mij wat ik ga zeggen, niet kwalijk.

 

Ik ben klein, heel klein als ik naar U opzie.


De wereld om mij heen wordt de derde wereld genoemd,

de derde, de laatste, maar het is de mijne.

De eerste wereld is die van de rijke landen.

Die kent mijn armoe en noemt zich mijn weldoener.

Ik ben moe van al die weldoeners.

Verlos mij van mijn weldoeners, vraag ik U.

 

De tweede wereld is die van de socialistische landen.

Die bewonder ik, maar ik ben er bang voor.

 

Ik hou ervan, omdat men er - zoals ik -

ellende heeft gekend, maar er zich ook van bevrijdt.

 

Toch ben ik bang :

het onrecht is daar even groot als in de rijke landen.

 

Ik voel me overal vreemdeling.

Soms verlies ik mijn huid en die van mijn moeder.

 

Kristus, mijn Heer,

de rijkdom die ik wens

zou ik met eigen handen willen verwerven en uitdelen.

 

Ik wil groot worden met U.

Ik wil niet langer dat anderen mij groot maken.

Ik wil groeien uit mezelf, in eigen tempo, zonder dwang.

 

Ik weet dat ik ook iets te geven heb :

iets dat de eerste wereld heeft verloren,

iets dat de tweede wereld niet heeft.

 

Mijn Heer, leer mij zien, welke mens ik moet worden.

 

Gebed van een Indiaan uit Sahuayo, Mexico

 

 

IK DANK U, GOD

 

Ik dank U, God,

voor alles wat ik van anderen mocht ontvangen

voor mensen die met mij verbonden zijn geweest

die trouw zijn geweest in hun zorg en liefde

die mijn verdriet hebben gedeeld

die mij hebben laten delen in hun geluk.

 

Ik dank U, God,

voor allen die in stilte

aan mij hebben gedacht

voor hen die attent waren

in de kleinste dingen van elke dag

mensen die konden troosten

mensen met een hart

vol barmhartigheid en verzoening.

 

Ik dank U, God,

voor allen die mij konden bezielen

mensen die een bevrijdend woord konden spreken

mensen die konden luisteren

mensen die zomaar nabij waren

mensen die mij rust konden geven.

 


Ik dank U, God

voor mensen voor wie ik iets mocht betekenen

mensen die mijn liefde durfden ontvangen

mensen die op mij konden wachten

mensen die mij een kans hebben gegeven

mensen die konden vergeven.

 

 

IK MAG JE ERVAREN ...

 

Heer Jezus,

ik mag Je ervaren

in de schoonheid van de natuur,

in de goedheid en de vriendschap

van mensen om me heen,

in de liefde die ik mag geven en ontvangen.

 

Dank je, Heer,

omdat ik Je echt nabij mag weten

omdat ik mag ervaren

dat Je echt van ons houdt.

 

Leer ons, Heer, meer te leven zoals Jij

en zo Jouw liefde

door te geven aan de mensen

waarmee we elke dag samenleven,

zodat Jouw Rijk

een beetje meer werkelijkheid

mag worden in deze wereld.

 

 

IK NOEM U GEEN VREEMDEN MEER

 

Gij die door Uw Zoon hebt laten zeggen :

'Ik noem u geen vreemden meer, maar vrienden',

zeg dit nu opnieuw aan ieder van ons,

zodat ook wij

het verder kunnen zeggen aan elkaar,

vandaag en in de komende dagen.

 

Laat ons voor elkaar

een teken zijn van Uw zorg

voor ieder van ons.

 

Een uitnodiging om te groeien

in oprechtheid en vertrouwen kunnen wij ervaren

wat goedheid is en vergeving,

ontvankelijkheid en trouw ?

 

En laat deze vriendschap zichtbaar worden

hier in onze kring.

 

Maar ook aan allen die op zijn aangewezen

en aan onze zorg toevertrouwd.

 

 

Dat vragen wij U, God, in naam van Hem,

die in onze wereld een zichtbaar teken werd

van Uw liefde en trouw : Jezus Christus.

 

 


IN DE STILTE

 

Heer onze God,

vandaag willen wij er even bij gaan zitten

en ons bevragen waar het eigenlijk om gaat ...

het jachtige jagen van ons hart

en de onrust van onze geest even stilleggen

en luisteren naar U,

en in onze geschiedenis

het levensverhaal herkennen van Jezus,

van Hem, die onze hoop en vertwijfeling,

onze vreugde en ons lijden,

ons licht en donker,

vallen en opstaan heeft gedeeld,

en die ons uw taal wil leren spreken,

alle dagen tot in de eeuwen der eeuwen.  Amen.

 

 

IN HEEL KLEINE DINGEN ...

 

In heel kleine dingen

heb ik U ontmoet :

in het groen van de bomen,

in vogelgezang,

in adem en aarde,

in zonsondergang.

 

In heel kleine schoonheid

heb ik U ontmoet :

in een lelie op het water,

in een schelp op het strand,

in bloemen op tafel,

in een ring aan een hand.

 

In heel kleine vreugde

heb ik U ontmoet :

in een heldere hemel,

in een warme wind,

in een tedere moeder,

in een trouwe vriend.

 

In heel kleine daden

heb ik U ontmoet :

in vragende ogen,

in een hand door je haar,

in zoenende lippen,

in een zegenend gebaar.

 

In eenvoudige mensen

heb ik U ontmoet :

in spelende kinderen,

in jeugd die zich geeft,

in een man die kan knielen,

in een vrouw die vergeeft.

 

In al deze gaven

kwam ik U tegemoet,

wees Gij nu de brug

waardoor ik anderen

ontmoet !

 


IN U VLOEIEN ALLE KLEUREN BIJEEN, HEER,

 

Het rood waarin ik

de tederheid adem

van een stem, ogen

en handen, een lach

 

Het blauw dat me laat deinen

op golven van vreugde en verdriet

van geloof en onzekerheid

kracht en zwakheid

 

Het groen dat me spreekt

van lente en frisheid,

zich wijd in me vertakt

en diep in me woekert

met wat ik heb en ben

 

Het oranje waarin ik

de rust en de mildheid proef

van de rijpende avond

en het geel dat een kring

schept van licht om van te leven

 

Het paars dat me stil maakt

en leert dat leven

nooit, nooit voorbij gaat

 

Ik dank U, Heer,

dat ik die boog van kleuren

soms heel diep in mij mag ervaren.

Leer ook mij 'kleurrijk' te leven

ook al lijkt daar soms

wel eens geen reden toe.

Blijf me kleuren met

uw diepste tinten

laat ze in mij

verder bloeien naar

heel veel mensen

om me heen.

 

 

LEER ONS SAMEN DOOR HET LEVEN GAAN

 

Heer, leer ons samen

door het leven gaan,

vriend zijn

voor wie naast ons leven.

Help ons,

om iedere dag opnieuw

het beste van onszelf te geven.

Leer ons

voor elkaar te leven

en met elkaar.

Laat ons

een mens zijn

voor al onze medemensen.

Leer ons

geloven

dat Gij uw liefde toont

aan de mensen


door ons :

in een glimlach,

een goeie dag,

een goeie avond,

een begrijpend woord,

door te luisteren

en door blij te zijn.

Amen.

 

 

LOOFT DE HEER

 

Looft de Heer,

looft de oppermachtige Heer,

voor de schepping,

looft de Heer ;

 

om elke bloem,

om elke boom,

om iedere vogel,

om de blauwe hemel

en de fonkelende sterren,

looft de Heer.

 

Looft de Heer,

om Zijn genade,

om Zijn wonderen,

om Zijn licht

die ons leiden in het donker,

looft de Heer.

 

Looft de Heer

die Zijn vriendschap geeft aan iedere mens,

die Zijn Zoon gezonden heeft :

Hij was Liefde voor iedereen, tot aan het kruis,

looft de Heer.

 

Looft de Heer

die we terugvinden

in ieder van Zijn schepsels :

in man, in vrouw en kind ;

looft de Heer !

 

 

MIJN WENS IS

 

Mijn wens is :

dat je minstens

één mens mag hebben

bij wie je geborgen bent,

in wie je vertrouwen stelt,

bij wie je thuis kunt zijn.

 

Mijn wens is :

dat je minstens elke dag

één fijn moment mag beleven,

een ontmoeting, een lach,

een uitgestoken hand,

een blik vol begrip,

iets schoons, iets goeds,

iets dat je boeit,


iets waarbij je herademt,

opnieuw moed krijgt

laat zingen, danken en dienen,

iets dat je stil maakt,

iets dat je ontroert,

iets dat je bidden doet.

 

Mijn wens is :

dat je minstens één mens

mag gelukkig maken,

door je verschijning luisteren, je goedheid,

je aanwezigheid, je vriendschap.

 

Mijn wens is :

dat je dan elke avond

zachtjes kan zeggen :

het leven is heerlijk,

mijn vrienden zijn goed,

ik ben tevreden,

ik dank U, God.

 

 

MORGENGEBED 1

 

Ik wil U danken

al is de morgen nog beslapen.

Een vroeg concert fluitvogels

verklankt wat ik U zeggen wou :

heb dank, mijn God,

voor dauw en wolkendons

voor blad en bloem en bomen

voor rust en nachtelijke dromen

dat ik vannacht

onder Uw hoede te slapen lag.

 

 

MORGENGEBED 2

 

God onze Heer,

Vandaag beginnen wij een nieuwe dag,

de eerste volle vakantiedag in ...

Het ziet ernaar uit dat het een toffe dag zal worden,

boordevol spel en plezier.

Ik wil ook mijn steentje bijdragen,

want alleen als ook ik de eerste stap durf te zetten,

zal ik nieuwe vrienden vinden.

Ook Jezus zette altijd de eerste stap naar iedereen toe.

Hij hield van alle mensen, groten en kleinen, armen en rijken.

Wil Jij ons vandaag helpen, lieve God ?

 

 

MORGENGEBED 3

 

God onze Heer,

onweerstaanbaar roept Gij ons

uit de vlakte van dit leven

naar de toppen van nabijheid en vertrouwen.

Gij wilt dat wij U daar ontmoeten als vriend en leidsman,

om nadien terug te gaan ; terug naar het leven van alledag,

terug naar wat gedaan moet worden,

terug naar Uw mensen,


als aanbrengers, bezorgers van vriendschap en vertrouwen.

Wees Gij onze kracht door Jezus, Uw Zoon

en onze Vriend voor eeuwig.

Amen.

 

 

MORGENGEBED 4

 

Wij danken U voor de deugddoende nachtrust.

Nu geeft Gij ons een nieuwe dag.

Op uw woord willen wij weer uitvaren :

een schip is niet gemaakt om in de haven te blijven liggen

maar om volle zee te kiezen.

Wilt Gij met ons meevaren ?

Wij willen met U en met elkaar delen wat deze dag

ons brengt, naar het voorbeeld van Jezus, onze Heer.

Amen.

 

 

MORGENGEBED 5

 

Goede Vader,

Aan ieder van ons heb jij zovele talenten gegeven,

en toch zijn ze zo verschillend.

Wil je daarmee zeggen dat iedereen moet proberen

op zijn eigen manier,

de andere mensen blij en gelukkig te maken ?

Onze talenten liggen in onze hand als de zeilen van een schip.

Als we die goed gebruiken komen wij vooruit,

en de wind wordt onze kracht.

Dit willen wij vandaag proberen, zelfs als het moeilijk gaat.

Het belooft een fijne dag te worden.  Amen.

 

 

MORGENGEBED 6

 

God onze Heer,

Op uw woord zijn wij van wal gestoken.

Wij vlotten naar de overkant.

Elke dag van deze tocht is een nieuw avontuur

dat ons uitdaagt en volledig opeist.

Roep Gij ons op

wanneer wij het "gemakkelijke" verkiezen

boven wat wij moeten doen ... "met moeite" !

Stranden is verzanden

    is de richting verliezen

    is geen doel meer voor ogen hebben

    is onszelf boeien en verlammen.

Laat ons moedig in het spoor volgen van Hem

die ons is voorge­gaan, Jezus Christus, onze Heer.  Amen.

 

 

MORGENGEBED 7

 

God onze Heer,

Toen Gij de mens hebt gedroomd,

Uw schepping in Zijn handen gelegd,

toen was het Uw bedoeling

dat wij Uw werk zouden verderzetten.

Leven wordt daaro blijven zitten,

ons niet te koesteren in wat we nu zijn en hebben,


maar resoluut de levenszee op te varen,

en te kiezen voor de uitdaging

van de steeds nieuw wordende schep­ping.

Wij vragen het U door Jezus, onze leidsman en vriend.

 

 

MORGENGEBED 8

 

Heer Jezus,

met alle mensen hebt Gij vriendschap gesloten.

Iedereen kan rekenen op Uw vriendelijk woord

op Uw blije lach, want Gij laat niemand in de steek.

Wij willen ook vandaag,

met een fijn gebaar,

vrienden zijn voor elkaar.

Wij willen alles doen zoals Gij het zoudt gedaan hebben.

Komt Gij ook vandaag in onze vriendenkring ?

Gij zijt van harte welkom.  Amen.

 

 

NATUUR

 

Natuur,

omdat je zo natuurlijk bent,

ben je echt

Natuur,

omdat je zo eenvoudig bent,

ben je machtig.

 

Je bezit de kracht

om probleemvolle mensen

zo licht te maken als een veer.

Je organiseert niet,

en toch ben je altijd in harmonie.

Ieder struikje, ieder grassprietje,

elk beekje,

alles heeft zijn eigen plekje

en ademt van tevredenheid

met zijn eigen plaats

waar dan ook.

Je stilte roept me

naar de plaats

waar ik natuur-lijk kan worden

om dichter tot Hem te komen

aan wie we alle leven te danken hebben.

 

Dankjewel, Heer,

dat ik mag leven

dat ik mag genieten

en stil worden.

 

 

ONZE VADER  1

 

Gij, die ons draagt vanaf onze geboorte,

Gij zult ons blijven dragen,

Gij laat ons zijn wie we zijn,

Gij laat de zon schijnen

over goede en kwade mensen.

 

DIE IN DE HEMELEN ZIJT


maar ook in het hart van een kind,

in het spel van de wolken,

in de sterren en de morgendauw.

 

GEHEILIGD ZIJ UW NAAM

 

en Gij hebt vele namen,

maar de mooiste is wel :

leven, liefde, tederheid.

 

UW RIJK KOME

 

Uw rijk van machteloosheid

tegenover macht

van vrede tegenover geweld

van vrijheid

sterker dan verdrukking

Uw rijk, waar geen huilende mensen

meer zullen zijn.

 

UW WIL GESCHIEDE OP AARDE ALS IN DE HEMEL

 

Uw wil, waar we soms bang voor zijn

Uw wil, die anders is dan de onze,

en soms zo moeilijk te dragen is.

 

GEEF ONS HEDEN ONS DAGELIJKS BROOD

 

Geef ons genoeg geluk,

maar niet te veel,

genoeg geld, maar niet te veel,

genoeg verstand, maar niet te veel.

 

EN LEIDT ONS NIET IN BEKORING

MAAR VERLOS ONS VAN HET KWADE

 

Leidt ons niet in de bekoring

om alleen voor ons zelf te leven,

deze bekoring

om in niemand meer te geloven.

Leidt ons niet in bekoring

U te vergeten.

 

AMEN.

 

 

ONZE VADER  2

 

Refrein    Zeven armen, zeven kaarsen,

zevenmaal vuur, zevenmaal licht !

 

De middelste vlam is het licht van Gods liefde :

zo innig is Hij met ons verbonden

als een vader en een moeder met hun kind.

Hij is de bron waaruit wij leven.

Daarom mogen wij hem noemen :

ONZE VADER DIE IN DE HEMEL ZIJT.

 

Refrein

 


De tweede vlam is het licht van Gods heiligheid.

Hij ontmaskert onze afgoden :

geld en macht, genot en eer.

Hij is onze enige ware God !

Daarom durven wij Hem aanbidden :

GEHEILIGD ZIJ UW NAAM !

 

Refrein

 

De derde vlam is het licht van Gods Rijk

in Jezus zijn mensgeworden droom :

vrede, recht, hoop en vreugde

voor alle mensen zonder onderscheid.

Daarom vragen wij Hem met aandrang :

UW RIJK KOME !

 

Refrein

 

De vierde vlam is het licht van Gods wil.

Hij roept ieder van ons persoonlijk

om in deze wereld een variatie

te scheppen op zijn liefde.

Daarom vertrouwen wij ons toe aan Hem :

UW WIL GESCHIEDE OP AARDE ALS IN DE HEMEL.

 

Refrein

De vijfde vlam is het licht van Gods brood :

Zijn Woord en Geest van leven

aan ons gegeven om te delen

met wie nabij is en veraf.

Daarom komen wij met open hand tot Hem :

GEEF ONS HEDEN ONS DAGELIJKS BROOD.

 

Refrein

 

De zesde vlam is het licht van Gods vergeving.

Hij vergeldt niemand kwaad met kwaad.

Hij spreekt ons vrij als ook wij vergeven.

Daarom :

VERGEEF ONS ONZE SCHULDEN

GELIJK WIJ OOK VERGEVEN

AAN ONZE SCHULDENAREN.

 

Refrein

 

De zevende vlam is het licht van Gods bevrijding.

Wij zitten vast in de macht van het kwaad

voor een half woord nog maar

verloochenen wij reeds zijn droom.

Daarom roepen wij :

LEID ONS NIET IN BEKORING

MAAR VERLOS ONS VAN HET KWADE.

 

Refrein

 

 

ONZE VADER  3

 

2 fluiten + gitaar spelen 1 keer de melodie terwijl voorgezon­gen wordt ; de tweede keer zingt iedereen na met het volledig orkest als begeleiding.


Daarna spelen fluiten en gitaar de begeleiding bij de tekst van de eerste tot de derde vlam.

Vanaf de vierde vlam speelt de klarinet de tegenstem.

Vanaf de zevende vlam speelt het slagwerk mee.

Tenslotte zingen we nog twee maal het refrein.

 

 

De middelste vlam is de vlam van Gods liefde.

De liefde die wij ondervinden in de ontmoeting met de kinderen waarvoor wij vader of moeder mogen zijn.  God is de bron waaruit wij leven !  Daarom mogen wij Hem noemen :

ONZE VADER DIE IN DE HEMELEN ZIJT.

 

De tweede vlam is het licht van Gods heiligheid.

Hij laat ons toe te leven zoals we zijn.

Hij vraagt ons ons masker van egoïsme en eer af te leggen.

Hij is onze enige, ware God.

Daarom durven wij Hem aanbidden :

GEHEILIGD ZIJ UW NAAM.

 

De derde vlam : het licht van Gods Rijk !

Vrede, recht, hoop en vreugde voor alle mensen zonder onder­scheid : 11 -, 14 -jarigen, de ADO's, BLO's en zwaar mentaal gehandicapten, de speelpleinwerking en ons allemaal hier bij elkaar.  Daarom vragen wij met aandrang :

UW RIJK KOME.

 

De vierde vlam is de vlam van Gods wil.

Hij roept ieder van ons persoonlijk op om ons in te zetten, elke keer opnieuw.  En zo een variante te zijn op Zijn liefde.

Wij bidden daarom :

UW WIL GESCHIEDE OP AARDE ALS IN DE HEMEL.

 

De vijfde vlam is het licht van Gods brood ;

Zijn Woord en Geest van leven, aan ons gegeven om te delen met iedereen op kamp.  Daarom komen wij met open armen tot Hem :  GEEF ONS HEDEN ONS DAGELIJKS BROOD.

 

De zesde vlam : licht van Gods vergeving.

Hij vergeldt niemand kwaad met kwaad.

Hij spreekt ons vrij als ook wij vergeven.  Daarom :

VERGEEF ONS ONZE SCHULDEN

ZOALS OOK WIJ VERGEVEN

AAN ONZE SCHULDENAREN.

 

De zevende vlam : de vlam van Gods bevrijding.

Hij leidt ons steeds in goede banen, maar wij bouwen dikwijls niet mee aan Zijn Droom.  Daarom smeken wij :

LEID ONS NIET IN BEKORING,

MAAR VERLOS ONS VAN HET KWADE.

 

 

ONZE VADER  4

 

God, ons mensenhart hunkert naar liefde :

het is het thema en refrein van zoveel liedjes

die zingen van liefdetrouw en liefdesmart.

Onrustig zoekt ons hart naar het geluk :

woorden van liefde te mogen horen,

woorden van liefde te mogen uitspreken,

liefde en wederliefde te ervaren

die blijven in goede en kwade dagen,

in vreugde en in pijn.

 


(samen)

 

God, wij zitten vaak met scherven van liefde :

liefde die zichzelf zoekt en niet de ander,

liefde die eisen stelt en gelijk wilt halen,

liefde die afschampt op onverschilligheid,

liefde die afbrokkelt in afwijzing en ontrouw.

Wij bidden u :

luister naar de kreet van ons hart om Uw liefde :

liefde die zonder voorbehoud wil geven,

liefde die bereid is steeds te vergeven,

liefde die sterven kan als zaad in de voren,

liefde die antwoord geeft op Uw verbond met ons

zodat Uw rijk van liefde komen kan in ons midden

en wij samen tot U kunnen bidden :

 

Onze Vader ...

 

 

OPENINGSGEBED  1

 

God, als vreemden kwamen wij elkaar tegen.

Wat een wonder ... !

Wij mochten elkaar ontmoeten

en als een alpenbloem

ging tere vriendschap langzaam groeien.

Ons 'ik' werd 'jij' en 'wij'.

Samen stapten wij verder

en deelden vreugde en verdriet.

Laat het wonder van Uw vriendschap

ons elke dag begeleiden

en ons kracht geven

om er-te-zijn-voor-elkaar :

een wonder in onze handen,

in onze ogen, in ons hart ...

door Jezus Christus, onze Heer.  Amen.

 

 

OPENINGSGEBED  2

 

God onze Heer,

onweerstaanbaar roept Gij ons uit de vlakte van dit leven

naar de toppen van nabijheid en vertrouwen.

Gij wilt dat wij U daar ontmoeten

als Vriend en Leidsman, om nadien terug te gaan;

terug naar het leven van alledag,

terug naar uw mensen,

terug naar onze vrienden -

als aanbrengers van heil en vertrouwen.

Wees Gij onze kracht door Jezus Uw Zoon,

Uw Schakel in onze mensenketting.  Amen.

 

 

OPENINGSGEBED  3

 

Eeuwige God

uw naam, uw stempel dragen wij,

uw Zoon, uw evenbeeld

hebt Gij op ons gemunt,

aan U behoren wij toe.

Wij bidden U


dat wij van mens tot mens mogen gelijken op Hem ;

dat wij in onze samenleving met elkander

uw bestaan mogen uitbeelden

en uw genade weerspiegelen,

zoals Hij dat gedaan heeft, Jezus onze broeder,

ten dienste van deze wereld eens en voor altijd.

 

 

OPENINGSGEBED  4

 

Almachtige God,

in Jezus van Nazareth,

die wij als uw Zoon aanbidden,

hebt Gij het verlangen gewekt

om zonder macht en aanzien

mens te zijn in deze wereld.

En aan den lijve heeft Hij ondervonden

wat dat betekent :

als een slaaf is Hij gestorven op het kruis.

Wij bidden U :

laat ons in Hem uw wijsheid en uw kracht herkennen,

en schenk ons het geloof dat Gij bij machte zijt

zelfs doden op te wekken, Gij de levende God,

vandaag en alle dagen tot in eeuwigheid.

 

 

SCHULDBELIJDENIS  1

 

Ik kreeg elke dag zoveel kansen om gelukkig te zijn.

Toch mopperde ik als ik mijn zin niet kreeg.

Ik was jaloers als iemand iets beter kon.

Al het mooie en het goede was ik zo vlug vergeten.

Vergeef mij, Heer.

Gij weet dat ik eigenlijk in het diepst van mijn hart

toch wel dankbaar ben.

 

Heer, Gij geeft ons elke dag die mooie natuur rondom ons.

Toch zie ik het dikwijls niet.  Ik loop voorbij en maak lawaai.

Het is net alsof ik soms blind en doof ben

voor alles wat Gij geschapen hebt.

Vader, vergeef mij.

Gij weet dat ik die dingen toch wel fijn vind

en soms ook een beetje van de stilte hou.

 

Ik leef met zoveel mensen op deze wereld.

Samen kunnen wij er iets moois van maken.  Maar toch ...

soms duw ik iedereen van mij weg.

Ik denk alleen aan mezelf en heb niemand nodig.

Ik wil voor niemand iets doen

en laat de anderen liever stikken.

Vergeef mij, Heer.

Gij weet wel dat ik in mijn hart toch heel veel

van de mensen hou en hen niet kan missen.

 

 

SCHULDBELIJDENIS  2

 

Ik aarzel je de diepste woorden te zeggen,

ik durf niet, ik vrees je lach.

't Is daarom dat ik met mezelf spot

en mijn geheimen doe uiteenspatten in grappen.


Ik maak mijn miserie belachelijk

uit schrik dat jullie zelf ze belachelijk zouden maken.

 

Ik aarzel je de eerlijkste woorden te zeggen,

ik durf niet.

Ik heb schrik dat jullie ze niet zouden gelo­ven.

Ziedaar waarom ik ze verkleed in leugens

en het tegengestelde zeg van wat ik denk.

Ik doe mijn pijn als zinloos voorkomen,

uit schrik dat jullie ze absurd zouden vinden.

 

Ik aarzel voor jullie kostbare woorden te gebruiken,

ik durf niet.

Ik heb schrik niet te worden terugbetaald.

't Is daarom dat ik harde woorden gebruik

en uitpak met mijn ongevoeligheid.

 

Ik aarzel mij van jullie te verwijderen,

ik durf niet.

Ik heb schrik dat jullie mijn lafheid merken.

't Is daarom dat ik zo uitdagend ben

en naar u toekom met een air van onverschilligheid.

 

 

SOMS ZOU IK EEN VOGEL WILLEN ZIJN ...

 

Soms zou ik een vogel willen zijn

hoog in de lucht

ik zou zingen voor iedereen

voor de grote mensen,

voor de kleine mensen,

voor de bloemen, voor de dieren.

 

Soms zou ik een bloem willen zijn

en met mijn schoonheid zou ik

ouden en zieken kunnen blijmaken

ik zou geplukt worden in de wei

en water krijgen van de tuinman.

 

Maar ik ben een mens !

Ik heb zoveel gekregen :

een gezicht voor de anderen

handen om te geven

voeten om te gaan naar mensen

die me nodig hebben,

een stem om te zingen,

te bidden en te danken.

 

Dank U, God !

Bedankt !

Ik ben een mens !

 

 

TUSSEN DE AARDE EN DE HEMEL

 

God, gij hebt mij als een fijne draad,

geweven tussen aarde en de hemel.

Ik hang nog vast

met alle vezels aan de grond

waaruit ik ben genomen

en voel nog elke dag


verwantschap met het dier

dat instinctief wil overleven

en agressief wordt tegen iedereen

die zijn domein betreedt.

Ik ook heb mijn territorium

bepaald en afgetekend :

mijn grond en mijn bezit,

mijn overtuiging, mijn gedacht,

mijn gezag en mijn prestige.

Wie daar aan raakt...

 

Maar Gij trekt mij, God

om van die aarde

en die oorsprong los te komen

om U te zoeken en te minnen

met geheel mijn ziel

met al mijn verstand, met al mijn krachten.

Gij wilt mij van de zwaartekracht

bevrijden en van de redeloze dwang

van oeroude instincten.

Gij wilt mij ruimte geven

om te worden wie ik ben,

niet gehinderd door een territorium

dat ik zelf afgebakend heb.

Zodat ik, mild en open, zonder hinder voor mezelf

elke naaste kan beminnen zoals Gij het wilt.

 

God ik ben een fijne draad door u geweven

tussen aarde en hemel.

ik voel de zuigkracht van Uw Wezen

maar ook de aarde en haar zwaartekracht.

Zo zal het altijd blijven

tot alles is volbracht.

Manu Verhulst

 

 

UW WIL GESCHIEDE

 

O Heer, wiens tent de hemel is

en die heerst over de hele aarde,

almachtig en vreselijk wordt gij genoemd,

Heerser over stormen,

over mensen, vogels en dieren.

Uw wil geschiede op aarde,

zoals in de hemel.

Geef ons heden ons voedsel,

opdat wij sterk en moedig zijn.

Wis onze boze daden uit,

zoals wij de boze daden uitwissen

van hen die ons kwaad doen.

Wil alle verleiding

verre van ons houden,

die ons op verkeerde wegen kan voeren :

bewaar ons voor alle kwaad.

Want van U is al het geschapene ;

de aarde, de hemel en de rivieren,

de heuvelen en de dalen,

de sterren, de maan en de zon

en alles wat leeft en ademt.

Gij heerlijke, stralende, machtige God.

Amen.


 

VADER, STERK MIJ ...

 

 

Vader, al die dingen om me heen,

al die rode bloemen

die groene bomen

en die blauwe zeeën,

die hebt Gij geschapen.

 

Goede Vader,

al die mensen om me heen,

gelen en zwarten, blanken en roden,

groten en kleinen,

die helpt Gij overeind,

die houdt Gij op het rechte pad.

 

Lieve Vader, mijn geloof in U

en in de wereld,

de momenten van vreugde en pijn,

ogenblikken van lachen en huilen,

die dank ik aan U.

 

Vader,

help me al mijn gedachten

heel mijn geloof om te smeden

tot een hart vol liefde.

Vader, sterk me,

nu, straks, morgen, altijd.

Dank.

 

Een jonge christen.

 

 

VANDAAG WIL IK U DANKEN ...

 

Vandaag wil ik U danken,

danken zomaar omdat U er bent.

Ben ik eenzaam of verlaten

dan bent U voor mij een thuis.

Ben ik moe en uitgeput

dan geeft Gij nieuwe kracht.

Ben ik soms hard en koud

dan zijt Gij dooi en warmte.

Ben ik angstig en vol twijfel

dan zijt Gij zekerheid.

Mijn dromen en verlangens

blijven bij U steeds levend.

Mijn vreugde en blijdschap

kan ik met U delen.

Loop ik op drijfzand :

Gij zijt mijn vaste grond.

Sluit ik me op :

Gij gooit de ramen open.

Loop ik soms weg :

Gij holt mij achterna. 

Blijf ik koppig staan :

Gij trekt mij voort.

Mijn spanning, afkeer en berouw

kan ik bij U ontladen.

Is alles donker rondom mij,


dan zijt Gij licht en hoop.

Ik dank U omdat Gij de ruimte zijt

waarin ik leef.

Ik dank U omdat Gij de adem zijt

waardoor ik leef.

Ik dank U omdat Gij degene zijt

voor wie ik leef.

Ik dank U omdat Gij mij hebt geleerd

waarom ik leef.

Ik dank U omdat Gij er zijt.

 

(Uit L.P.  E.J.-Mozaïek 1, Yeah-songs 102)

 

 

VOORBEDEN VAKANTIE

 

Laten wij nu bidden dat God ons een hart geeft

dat vakantie kan nemen, zoals Hijzelf dat deed

- die zevende dag - toen Hij alles goed had gemaakt.

 

Laten we bidden

dat God ons een hart geeft - dat klein als een kind -

de verrassing beleeft van elke nieuwe morgen

en elke nieuwe horizon,

een hart dat zich laat drijven op de wolken

en gaat rusten in een ondergaande zon.  Laat ons bidden.

 

Geef ons een hart, God,

dat nog kan luisteren naar de vogels,

dat nog kan spelen en alles kan vergeten

bij een bal in het water

of in een kind spelend in het zand ;

een hart dat kan luisteren naar verhalen van mensen

en kan snoepen van hun vriendschap.  Laat ons bidden.

 

God, geef ons een hart

dat zich wil bekeren tot de eenvoud

en het geluk om kleine dingen,

een hart dat kan bewonderen

zonder te bezitten,

en kan bidden zonder woorden.

Een hart dat doorheen de dingen

kan schouwen naar Uw oneindigheid.  Laat ons bidden.

 

Ja, God,

geef ons een hart

dat vakantie nemen kan,

dan is het feest al begonnen

dat duren zal

tot in de heerlijkheid

van de eeuwen der eeuwen.

Amen. 

 

 

AFSCHEID

 

Wanneer je

afscheid neemt

van een vriend

dan treur je niet

want wat je het diepst


in hem bemint

kan klaarder voor je zijn

bij zijn afwezigheid.

De bergbeklimmer

ziet ook beter de berg

vanuit de vlakte.

 

K.Gibran

 

 

DE DIAMANT

 

de kleur, de zuiverheid, de vormschoonheid

en het karaat maken een diamant kostbaar

en ... ook ons leven

 

de kleur

 

een kristalheldere diamant heeft

de rijkste tonaliteit aan schakeringen

 

ook onze dagen worden kleurrijk

wanneer we ondanks alles

het leven innig liefhebben

wanneer we verwonderd zijn

om wat er aan goedheid en schoonheid leeft

en mogelijk blijft

 

de zuiverheid

 

alle facetten van een diamant spelen

optimaal in op het licht

 

ook onze dagen schitteren

wanneer we zuiver van hart zijn

en ons doen en laten doorzichtig is

wanneer we trouw blijven

aan het eens gegeven woord

aan onze taak en onze vrienden

 

de vormschoonheid

 

een bekwaam en liefdevol bewerken

slijpt een diamant tot een rots van licht

 

onze dagen worden enig mooi

wanneer we elk detail van iedere opdracht verzorgen

wanneer we onze talenten creatief ontplooien

en nooit berusten in middelmatigheid

 

het karaat

 

vooral het gewicht

bepaalt de waarde van een diamant

                                         

onze dagen verrijken aan inhoud

wanneer we het echt waardevolle

tijd en aandacht geven

wanneer we ons openstellen

voor de Bron van alle licht

en zo Gods goedheid weerkaatsen


 

Valeer Deschacht

 

 

 

DE JONGEN EN DE ROTS

 

Midden in de bergen lag een verloren dorpje aan de voet van een geweldige rots, waarin als het ware een reusachtig gelaat was uitgebei­teld.

Ieder die er voorbij kwam, bleef staan en keek omhoog, ver­won­derd en vol ontzag. Want hoe meer je er naar keek, des te meer kreeg het gelaat de trekken van een goed en edel mens.

Dat gelaat, reusachtig en toch bescher­mend, beheerste heel het omliggende alsook het kleine dorp dat beneden in het dal rust­te.

Daar vertelden de mensen dat in het dorp eens een mens zou komen die sprekend op de rotsfiguur zou lijken en die een nieuwe wereld van vrede en goed­heid zou vestigen.

 

In het dorp leefde eens een jonge man die het verhaal gehoord had van kinds­been af.  Zo groeide ook bij hem die droom van vrede en goedheid.  Onophoudend verwijlde hij met zijn geest en hart bij de rotsfi­guur.

 

Vaak zagen de mensen hem staan met zijn han­den boven zijn ogen, starend naar de rots.

" Wat zal dat een mooie tijd zijn ", dacht hij.

En stilaan kwam over zijn gelaat de rust en de goedheid van het beeld in de rots, waar hij vol van was.

Toen hij man was geworden, merkten de men­sen van het dorp, dat hij de gelaats­trekken droeg van het gelaat in de rots en dat hij edel en goed was als de droom waarover zij vertel­den.

 

Een groot en edel mens was onder hen geko­men, een mens met warmte in zijn handen en vrede in zijn ogen, een mens met een hart van liefde in zijn woorden, een mens die het goede deed ontwaken in ieder die hij op zijn weg ontmoette.

En de mensen uit het dorp dankten de hemel voor het gelaat in de rots, dat nu onder hen was in een edel mens van vlees en bloed.­

 

 

DE OUDE VROUW EN DE DODEN    Een Zwitserse­ legende

 

Hoog in de bergen, waar geen gras, zelfs geen mos meer groeit, waar zelfs de dieren niet meer kunnen leven,

waar slechts af en toe het gekrijs van de roofvogels te horen is,

daar is het zo koud dat het water bijna het hele jaar in sneeuw­kris­tallen uit de hemel valt.

Overdag laat de zon een deel van de sneeuw weer smelten en verdampen.  Maar een ander deel druppelt door de sneeuw naar beneden en verandert in ijs.  Zo liggen daar tussen de grote bergtoppen ongekend diepe en grote ijsmassa's.  Maar omdat zij, zoals het water dat van de hemel komt de aarde en de mensen willen dienen, bewegen deze ijsmassa's zich lang­zaam naar bene­den, naar de dalen.  Dat zijn de gletsjers.  's Nachts als het overal stil is kan men het breken en schuiven van het ijs horen ; het klinkt als het klagen en steunen van mensen.

 

Veel gletsjers zijn zo tot diep in de bewoonde dalen doorge­dron­gen.  En aan de rand van één van deze gletsjers leefde een oude vrouw in een kleine hut.  Haar man was jager geweest.  Op een dag was hij vergezeld van hun zoon over de gletsjers gegaan om gemzen te jagen.  Beiden waren niet meer terugge­keerd.  Vanaf dat ogenblik bleef de oude vrouw in het hutje aan de rand van de gletsjer wonen.  De mensen  uit het dorp brach­ten haar vlas om te spinnen en als loon ontving ze alles wat ze nodig had om van te leven.  Er was niemand in de verre omtrek die zo mooi en gelijk­matig kon spinnen als de oude vrouw.

Behalve voedsel vroeg ze bovendien altijd kaarsen als loon en de mensen brachten ze haar graag, want ze wisten dat de oude vrouw steeds een kaars aanstak voor de doden.  Daar, in het harde, koude ijs, in de winterse stormen en sneeuwlawines moesten de zielen verblijven die in hun leven hardvochtig tegen armen en zieken, tegen zwakken en ouden geweest waren, zielen die weinig liefde voor mensen en dieren gekend hadden.


Zodra het 's avonds donker werd, hield de oude vrouw op met spinnen.  Ze gooide dan nog een paar dikke blokken op het vuur in de haard, zette een brandende kaars voor het raam en opende de deur op een kier.  Daarna begaf ze zich naar bed.  Avond na avond hoorde ze hen komen, de doden van de gletsjer, die in haar hut beschutting en warmte vonden.  De oude vrouw sprak een gebed voor hen uit en sliep daarna vredig in.

 

Op een dag was ze lang doorgegaan met spinnen.  Haar ge­dachten waren terugge­gaan in het verleden, in de tijd dat haar kind bij haar speelde en haar man 's avonds uit de bergen met zijn buit terugkeerde.  Daardoor had ze de tijd helemaal verge­ten en er niet aan gedacht om een kaars voor het raam neer te zetten.  Plotseling hoorde ze een gekrab en geklop tegen het raam en daarna klagende stemmen die spraken : 'Kijk, kijk, de oude vrouw spint nog.'  Toen sprong de deur open en de doden kwamen naar binnen.  Het was al te laat om nog naar bed te gaan.

Vanaf die dag vergat ze nooit meer om tijdig een kaars voor het raam te zetten en de deur op een kier te openen.

 

Zo vergingen vele jaren en op een wintermorgen vonden twee herders die haar vlas en nieuwe voorraden brachten de oude vrouw met gevouwen handen en een tevreden lach op haar gezicht dood in bed liggen.  De jongste van de twee keerde terug naar het dal om voorbereidingen voor de begrafenis te treffen en een kist te halen, terwijl de oudere herder de hele dag bij de gestorvene bleef waken.  In de namiddag bracht de herder uit het dal een kist mee en beide herders legden de oude vrouw erin en ontstaken kaarsen aan haar hoofdeinde.

'In welke eenzaamheid heeft deze vrouw geleefd', sprak de jong­ste.

'Eenzaam misschien wel', meende oudste, 'maar niet alleen.  Ze heeft vele, vele vrienden gehad.'

Inmiddels was het donker geworden.

'Kijk eens', zei de oudste van de twee en wees naar buiten uit het raam.  Van de gletsjer af naderde een lange, lange stoet van bleke gestalten.  Ieder van hen droeg een brandende kaars.  Het waren er net zoveel als de oude vrouw had opgebrand voor de gestorve­nen.  De bleke gestalten stelden zich in een kring om het huis.  De oudste herder opende de deur en toen zagen ze hoe de oude vrouw uit het huis kwam en op de doden toetrad.  Alle bleke gestalten maakten een diepe buiging voor haar en gaven de oude vrouw ook een kaars.  Daarna trokken ze in een lange rij weg, de oude vrouw voorop.  De stoet eindig­de echter niet in de gletsjer­kloven, maar trok als een lichtend lint steeds hoger de berg op.

Over het ijs lag een roodachtig schijnsel, dat tot ver in de hemel reikte.  De stoet met haar lichtjes trok langzaam verder en ver­dween in de rode, hemelse gloed.  Vanaf die dag hoefden de arme zielen niet meer op de gletsjer te leven.

De liefde en de zorgen van de oude vrouw hadden hen uit de koude gletsjer bevrijd.

 

 

DE TAAL DER BERGEN

 

Bisschop Reinhold STECHER van Innsbruck is een begeesterd bergbe­klim­mer.  Hij hield een toespraak bij de opening van het Alpencentrum Hohe Tauern/Ru­dolfsh­ütte.

Bergen zijn voor hem een venster op de transcendentie.

Zij verwijzen naar Hem die alles overstijgt.

 

De bergen brengen een oeroude boodschap.  Deze is niet slechts de droom van een religieus romanticus.  Mensen uit verschillen­de kultu­ren van de Andes tot de Himalaya, van de Olympus tot de Kilimand­sjaro hebben ze gehoord, zelfs wanneer ze zacht en gedempt doorge­geven wordt.

Ik probeer de boodschap van de bergen te vertalen naar onze situatie toe.  Hun boodschap is volgens mij vijfvoudig.

 

1.  Hun eerste boodschap luidt :

 

* de bergen zwijgen - over een luidruchtige wereld

 

Nu en dan loop ik voor enkele uren weg uit mijn stad.

Wanneer ik dan vanaf de Nordkette naar beneden kijk op het dampend Häuser­meer, dan word ik me bewust hoe luidruchtig de wereld is die wij gebouwd hebben.

Alles is luidruchtig : motoren, machines, luidsprekers, lich­ten, kleu­ren. Wij hebben het bestaan tot een diskoteek omge­vormd.

 

Wanneer ik me echter omdraai naar de nissen in de bergtop en kijk naar de bergketens en let op de steile wanden en rots­spleten, dan overvalt me de stilte.  Wanneer een steen valt, dan wordt dit geluid iets kostbaars, een zeldzame gebeurtenis dat in de echo verder uitdeint.


Is het ons nog niet opgevallen dat we in onze straten en huizen geen echo kennen ? Dit geldt echter niet alleen voor de buiten­we­reld, dat geldt ook voor de ziel van de moderne mens.  In ons kan niets meer nagalmen.

Indrukken, prikkels en gebeurtenissen volgen elkaar snel op.

Niets kan nog eindigen.  En zo zijn niet enkel onze trommel­vliezen gealarmeerd, maar ook onze hersenen.

De mens verliest de dimensie van de diepte.  De bergen echter zwijgen.  Zij beschermen en handhaven - niet altijd met sukses - ruimte en gelegen­heid tot stilte.

De stilte echter was steeds het voorportaal van de gods­dienst,

het tapijt dat uitgelegd moest worden, zodat men erop kon bid­den.

 

 

2.  Het tweede luik :

 

* de bergen rusten - over een gejaagde wereld,

 

Ons tijdperk wordt gekenmerkt door vooruitgang, levendigheid en mobili­teit.  De tijdsgeest gaat tewerk, als een verkeers­agent die groepen opge­jaagd toewuift : " Verder, verder ... ! "

Het spel dat we dagelijks spelen heet  " Dalli, dalli ".

 

Wij staan niet aan de naaf van de tijd, wij worden naar de

pe­riferie van een razende carrousel gedreven.  Wij glijden van ogen­blik tot ogenblik.  Gedragspsychologen hebben het over

" momentanis­me " bij de huidige mens.  Wij worden door het ogen­blik en nu-mo­ment gevormd.  Bedacht op zijn nut, gefasci­neerd door zijn genoe­gen, met weinig zin voor verbinding in de toekomst, nauwelijks verbonden met het verleden, zonder zin voor het stevige en het blijvende.

 

De bergen echter rusten over deze onrustige voortdrijvende wereld.  De plaatse­lijke bevolking en de koster begroeten mij vandaag nog zoals zij mij als kind begroet hebben.  En wanneer zij de tiende generatie na ons zullen begroeten, zal er welis­waar veel veranderd zijn - de bergen echter zullen geen spier vertrok­ken hebben.

" Wat wil je, opgewonden en gewichtigdoende mens van de 20-ste eeuw ? ", vraagt de berg. " De beek waaraan je voorbijgaat heeft zijn ravijn doorheen miljoenen jaren uitgegraven.  De steen, waarover je struikelt, heeft ijstijden en krijtzeeën gezien.

De rotswand, die zich boven jou verheft, is duizendmaal ouder dan de mensheid. "

Zo zingen de bergen zonder woorden het lied van de eeuwig­heid. Onhoorbaar verwijzen zij naar Hem voor wie duizend jaren zijn als één dag.

 

 

3.  Een boodschap om dankbaar te zijn.

* de bergen stellen eisen in een weke wereld.

 

De berg legt zich, om zo te zeggen, dwars tegen onze met schuim­rubber beklede welvaartsmaatschappij.  Wie werkelijk een ontmoe­ting met de berg wil, kan hem niet met beklimmingshulp­middeltjes of panoramacafés verschalken.

*  De berg ruilt met hartverfrissende ruwheid het droombed voor de harde brits, de klubzetel voor de bivakzak.

*  Hij bezorgt bij het vallen van de avond blaren op de voeten en bij zonsop­gang spierpijn.

*  Hij vergt zweet en moet niets hebben van deodorants.

*  Hij schrijft jou de goede, oude rugzak voor.

*  Hij doorkruist met het grilli­ge weder onze plannen en wen­sen.

 

De gure wind, die vaak langs de bergtoppen fluit, heeft maling aan maat en welvaart.  Daarom worden de bergen door velen afgewe­zen omdat ze juist zo onge­makkelijk zijn.  Zij echter, die de berg wel willen beklimmen, treden daarmee in de nabijheid van God. 

 

De God van waarheid was nooit gemakkelijk.  Bij al zijn schoon­heid en goedheid verlangt Hij niettemin offers en afstand.

Tegen­woordig probe­ren wij zo vaak ons een " Lieve God op nulta­rief " te knutselen die ons een kosteloze dienst voor onze ziel biedt.

 


Tegenover deze ruige trek van de bergen, lijkt hun volgende trek bijna in tegen­spraak.

 

 

4.  een boodschap van vriendelijkheid

 

* de bergen schenken warmte - in een afgekoel­de wereld

 

 

Op bepaalde tijdstippen van het jaar kennen wij het verschijn­sel van de " Kältesee ", dit betekent dat het in de bergen warmer is dan in de dalen.  Dit kan men ook in overdrach­telijke zin begrij­pen : in de hoogte kan het warmer zijn dan beneden.

 

Wij hebben dit reeds bij onze alledaagse bergbeklimming erva­ren : in de bergen groet iedereen iedereen.  Maar beneden op de par­king, waar 200 auto's staan, is het al afgelopen - daar lopen we elkaar gejaagd voorbij.

Men heeft daarover overtui­gende weten­schappelijk onderzoekin­gen gedaan : de koncentra­tie, de massifikatie bevriest de men­selij­ke kontakten.  Over wolken­krabbers en stadswijken drukt de vereenzaming en gebrek aan kontakt als bij een koude mist.

Hoe meer de wereld verste­de­lijkt des te minder mensen op elkaar achten en elkaar hel­pen.

Ik moet je niet duidelijk maken hoe vaak bergen mensen samen­brengen, vriendschap en hulpvaardigheid oproepen.  Ik moet niet verklaren dat bergen een afkeer van de massa heb­ben.  Ze be­groeten de enkeling, de familie, de groep, de Seilschaft (x).

Voor de massa trekken zij zich terug.  Als priester hoef ik niet te verkla­ren dat deze trend naar, voor, en met elkaar, het eeuwig program­ma van God is.  Het lied van de Barmhartige Samari­taan klonk voor de eerste maal in de eenzame bergwoestijn van Jude­a.

 

 

5.  heerlijke bergen : een deugd­doend woord !

 

* de bergen stralen - over een donkere wereld

 

De beelden die we in onze ziel bergen zijn onze grootste schat.

Eén van de mooiste beelden die we terug naar huis meenemen, is steeds het beeld van het eerste morgenlicht, dat in de bergen opklaart.  Bij het beeld van het ochtendgloren in de bergen vertoe­ven we nog even.  Er zijn nu eenmaal die donke­re dalen.  Zelfs wanneer wij ons niet tot de pessimisten reke­nen, moeten wij erkennen dat de depres­sie een verschijnsel van deze tijd wordt.

Ik hoor nog de klacht van een psychoterapeut die een paar dagen geleden bij mij zijn hart uitstortte.

De depressie wordt het steeds in aantal stijgende lot van de enke­ling.  Men heeft in het hedendaagse kultuurpatroon de neiging tot het overbeklemtonen van het negatieve in de maat­schappij.

 

In deze laatste kwarteeuw waarin we het beter hadden dan ooit voordien, verscheen een Franse roman onder de titel " Bonjour Tristesse ", " Goeie dag, Treurigheid ".  Het was niet enkel de titel van een boek, maar de titel voor een tijdperk.

 

We kunnen vele redenen opsommen voor dit zo vaak verduis­terd levensgevoe­len : gebrek aan toenadering en aandacht, afkeer, verve­ling, zinloosheid, leegte, verdrongen geweten, egocen­trisme. Wat het ook weze : het is voor vele tijdgeno­ten duis­ter in het dal van hun bestaan.

Ik beweer geenszins dat de bergen " het " geneesmiddel zijn voor dit alles.  Wel kunnen ze vaak helpen, ze zijn een natuur­rijke thera­pie, maar vooral zijn ze een teken van bevrijding.

 

Het verrukkelijkste van alle beelden, het eerste licht op de berg­top­pen, het vuur dat vanop de eeuwige sneeuw op de kam van de bergtoppen naar beneden glijdt en de dode donkerte in zacht blauw en hel groen verandert - dit beeld is de steeds terugke­rende lofzang aan de bevrijdende God.

 

De bergen zwijgen - over een luidruchtige wereld

de bergen rusten - in een gejaagde wereld

de bergen vergen inspanningen - in een verwekelijkte wereld

de bergen verwarmen - in een afgekoelde wereld

de bergen stralen - over een donkere wereld.

 

Ze herhalen de boodschap van God op een bescheiden en toch indrukwekken­de manier.


En wanneer vandaag over dit mooie tehuis van de alpenvereni­ging de zegen getekend wordt,

dan mag dit niet een magisch gebaar zijn,

maar een bede dat, achter alle vrolijk of ernstig gedoe dat dit huis vervullen zal, ook deze oerou­de boodschap hoorbaar zal wor­den.

Zo zal het dan een uitdrukking zijn van dank aan Diegene die ons de bergen geschonken heeft.

 

Bisschop Reinhold Stecher

Innsbruck

(x) Seilschaft : cordée, bergbeklimmers aan éénzelfde touw.

 

 

EEN INDISCHE PARABEL

 

Twee monniken trokken de bergen in,

hoe langer hoe hoger, op zoek naar God.

Op een gegeven ogenblik zagen ze geen mensen meer,

alleen nog vogels.

Eén van de vogels werd op hen verliefd en bleef bij hen,

terwijl ze hoger en hoger klommen.

Toen kwam de winter ...

 

Alle vogels trokken weg naar warmere streken.

En die ene vogel moest nu kiezen :

meevliegen of bij zijn vrienden blijven.

Uit liefde koos hij de monniken en bleef bij hen.

Toen werd het midwinter en van de kou

dreigde de vogel te bevriezen.

De ene monnik zei : " Schiet op, jij ! Als je niet meegaat,

moet ik je naar beneden dragen !

En ik ben druk op zoek naar God ! "

 

Tenslotte bracht hij de vogel naar beneden

en toen hij dat deed,

droeg hij opeens God in zijn handen ...

 

 

GEBED

 

Heer,

toen ik in het diepe dal zat

en geen spatje meer zag

van het licht op de top,

heb ik U aanroepen en het werd lichter.

Het licht kwam in het dal,

en langs het licht

klauterde ik weer omhoog,

moeizaam,

maar eenmaal aan de top

zag ik het licht

in volle glorie.

Het leed was geleden

en dankbaar

heb ik U licht omhelsd.

Nu weet ik zeker:

U bent het stralende licht

aan de top van de berg,

maar ook

de schittering van het vonkje in het dal.

 

Toon Hermans

 


HET GEHEIM VAN DE BERGEN

 

Misschien ben je wel eens met je vader samen op stap ge­weest.

Je kwam bij een toren en je vroeg aan je vader :

" Pa, mag ik een frankske om de toren te beklimmen ? "

 

Misschien ben je ook wel eens met je vrienden op wandel ge­weest.

Je kwam voor een muur en je wilde over die muur heen kij­ken.

Wat zou daarachter zijn ???

 

Misschien ben je op vakantie in de buurt van bergen geweest en dan vroeg je : " zullen we die berg eens beklimmen ? "

 

Waarom zouden we dat toch telkens weer willen :

verder zien, hoger klimmen

om nog verder te kunnen kijken ?

 

Eigenlijk dragen alle mensen dat in zich mee :

boven op een berg moet iets zijn, iets over het leven heen,

kijken over ...

En dan telkens dat entoesiasme.

Het lijkt of een bergspits het droomgebied van de mensen is.

Altijd al. Lang voor ons.

Is het alleen  omdat we op een berg verder kunnen kijken ?

Waarom hebben bergen altijd

de aandacht van de mensen getrok­ken ?

 

In sommige tijden waren de bergtoppen de plaats

waar men dacht dat de goden leefden.

Noem maar eens een paar van die bergen op :

de Olympus, De Foetsjiama.

En als er geen bergen waren, maakten de mensen bergen :

ze bouwden torens : de toren van Babel, de Borroboedoer.

 

Aan de voet van een berg, de berg Athos, wonen monniken.

Soms klimmen ze naar de bergtop.

Daarboven staat een icoon over het Thabor-verhaal.

Waarom ?

 

Zou dat iets te maken hebben met wat de mensen ervaren

als ze de hoogte ingaan ?

 

Ze zien meer en sommigen zeggen : we hebben het gezien.

Ze stralen ervan.

Zou zo ook bv. Mozes niet van de Sinaï-berg zijn afgekomen ?

Ik heb het gezien, mensen, nu weet ik hoe het moet.

Hak het maar op stenen tafelen !

 

Je kunt op de bergtoppen niet over de grenzen heenkijken,

maar toch ... de vogel in ons voelt zich vrij worden.

In alle eenzaamheid, daar ver boven in de toppen,

beleeft de mens misschien iets wat hij God noemt.

Iets dat hem verrukt.

 

En dan komt de vogel terug, naar beneden.

We zouden het anderen willen vertellen.

Zullen ze ons wel geloven ?

 

Hoe houd ik het nog uit tussen jullie, zei Jezus,

toen Hij van de berg afge­daald was.

 


In de ogen van anderen zijn het vreemde vogels, die iets derge­lijks beleefd hebben en het zouden willen medede­len.

En toch zal de vreemde vogel naar beneden moeten komen,

naar de stad van de mensen.

Daar alleen kan hij alles kwijt.

 

" Ik ben boven geweest " zegt hij en hij straalt ...

 

 

JE MOET NOOIT ALLEN DE BERGEN OVER ...

 

Ook als je aankijkt tegen bergen onrecht,

bergen kwaad en onwil,

tegen strukturen die niet

te veranderen zijn,

honger die niet gestild en

dorst die niet verzadigd wordt,

bewapening die er toch komt...

ook als je aanloopt tegen muren

van onbegrip, verdachtmaking

en achterdocht...

geef ook dan niet op !

Ga door !

 

Zie, er zijn nog mensen

- méér en méér -

die met je meegaan tegen bergen aan.

In deze groeiende gemeenschap

daagt de hoop, de zekerheid

dat het toch kan,

dat vrede komt,

en recht ooit zal gebeuren,

en mensen ooit

elkaar "broer" en "zus" gaan noemen.

In deze gemeenschap weet je

dat Hij er is, de God die

mensen "leven" geeft.                        

 

Je moet nooit alleen de bergen over ...

 

 

KOM MEE OP DE BERG

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 17, 1-9

 

In die tijd nam Jezus

Petrus, Jakobus en diens broer Johannes met zich mee

en bracht hen boven op een hoge berg,

waar zij alleen waren.

Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd :

Zijn gelaat begon te stralen als de zon

en Zijn kleed werd glanzend als het licht.

Opeens verschenen hun Mozes en Elia,

die zich met Hem onderhielden.

 

Petrus nam het woord en zei tot Jezus:

" Heer, het is goed dat wij hier zijn.

Als Gij wilt zal ik hier drie tenten opslaan,

één voor U, één voor Mozes en één voor Elia. "

 

Nog had hij niet uitgesproken


of een lichtende wolk overschaduwde hen

en uit de wolk klonk een stem :

" Dit is Mijn Zoon, de welbeminde,

in wie Ik Mijn welbehagen heb gesteld ;

luister naar Hem. "

 

Op het horen daarvan

wierpen de leerlingen zich ter aarde neer,

aangegrepen door een hevige vrees.

Maar Jezus kwam naar hen toe,

raakte hen aan en zei :

" Sta op, en wees niet bang. "

 

Toen zij hun ogen opsloegen

zagen zij niemand meer dan alleen Jezus.

Onder het afdalen van de berg gelastte Jezus hun :

" Spreek met niemand over wat ge hebt aanschouwd

voordat de Mensenzoon uit de doden is opgestaan. "

 

 

TOUWSYMBOLIEK   Jos B.

 

Een touw drukt verbondenheid uit,

veiligheid en redding als ons leven

aan een zijden draadje hangt.

 

Met een koord om je middel

durf je weer voort, de geborgenheid

van de groep trekt je mee.

 

Touwen zijn er om vast te houwen,

ze worden je toegeworpen als een uitnodigend gebaar

om je na je hulpgeroep

weer op te nemen in de groep.

Ze behoeden je voor een fatale val.

 

Maar je kan in touwen ook verstrikt raken.

Als je de knopen niet genoeg beheerst, struikel je,

licht je je tochtgenoten voetje of worden de

veiligheidsbindingen een toeglijdende strop

om je hals.

 

Als je echter de regels van de cordee leert,

stap je niet meer angstig alléén,

maar vol vertrouwen samen op.

 

De druk van de verantwoordelijkheid wordt over

verschillende schouders verdeeld,

je mag al eens een foutje maken,

je hoeft niet langer onfeilbaar te zijn,

één misstap betekent niet meer

onvermijdelijk het einde.

 

Ik wil niet alléén door het leven klimmen.

 

 

ZOALS DE ADELAAR ZIJN JONGEN DRAAGT ...

 

Ze waren deze morgen al heel vroeg vertrokken uit het Ferien­dorf, en nu klommen ze nog steeds en het liep al tegen de avond.­

 


Mieke, veertien jaar, stapte voorop, als een echte bergbeklim­mer, speurend naar het pad, dat langzaam maar zeker tegen de rode rotsen van de Fie­schergletscher opklom.  Papa volgde haar, en hij floot.

Dat deed hij altijd als hij blij was.

Mama die floot niet ( ze kon trouwens niet fluiten ), neen, mama zuchtte ! Ze zuchtte, want haar voeten deden pijn, ze had dorst en haar bloes plakte van het zweet ...

Wat ook plakte, dat waren de schoenen van Koen !

Ze plakten aan de rotsbodem, zo moe was hij.

Elke stap woog voor hem als lood.  Hij dacht er net over het maar op te geven, en zich hier op de grond te laten vallen, toen Mieke plots riep : " Ik zie de hut ! Ik zie de hut ! "

 

Een uur later zaten ze rond het open haardvuur in de berghut, en de rest van de wereld kon hen gestolen worden.

En als de oude bergbewoner niet was beginnen vertellen over zijn lange leven, zo dicht bij de top van de berg, waren ze zeker vlug in slaap gevallen.

Het was heel laat toen ze eindelijk naar bed gingen, en nog lang zagen Mieke en Koen in gedachten de oude man onbeweeglijk voor de dansende vlammen zitten.

 

Langzaam wordt het licht in de bergen, heel langzaam,

en dat licht is zacht, omfloerst door nevel en dauw.

Een nieuwe dag groeit.

En kijk !

Daar stappen Mieke en Koen al terug op het bergpad, en wie is hun gids ? De oude man van de vorige avond.

Hij wil hen de bergen laten zien zoals ze echt zijn, heeft hij ge­zegd.  En dus stappen ze nu achter hem aan over het steeds smaller wor­dende paadje, steeds dichter naar de top.  Witte slierten mist dansen om hen heen. Het pad wordt moeilijker begaanbaar, en hier en daar helpt de oude man hen over de rotsblokken heen.  Het lijkt of hier nog nooit een mens een voet gezet heeft.

Plots horen ze, ver boven hun hoofden, een schreeuw.

 

Mieke en Koen schrikken, en kijken naar hun gids.  Maar deze glimlacht alleen heel even, en stapt verder.

Even later, weer zo'n kreet, veel dichterbij nu.

Ze kijken omhoog, maar zien alleen mist en nevel voor hun ogen.  En dan, dan gebeurt het !

Een grote zwarte schaduw valt uit de lucht, en scheert laag over hun hoofden.  Broer en zus willen het al op een lopen zetten, maar de grijze man stelt hen gerust, en trekt hen mee naar een soort nis in de steile rotswand.  Als ze daar goed en wel een plaatsje hebben gevon­den, wijst hij recht vooruit, en kijk daar !

Een enorme vogel, met brede vleugels, stevige klauwen, een angst­aanjagen­de haaksnavel en scherpe, diep-door-je-heen-kijkende ogen zweeft traag, zonder de vleugels te bewegen, geluidloos dichterbij.

 

Hij gaat op nog geen vijf meter van hen af zitten, en kijkt hen onderzoekend aan.  De oude man praat nu heel zacht. Vreemde woorden gebruikt hij, woorden die ze niet kennen.

En het is alsof de machtige vogel luistert, en af en toe knikt.

Dan zwijgt de grijsaard en de vogel slaakt weer zo'n vreemde kreet.

Dan vliegt hij op, eerst met zware vleugelslag, maar al vlug zweeft hij met gespreide vleugels over hen heen, en weg.

Het duurt een hele tijd voordat Mieke zegt :

" Hé, wat een ge­beurte­nis ! En wat een vogel ! Dat moet wel de Koning van de vogels zijn ! "

Koen die dromerig zat te staren, schiet door die woorden op, en fluistert : " Die arend, dat is God ! "

 

's Avonds vertelt hun gids een oud, heel oud verhaal.

Een verhaal, zegt hij, uit het Boek der Boeken.

 

" De adelaar, de koning der vogels, maakt zijn nest hoog in de ber­gen.  Van daarboven tussen de rotsen zal hij zijn jongen leren vliegen.  Want ook de jongen van een adelaar hebben vleugels, en moeten al vliegend de wijde wereld verkennen.

Eerst zal de adelaar zijn vleugels spreiden, en zijn jongen op zijn vleugels over berg en dal dragen, tot ze zelf door de lucht kunnen zweven, over de landen en wateren van de wereld.

En zoals de adelaar zijn jongen draagt, zo vertelt Mozes in de Bijbel, zo draagt God, de Heer, zijn volk, zijn mensen. "

 

 

UIT HET EERSTE BOEK KONINGEN


Toen Elia bij de berg Horeb kwam

ging hij er een grot binnen en overnachtte daar.

Toen kwam het woord van de Heer tot hem :

"Ga naar buiten en treed aan voor de Heer op de berg."

Toen trok de Heer voorbij.

Voor de Heer uit ging een zeer zware storm ;

die bergen deed splijten en rotsen verbrijzelde.

Maar de Heer was niet in de storm.

Op de storm volgde een aardbeving.

Maar ook in de aardbeving was de Heer niet.

Op de aardbeving volgde vuur.

Maar ook in het vuur was de Heer niet.

Op het vuur volgde het suizen van een zachte bries.

Zodra Elia dit hoorde,

bedekte hij zijn gezicht met zijn mantel,

ging naar buiten en bleef staan aan de ingang van de grot.

En toen klonk er een stem die hem vroeg :

"Wat doet ge hier, Elia ?

Hij antwoordde :

"Ik heb vurig geijverd voor de Heer,

de God der hemelse mach­ten.

De Israëlieten hebben uw verbond met voeten getreden,

uw altaren omvergehaald

en uw profeten met het zwaard gedood ;

ik alleen ben overgebleven

en nu staan ze ook mij naar het leven."

 

Toen zei de Heer tot hem :

"Keer terug op uw schreden

en ga door de woestijn naar Da­mascus ;

als ge daar gekomen zijt,

moet ge Hazaël zalven tot koning van Aram.

Jehu, de zoon van Nimsi, moet ge zalven

tot koning van Israël,

en Elisa, de zoon van Safat uit Abel-Mechola,

moet ge zalven tot uw opvolger als profeet."

 

 

ALLEEN LIEFDE

 

Er was eens een man, gedreven door de geest

die de mensen gelukkig wilde maken.

Hij werd gedreven

door de geest naar de woestijn,

om alleen te zijn, om alleen te kunnen dromen,

om te weten wat hij wou,

om te bidden voor zijn droom.

En de dromen kwamen in hem op :

geef de mensen brood en spelen,

zij wensen niets meer dan dat,

geef hun genot en zij zullen u aanbidden.

Maar hij wees de droom van zich af

en zei : ik wil meer voor de mensen,

voor mijn broeders.

Een andere droom greep hem aan, die zei :

koop uw succes niet met wat broden,

grijp naar de macht :

verzamel soldaten, wapens, vestig uw gezag.

Maar hij wees ook die droom van zich af en zei :

de mensen zijn geen slaven,

ik ben gekomen juist om vrij te maken


om het juk af te nemen van hun schouders

en niet om te verkrachten.

En een derde droom kwam op en zei :

wend u tot de wetenschap, tot de techniek,

en gij zult wonderen doen en iedereen verbazen :

iedereen loopt u dan achterna.

Maar hij wees ook die droom van zich af en zei :

de wetenschap is niet het laatste woord ;

diep in mij, in de diepste kern van mijn wezen

begin ik te beseffen :

het laatste woord is LIEFDE.

Ik zal tot de mensen gaan en spreken over liefde,

en daarom arm blijven en onmachtig,

gebroken als een riet, gefolterd als een slaaf :

het laatste woord van heel mijn leven

is LIEFDE.

 

naar Lk.4, 1-13.

 

 

ALS DRIE BLOEMEN TOT LEVEN KOMEN

 

Ik keek rond en zag een bloem langs de weg.

Ze was mooi en nieuw

in het licht van de opgaande zon.

Ze sprak ' Wil je me plukken ? '

' Wie ben je ? ' vroeg ik.

'Ik ben Goedheid ', antwoordde de bloem.

' Wil je me in je hart planten ?  anders verwelk ik ! '

Niet begrijpend deed ik wat de bloem me vroeg

en plantte ze in mijn hart.

Nadenkend stapte ik verder.

Goedheid komt van God,

gegeven aan de mensen voor hun geluk.

 

Blij werd mijn hart

en toen zag ik een goudgele bloem.

Zo warm en teder.

Ik boog me neder en spreidde mijn handpalmen rond haar kelk.­

Ze sprak : ' Pluk me, geef me een plaats in je hart naast Goed­heid. '

' Wie ben je ? ' vroeg ik.

' Ik ben Dankbaarheid. '

Lange tijd keek ik naar de bloem, plukte ze

en plantte ze naast Goedheid in mijn hart.

In mijn hart was Dankbaarheid en Goedheid.

 

Het was al avond toen ik terugkeerde van mijn geheimvolle tocht en nu zag ik een dieprode bloem, geurig en fris, wonder­mooi.

Altijd had ze langs de weg gestaan,

maar ik was ze steeds voorbij gegaan.

Zij was Liefde en kwam in mijn hart.

Ze overrompelde me met vreugde en vrede.

De Liefde was het antwoord op mijn zoeken

naar het waarom van het leven ;

naar de zin van mijn bestaan,

een geheimvol verlan­gen naar God.

 

De ganse nacht heb ik met mijn drie bloemen gesproken.

Wat er verteld werd weet God alleen.

 

Toen de dag aanbrak wist ik me geroepen in deze wereld.


Om deze roep, gaf de Heer me een goede groeisituatie ...

een school, een bloementuin met variaties allerhande.

Want de gezindheid van de Heer heerst,

waar iedereen zich thuis voelt

daar weet iedereen zich bemind en bloeit er open.

Altijd is er die God.

Hij zendt ons,

en elke dag worden we door zijn Geest nieuw gemaakt,

bekwaam om Goedheid en Dankbaarheid,

om Liefde aan ande­ren door te geven.

 

 

DE GOEDE PLEK

 

Konijn zat in de late herfstzon voor de opening van z'n hol te soezen en rond te kijken.  De avondlucht was wel niet zo warm meer, maar hier buiten was het toch beter dan in het hol waar het erg vochtig en kil was.  " Had ik maar een hol in het midden van het bos waar de grond droog is " zuchtte Konijn.  Maar de Goede Plek, zoals het midden van het bos heette, was reeds lang volzet door andere dieren die er soms reeds lang, van vader op zoon, woonden.  De Goede Plek was koel en fris in de zomer en afge­schermd voor de felle koude in de winter.  De vele herfstregens konden niet door de dichte bladerkruin drin­gen en in de lente bloeide er de boshyacint in toverachtig blauw.

" Waarom ben ik daar niet geboren, waarom ben ik een dier van Vergeethoek ? " zuchtte Konijn nogmaals.

 

" Zo kerel, wat zit jij daar met neerhangende oortjes te treu­ren? "

 Konijn schrok op uit z'n mijmeringen.

" O, dag Zwerver, ik zat net te denken aan de Goede Plek en hoe zielig het hier in Vergeethoek wel is. "

" Zielig ? " antwoordde Zwerver, die een zwerfkat was.  " En wat moet ik dan zeggen ?  Jij hebt nog een hol maar ik !  Ik heb helemaal geen plaats voor mezelf.  Ik moet rekenen op de goed­heid van de anderen dieren, en eerlijk gezegd, ik ben liever in Vergeethoek dan op de Goede Plek hoor ! Hier word ik veel vriendelijker en gastvrijer ontvangen.  Ik denk dat ik nog maar twee keren in m'n leven heb mogen logeren bij iemand op de Goede Plek en dan nog in de rijke winter van drie jaar geleden, toen al de wintervoorra­den uit­puilden van het voedsel.  Ja, toen mocht ik er soms wel eens binnen en mocht ik zelfs meeëten.

Maar met deze slechte zomer ! Iedereen zorgt zo erg voor z'n eigen voedsel en voor­raad, dat er voor mij wel niet veel te vinden zal zijn ! "

 

" Ja, " sprak Konijn, " de bomen waren niet rijk beladen dit jaar.  Het zal een harde winter worden, ook op de Goede Plek. "

" Zo, ik stap maar eens op, want er hangt onweer in de lucht " zei Zwerver.  Zwerver vertrok en Konijn ging z'n kille hol binnen.

 

Buiten stak de wind op en trok de laatste bruine bladeren van de bomen.  De regen viel in dikke spetters op de grond en de lucht werd donker.

 

Het duurde niet lang of heel het bos - van Vergeet­hoek tot de Goede Plek - werd geteisterd door een hevig onweer.  Rukwin­den sleurden takken van de bomen en kletsten de regen in striemen op de grond.  Het water in de beken steeg en over­spoel­de de lagergelegen delen van het bos.  Jonge boompjes kraakten doormidden of werden met wortel en al uit de grond getrokken.  De donder ratelde en bulderde onophou­delijk over het donkere bos.  De bliksem verlichte in schrille, witte kleuren het donkere bos.

 

Het water gutste binnen in het hol van Konijn.  Met z'n achter­pootjes trachtte hij dammetjes op te werpen om de vloed tegen te houden, maar telkens opnieuw werden er bressen geslagen in de wanden van z'n pijpen en kamers.  Buiten in de bomen vlogen de vogels hulpeloos rond hun nesten waar hun jongen angstig piepten of verscholen zich tussen de dichte blader­krui­nen op zoek naar beschut­ting.  Kater liep van de ene kant naar de andere kant en hielp waar hij kon, om het onheil te beper­ken.  Maar de gammele holen en nesten van de Vergeethoek waren een dankbare prooi voor de krachten van wind en regen. 

 


Op de Goede Plek liep Vos brullend rond op zijn gebied om er iedereen buiten te houden want, zo dacht hij, storm of niet, mijn gebied blijft mijn gebied en geen vreemdeling moet er een voet op zetten.  Hamster daarente­gen lag bibberend en huilend in een hoekje te jammeren over al zijn voedselvoorraad die nu gevaar liepen alhoewel ze in stevige voorraadkamers waren opgeslagen.  De mierenko­lonie had zich in slagorde opgesteld.  De kolonels en majoors schreeuwden bevelen naar alle kanten en hoopten zo de storm te kunnen tegenhouden. 

 

Uil zat in z'n holle boomstam koortsachtig in boeken te snollen en berekin­gen te maken.  Hij was erg verstandig en dankzij hem ging het zo goed met de Goede Plek.  Hij had allerlei dingen uitgevon­den om er het leven nog veel aangenamer te maken.  Z'n enige nadeel was dat hij al z'n etensresten en vuil, verpakt in vieze uileballen, overal liet rondslingeren waar hij kwam, maar dat namen de dieren van de Goede Plek er graag bij.  Maar nu, in deze storm, stond ook hij machteloos en moest hij lijdzaam toezien dat hele stukken van zijn werk de vernieling ingingen.

 

En toen de regen stilaan ophield en de laatste donderslagen wegstierven, bleef het bos druilerig en troosteloos achter.

 

Even was het stil.

Toen kwamen, één na één, de dieren uit hun holen, uit hun nesten en vanonder het struikgewas gekro­pen.

 

Algauw werd er druk over en weer gepraat.  Het bleek dat de storm heel wat schade had aangericht, zowel in Vergeethoek als op de Goede Plek.  Het hol van Konijn was voor een groot stuk onder water gelopen en Vink die met z'n familie ook op Vergeet­hoek woonde, zijn nest was geraakt door een vallende tak.  Twee van z'n kinderen waren daarbij verongelukt.

 

De Goede Plek, alhoewel beter gebouwd dan Vergeethoek, kende ook zijn slachtoffers.  De wintervoorraad van Hamster was voor een deel met het water weggedreven, de mierenkolo­nie had tientallen doden en Vos was ternauwernood kunnen ontsnappen aan een omgevallen boom, maar hinkte nu met een gekwetste voorpoot door zijn gebied.

 

De dieren zaten, elk in hun deel van het bos, droevig bij el­kaar,

en zoals het vroeger ook al gebeurde na een ramp, kwamen nu ook de verhalen van de Grote Zilveren Zwaan naar boven.

De Grote Zilveren Zwaan was een vogel die niemand ooit gezien had, maar waarover heel wat oude verhalen bestonden.  In één van die verhalen werd verteld dat de Zilveren Zwaan in het dierenbos zou neerstrijken op een dag en dat ze van het bos een koninkrijk tot ver buiten de bosrand zou maken.  En telkens als het ongeluk toesloeg, waren de dieren vol verwach­ting en keken ze uit naar hun redder die alles voor hen zou oplossen en het leven terug goed zou maken.

Zo ook zaten nu de dieren van de Goede Plek met elkaar te praten.  " Bijna m'n hele voorraad in het water, " jammerde Ham­ster, " van m'n twaalf voorraadka­mers zijn er slechts vijf droog­ge­bleven ! "

 

" En ik dan, " zei Vos " nu ik gewond ben, kan iedereen zomaar m'n deel van het bos betreden en er rondwandelen, zelfs die van de Vergeethoek, en ik kan ze niet eens verjagen ! "

" Onze weer­stand, onze weerstand, " jammerden de mieren, " onze weerstand is gebroken, 34 van onze soldaten zijn verdron­ken, ons leger is erg uitgedund.  Wat moeten we nu beginnen !"

 

" Hopeloos ! " sprak de uil, " onze kennis staat voor schut.  Wat moet er nu gebeuren ?  Laat ons maar hopen dat die van de Ver­geethoek niet te veel komen aankloppen.  Wij kunnen in de gegeven omstandig­heden niets missen.  De toestand is kritiek! "

 

" Dag ! " sprak plots een onbekende, kleine, vriendelijke stem.

Al de dieren van de Goede Plek keken op.

" Pff, een mus, " zei Uil met een minachtende toon, " Wat kom jij hier doen, ventje ? "

" Oh, " antwoordde de Mus, " ik had gehoord dat hier een ramp gebeurd was en nu kom ik vragen of ik jullie niet kan helpen. "

Hamster en Vos schoten in een lach.

" Haha, jij ons helpen ! Wij hebben geen sukkeltjes nodig, hoor !

Wij wachten op de Grote Zilveren Zwaan.

Hoe kan een onnoze­le mus als jij, ons, de dieren van de Goede Plek van enig nut zijn !

Jij zal ons vast geen koninkrijk tot ver buiten het bos bezorgen. "

" Spijtig, " zei Mus, " maar misschien een andere keer ! Tot kijk! "

 


En terwijl de dieren verder zeurden en wachtten op de Grote Zilveren Zwaan, huppelde mus verder door, in de richting van Vergeethoek.  " Hé, kijk eens, " riep Konijn, " daar is een mus die niet bij ons bos hoort.  Hé, kom eens dichterbij ! Wat kom je hier doen ?  Hier is na de storm niets meer te vinden dan ellen­de en verdriet ! "  " Misschien dat je juist dan iemand kan gebruiken om te hel­pen, " zei Mus.

" Helpen, hoe bedoel je ? " vroeg Vink.

" Ach, " zei Mus, " als je zit te wachten op de Grote Zilveren Zwaan zonder zelf iets te doen, vrienden, dan vrees ik dat er niet veel zal gebeuren. "

 

Zwerver, Konijn, Vink en de andere dieren knikten instemmend. 

" Zeg, jij bent wel klein en onopvallend, maar toch zeg jij dingen die me van binnen iets te vertellen hebben, " zei Zwerver.  " Ga verder met wat je te zeggen hebt ! "

" Zeggen wil ik niet zo dadelijk, " antwoordde mus.  " Laat ons kijken waar er schade is aangericht en daar dan dadelijk gaan helpen. "

 

Zwerver stond dadelijk op : " Kom, " zei hij, " Mus heeft gelijk.  Als iedereen op zijn eentje wat moet doen, komt er toch maar weinig van in huis.  Sta allemaal op, er wachten dieren op onze hulp. "

Samen trokken ze naar het nest van Vink en troostten de familie.  Het nest werd met vereende krachten stevig herbouwd met hoge wanden zodat er geen kleine vogels konden uitvallen.

Toen het werk gedaan was, riep mus een glimwormpje :

 

" Jouw taak is het, hier te blijven en het licht uit te stralen als teken van het verbond tussen de dieren dat hier terug leven heeft gebracht en als baken voor de dieren die in nood verke­ren.  Hier zal steeds hulp te vinden zijn. "

 

Toen trokken ze verder naar het hol van Konijn, het nest van Bosduif, de boom van Eekhoorn, en het hol van Das.  En overal waar ze kwamen, hing Mus een glimwormpje omhoog.  Meer en meer dieren deden als Mus : ze sprongen in de bres bij onge­luk, verzorgden de zieken, en brachten terug wat leven in Ver­geet­hoek.

 

Ondertussen had men op de Goede Plek ook gehoord dat dat

" onooglijk " vogeltje wondere dingen scheen te doen in Vergeet­hoek.

Uil vond het heel verdacht en wou er niets mee te maken heb­ben, maar Hamster en Vos kwamen op een dag vragen of Mus ook bij hen wou komen.  Eerst keken Konijn en Vink wat ont­stemd toen Mus toezegde, maar toen Zwerver hen vertelde dat ook de Goede Plek recht had op hulp, gingen ze wel ak­koord en gingen zelf mee om een pootje te helpen.  En zo gebeurde het dat Vergeethoek en Goede Plek elkaar gingen helpen ; zelfs Uil kon je na enkele dagen soms in Vergeethoek zien rondvlie­gen, er oplettende dat hij geen vuil achterliet.

 

En op een dag toen er een hele troep dieren, vele uit Vergeet­hoek maar ook dieren van de Goede Plek, bij elkaar waren, vloog Mus op een tak en begon te vertellen.

En allen zaten stil te luisteren, dicht bij elkaar, die van de Ver­geet­hoek en van de Goede Plek naast en door elkaar, en ze hoorden hoe mus vertelde dat alle dieren samen van het bos een koninkrijk zouden kunnen maken.  Een koninkrijk waar alle dieren samen gelukkig zouden kunnen leven ; waar het licht voor alle dieren zou schijnen en waar men voor elkaar zon, licht en warmte zou kunnen zijn. 

 

En toen de avond viel, was het bos verlicht door honderden glimwormpjes, en was het net of er in het hart van elk dier een lichtje brandde dat het bos verlichtte in duizenden kleuren.

 

 

DE HEMEL EN DE HEL

 

Er was eens een Mens die zijn leven lang goed geleefd had en gedaan had wat God van hem vroeg.  Maar hij had één wens, namelijk dat God hem tijdens zijn leven de hemel en de hel liet zien.  En omdat hij altijd zo goed geleefd had, stond God hem die gunst toe.

 

En God nam hem mee naar een heel grote zaal met tafels vol met brood.  Er stonden prachtige bloemen in de zaal en alles was even mooi.  Het eten zag er bijzonder lekker uit.  Aan tafel zaten allemaal mensen.  Deze mensen hadden allemaal stijve armen zodat ze niets van die heerlijke maaltijd konden binnen krijgen.  De Mens knikte.  Hij begreep het : dit was de hel.

 

Toen gingen ze naar de hemel.  En weer kwamen ze in een grote zaal met tafels vol brood.  Ook daar was alles even prach­tig en mooi en alles zag er heerlijk uit, net zoals in de hel.  En aan de tafels zaten mensen, net zoals in de hel, en al die men­sen hadden stijve armen.


De Mens begreep er niets van.  Is dat nu de hemel ? En hij vroeg het aan God.  Maar God zei : "Stil maar, wacht even." En toen zag de Mens dat die mensen bij hun overbuur het eten in de mond stopten.  Ze konden met hun stijve armen niet bij hun eigen mond komen, maar wel bij die van de overbuur.  Dat was de hemel.

 

De mensen in de hel kwamen niet op de idee elkaar te helpen, ze dachten alleen aan zichzelf ; daarom zaten ze ook in de hel en gingen ze dood van de hon­ger.

 

Maar in de hemel dachten de mensen niet aan zichzelf, maar aan de anderen.  En daarom bleven ze in leven en waren ze in de hemel.  En de Mens knikte, hij had het begrepen.

 

 

DE JONGEN EN DE BOOM

 

Er was eens een boom die van een kleine jongen hield.  Iedere dag ging de jongen naar de boom en raapte de bladeren bij elkaar.  Daar vlocht hij dan een kroon van en zette die op zijn hoofd en deed alsof hij koning van het bos was.  Hij klauterde tegen de stam op, en zwaaide aan de takken heen en weer.

De boom liet hem eten van zijn appels en samen speelden zij verstop­pertje.  Als de jongen moet was ging hij slapen in de schaduw van de boom.  En de jongen hield van de boom, heel erg veel.  En de boom was gelukkig.  Maar het leven ging verder en de jongen werd groter en ging van school af.  En de boom was vaak alleen.

Op zekere dag kwam de jongen weer eens bij de boom en de boom zei : "Kom jongen, kom weer in mijn stam klimmen en aan mijn takken zwaaien, eet weer van mijn appels, speel in mijn scha­duw en wees gelukkig."

Maar de jongen zei : "Ik ben te groot geworden om te klimmen en te spelen.  Ik heb geld nodig, want ik hou ervan om dingen te kopen en plezier te maken.  Kun je me niet wat geld geven ?"

Waarop de boom antwoordde : " Het spijt me wel, maar geld kan ik je niet geven.  Neem mijn appels maar en verkoop ze in de stad.  Dan heb je geld en zal je gelukkig zijn." En de jongen klom in de boom, en plukte de appels, en bracht ze weg.  En de boom was gelukkig.

Maar weer bleef de jongen een hele tijd weg.  En de boom was bedroefd.

 

Op een goede dag kwam de jongen weer terug.  De boom fleurde weer helemaal op en zei : "Kom jongen, klim weer in mijn stam en zwaai aan mijn takken en wees gelukkig."  De jongen zei : "Ik heb het veel te druk om in bomen te klimmen.  Ik wil een huis bouwen voor mijn vrouw en kinderen.  Kun je mij een huis geven ?"

"Ik heb geen huis", zei de boom.  "Maar je mag wel mijn takken afzagen om je huis te kunnen bouwen.  Dan zul je gelukkig zijn."

En de jongen zaagde de takken af en bracht ze weg om er zijn  huis mee te kunnen bouwen.

En de boom was gelukkig.  En opnieuw bleef de jongen langere tijd weg.  Toen hij weer terug kwam, was de boom zo gelukkig dat hij nauwelijks kon praten.  "Kom jongen", fluisterde hij  "kom met me spelen".  Waarop de jongen antwoordde : "Ik ben te oud om te spelen en heb geen zin.  Ik wil een boot, waarmee ik een heel eind hier vandaan kan.  Kun je mij een boot geven ?"

De boom antwoordde : "Hak mijn stam om en maak daar een boot van.  Dan kun je wegzeilen en zal je gelukkig zijn."

En de jongen hakte de boom om, maakte er een boot van en zeilde weg.  De boom was blij, maar dit keer toch niet echt gelukkig.

En na een hele tijd kwam de jongen weer terug.

"Het spijt me, jongen, maar nu heb ik niets meer om je te geven. Mijn appels zijn op."

"Mijn tanden zijn te slecht om apppels te eten," zei de jongen.

"Mijn takken ben ik kwijt, je kunt er niet aan zwaaien ;"

"Ik ben te oud om aan de takken te zwaaien", zei de jongen.

"Ik heb zelfs geen stam meer om tegen op te klimmen."

"Ik ben te moe om te klimmen", zei de jongen.

"Ik vind het echt jammer, ik wou dat ik je nog wat kon geven, maar ik heb niets meer over.  Ik ben nog maar een oude stomp. Het spijt me verschrikkelijk."

"Ik heb niet veel meer nodig", zei de jongen; "Alleen een rustige plek om te zitten, ik ben doodmoe."

"Nou ? Een oude stomp is juist genoeg om stil uit te rusten. Kom jongen, ga zitten en rust uit."

Dat deed de jongen en de boom was gelukkig.

 

 

DE JONGEN MET DE ZWARTE LOK


 

Hij stond bij Brussel langs de weg, wilde naar het zuiden.  Hele­maal in het zwart met iets om de hals waarvoor hij zich niet schaamt, maar ook het waarom niet weet.  Zijn hoofd is kaal geschoren, maar aan zijn achterhoofd hangt een lange zwarte lok tot in de hals.  Net als een monnik.  Wollen deken om de schou­ders, grijze nylon slaapzak naast zich in het gras.  Een reizende monnik dus.

 

Hoe komt 't dat ik stop ?  Zijn rust is blijkbaar heviger dan mijn haast.  Ik stop.

Neil Mc Neil, 22 jaar. 

Voor we in tien minuten bij de stad zijn heeft hij verteld :

" Ik kom uit Australië, Alice Springs, dat ligt midden in de Great Desert.  Het is altijd heet in die woestijn en er zijn zandstormen, maar Alice Springs is helemaal groen, door een bron.  De mensen komen er alleen maar om uit te gaan, golfbanen over- dag, casino's 's nachts.

Ik had een rode Ferrari, probeerde mijn limit te vinden: 140 kilometer ?  Nee 170 kilometer ?  Nog niet.  Toen verongelukte mijn vader en mijn moeder en mijn zusje.  Ik niet.  Ik leef nog.  Ik heb alles verkocht en ben weggegaan.  Met de wonden van mijn jeugd ben ik weggegaan, op de vlucht.  Maar je neemt altijd jezelf mee.  Via Indonesië kwam ik in het Oosten.

 

Daar in de Himalaya's ben ik veranderd, in een bergdorpje waar twintig mannen leefden, stille mannen in grauwe mantels.  Als het nog donker is en koud staan ze op en gaan naar buiten, ze lopen de besneeuwde bergen tegemoet.

Als de eerste stralen over de toppen komen staan ze stil ; de sneeuw begint te glinsteren en dan verschijnt de grote oranje bal, de zon.  De mannen zingen het danklied voor de zon.

Drie maanden heb ik meegedaan.

's Avonds gaan ze weer naar buiten, keren zich naar het westen en zingen bij het ondergaan van de zon.

 

Maar ik kon niet blijven, ik had nog niet genoeg verloren, nog niet genoeg gewonnen.  Ik was nog niet ver genoeg om alleen van een danklied te bestaan.  Ik moest verder.  Misschien kan ik volgend jaar teruggaan. "

 

De stad ligt voor ons.  Waar de straat opengebroken is, zoals heel de wereld, vraag ik: " Wil je blijven ?

Kun je dat van de bergen zondag niet opnieuw vertellen als we hier in de stad samen komen met mensen die dromen ooit van een danklied te kunnen be­staan ? "

 

Hij blijft en vertelt die ochtend van de zon en de sneeuw en de grijze mannen.  Niet iedereen verstaat zijn engels, maar iedereen verstaat zijn stilte.

Hij heeft zijn wollen tas om de schouder en zegt : " Jullie hebben een bed gegeven, én te eten, én gesprekken.  Maar ook je drukte en de vele dingen die je niet missen kunt, wat hebben jullie veel dingen.  Sorry, ik kan ze niet meene­men, ik neem alleen de stilte mee. "

 

Hij heeft een grote gele bloem in de hand, een bloem die groter is dan de zon.  Iemand geeft hem een dagboek om onderweg in te tekenen.  Hij wil nog iets uitleg­gen : " Je moet eerst alleen kunnen zijn, om lief te hebben.  De casino-mensen in Australië hebben me bang gemaakt.  Nu, na drie jaar, begin ik weer van mensen te houden, 't lukt al een beetje.

 

Ik was op Korfu, in Griekenland.

Daar had ik bij de tent altijd een koffiepot op een vuurtje, het vuurtje mocht niet uitgaan ; elke ochtend schonk ik water op, zo kun je heel lang met een beetje koffie doen.  Toen ik ziek werd, hebben de mensen uit het dorp het vuurtje aangehou­den, een paar keer per dag brachten ze koffie en vruchten.  Ik hou van Korfu.

 

In Turkije vertaalde een jongen van twaalf voor mij het hoofdar­tikel uit een krant : " Louis Armstrong was dood ; er stond : in de hemel leidt hij nu het heiligen­koor.  Dat was de kop van de krant, ik houd van Louis Armstrong.

 

Misschien zal ik ooit weer houden van mijn vader die me een zweep gaf om van me af te slaan.  Ik leef nu zonder zweep.  In India ken ik een man die met een leeuw leeft, ze zijn niet bang voor elkaar.  Daar ga ik weer heen. "

 

De volgende ochtend moet hij weg.  Hij stapt uit waar de nieuwe brug wordt ge­bouwd.  Bij de telefoon heeft hij nog een briefje gelegd :

" Als iemand je blij maakt, zeg dan dank.

Als iemand je pijn doet, zeg dan dank.

Dank als de zon opkomt en als de zon ondergaat.

In de volle leegte van je vreugde en van je wanhoop zul je ...

nee, dat moet je zelf ontdekken. "


Uit "Jezus Caritas" nr.34

 

 

DE PARABEL VAN DE WIND EN DE ZON

 

 

De zon en de wind hielden onderlinge wedstrijd

om te zien wie van beiden het snelst

een man van zijn jas kon ontdoen.

De wind mocht beginnen.

Hij ging hard blazen, werd een storm,

zelfs tot een orkaan ...

 

Maar hoe harder hij ging,

hoe krampachtiger de man de jas om zich heen klemde

om er helemaal in te kapselen.

 

Tenslotte gaf de wind het op

en kwam de zon aan de beurt.

Zij begon rustig te schijnen,

en de kraag ging alvast naar beneden.

Ze straalde nog wat meer, en de knopen gingen los.

En toen het zonnetje nog warmer werd,

ging de jas uit, vanzelf, moeiteloos ...

 

Slechts in een onverdiende warmte en geborgenheid

kan een mens openbloeien.

 

Leven met een hart is dus :

warmte schenken, liefhebben, bemin­nen ...

 

 

DE PARABEL VAN HET SPREKENDE BOS

 

Het deed denken aan de tijd

toen de dieren nog konden spreken,

net zoals de mensen.

Zo ging ik eens over een zandweg, dwars door een bos.

Het was koud.  Er was niemand.

Alleen wind en bomen - en alles was heel stil.

De avond begon te vallen.

 

Ik vroeg me af - zoals je wel eens meer doet

als je alleen in een bos wandelt -

wat nu eigenlijk 'leven' is.

Die vraag stelde elk van ons wel eens

toen wij dertien of veertien jaar werden

en ontdekten dat het jongetje of het meisje in ons

helaas ophield met spelen en vragen begon te stellen.

 

Maar het wordt heel anders

als je alleen door een koud bos gaat

en nog eens de vraag durft stellen :

" Wat is nu eigenlijk leven ? "

 

De wind blies door de wiegende kruinen

en de bomen begonnen te spreken ...

 

Het leven is kracht en sterkte,

sprak een grote eik.

Alleen wie sterk is, kan overeind blijven.

Ik keek bewonderend naar zijn forse stam.

 


Het leven is jeugd, zei de jonge berk.

Straks wordt het lente -

dan barsten mijn twijgen open

en schiet ik verder de hoogte in.

Jeugd is groeien en openkomen.

 

 

Heel langzaam ging ik verder.

Zo kwam ik aan een peinzende pijnboom -

er was iets plechtigs om hem heen,

als de zuil van een tempel

en toch iets eenvoudigs en alledaags.

Hij zei niet veel.  Dat had hij verleerd.

Slechts de wijze kan zien - en leven, sprak hij.

 

Zo gleden de bomen langs me heen,

terwijl mijn voeten hun weg zochten in het zand.

 

Kijk eens, hoe mooi ik ben ? fluisterde de beuk.

Inderdaad.  Glad en slank rees de beuk ten hemel.

Hij liet ontroering na - en zwijgende vertedering.

 

Toen keek ik omhoog naar een massieve mast.

Hij was sterk, mooi en groot -

met een weelde van takken en naalden.

Als je onderaan zijn stam stond,

werd je heel klein -

Leven, zei de mast, is bezitten,

héél veel je eigendom kunnen noemen.

 

Ik wist niet meer wat ik ervan moest denken

en - stapte voort.

 

Daar stond - of zat - een kleine, warme den

knusjes ineengedoken.

Je zou zo naast hem willen gaan zitten.

Hij scheen me haast te wenken.

Voor mij is leven : gezelligheid en warmte -

zo iets als genegenheid en huiselijkheid,

dat zei de kleine den.

 

Maar wat verderop zag ik een heel oude boom,

knoestig en gebogen, zijn stam was ritselzacht.

Pas als je oud geworden bent, zei hij,

kun je over het leven beginnen te praten,

en dan kun je alleen zeggen

hoe weinig je er echt van weet.

 

Daar stond ik nu -

de schemer daalde over het bos.

En helemaal aan het eind hing een stille boom voorover,

klaar om te vallen.

Zijn stam was rot, vol barsten en kloven.

Hij zei niets.  Hij rilde zelfs niet van de kou,

want hij was dood.

 

Ik keerde me om naar de bomen die gesproken hadden.

Het bos zweeg en het werd duister.

De wind was niet meer en de kruinen hingen roerloos.

 

Toen dacht ik dat ze allen eens 'hout' zouden worden,


zoals die laatste, dode boom.

 

Wat is leven ? vroeg ik me af

en ging naar de grote weg, die naar de mensen liep.

 

Daar hoorde ik de mensen praten,

over wijsheid en kracht, over jong zijn en schoonheid,

over oud worden en over gezelligheid en warmte,

over bezit en rijkdom.

Maar geen van allen wist wat 'leven' was.

 

Wat is leven, dacht ik - als alles sterft ?

Is leven soms leren sterven ?

 

Het is misschien gek - om langs dat pratende bos

en langs de weg die naar de mensen liep -

verder te gaan -

maar toen dacht ik ... aan God.

 

 

DE STAD "ALLEMAN"

 

Er was eens een man en die bouwde een huis.  Ja, er waren veel mensen en die bouwden veel huizen .

Op zekere dag dacht die eerste man  : " wat vreemd toch van ons, dat we allemaal zo ver van elkaar wonen ".  Hij nam zijn paard en reed rond, dagen en dagen lang langs alle huizen, en riep met een toeter  : " Komt allemaal, laten we bij elkaar gaan wonen, dan kunnen we elkaar helpen en beschermen, dan kunnen onze kinde­ren met elkaar spelen en onze vrouwen met elkaar praten, en kunnen we van tijd tot tijd feestvieren  ...  "

 

Nu, daar hadden de mensen wel oren naar.  Ze verhuisden alle­maal en gingen bij elkaar wonen en het werd een grote stad.  En ze riepen tot de man met zijn toeter : " Jij moet burgemees­ter worden van die stad en wij noemen die stad ALLEMAN ".  De mensen woonden echt gelukkig met elkaar.

 

Maar op zekere dag kwamen er twee mannen bij de burge­meester.  Ze maakten ruzie met elkaar.  En de burgemeester vroeg  : " Wat is dat nu ?  Hij doet gek " zei de man.

" Neen, jij doet gek " zei die andere  ...

" niet waar  ...  wel waar ...  niet waar  ..."

Zo bleven ze maar bezig, drie uur lang.  De burge­meester streek met zijn handen door zijn haar en zei ten slotte  :

" Goed, ik zal een muur laten bouwen tussen jullie huizen in,

dan is het afgelopen met de ruzie."

" Fijn  ..."  zeiden ze allebei, en de muur werd gebouwd.

 

Twee dagen later kwamen er weer anderen, en later nog meer  ...  en nog meer en  ...  heel de stad kwam vol muurtjes en muurtjes te staan, met borden van ' verboden toegang ' aan ... en zo.

En het slot van het liedje was, dat alle mensen weer alleen woon­den ; allemaal als vogels in hun kooi.

 

Nu woonde er in die stad een heel wijze man.  Hij had lange haren en een baard.  Hij zei niet veel, maar schudde zijn hoofd als hij al die muren zag.  Hij dacht : " Warem­pel, de muren kosten zoveel geld, dat er geen huizen meer gebouwd kunnen worden ".  Want inderdaad, er woonden ook mensen in tenten, maar met muren er omheen.  En hij nam een grote plank en schilderde daarop  :

 

Eén alleen is niet fijn ...

Maar één en één en dan nog alleen is helemaal niet fijn .

 

Hij liep met zijn plank door de stad en riep zo hard hij kon  :

" Muurtjes afbreken  ! "

 

Eerst wisten de mensen niet wat ze ervan moesten denken.  Maar toen ze lazen wat er op het plakaatje stond, dachten ze :

" hij heeft gelijk " .


En ze lachten, ze braken muurtjes af en er werd feest gevierd, want ze konden weer zingen als vrije vogels !

 

 

DE TIRAN VAN SYRACUSE

 

 

Er leefde in Syracuse een tiran.  Om het harde bewind dat hij voerde, groeide bij zijn onderda­nen het verzet tegen hem en zijn bestuur.  De opgekrop­te gevoelens van weerzin en haat vonden hun ontlading in een moordaanslag, die helaas mislukte.

De dader werd gegrepen en ter dood veroordeeld.

Omdat echter het gebruik van die daden eiste dat aan de ter dood veroor­deel­de een laatste hartewens zou worden ingewil­ligd, vroeg de tiran wat hij wenste.  De veroor­deelde verzocht afscheid te mogen nemen van zijn familie, die op een dagreis afstand van Syracuse woonde.  De tiran wilde de man in dit opzicht terwille zijn, maar was tevens wantrouwig.

Daarom verlangde hij een garantie voor de terugkeer van de veroordeel­de.

 

" Ik zal u laten gaan ", zei hij, " wanneer u een borg vindt die in uw plaats gehangen zal worden, indien u niet tijdig terugkeert. "

 

" Ik heb een vriend " zei de veroordeeelde, " ik zal hem vragen, mijn plaats gedurende mijn afwezigheid in te nemen. "

 

En inder­daad, de vriend werd daartoe bereid gevon­den.  Aan de veroor­deelde werden drie dagen afwezigheid toegestaan.

Tegen het einde dat het verlof ten einde ging - de galg was op de markt reeds opgesteld - bracht de tiran een bezoek aan de gevan­genis.  Hij was geïntrigeerd door de ongewone vriend­schap, en wilde de gemoedstoestand van de borg peilen.  Hij vermoedde dat in diens hart de onzekerheid en het wantrouwen groeiende waren en hij wilde deze gevoelens aanwakke­ren.

De gevangene bleek echter rotsvast te ver­trouwen in zijn vriend.

" Hij zal op tijd terugkeren ", was zijn enige com­men­taar tegen de tiran.

Ondertussen naderde het uur van de terechtstelling.  Een volks­me­nigte verzamel­de zich op de markt, uit nieuwsgierigheid, uit wrok tegen de tiran, uit sympathie jegens de veroordeelde, uit spanning om de afloop te kennen van deze ongewo­ne borgstel­ling.  De gevangene werd door de lijfwacht van de tiran uit de gevan­genis gehaald, door de opgepakte menigte gevoerd en in afwachting van de doodsvol­trekking geplaatst aan de voet van het schavot.

 

Op de zonne­wijzer naderde de schaduw de fatale streep.

Eerst op het laatste ogenblik bleek, uit de woeligheid en het plotselinge rumoer van de menigte, dat de vriend tijdig was terug­gekeerd.  Hij haastte zich bij het schavot te komen om de plaats die zijn vriend voor hem had ingenomen met de inzet van zijn leven op zich te nemen.  Het weerzien was ontroerend.  Niet slechts voor de vrienden ; ook de menigte werd door diepe bewo­genheid aangegrepen.

 

Echter ook de tiran, die een dusdani­ge vriendschap niet voor mogelijk gehouden had, werd getrof­fen. Hij werd geraakt in het diepst van zijn hart.

Waar een zo oprechte vriendschap deze mensen verbond, kon de aanslag op zijn leven niet uit onedele motieven voortge­ko­men zijn.  Hij schonk de dader het leven en de vrijheid, en vroeg om als derde binnen de band van hun vriendschap te worden opgeno­men.

 

Uit "Gesprekken met 14-jarigen" Arnhem.

 

 

DE ZALVING VAN DA­VID

 

Op een nacht hoorde de profeet Samuël de stem van God :

" Samuël, vul je hoorn met olie en ga naar Bethlehem, naar Isaï, want één van zijn zonen heb Ik mij als koning uitgezocht ".

 

Bij het huis van Isaï werd Samuël verwelkomd door de vader en zijn oudste zoon Eliab.  Direct dacht Samuël :

" Dat moet hem zijn ".


Want Eliab was groot en sterk.  Maar God hield Samuël tegen :

" Je let te veel op het uiter­lijk.

  Ik kijk vooral naar het hart van de mens ".

Toen liet Samuël ook de andere broers halen.

Allemaal waren ze groot en sterk, maar tel­kens dacht Samuël :

" Nee, die is het niet ".  Toen vroeg de profeet :

" Zijn dat al je zonen ? "  En de vader ant­woordde  :

" Nee, er is er nog één, maar die telt nog niet mee, hij is nog te klein.  Hij is buiten en let op de schapen ".

" Ga hem halen " zei Samuël ...  En toen kwam Da­vid.

Hij was kleiner dan de anderen, maar hij had goede ogen.

En toen wist Samuël het : " Deze is het ".

 

Toen zei hij : " David, kniel voor mij ".

En terwijl hij de olie over zijn hoofd goot zei hij :

" Jou, David, heeft God aangesteld en geroepen om onze koning te wor­den­.  Ga nu eerst naar je schapen terug en bereid je voor op je taak.  Word wijs en verstandig, zodat je, als God je roept, een goede koning zal zijn ".

 

David begreep niet wat er gebeurd was.  Hij voelde zich anders wor­den.  En toen hij terug naar zijn schapen ging, was het alsof er een grote kracht in hem was.

 

In die tijd was het, dat koning Saül, hoe langer hoe minder van God en van de mensen ging houden.  Hij kreeg soms driftbuien en verveelde zich in zijn groot paleis.  Zijn knechts zagen hem steeds nukkiger en opvliegender worden en ze hadden medelij­den met hun koning.

Tot één van hen op een dag zei : " Koning, er is teveel angst in je hart.  Zal ik iemand laten komen die muziek voor je maakt en je kan opvrolij­ken ? "

En toen werd er een bode naar Bethlehem ge­zonden, om David te halen die zo prachtig muziek kon maken.

En David kwam en begon te spelen.

Eerst nog wat vals, want hij had nog nooit voor een koning gespeeld ... en het kwade ge­zicht van Saül voorspelde niets goeds.  Maar David begon steeds mooier te spelen ; de wijsjes die hij altijd speelde toen hij bij zijn schapen was.

 

Toen David eindelijk ophield, leek het of Saül rustiger gewor­den was en zijn stem klonk zelfs vriendelijk toen hij zei :

" Dank je, David, wil je bij mij blijven, zodat ik je kan roe­pen

als ik je weer nodig heb ? "

 

En zo bleef David in het paleis en hij leerde er hoe heerlijk het is om koning te zijn, maar ook ... hoe moeilijk het soms is.

 

 

EEN WEERBARSTIG PARABELTJE ...

 

"Kom", zei de blinde tegen de lamme,

"Ik zal je dragen."

"Ja", zei de lamme "en ik zal je leiden,

dan komen we beiden vooruit."

"Ik heb veel geld en een zaal" zei de rijke tegen de arme.

"En ik heb vrienden", zei de arme.

"Dan kunnen we feesten", zei de rijke,

"want geld en zalen

volstaan niet om te feesten,

zelfs mensen volstaan niet ..."

 

"Zie je er wat in ?" vroeg God aan de mens

"Zie je er wat in, in het leven, in de wereld ?

Soms zie ik die als verwerpelijk,

soms als bewerkelijk" zei God.

"Dus zullen we er samen iets van maken ?" zei de mens.

God knikte.


Het was de achtste dag en

Hij zag dat die rusteloos zou worden.

 

 

GEROEPEN UIT HET WATER

 

 

Er was eens een man, die de naam droeg van Aquarius.

Zo noem­den de mensen hem, omdat hij hele dagen naar de vissen van zijn aquarium kon kijken.

Dan schommelde hij zachtjes in zijn stoel op en neer met die prachtige gouden vissen in het water.

Vis werd hij met de vissen en water met het water.

En als 's avonds overal de lichten aangingen, omdat de zon haar licht­kracht verloor, tuurden de ogen van Aquarius al maar door naar het steeds donker wordende groene water.

 

Soms was Aquarius niet thuis.  Dan stonden er wel eens men­sen tevergeefs aan de deur en als ze dan aan de buren vroegen waar Aquarius toch wel was, kwam prompt het antwoord:

" Oh, die Aquarius ... die ligt natuurlijk weer in het water. "

 

Ja, heerlijk liggen in het water, dat kon hij.  Meegaan met de golven, zachtjes meedrijven op de armen van het meer.

 

Op zekere dag toen Aquarius weer zo heerlijk lag te liggen in het water, klonk er plotseling een zachte stem :

" Aquarius, Aquarius. "

" Droom ik " dacht Aquarius ... of eerlijk gezegd, hij dacht niet eens.  Hij liet het stemge­luid over zich heengaan als de zang van een vogel, die even maar over de vijver vloog.

" Aquarius. "

 

Nu hoorde hij het pas echt en voelde zich als een kind, dat wakker geroepen wordt uit een heerlijke droom.

" Aquarius ... kun je me over het water dragen ? "  Heel lang­zaam maakte hij zich los van het water.  Moeilijk ging dat en iemand die het gezicht van hem zou hebben gezien, had alle woorden kunnen lezen, die diep verborgen in het hart van Aquarius opkwa­men.  Aan de kant stond een hulpeloos kind dat bleef roepen en toen Aquarius eindelijk de kleine in zijn handen genomen had, wilde het gaan lachen en zingen, maar het werd stil omdat Aquarius zo stil was ; het werd bang, omdat de rim­pels in het hoofd van Aquarius waren als de rimpels van de golven van dreigend water.

 

Eindelijk waren ze aangekomen aan de andere kant en zonder even goeden­dag te zeggen, gleed Aquarius weer terug in het grote water.  Toch was het niet meer zo fijn als voorheen.  Het was alsof Aquarius heel diep van onder het water uit een zachte, verwijtende stem hoorde.

 

Ja, hij hoorde het goed ...

" Aquarius, ik draag jou altijd om niet ...

Vond jij het nu zo erg om mij ook eens te dragen ...

ook eens te dragen ... te dra­gen ... dragen ... gen ?

 

Uit " Werkmap voor Levensverdieping "

 

 

HET VERHAAL VAN DE BOMEN

 

Eens waren alle bomen nog maar heel kleine plantjes, ze wieg­den in de wind en stoeiden met elkaar.  O wat was dat een vrolijk gedoe ...

 

Allemaal zochten ze met hun wortels in de grond naar eten en drinken en boven hun hoofd zorgde de zon dat ze het niet te koud hadden en dat ze konden groeien.

 

Maar al die boompjes hadden zoveel voedsel uit de grond ge­haald dat alles opraakte.  Toen begonnen ze honger te lijden en op zekere dag staken al die boompjes hun hoofden bij elkaar om een oplossing te zoeken voor de hongersnood.

Een stevige, flinke boom zei :


" We zijn hier met teveel, enke­len zouden moeten verhuizen."

" Nee ", antwoordde een groene kastanje, " we houden zo van deze grond, we zijn hier geboren en hier wil ik blijven. "

" Ik wil niet verhuizen ! " riep een klein denneboompje.

 

Een oud beukeboompje wreef even over zijn kruin en het werd héél stil op de vergadering.

Toen opende hij zijn mond en sprak :

" Vrienden, als wij eens ieder jaar onze bladeren lieten val­len, voor we aan onze winterslaap beginnen, dan zou er tegen de komende lente opnieuw voedsel zijn voor iedereen. "

 

Iedereen juichte dat voorstel toe en sindsdien laten alle bomen hun bladeren vallen in de herfst, en zie, in enkele jaren werden ze nu allemaal groot en sterk, ieder naar zijn soort.

 

" ZIE JE WEL ", fluisterde de beuk tot de eik,

" ALS IEDEREEN DEELT VAN WAT HIJZELF HEEFT,

IS ER GENOEG VOOR IEDEREEN. "

 

 

HET VERHAAL VAN DE CHINESE BRUILOFT

 

Ergens werd een bruiloft gevierd.  Ze hadden het niet breed ; maar ze zorgden dat er toch veel volk aanwezig zou zijn : gedeelde vreugd brengt dubbele vreu­gd, dachten ze.

Het moest een feest voor iedereen zijn, meen­den ze.

Waarom dan beletten dat onze vreugde aanstekelijk zou zijn ?

Er zijn al zo weinig goede epide­mieën onder de mensen.

Dus vroegen ze aan elke genodigde een fles wijn mee te bren­gen.  Bij de ingang zou een groot vat staan en daarin kon de fles leeggegoten worden.  Zo zou ieder van ieders gave drinken en vreugde hebben.

 

Toen het feest begon liepen de bedienden naar het grote vat en schepten met grote kruiken.  Maar groot was hun verwondering toen ze merkten dat het water was.  Ze stonden als versteend toen het bij hen doordrong dat ieder gemeend had : die ene fles die ik erbij doe zal niemand merken en proeven !

 

Ze wisten nu dat iedereen gedacht had : laat mij nu maar eens profiteren van wat de anderen meebrengen.

 

Het werd een water­achtig gedoe, niet alleen omdat er slechts water te drinken was ...

 

En toen bij het rijzen van de maan de fluitspelers zwegen, ging ieder naar huis, wetend dat het feest nooit begonnen was.

 

W. Bruyninckx

 

 

HET VERHAAL VAN DE TWEE KIKKERS

 

Twee kikkers speelden samen in de kleine vijver achter de boerde­rij en ... plotse­ling vielen beiden pardoes in een emmer melk, die in het water stond om af te koelen.  De twee kikkers probeerden eruit te wippen, maar zij slaagden er niet in om over de rand van de emmer te springen.

 

De ene kikker was een pessimist, iemand die alles zwart inzag, vlug vies en rap moe was.

De andere was een optimist ; hij was altijd blij en vrolijk  !

Hij maakte zich niet boos bij een tegenslag en gaf nooit op.

 

Ach, zei de zwartkijker, waarom zou ik nog moeite doen  ?

Ik kan toch niet blijven zwemmen  ...  ik zal toch verdrinken ...

ik geef het op ...  hij spartel­de niet meer en verdronk  !

 

Tja, zei de optimist, waarom zou ik het opgeven  ?

Ik kan even­goed nog wat moeite doen, je kunt nooit weten  ?!

Hij bleef uren doorzwemmen .


Het was reeds laat in de avond toe hij plots  ...  iets voelde onder zijn pootjes.  Het waren kleine brokjes die boven op de melk dreven.  Onze vrolijke kikker kreeg weer nieuwe moed en spartel­de verder.  Zo vormde zich een grote brok vaste grond, hij sprong op het klontje boter, keek even rond en wip !, hij had de vrijheid terug.

 

Blij en opgewekt zwom hij opnieuw in de grote plas.

 

 

 

HOU JE ECHT VAN MIJ ?

 

Ze kwamen een eind achterop,

Jezus en Petrus.

Het was een stille avond

en fris langs het meer.

Jezus vroeg :

"Petrus, je houdt toch van me ?

 Je vriendschap is niet zo maar een woord ?"

"Neen" zei Petrus "anders zou ik toch al die jaren niet ..."

"Dat is waar" zei Jezus.

 

Een eind verder :

"Je meent het toch, Petrus ?"

Waarom zo aandringen, dacht die.

"Dat weet u toch wel beter", zei hij.

 

En nog na een tijd :

"Hou je echt van mij, Petrus ?"

Die stond stil.  Het schokte hem.

Die vraag drong tot in het merg.

Hij knikte.  Hij veegde even

met de rug van zijn hand over zijn voorhoofd.

"Dan vertrouw ik je ze allemaal toe", zei Jezus,

"Hen daar, en allen die in mij zullen geloven.

 Als je echt van me houdt, dan zal je ook van hen houden ..."

 

God heeft mensen aan mensen toevertrouwd

op voorwaarde dat ze liefhebben.

 

 

IK HEB GEEN ANDERE HANDEN DAN DIE VAN JOU

 

In de laatste oorlogsjaren werd een Duits dorp verwoest.

Na de wapenstilstand hielpen de Amerikanen het erg beschadig­de dorpje weer bewoonbaar maken.  Na het herstellen van de huizen kwam ook de kerk aan de beurt.  De muren moesten gestut worden en het middenschip opnieuw overdekt.

 

Boven het altaar had een groot Christusbeeld het pronkstuk van de kerk uitge­maakt.  Moeizaam zochten de jonge Ameri­kaanse soldaten de brokstukken bijeen en ze probeerden het kruisbeeld te herstellen.  Zorgvuldig wer­den de stukken weer in elkaar gepast en het beeld werd terug op zijn plaats gezet.  Het zag er op­nieuw heel en gaaf uit.  Alleen de handen ontbraken.

Men had ze nergens kunnen terugvinden.

 

Eén van de soldaten schreef op het voetstuk :

"Ik heb geen andere handen dan die van jou !", net alsof het Christus zelf was die de toekijkenden aansprak.

 

Inderdaad, Hij heeft onze handen nodig, om Zijn werk langs ons voort te zetten.  Wij allen hebben als levenstaak het werk dat Christus begon voort te zetten.

 

 


KOUDE GEZICHTEN

 

Ik zag op straat koude gezichten

op school koude gezichten

op het werk koude gezichten

overal koude gezichten,

jij en ik, koude gezichten.

Ik droomde ervan deze nacht.

 

Ik liep tussen een menigte van koude gezichten.

Uit de verte kwam plots één man,

die glimlachte

tussen al die koude gezichten.

Zijn gezicht werd steeds groter,

zo groot tot er weldra niets meer te zien was

dan één lachende mond.

 

De menigte verdroeg dit niet

dus sloegen ze hem dood.

 

Doch toen kwamen er meer gezichten die glimlachten,

ze glimlachten naar mekaar

ze glimlachten ook naar alle koude gezichten.

En die koude menigte begon te glimlachen

ze glimlachten naar mekaar.

 

Mensen, geweldig was dat, één glimlachende wereld.

Ze lachten om kleine alledaagse dingen

ze lachten om een gekregen bloem

ze lachten om die " dankjewel ".

Tranen en verdriet werden vergeten

want heel de wereld glimlachte.

 

De man die het eerst had gelachen sprak :

" HET IS VOLBRACHT ! "

 

Ik werd glimlachend wakker.

 

 

KRINGEN IN HET WATER

 

Hij woonde alleen

alleen met zijn ouders

op zijn kamer alleen met een wirwar van gedachten

alleen met zijn speelgoed

hij speelde goed alleen

en nooit met een ander

dat mocht niet.

Het was er koud,

zelfs middenin de warmste zomer.

Het was er akelig stil

al was de wereld vol geluid.

Binnenin was het doods en levenloos.

 

Die dag deed hij

wat hij niet doen mocht.

Hij stapte het huis uit

liep huizen voorbij

voorbij het bos en de bomen

bleef lopen en stappen

bomen en huizen


tot bij een vijver.

 

Wat doe je bij een vijver

waar je niet mag zijn ?

er zijn ...  en dromen en kijken

en steentjes rapen op de oever

ze dromend laten rollen van hand in hand

ze keilen in het water

ze laten botsebotsen

tot ze moe zinken als vallende sterren

tuimelend zwart en wit.

 

Het werd avond

hij dacht eraan naar huis terug te keren

toen hij zijn laatste steentje keilde als vaarwel.

 

Ik droom, zei hij luid, ik droom

want telkens als de steen het water raakte

sprongen de kringen in alle kleuren op

en kringelden als zeepbellen in de lucht.

 

Het glitterde, fonkelde, flikkerde,

spatte, tintelde van leven !

Hij kon ze grijpen de kringen :

grote en kleine,

als een speldekop, als een zee.

Hij voelde zich leven

en juichend buitelde hij in het gras

doorzinderd van kop tot teen.

 

Ik neem ze mee, zei hij,

ik hang ze in mijn kamer

ik berg ze weg

en hij grabbelde met armen vol

ringen en kringen en kleur en leven.

 

Hij hing ze thuis

zij schitterden, hij schitterde

voor wie het zien kon en wou.

Het was geweldig

welk een kracht die kringen hadden

wat een tover van mogelijkheden.

 

Op een dag

kreeg hij vijverheimwee

verlangen naar het wonder

en het water.

Hij deed wat hij niet doen mocht

het huis uit

huizen en bomen en bos

en

de vijver !

Er zat een ander kind

woordeloos

met keitjes in de hand te dromen.

Het wierp en keilde

en de steentjes sprongen

spattend als zwaluwen

die vangertje spelen over het water.

Er springen geen kringen op

dacht hij


ik wacht tot het avond is.

 

En de zon zonk

de zwaluwen gierden

hun laatste kreet

en het kind gooide

witzwart vaarwel

maar het wonder bleef uit

bleef onbegrijpelijk in de vijver steken.

 

Ik droom, riep hij plots

ik droom !

Hij holde naar huis

voorbij bos boom hekken

liep naar zijn kamer

scharrelde alles wat glitterde

fonkelde flikkerde

spatte tintelde van leven

grote en kleine ringen

en kringen en kleur

hij deed wat hij niet doen mocht

het huis uit voorbij huizen bomen en bos

en ademloos

wierp hij alles terug in het water.

 

Het was een onvergetelijk wonder :

de vijver was één grote regenboog

de kringen wriemelden zich

de grote van buiten

de kleine van binnen

en deinden plechtig uit

tot de oever van de vijver

eindeloos ...

 

Ze zaten beiden naast elkaar

toen de allerlaatste trilling

in het riet vervluchtigd was.

Hoe heet jij ? vroegen ze tegelijk

en lachten om het wonder

van elkaar.

 

 

PARABEL VAN DE HEILIGE MAN

 

Er kwam eens een heilige man langs ons huis voorbij.

Mijn moeder had hem door het raam gemerkt en zei :

" Ga naar hem toe m'n kind, het is goed dat ge bij hem zijt ".

 

Hij legde zijn handen op mijn schouders en zei :

" wat zou je willen doen, kleine  ?"

 

Ik antwoordde :

" Ik weet het niet.  Wat moet ik doen  ?"

 

" Neen, zo niet,  wat zou je graag doen  ?" sprak de heilige.

 

" Ik speel graag "

 

" Wil je spelen met God  ?" vroeg hij .

 

Ik wist niet wat gezegd of gedaan.  Maar hij zei :


" Zou je werke­lijk willen spelen met God ?  Dat zou het gewel­dig­ste zijn wat ooit is gebeurd.  Want alle mensen nemen God zo ernstig, dat hij zich bijna doodverveelt ".

 

" Speel met God, mijn kind, Hij heeft je gemaakt om te spelen ".