BERGTEKSTEN

 

 

AFSCHEID

 

Wanneer je

afscheid neemt

van een vriend

dan treur je niet

want wat je het diepst

in hem bemint

kan klaarder voor je zijn

bij zijn afwezigheid.

De bergbeklimmer

ziet ook beter de berg

vanuit de vlakte.

 

K.Gibran

 

 

DE DIAMANT

 

de kleur, de zuiverheid, de vormschoonheid

en het karaat maken een diamant kostbaar

en ... ook ons leven

 

de kleur

 

een kristalheldere diamant heeft

de rijkste tonaliteit aan schakeringen

 

ook onze dagen worden kleurrijk

wanneer we ondanks alles

het leven innig liefhebben

wanneer we verwonderd zijn

om wat er aan goedheid en schoonheid leeft

en mogelijk blijft

 

de zuiverheid

 

alle facetten van een diamant spelen

optimaal in op het licht

 

ook onze dagen schitteren

wanneer we zuiver van hart zijn

en ons doen en laten doorzichtig is

wanneer we trouw blijven

aan het eens gegeven woord

aan onze taak en onze vrienden

 

de vormschoonheid

 

een bekwaam en liefdevol bewerken

slijpt een diamant tot een rots van licht

 


onze dagen worden enig mooi

wanneer we elk detail van iedere opdracht verzorgen

wanneer we onze talenten creatief ontplooien

en nooit berusten in middelmatigheid

 

het karaat

 

vooral het gewicht

bepaalt de waarde van een diamant

                                         

onze dagen verrijken aan inhoud

wanneer we het echt waardevolle

tijd en aandacht geven

wanneer we ons openstellen

voor de Bron van alle licht

en zo Gods goedheid weerkaatsen

 

Valeer Deschacht

 

 

DE JONGEN EN DE ROTS

 

Midden in de bergen lag een verloren dorpje aan de voet van een geweldige rots, waarin als het ware een reusachtig gelaat was uitgebei­teld.

Ieder die er voorbij kwam, bleef staan en keek omhoog, ver­won­derd en vol ontzag. Want hoe meer je er naar keek, des te meer kreeg het gelaat de trekken van een goed en edel mens.

Dat gelaat, reusachtig en toch bescher­mend, beheerste heel het omliggende alsook het kleine dorp dat beneden in het dal rust­te.

Daar vertelden de mensen dat in het dorp eens een mens zou komen die sprekend op de rotsfiguur zou lijken en die een nieuwe wereld van vrede en goed­heid zou vestigen.

 

In het dorp leefde eens een jonge man die het verhaal gehoord had van kinds­been af.  Zo groeide ook bij hem die droom van vrede en goedheid.  Onophoudend verwijlde hij met zijn geest en hart bij de rotsfi­guur.

 

Vaak zagen de mensen hem staan met zijn han­den boven zijn ogen, starend naar de rots.

" Wat zal dat een mooie tijd zijn ", dacht hij.

En stilaan kwam over zijn gelaat de rust en de goedheid van het beeld in de rots, waar hij vol van was.

Toen hij man was geworden, merkten de men­sen van het dorp, dat hij de gelaats­trekken droeg van het gelaat in de rots en dat hij edel en goed was als de droom waarover zij vertel­den.

 

Een groot en edel mens was onder hen geko­men, een mens met warmte in zijn handen en vrede in zijn ogen, een mens met een hart van liefde in zijn woorden, een mens die het goede deed ontwaken in ieder die hij op zijn weg ontmoette.

En de mensen uit het dorp dankten de hemel voor het gelaat in de rots, dat nu onder hen was in een edel mens van vlees en bloed.­

 

 

DE OUDE VROUW EN DE DODEN

Een Zwitserse­ legende

 

Hoog in de bergen, waar geen gras, zelfs geen mos meer groeit, waar zelfs de dieren niet meer kunnen leven,


waar slechts af en toe het gekrijs van de roofvogels te horen is,

daar is het zo koud dat het water bijna het hele jaar in sneeuw­kris­tallen uit de hemel valt.

Overdag laat de zon een deel van de sneeuw weer smelten en verdampen.  Maar een ander deel druppelt door de sneeuw naar beneden en verandert in ijs.  Zo liggen daar tussen de grote bergtoppen ongekend diepe en grote ijsmassa's.  Maar omdat zij, zoals het water dat van de hemel komt de aarde en de mensen willen dienen, bewegen deze ijsmassa's zich lang­zaam naar bene­den, naar de dalen.  Dat zijn de gletsjers.  's Nachts als het overal stil is kan men het breken en schuiven van het ijs horen ; het klinkt als het klagen en steunen van mensen.

 

Veel gletsjers zijn zo tot diep in de bewoonde dalen doorge­dron­gen.  En aan de rand van één van deze gletsjers leefde een oude vrouw in een kleine hut.  Haar man was jager geweest.  Op een dag was hij vergezeld van hun zoon over de gletsjers gegaan om gemzen te jagen.  Beiden waren niet meer terugge­keerd.  Vanaf dat ogenblik bleef de oude vrouw in het hutje aan de rand van de gletsjer wonen.  De mensen  uit het dorp brach­ten haar vlas om te spinnen en als loon ontving ze alles wat ze nodig had om van te leven.  Er was niemand in de verre omtrek die zo mooi en gelijk­matig kon spinnen als de oude vrouw.

Behalve voedsel vroeg ze bovendien altijd kaarsen als loon en de mensen brachten ze haar graag, want ze wisten dat de oude vrouw steeds een kaars aanstak voor de doden.  Daar, in het harde, koude ijs, in de winterse stormen en sneeuwlawines moesten de zielen verblijven die in hun leven hardvochtig tegen armen en zieken, tegen zwakken en ouden geweest waren, zielen die weinig liefde voor mensen en dieren gekend hadden.

Zodra het 's avonds donker werd, hield de oude vrouw op met spinnen.  Ze gooide dan nog een paar dikke blokken op het vuur in de haard, zette een brandende kaars voor het raam en opende de deur op een kier.  Daarna begaf ze zich naar bed.  Avond na avond hoorde ze hen komen, de doden van de gletsjer, die in haar hut beschutting en warmte vonden.  De oude vrouw sprak een gebed voor hen uit en sliep daarna vredig in.

 

Op een dag was ze lang doorgegaan met spinnen.  Haar ge­dachten waren terugge­gaan in het verleden, in de tijd dat haar kind bij haar speelde en haar man 's avonds uit de bergen met zijn buit terugkeerde.  Daardoor had ze de tijd helemaal verge­ten en er niet aan gedacht om een kaars voor het raam neer te zetten.  Plotseling hoorde ze een gekrab en geklop tegen het raam en daarna klagende stemmen die spraken : 'Kijk, kijk, de oude vrouw spint nog.'  Toen sprong de deur open en de doden kwamen naar binnen.  Het was al te laat om nog naar bed te gaan.

Vanaf die dag vergat ze nooit meer om tijdig een kaars voor het raam te zetten en de deur op een kier te openen.

 

Zo vergingen vele jaren en op een wintermorgen vonden twee herders die haar vlas en nieuwe voorraden brachten de oude vrouw met gevouwen handen en een tevreden lach op haar gezicht dood in bed liggen.  De jongste van de twee keerde terug naar het dal om voorbereidingen voor de begrafenis te treffen en een kist te halen, terwijl de oudere herder de hele dag bij de gestorvene bleef waken.  In de namiddag bracht de herder uit het dal een kist mee en beide herders legden de oude vrouw erin en ontstaken kaarsen aan haar hoofdeinde.

'In welke eenzaamheid heeft deze vrouw geleefd', sprak de jong­ste.

'Eenzaam misschien wel', meende oudste, 'maar niet alleen.  Ze heeft vele, vele vrienden gehad.'

Inmiddels was het donker geworden.

'Kijk eens', zei de oudste van de twee en wees naar buiten uit het raam.  Van de gletsjer af naderde een lange, lange stoet van bleke gestalten.  Ieder van hen droeg een brandende kaars.  Het waren er net zoveel als de oude vrouw had opgebrand voor de gestorve­nen.  De bleke gestalten stelden zich in een kring om het huis.  De oudste herder opende de deur en toen zagen ze hoe de oude vrouw uit het huis kwam en op de doden toetrad.  Alle bleke gestalten maakten een diepe buiging voor haar en gaven de oude vrouw ook een kaars.  Daarna trokken ze in een lange rij weg, de oude vrouw voorop.  De stoet eindig­de echter niet in de gletsjer­kloven, maar trok als een lichtend lint steeds hoger de berg op.

Over het ijs lag een roodachtig schijnsel, dat tot ver in de hemel reikte.  De stoet met haar lichtjes trok langzaam verder en ver­dween in de rode, hemelse gloed.  Vanaf die dag hoefden de arme zielen niet meer op de gletsjer te leven.

De liefde en de zorgen van de oude vrouw hadden hen uit de koude gletsjer bevrijd.

 


DE TAAL DER BERGEN

 

Bisschop Reinhold STECHER van Innsbruck is een begeesterd bergbe­klim­mer.  Hij hield een toespraak bij de opening van het Alpencentrum Hohe Tauern/Ru­dolfsh­ütte.

Bergen zijn voor hem een venster op de transcendentie.

Zij verwijzen naar Hem die alles overstijgt.

 

De bergen brengen een oeroude boodschap.  Deze is niet slechts de droom van een religieus romanticus.  Mensen uit verschillen­de kultu­ren van de Andes tot de Himalaya, van de Olympus tot de Kilimand­sjaro hebben ze gehoord, zelfs wanneer ze zacht en gedempt doorge­geven wordt.

Ik probeer de boodschap van de bergen te vertalen naar onze situatie toe.  Hun boodschap is volgens mij vijfvoudig.

 

1.  Hun eerste boodschap luidt :

 

* de bergen zwijgen - over een luidruchtige wereld

 

Nu en dan loop ik voor enkele uren weg uit mijn stad.

Wanneer ik dan vanaf de Nordkette naar beneden kijk op het dampend Häuser­meer, dan word ik me bewust hoe luidruchtig de wereld is die wij gebouwd hebben.

Alles is luidruchtig : motoren, machines, luidsprekers, lich­ten, kleu­ren. Wij hebben het bestaan tot een diskoteek omge­vormd.

 

Wanneer ik me echter omdraai naar de nissen in de bergtop en kijk naar de bergketens en let op de steile wanden en rots­spleten, dan overvalt me de stilte.  Wanneer een steen valt, dan wordt dit geluid iets kostbaars, een zeldzame gebeurtenis dat in de echo verder uitdeint.

Is het ons nog niet opgevallen dat we in onze straten en huizen geen echo kennen ? Dit geldt echter niet alleen voor de buiten­we­reld, dat geldt ook voor de ziel van de moderne mens.  In ons kan niets meer nagalmen.

Indrukken, prikkels en gebeurtenissen volgen elkaar snel op.

Niets kan nog eindigen.  En zo zijn niet enkel onze trommel­vliezen gealarmeerd, maar ook onze hersenen.

De mens verliest de dimensie van de diepte.  De bergen echter zwijgen.  Zij beschermen en handhaven - niet altijd met sukses - ruimte en gelegen­heid tot stilte.

De stilte echter was steeds het voorportaal van de gods­dienst,

het tapijt dat uitgelegd moest worden, zodat men erop kon bid­den.

 

 

2.  Het tweede luik :

 

* de bergen rusten - over een gejaagde wereld,

 

Ons tijdperk wordt gekenmerkt door vooruitgang, levendigheid en mobili­teit.  De tijdsgeest gaat tewerk, als een verkeers­agent die groepen opge­jaagd toewuift : " Verder, verder ... ! "

Het spel dat we dagelijks spelen heet  " Dalli, dalli ".

 

Wij staan niet aan de naaf van de tijd, wij worden naar de

pe­riferie van een razende carrousel gedreven.  Wij glijden van ogen­blik tot ogenblik.  Gedragspsychologen hebben het over

" momentanis­me " bij de huidige mens.  Wij worden door het ogen­blik en nu-mo­ment gevormd.  Bedacht op zijn nut, gefasci­neerd door zijn genoe­gen, met weinig zin voor verbinding in de toekomst, nauwelijks verbonden met het verleden, zonder zin voor het stevige en het blijvende.

 

De bergen echter rusten over deze onrustige voortdrijvende wereld.  De plaatse­lijke bevolking en de koster begroeten mij vandaag nog zoals zij mij als kind begroet hebben.  En wanneer zij de tiende generatie na ons zullen begroeten, zal er welis­waar veel veranderd zijn - de bergen echter zullen geen spier vertrok­ken hebben.


" Wat wil je, opgewonden en gewichtigdoende mens van de 20-ste eeuw ? ", vraagt de berg. " De beek waaraan je voorbijgaat heeft zijn ravijn doorheen miljoenen jaren uitgegraven.  De steen, waarover je struikelt, heeft ijstijden en krijtzeeën gezien.

De rotswand, die zich boven jou verheft, is duizendmaal ouder dan de mensheid. "

Zo zingen de bergen zonder woorden het lied van de eeuwig­heid. Onhoorbaar verwijzen zij naar Hem voor wie duizend jaren zijn als één dag.

 

 

3.  Een boodschap om dankbaar te zijn.

* de bergen stellen eisen in een weke wereld.

 

De berg legt zich, om zo te zeggen, dwars tegen onze met schuim­rubber beklede welvaartsmaatschappij.  Wie werkelijk een ontmoe­ting met de berg wil, kan hem niet met beklimmingshulp­middeltjes of panoramacafés verschalken.

* De berg ruilt met hartverfrissende ruwheid het droombed voor de harde brits, de klubzetel voor de bivakzak.

* Hij bezorgt bij het vallen van de avond blaren op de voeten en bij zonsop­gang spierpijn.

* Hij vergt zweet en moet niets hebben van deodorants.

* Hij schrijft jou de goede, oude rugzak voor.

* Hij doorkruist met het grilli­ge weder onze plannen en wen­sen.

 

De gure wind, die vaak langs de bergtoppen fluit, heeft maling aan maat en welvaart.  Daarom worden de bergen door velen afgewe­zen omdat ze juist zo onge­makkelijk zijn.  Zij echter, die de berg wel willen beklimmen, treden daarmee in de nabijheid van God. 

 

De God van waarheid was nooit gemakkelijk.  Bij al zijn schoon­heid en goedheid verlangt Hij niettemin offers en afstand.

Tegen­woordig probe­ren wij zo vaak ons een " Lieve God op nulta­rief " te knutselen die ons een kosteloze dienst voor onze ziel biedt.

 

Tegenover deze ruige trek van de bergen, lijkt hun volgende trek bijna in tegen­spraak.

 

 

4.  een boodschap van vriendelijkheid

 

* de bergen schenken warmte - in een afgekoel­de wereld

 

Op bepaalde tijdstippen van het jaar kennen wij het verschijn­sel van de " Kältesee ", dit betekent dat het in de bergen warmer is dan in de dalen.  Dit kan men ook in overdrach­telijke zin begrij­pen : in de hoogte kan het warmer zijn dan beneden.

 

Wij hebben dit reeds bij onze alledaagse bergbeklimming erva­ren : in de bergen groet iedereen iedereen.  Maar beneden op de par­king, waar 200 auto's staan, is het al afgelopen - daar lopen we elkaar gejaagd voorbij.

Men heeft daarover overtui­gende weten­schappelijk onderzoekin­gen gedaan : de koncentra­tie, de massifikatie bevriest de men­selij­ke kontakten.  Over wolken­krabbers en stadswijken drukt de vereenzaming en gebrek aan kontakt als bij een koude mist.

Hoe meer de wereld verste­de­lijkt des te minder mensen op elkaar achten en elkaar hel­pen.

Ik moet je niet duidelijk maken hoe vaak bergen mensen samen­brengen, vriendschap en hulpvaardigheid oproepen.  Ik moet niet verklaren dat bergen een afkeer van de massa heb­ben.  Ze be­groeten de enkeling, de familie, de groep, de Seilschaft (x).

Voor de massa trekken zij zich terug.  Als priester hoef ik niet te verkla­ren dat deze trend naar, voor, en met elkaar, het eeuwig program­ma van God is.  Het lied van de Barmhartige Samari­taan klonk voor de eerste maal in de eenzame bergwoestijn van Jude­a.

 

 

5.  heerlijke bergen : een deugd­doend woord !

 

* de bergen stralen - over een donkere wereld

 

De beelden die we in onze ziel bergen zijn onze grootste schat.


Eén van de mooiste beelden die we terug naar huis meenemen, is steeds het beeld van het eerste morgenlicht, dat in de bergen opklaart.  Bij het beeld van het ochtendgloren in de bergen vertoe­ven we nog even.  Er zijn nu eenmaal die donke­re dalen.  Zelfs wanneer wij ons niet tot de pessimisten reke­nen, moeten wij erkennen dat de depres­sie een verschijnsel van deze tijd wordt.

Ik hoor nog de klacht van een psychoterapeut die een paar dagen geleden bij mij zijn hart uitstortte.

De depressie wordt het steeds in aantal stijgende lot van de enke­ling.  Men heeft in het hedendaagse kultuurpatroon de neiging tot het overbeklemtonen van het negatieve in de maat­schappij.

 

In deze laatste kwarteeuw waarin we het beter hadden dan ooit voordien, verscheen een Franse roman onder de titel " Bonjour Tristesse ", " Goeie dag, Treurigheid ".  Het was niet enkel de titel van een boek, maar de titel voor een tijdperk.

 

We kunnen vele redenen opsommen voor dit zo vaak verduis­terd levensgevoe­len : gebrek aan toenadering en aandacht, afkeer, verve­ling, zinloosheid, leegte, verdrongen geweten, egocen­trisme. Wat het ook weze : het is voor vele tijdgeno­ten duis­ter in het dal van hun bestaan.

Ik beweer geenszins dat de bergen " het " geneesmiddel zijn voor dit alles.  Wel kunnen ze vaak helpen, ze zijn een natuur­rijke thera­pie, maar vooral zijn ze een teken van bevrijding.

 

Het verrukkelijkste van alle beelden, het eerste licht op de berg­top­pen, het vuur dat vanop de eeuwige sneeuw op de kam van de bergtoppen naar beneden glijdt en de dode donkerte in zacht blauw en hel groen verandert - dit beeld is de steeds terugke­rende lofzang aan de bevrijdende God.

 

De bergen zwijgen - over een luidruchtige wereld

de bergen rusten - in een gejaagde wereld

de bergen vergen inspanningen - in een verwekelijkte wereld

de bergen verwarmen - in een afgekoelde wereld

de bergen stralen - over een donkere wereld.

 

Ze herhalen de boodschap van God op een bescheiden en toch indrukwekken­de manier.

En wanneer vandaag over dit mooie tehuis van de alpenvereni­ging de zegen getekend wordt,

dan mag dit niet een magisch gebaar zijn,

maar een bede dat, achter alle vrolijk of ernstig gedoe dat dit huis vervullen zal, ook deze oerou­de boodschap hoorbaar zal wor­den.

Zo zal het dan een uitdrukking zijn van dank aan Diegene die ons de bergen geschonken heeft.

 

Bisschop Reinhold Stecher

Innsbruck

(x) Seilschaft : cordée, bergbeklimmers aan éénzelfde touw.

 

 

EEN INDISCHE PARABEL

 

Twee monniken trokken de bergen in,

hoe langer hoe hoger, op zoek naar God.

Op een gegeven ogenblik zagen ze geen mensen meer,

alleen nog vogels.

Eén van de vogels werd op hen verliefd en bleef bij hen,

terwijl ze hoger en hoger klommen.

Toen kwam de winter ...

 

Alle vogels trokken weg naar warmere streken.

En die ene vogel moest nu kiezen :

meevliegen of bij zijn vrienden blijven.

Uit liefde koos hij de monniken en bleef bij hen.

Toen werd het midwinter en van de kou

dreigde de vogel te bevriezen.

De ene monnik zei : " Schiet op, jij ! Als je niet meegaat,

moet ik je naar beneden dragen !

En ik ben druk op zoek naar God ! "


Tenslotte bracht hij de vogel naar beneden

en toen hij dat deed,

droeg hij opeens God in zijn handen ...

 

 

GEBED

 

Heer,

toen ik in het diepe dal zat

en geen spatje meer zag

van het licht op de top,

heb ik U aanroepen en het werd lichter.

Het licht kwam in het dal,

en langs het licht

klauterde ik weer omhoog,

moeizaam,

maar eenmaal aan de top

zag ik het licht

in volle glorie.

Het leed was geleden

en dankbaar

heb ik U licht omhelsd.

Nu weet ik zeker:

U bent het stralende licht

aan de top van de berg,

maar ook

de schittering van het vonkje in het dal.

 

Toon Hermans

 

 

HET GEHEIM VAN DE BERGEN

 

Misschien ben je wel eens met je vader samen op stap ge­weest.

Je kwam bij een toren en je vroeg aan je vader :

" Pa, mag ik een frankske om de toren te beklimmen ? "

 

Misschien ben je ook wel eens met je vrienden op wandel ge­weest.

Je kwam voor een muur en je wilde over die muur heen kij­ken.

Wat zou daarachter zijn ???

 

Misschien ben je op vakantie in de buurt van bergen geweest en dan vroeg je : " zullen we die berg eens beklimmen ? "

 

Waarom zouden we dat toch telkens weer willen :

verder zien, hoger klimmen

om nog verder te kunnen kijken ?

 

Eigenlijk dragen alle mensen dat in zich mee :

boven op een berg moet iets zijn, iets over het leven heen,

kijken over ...

En dan telkens dat entoesiasme.

Het lijkt of een bergspits het droomgebied van de mensen is.

Altijd al. Lang voor ons.

Is het alleen  omdat we op een berg verder kunnen kijken ?

Waarom hebben bergen altijd

de aandacht van de mensen getrok­ken ?

 

In sommige tijden waren de bergtoppen de plaats


waar men dacht dat de goden leefden.

Noem maar eens een paar van die bergen op :

de Olympus, De Foetsjiama.

En als er geen bergen waren, maakten de mensen bergen :

ze bouwden torens : de toren van Babel, de Borroboedoer.

 

Aan de voet van een berg, de berg Athos, wonen monniken.

Soms klimmen ze naar de bergtop.

Daarboven staat een icoon over het Thabor-verhaal.

Waarom ?

 

Zou dat iets te maken hebben met wat de mensen ervaren

als ze de hoogte ingaan ?

 

Ze zien meer en sommigen zeggen : we hebben het gezien.

Ze stralen ervan.

Zou zo ook bv. Mozes niet van de Sinaï-berg zijn afgekomen ?

Ik heb het gezien, mensen, nu weet ik hoe het moet.

Hak het maar op stenen tafelen !

 

Je kunt op de bergtoppen niet over de grenzen heenkijken,

maar toch ... de vogel in ons voelt zich vrij worden.

In alle eenzaamheid, daar ver boven in de toppen,

beleeft de mens misschien iets wat hij God noemt.

Iets dat hem verrukt.

 

En dan komt de vogel terug, naar beneden.

We zouden het anderen willen vertellen.

Zullen ze ons wel geloven ?

 

Hoe houd ik het nog uit tussen jullie, zei Jezus,

toen Hij van de berg afge­daald was.

 

In de ogen van anderen zijn het vreemde vogels, die iets derge­lijks beleefd hebben en het zouden willen medede­len.

En toch zal de vreemde vogel naar beneden moeten komen,

naar de stad van de mensen.

Daar alleen kan hij alles kwijt.

 

" Ik ben boven geweest " zegt hij en hij straalt ...

 

 

JE MOET NOOIT ALLEN DE BERGEN OVER ...

 

Ook als je aankijkt tegen bergen onrecht,

bergen kwaad en onwil,

tegen strukturen die niet

te veranderen zijn,

honger die niet gestild en

dorst die niet verzadigd wordt,

bewapening die er toch komt...

ook als je aanloopt tegen muren

van onbegrip, verdachtmaking

en achterdocht...

geef ook dan niet op !

Ga door !

 

Zie, er zijn nog mensen

- méér en méér -

die met je meegaan tegen bergen aan.


In deze groeiende gemeenschap

daagt de hoop, de zekerheid

dat het toch kan,

dat vrede komt,

en recht ooit zal gebeuren,

en mensen ooit

elkaar "broer" en "zus" gaan noemen.

In deze gemeenschap weet je

dat Hij er is, de God die

mensen "leven" geeft.                         

 

Je moet nooit alleen de bergen over ...

 

 

KOM MEE OP DE BERG

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 17, 1-9

 

In die tijd nam Jezus

Petrus, Jakobus en diens broer Johannes met zich mee

en bracht hen boven op een hoge berg,

waar zij alleen waren.

Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd :

Zijn gelaat begon te stralen als de zon

en Zijn kleed werd glanzend als het licht.

Opeens verschenen hun Mozes en Elia,

die zich met Hem onderhielden.

 

Petrus nam het woord en zei tot Jezus:

" Heer, het is goed dat wij hier zijn.

Als Gij wilt zal ik hier drie tenten opslaan,

één voor U, één voor Mozes en één voor Elia. "

 

Nog had hij niet uitgesproken

of een lichtende wolk overschaduwde hen

en uit de wolk klonk een stem :

" Dit is Mijn Zoon, de welbeminde,

in wie Ik Mijn welbehagen heb gesteld ;

luister naar Hem. "

 

Op het horen daarvan

wierpen de leerlingen zich ter aarde neer,

aangegrepen door een hevige vrees.

Maar Jezus kwam naar hen toe,

raakte hen aan en zei :

" Sta op, en wees niet bang. "

 

Toen zij hun ogen opsloegen

zagen zij niemand meer dan alleen Jezus.

Onder het afdalen van de berg gelastte Jezus hun :

" Spreek met niemand over wat ge hebt aanschouwd

voordat de Mensenzoon uit de doden is opgestaan. "

 

 

TOUWSYMBOLIEK

Jos B.

 

Een touw drukt verbondenheid uit,

veiligheid en redding als ons leven


aan een zijden draadje hangt.

 

Met een koord om je middel

durf je weer voort, de geborgenheid

van de groep trekt je mee.

 

Touwen zijn er om vast te houwen,

ze worden je toegeworpen als een uitnodigend gebaar

om je na je hulpgeroep

weer op te nemen in de groep.

Ze behoeden je voor een fatale val.

 

Maar je kan in touwen ook verstrikt raken.

Als je de knopen niet genoeg beheerst, struikel je,

licht je je tochtgenoten voetje of worden de

veiligheidsbindingen een toeglijdende strop

om je hals.

 

Als je echter de regels van de cordee leert,

stap je niet meer angstig alléén,

maar vol vertrouwen samen op.

 

De druk van de verantwoordelijkheid wordt over

verschillende schouders verdeeld,

je mag al eens een foutje maken,

je hoeft niet langer onfeilbaar te zijn,

één misstap betekent niet meer

onvermijdelijk het einde.

 

Ik wil niet alléén door het leven klimmen.

 

 

ZOALS DE ADELAAR ZIJN JONGEN DRAAGT ...

 

Ze waren deze morgen al heel vroeg vertrokken uit het Ferien­dorf, en nu klommen ze nog steeds en het liep al tegen de avond.­

 

Mieke, veertien jaar, stapte voorop, als een echte bergbeklim­mer, speurend naar het pad, dat langzaam maar zeker tegen de rode rotsen van de Fie­schergletscher opklom.  Papa volgde haar, en hij floot.

Dat deed hij altijd als hij blij was.

Mama die floot niet ( ze kon trouwens niet fluiten ), neen, mama zuchtte ! Ze zuchtte, want haar voeten deden pijn, ze had dorst en haar bloes plakte van het zweet ...

Wat ook plakte, dat waren de schoenen van Koen !

Ze plakten aan de rotsbodem, zo moe was hij.

Elke stap woog voor hem als lood.  Hij dacht er net over het maar op te geven, en zich hier op de grond te laten vallen, toen Mieke plots riep : " k zie de hut ! Ik zie de hut!”

 

Een uur later zaten ze rond het open haardvuur in de berghut, en de rest van de wereld kon hen gestolen worden.

En als de oude bergbewoner niet was beginnen vertellen over zijn lange leven, zo dicht bij de top van de berg, waren ze zeker vlug in slaap gevallen.

Het was heel laat toen ze eindelijk naar bed gingen, en nog lang zagen Mieke en Koen in gedachten de oude man onbeweeglijk voor de dansende vlammen zitten.

 

Langzaam wordt het licht in de bergen, heel langzaam,

en dat licht is zacht, omfloerst door nevel en dauw.

Een nieuwe dag groeit.

En kijk !


Daar stappen Mieke en Koen al terug op het bergpad, en wie is hun gids ? De oude man van de vorige avond.

Hij wil hen de bergen laten zien zoals ze echt zijn, heeft hij ge­zegd.  En dus stappen ze nu achter hem aan over het steeds smaller wor­dende paadje, steeds dichter naar de top.  Witte slierten mist dansen om hen heen. Het pad wordt moeilijker begaanbaar, en hier en daar helpt de oude man hen over de rotsblokken heen.  Het lijkt of hier nog nooit een mens een voet gezet heeft.

Plots horen ze, ver boven hun hoofden, een schreeuw.

 

Mieke en Koen schrikken, en kijken naar hun gids.  Maar deze glimlacht alleen heel even, en stapt verder.

Even later, weer zo'n kreet, veel dichterbij nu.

Ze kijken omhoog, maar zien alleen mist en nevel voor hun ogen.  En dan, dan gebeurt het !

Een grote zwarte schaduw valt uit de lucht, en scheert laag over hun hoofden.  Broer en zus willen het al op een lopen zetten, maar de grijze man stelt hen gerust, en trekt hen mee naar een soort nis in de steile rotswand.  Als ze daar goed en wel een plaatsje hebben gevon­den, wijst hij recht vooruit, en kijk daar !

Een enorme vogel, met brede vleugels, stevige klauwen, een angst­aanjagen­de haaksnavel en scherpe, diep-door-je-heen-kijkende ogen zweeft traag, zonder de vleugels te bewegen, geluidloos dichterbij.

 

Hij gaat op nog geen vijf meter van hen af zitten, en kijkt hen onderzoekend aan.  De oude man praat nu heel zacht. Vreemde woorden gebruikt hij, woorden die ze niet kennen.

En het is alsof de machtige vogel luistert, en af en toe knikt.

Dan zwijgt de grijsaard en de vogel slaakt weer zo'n vreemde kreet.

Dan vliegt hij op, eerst met zware vleugelslag, maar al vlug zweeft hij met gespreide vleugels over hen heen, en weg.

Het duurt een hele tijd voordat Mieke zegt :

" Hé, wat een ge­beurte­nis ! En wat een vogel ! Dat moet wel de Koning van de vogels zijn ! "

Koen die dromerig zat te staren, schiet door die woorden op, en fluistert : " Die arend, dat is God ! "

 

's Avonds vertelt hun gids een oud, heel oud verhaal.

Een verhaal, zegt hij, uit het Boek der Boeken.

 

" De adelaar, de koning der vogels, maakt zijn nest hoog in de ber­gen.  Van daarboven tussen de rotsen zal hij zijn jongen leren vliegen.  Want ook de jongen van een adelaar hebben vleugels, en moeten al vliegend de wijde wereld verkennen.

Eerst zal de adelaar zijn vleugels spreiden, en zijn jongen op zijn vleugels over berg en dal dragen, tot ze zelf door de lucht kunnen zweven, over de landen en wateren van de wereld.

En zoals de adelaar zijn jongen draagt, zo vertelt Mozes in de Bijbel, zo draagt God, de Heer, zijn volk, zijn mensen. "

 

 

UIT HET EERSTE BOEK KONINGEN

 

Toen Elia bij de berg Horeb kwam

ging hij er een grot binnen en overnachtte daar.

Toen kwam het woord van de Heer tot hem :

"Ga naar buiten en treed aan voor de Heer op de berg."

Toen trok de Heer voorbij.

Voor de Heer uit ging een zeer zware storm ;

die bergen deed splijten en rotsen verbrijzelde.

Maar de Heer was niet in de storm.

Op de storm volgde een aardbeving.

Maar ook in de aardbeving was de Heer niet.

Op de aardbeving volgde vuur.

Maar ook in het vuur was de Heer niet.

Op het vuur volgde het suizen van een zachte bries.

Zodra Elia dit hoorde,

bedekte hij zijn gezicht met zijn mantel,


ging naar buiten en bleef staan aan de ingang van de grot.

En toen klonk er een stem die hem vroeg :

"Wat doet ge hier, Elia ?

Hij antwoordde :

"Ik heb vurig geijverd voor de Heer,

de God der hemelse mach­ten.

De Israëlieten hebben uw verbond met voeten getreden,

uw altaren omvergehaald

en uw profeten met het zwaard gedood ;

ik alleen ben overgebleven

en nu staan ze ook mij naar het leven."

 

Toen zei de Heer tot hem :

"Keer terug op uw schreden

en ga door de woestijn naar Da­mascus ;

als ge daar gekomen zijt,

moet ge Hazaël zalven tot koning van Aram.

Jehu, de zoon van Nimsi, moet ge zalven

tot koning van Israël,

en Elisa, de zoon van Safat uit Abel-Mechola,

moet ge zalven tot uw opvolger als profeet."

 

 

Terugkeren naar bidden en bezinnen

 


Laatst bijgewerkt op  7 mei 2001