UITVAARTLITURGIE

 

 

ZEGENING VAN DE OVERLEDENE

 

Goede lieve moeder (vader),

Wij zegenen je dode lichaam

en brengen je in het midden van onze kring,

met kinderen en kleinkind(eren), familie en vrienden.

Moge God een Vader voor je zijn (+),

moge Jezus je bevrijden van zonde en dood (+),

en moge de Geest je begeleiden

naar een bevrijdend eeuwig leven (+).

Amen.

 

Wij begroeten onze N.

en brengen hem/haar een laatste maal

in de kring van zijn/haar familie en zijn/haar vele vrienden.

Meer dan zijn/haar lichaam blijft in ons hangen

de herinnering aan zijn/haar enthoesiasme,

aan zijn/haar enorme werkkracht en zijn/haar diep geloof.

 

God, wij dragen dit alles,

het gesprokene en het onuitgesprokene aan U op,

en vertrouwen dat N. eeuwig leeft in Uw barmhartigheid.

Want naar U ging zijn/haar verlangen

en op U rustte zijn/haar zekerheid, zijn/haar wezen.

 

 

BEGROETING  1

 

N., dierbare kinderen en kleinkinderen,

geachte familie en vrienden, U allen die hier aanwezig zijt,

de dood van N. heeft ons hier samengebracht.

Wij willen waken en bidden om woorden te vinden voor wat ons sprakeloos maakt,

om stille gebaren te maken die onze verlamming doorbreken en we willen vooral begrijpen :

waarom deze mens, waarom nu al, waarom op deze manier.

Dit is een moment waarop we woorden van troost en bemoediging hard nodig hebben.

 

In dit huis van God houden mensen de boodschap van hoop levend.

Week in week uit vertellen ze en vieren ze het verhaal van de Leven­de, Jezus van Nazareth, de Christus.

Hij heeft voor ieder die in Hem gelooft

de hoop op eeuwig leven ontsloten.

Hijzelf is de weg van de mens gegaan : door de dood heen.

Hij is nu opgenomen bij God, Vader voor iedere mens.

Hier staat de paaskaars : symbool van de levende Heer.

Moge Zijn licht onze duisternis doorbreken.

 

de paaskaars wordt nu aangestoken

 

Dit houten kruisje met N.'s naam wil ik nu op de lijkkist neerleg­gen.

Het doet ons, gelovige en zoekende mensen delen in Jezus' kruis­dood en het verwijst naar de verrijzenis :

leven in Gods liefde voor eeuwig.

 

Na de uitvaartliturgie wordt dit kruisje opgehangen

bij de Piëta, het beeld van de Moeder met haar dode Zoon op de schoot.

 

Tijdens de viering voor alle overledenen op Allerzielen

waarvoor wij U, geachte Familie zullen uitnodigen,

willen wij U dit kruisje overhandigen.

Gedurende deze tijd gedenken wij N. in het gebed van onze parochiegemeenschap.

 

Wij willen geloven met heel ons hart

dat God goed is voor iedere mens.

Mogen de oude geloofsverhalen ons de weg wijzen,

moge het gebed ons sterken,

moge God ons allen genadig zijn.

 

 

BEGROETING  2

 

 

Achtbare familie, buren en vrienden van N.,

wij zijn hier vandaag samengekomen

om met ons gebed, N. (iemand) die ons dierbaar was en is,

naar zijn/haar laatste rustplaats te begeleiden.

Welkom allen in dit gebouw, beeld van een veel groter huis

waarin de Heer zelf de gastheer is.

Jezus, die wij in dit huis belijden als onze Heer en Voorganger, heeft eens gezegd :

" In het huis van Mijn Vader zijn vele woningen."

Iedere mens is anders, is uniek.

Voor ieder is er plaats bij God, voor u, voor mij,

voor N. die niet meer tussen ons leeft.

Wij bidden voor hem/haar.

Wij geloven met heel ons hart dat God goed is voor iedere mens.

Wij willen elkaar troosten en bemoedigen in dit uur

opdat de dood ons niet teneerdrukt

en opdat het leven voorrang krijgt.

De oude geloofsverhalen zullen ons de weg wijzen,

het gebed zal ons sterken en de goede God,

Vader voor ieder die zich tot Hem wendt,

zal ons smeken opnemen in zijn liefde.

 

Hier staat de paaskaars die wij nu willen aansteken.

 

(de paaskaars wordt aangestoken)

 

Zij is het symbool van de levende Heer.

Hij ging ons voor op de weg van dood naar leven.

 

Dit houten kruisje met de naam van N. (onze dierbare N.)

wil ik nu op de kist neerleggen.

Het doet ons, gelovige en zoekende mensen delen

in Jezus' kruisdood en verwijst naar de verrijzenis :

leven in Gods liefde voor eeuwig.

 

Na de uitvaartliturgie wordt dit kruisje opgehangen

bij de Piëta, het beeld van de Moeder met haar dode Zoon op de schoot.

Tijdens de viering voor alle overledenen op Allerzielen

waarvoor wij U, geachte Familie zullen uitnodigen,

willen wij U dit kruisje overhandigen.

Gedurende deze tijd gedenken wij N. in het gebed van onze parochiegemeenschap.

 

 

BEGROETING  3

 

 

Achtbare Familie, vrienden en buren van N.,

Wij zijn hier vandaag samengekomen om met ons gebed

iemand die ons dierbaar was en is,

naar zijn laatste rustplaats te begeleiden.

Moge onze droefheid gemilderd worden door het geloof dat,

over de grenzen van de dood heen,

onze N. voor eeuwig leeft.

Heeft de Heer niet gezegd : "Wie in Mij gelooft zal leven,

ook al is hij gestorven".

 

Omdat wij in de woorden van de Heer geloven

hebben wij dit dode lichaam hier neergezet

op de ereplaats van onze kerk.

Laten wij samen God danken voor de genegenheid,

de goedheid en de vriendschap die wij van N.

mochten ervaren en waardoor ons leven

schoner en gelukkiger is geweest.

 

Hier staat de paaskaars die wij nu willen aansteken.

 

(de paaskaars wordt aangestoken)

 

Zij is het symbool van de levende Heer.

Hij ging ons voor op de weg van dood naar leven.

 

Dit houten kruisje met de naam van N. (onze dierbare N.)

wil ik nu op de kist neerleggen.

Het doet ons, gelovige en zoekende mensen delen

in Jezus' kruisdood en verwijst naar de verrijzenis :

leven in Gods liefde voor eeuwig.

 

 

Na de uitvaartliturgie wordt dit kruisje opgehangen

bij de Piëta, het beeld van de Moeder met haar dode Zoon op de schoot.

Tijdens de viering voor alle overledenen op Allerzielen

zullen wij U dit kruisje overhandigen.

Daarvoor zullen wij U, geachte Familie uitnodigen.

Gedurende deze tijd gedenken wij N. in het gebed van onze parochie­gemeenschap.

 

 

BEGROETING  4

 

 

Dierbare Familie en allen die hier aanwezig zijt :

Wij hebben het lichaam van N. (onze overledene)

gebracht binnen de kring die wij samen vormen

rond het altaar van de Heer.

Voor de dood staan wij, mensen, machteloos.

Daarom wenden wij ons met onze droefheid en vragen tot God.

Hij kan troosten.

Hij kan nieuwe hoop geven,

want in Hem hebben wij een Vader,

die de eeuwige dood van een mens niet wil.

Hij heeft ons dat laten zien in Jezus Christus,

die Hij uit de dood heeft doen opstaan

tot onvergankelijk leven.

Ook wij hebben de belofte gekregen dat wij eenmaal

in dit blijvende leven zullen delen, samen met N.

 

Mag ik u uitnodigen om vanuit dit geloof

samen eucharistie te vieren.

Dan zullen wij samen met onze dierbare (lieve) N.

één gemeenschap vormen

die de grenzen van de dood overstijgt.

 

Hier staat de paaskaars die wij nu willen aansteken.

 

(de paaskaars wordt aangestoken)

 

Zij is het symbool van de levende Heer.

Hij ging ons voor op de weg van dood naar leven.

 

Dit houten kruisje met de naam van N. (onze dierbare N.)

wil ik nu op de kist neerleggen.

Het doet ons, gelovige en zoekende mensen delen

in Jezus' kruisdood en verwijst naar de verrijzenis :

leven in Gods liefde voor eeuwig.

 

Na de uitvaartliturgie wordt dit kruisje opgehangen bij de Piëta,

het beeld van de Moeder met haar dode Zoon op de schoot.

Tijdens de viering voor alle overledenen op Allerzielen

waarvoor wij U, geachte Familie zullen uitnodigen,

willen wij U dit kruisje overhandigen.

Gedurende deze tijd gedenken wij N. in het gebed van onze parochie­gemeenschap.

 

 

BEGROETING  5

 

 

N., dierbare kinderen en kleinkinderen,

geachte familie en vrienden, U allen die hier aanwezig zijt,

de dood van N. heeft ons hier samengebracht.

Wij willen waken en bidden om woorden te vinden

voor wat ons sprakeloos maakt,

wij willen stille gebaren maken

en tekens stellen die uitdrukking zijn

van de hoop die in ons leeft.

 

Elke mens verlangt naar het geluk dat dieper is

dan de wereld kan ge­ven.

Als kind meen je dat het geluk in de dingen ligt.

Wij willen dan zoveel mogelijk hebben.

En toch weten wij reeds heel jong

dat na elke vervulling van een aards verlangen

er weer een ander komt ...

Stilaan groeit in de volwassen mens het besef

dat de dingen van deze wereld

de mens niet tenvolle kan gelukkig maken.

Ook al kan men veel rijkdom vergaren,

ergens blijft de mens onbev­redigd verder vragen ...

 

Deze aarde, hoe rijk ook,

is te arm om al de verlangens te vervullen

die zij aan de mensen belooft.

Deze wereld verwijst naar Iemand die dat wel kan.

God is antwoord op ons diepste verlangen naar geluk.

 

Wij mogen ervan overtuigd zijn dat onze (dierbare, lieve) N.

het eeuwig geluk ten deel valt,

dat hij/zij hier op aarde niet kon vinden.

 

Hier staat de paaskaars : symbool van de levende Heer.

Moge Zijn licht onze duisternis doorbreken.

 

 

 

de paaskaars wordt nu aangestoken

 

Dit houten kruisje met N.'s naam

wil ik nu op de lijkkist neerleg­gen.

Het doet ons, gelovige en zoekende mensen delen

in Jezus' kruis­dood en het verwijst naar de verrijzenis :

leven in Gods liefde voor eeuwig.

 

Wij willen geloven met heel ons hart

dat God goed is voor iedere mens.

Mogen de oude geloofsverhalen ons de weg wijzen,

moge het gebed ons sterken,

moge God ons allen genadig zijn.

 

 

BEGROETING  6

 

 

N., dierbare kinderen en kleinkinderen,

geachte familie en vrienden, U allen die hier aanwezig zijt,

de dood van N. heeft ons hier samengebracht.

Wij willen waken en bidden om woorden te vinden

voor wat ons sprakeloos maakt,

wij willen stille gebaren maken en tekens stellen

die uitdrukking zijn van de hoop die in ons leeft.

 

Het woord "trouw" ligt sympathiek in ons gehoor.

Het betekent fantastisch veel als iemand geprezen wordt

als een trouwe man, een trouwe vrouw, een trouwe vriend.

Liefde en rechtvaardigheid hebben waarde door de trouw.

Het betekent dat mensen in goede en kwade dagen

volhouden er voor elkaar te zijn.

Het leven van N. die van ons is heengegaan

was gedragen door een grote trouw :

trouw aan zijn/haar taak,

trouw ook in de grote momenten van het leven,

waar men moet kiezen voor belangrijke waarden.

In deze dierbare/lieve mens is ons iets zichtbaar geworden

van de trouw die God voor de mensen betoont.

Laten wij dan bidden dat God, die de trouw van N. kent,

hem/haar met trouwe liefde omringt.

 

Hier staat de paaskaars : symbool van de levende Heer.

Moge Zijn licht onze duisternis doorbreken.

 

de paaskaars wordt nu aangestoken

 

Dit houten kruisje met N.'s naam wil ik nu op de lijkkist neerleg­gen.

Het doet ons, gelovige en zoekende mensen delen in Jezus' kruis­dood en het verwijst naar de verrijzenis :

leven in Gods liefde voor eeuwig.

 

Wij willen geloven met heel ons hart

dat God goed is voor iedere mens.

Mogen de oude geloofsverhalen ons de weg wijzen,

moge het gebed ons sterken,

moge God ons allen genadig zijn.

 

 

BEGROETING  7

 

 

 

Dierbare familie en allen die uit sympathie voor N.

naar hier gekomen zijt : van harte welkom.

 

Het is goed dat wij in de rust van deze kerk

samenkomen om te bidden.

Een jong leven, vol toekomst en verwachting, houdt plots op.

Wij verstaan het niet !  Wij begrijpen het niet !

De dood is zo plots en zo hard aangekomen

dat wij geen blijf weten met ons verdriet.

Menselijkerwijze gaan wij eraan ten onder

bij het zien van zoveel leed.

En daarom is het goed dat vele vrienden hier samen zijn.

In deze moeilijke uren hebben wij steun en troost nodig.

Mensen moeten elkaar dan ook dragen in harde dagen.

En dit kan in een parochie, een buurt en vriendenkring.

 

De oude geloofsverhalen zullen ons de weg wijzen,

het gebed zal ons sterken en de goede God,

Vader voor ieder die zich tot Hem wendt,

zal ons smeken opnemen in zijn liefde.

 

Hier staat de paaskaars die wij nu willen aansteken.

 

(de paaskaars wordt aangestoken)

 

Zij is het symbool van de levende Heer.

Hij ging ons voor op de weg van dood naar leven.

 

Dit houten kruisje met de naam van N. (onze dierbare N.)

wil ik nu op de kist neerleggen.

Het doet ons, gelovige en zoekende mensen delen

in Jezus' kruisdood en verwijst naar de verrijzenis :

leven in Gods liefde voor eeuwig.

 

Na de uitvaartliturgie wordt dit kruisje opgehangen

bij de Piëta, het beeld van de Moeder

met haar dode Zoon op de schoot.

Tijdens de viering voor alle overledenen op Allerzielen

waarvoor wij U, geachte Familie zullen uitnodigen,

willen wij U dit kruisje overhandigen.

Gedurende deze tijd gedenken wij N.

in het gebed van onze parochiegemeenschap.

 

 

BEGROETING  8

 

 

Dierbare familie en allen die uit sympathie voor N.

naar hier gekomen zijt : van harte welkom.

 

Het is goed dat wij in de rust van deze kerk

samenkomen om te bidden.

 

Als de dood dicht bij ons zijn gezicht laat zien,

dan stellen wij vragen :

waarom juist deze mens ?

Wij stellen God dan verantwoordelijk voor dit verlies.

 

Wie in zijn leven echt ervaren heeft

dat God hem nabij is,

zowel in kwade als in goede dagen,

gaat anders tegen de dood aankijken.

Wie God in zijn leven ontdekt heeft,

met Hem als een vriend is omgegaan,

met Hem vreugde en droefheid heeft gedeeld,

hoeft zich in verband met de dood

geen angstige vragen te stellen.

Hij heeft immers heel zijn leven lang

God leren kennen als een trouwe God,

een God die redding en uitzicht biedt.

En deze God verandert niet op het doodsbed.

 

Bidden wij nu samen dat wij in ons eigen leven mogen ervaren

dat God bij ons is en ons helpt als wij het nodig hebben.

 

Hier staat de paaskaars die wij nu willen aansteken.

 

(de paaskaars wordt aangestoken)

 

Zij is het symbool van de levende Heer.

Hij ging ons voor op de weg van dood naar leven.

 

Dit houten kruisje met de naam van N. (onze dierbare N.)

wil ik nu op de kist neerleggen.

Het doet ons, gelovige en zoekende mensen delen

in Jezus' kruisdood en verwijst naar de verrijzenis :

leven in Gods liefde voor eeuwig.

 

Na de uitvaartliturgie wordt dit kruisje opgehangen

bij de Piëta, het beeld van de Moeder

met haar dode Zoon op de schoot.

Tijdens de viering voor alle overledenen op Allerzielen

waarvoor wij U, geachte Familie zullen uitnodigen,

willen wij U dit kruisje overhandigen.

Gedurende deze tijd gedenken wij N.

in het gebed van onze parochiegemeenschap.

 

 

BEGROETING  9

 

 

N., dierbare kinderen en kleinkinderen,

geachte familie en vrienden, U allen die hier aanwezig zijt,

 

Elke dag, elk uur zijn er mensen

in steden en dorpen, veraf en dichtbij

die in hun diepste nood

de handen voor het gezicht slaan

en schreien om zoveel onuitwisbaar leed

en die machteloos en radeloos huilen

om de onverbiddelijke dood.

 

Vandaag treft ons dit verlies

en spontaan stellen wij de vraag :

Waarom moest hij heengaan,

hij is nog zo jong,

we kunnen hem niet missen,

hij had nog zoveel goeds kunnendoen ?

 

Waarom sterven ?

 

Als ik aan deze dode denk en aan mijn eigen dood,

dan kom ik in een mysterie terecht.

Wat ik met mijn verstand niet kan vatten

kan ik geloven met mijn hart.

God is liefde.  Hij houdt van mij.

Hij houdt me vast.

Hij trekt me door de dood heen naar het leven,

bij Hem, voorgoed.

In dit geloof wil ik leven en sterven.

 

 

Hier staat de paaskaars die wij nu willen aansteken.

 

(de paaskaars wordt aangestoken)

 

Zij is het symbool van de levende Heer.

Hij ging ons voor op de weg van dood naar leven.

 

Dit houten kruisje met de naam van N. (onze dierbare N.)

wil ik nu op de kist neerleggen.

Het doet ons, gelovige en zoekende mensen delen

in Jezus' kruisdood en verwijst naar de verrijzenis :

leven in Gods liefde voor eeuwig.

 

Na de uitvaartliturgie wordt dit kruisje opgehangen

bij de Piëta, het beeld van de Moeder

met haar dode Zoon op de schoot.

Tijdens de viering voor alle overledenen op Allerzielen

waarvoor wij U, geachte Familie zullen uitnodigen,

willen wij U dit kruisje overhandigen.

Gedurende deze tijd gedenken wij N.

in het gebed van onze parochiegemeenschap.

 

 

BEGROETING  10

 

 

Beste vrienden,

het plotse heengaan van N.

slaat ons met verbijstering en hulpeloosheid.

Woorden kunnen op dit moment niet uitleggen wat we voelen.

Symbolen als bloemen en kaarsen kunnen dat wel.

Ook onze aanwezigheid kan iets laten aanvoelen

van de verbondenheid met N.

die we vandaag ten grave dragen.

Het is belangrijk dat we hier samenzijn om voor God,

voor elkaar en voor N.

ons geloof in de God van het leven uit te spreken.

Wij, kristenen, geloven dat de dood niet het laatste woord heeft,

maar dat het leven altijd sterker is.

Als teken van dat geloof steken wij de paaskaars aan.

 

BEGROETING  11

 

 

Wanneer iemand in ons midden sterft,

valt er een schaduw, onafwendbaar.

Onze woorden verstommen.

Ons geluk verstilt.

Onze liefde lijkt vruchteloos.

Wij voelen eenzaamheid en kilte:

de twijfel van de dood.

Is het levenslicht dat mensen zien

als zij geboren worden,

niet krachtiger dan deze duisternis?

Zal het niet langer duren

dan de tijd die ons gegeven is?

 

Wij zullen opstaan uit de nacht

en uitzien naar de morgen.

 

Laten wij onze ogen richten

tot God, die zoveel groter is

dan wij durven vermoeden.

Laten wij opzien naar Hem,

die aanvang is van alle leven

en toekomst zonder einde.

En laten wij N.

in wiens ogen - voor zover wij zien -

het levenslicht nu gebroken is,

gelovig uit handen geven en

h. toevertrouwen aan het volle licht.

 

Wij willen opstaan uit de nacht

met N., om ons te keren naar het licht.

 

 

BEGROETING  12         K. Gelaude

 

 

Dit is een dag (avond) anders dan alle andere,

een dag (avond) die ons zachter stemt en zwijgzamer.

Want staande in het licht van het leven -

herkennen wij de schaduw van de dood.

Wat zo veraf leek, is nu plotseling

heel dichtbij.

 

Iemand in ons midden is gestorven :

een mens, geliefd, vertrouwd,

iemand die met ons heeft geleefd;

die heeft gelachen en geweend...

Wij kunnen haar/zijn warmte haast nog voelen.

Haar/zijn stem klinkt ons nog in de oren.

Haar/zijn beeld staat gebeiteld

in ons geheugen...

 

Korte stilte

 

We zullen N. niet vergeten (overledene noemen zoals zij/hij was gekend).

We zullen haar/zijn naam blijven gedenken.

Daarom zijn we hier samen in deze wake.

Ons hart kent stilte en leemte.

Maar wij willen ons niet alleen buigen over het verdriet.

Vandaag (vanavond) willen wij waken.

Waken is wakker blijven.

Het is voor ogen nemen wie N.  voor ons is geweest,

onze blik open houden voor het leven dat voltooid is

en het leven dat nog moet voltooid worden.

En het is vooral bewogen en eerbiedig laten doordringen

dat door het leven en de dood van N.

dingen aan h.  gebeurd zijn,

groter dan wij kunnen vermoeden.

 

 

BEGROETING  13

 

 

Wanneer Kristenen bijeenkomen om samen te bidden, doen zij dat in de Naam van de Vader en de Zoon en de Hem Geest.  Amen.

De verrezen Heer zelf komt ons in dit samenzijn, in dit gebed vervoegen en zegt tot ieder van ons :  "Mijn vrede zij met u".

 

Beste mensen, familie, wij zijn naar deze gebedsruimte geko­men om vaarwel te zeggen aan N..  Tijdens deze liturgie zullen we hem bij zijn voornaam noemen.  We doen dit niet uit gebrek aan respekt of om al te familiair met hem om te gaan.  We doen dit maar omdat N.  zijn doopnaam is.  Met deze naam is hij n het leven gestapt :  niet alleen in het leven dat zijn ouders hem geschonken hebben en dat zovele men­sen mee tot bloei gebracht hebben, maar in het leven dat God met hem ge­droomd en verwerkelijkt heeft.  Ook Hij kent en noemt hem bij deze naam, al een heel leven lang.  Vandaag weer, wekt Hij hem met deze naam tot nieuw leven.

 

Iemand die op reis vertrekt, vaarwel zeggen, balt in ons hart gevoelens samen van dankbaarheid om al het mooie en goede dat samen beleefd mocht worden.  Maar er zijn ook gevoelens van gemis.

 

Bij het afscheid leeft de bekommernis om wat komen gaat en niemand weet.  De reiziger wordt toegewenst :  'Vaar wel, vaar veilig naar de overkant en moge God over je waken.' Ook wij vertrouwen N.  toe aan Gods liefde en zorg die verder reikt dan de onze, die hem tot aan de overkant zal brengen tot hij bij Hem weer vaste grond onder de voeten vindt.  Met vrede in ons hart afscheid nemen van N.  houdt tenslotte ook in dat wij hem en elkaar echt vrede geven, verzoening en vergeving.

 

 

BEGROETING  14

 

 

Welkom aan u allen hier verzameld,

om een laatste maal samen te zijn

met N.

die nu aan ons bestaan,

aan onze liefde en vriendschap,

aan onze handen en woorden,

onttrokken is.

Op een moment als dit

worden wij zelf kwetsbaar

in alles wat wij voor deze mens hebben gevoeld,

in elke herinnering die wij aan hem bewaren.

Ook de zekerheden waarmee wij ons zo vaak wapenen

ontvallen ons.

 

Laten we dan stil worden.

Laten we eensgezind bidden en geloven.

Laten we bekennen wie we zelf zijn

en een woord van vergeving naar elkaar toezeggen.

In de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

 

 

SCHULDBELIJDENIS  1

 

Bij het begin van deze viering, past het ons te buigen voor God en voor elkaar te belijden dat wij zondige mensen zijn.  Wij bidden om ontferming en verge­ving.

 

God roept ons op om Zijn liefde in deze wereld zichtbaar te maken.  Om trouw te zijn zoals Hij oneindig trouw is.  Wij kunnen echter deze opdracht niet alleen aan.  Wij buigen ons voor God en voor elkaar en vragen om steun en ontfer­ming.

 

KoorKyrie eleison

AllenKyrie eleison

 

God, in ons hart dragen wij Uw liefde.

Maar het is de verwarring en pijn, dit niet-begrijpen,

dat dit uur zo zwaar maakt.

Daarom buigen wij ons voor U en voor elkaar en vragen om steun en ontfer­ming.

 

KoorChriste eleison

AllenChriste eleison

 

Christus gaf zichzelf tot het uiterste.

Hij is ons in het lijden voorgegaan en weet wat lijden is.

Zo is N. ons voorgegaan en was hij/zij voor ons een teken :

een teken van Gods liefde.  Moge die oneindige Liefde een bron van kracht zijn.  Wij buigen ons voor God en voor elkaar en vragen om steun en ontferming.

 

KoorKyrie eleison

AllenKyrie eleison

 

 

SCHULDBELIJDENIS  2

 

 

Geen leed is zo groot of er is troost te vinden

bij God en bij elkaar.

Keren wij ons tot de Heer Jezus en bidden wij :

 

Heer, Gij die overvloed van leven belooft

aan hen die op U vertrouwen, ontferm U over ons.

 

Christus, Gij die ons vergankelijk bestaan openbreekt

tot leven in eeuwigheid, ontferm U over ons.

 

Heer, Gij die de ware liefde ontsluit

voor iedere mens van goede wil, ontferm U over ons.

 

Moge de almachtige God zich over ons ontfermen,

onze zonden vergeven en ons geleiden tot het eeuwig leven.

 

 

SCHULDBELIJDENIS  3

 

 

Wenden wij ons tot onze Heer en Redder

vol vertrouwen op zijn barmhartigheid.

 

Heer, die als eerste de weg zijt gegaan

naar het ware leven, ontferm U over ons.

 

Christus, die voor ons gestorven zijt,

opdat wij leven : ontferm U over ons.

 

Heer, die altijd bij ons zijt

om ons te helpen en te troosten : ontferm U over ons.

 

 

SCHULDBELIJDENIS  4

 

 

Om het goede woord dat we niet hebben gezegd,

om de warmte die we niet hebben gegeven,

om de tijd die we niet over hadden voor elkaar,

 

Heer, ontferm U.

 

Om de trots die ons van elkaar verwijdert,

om het oordeel dat we hebben geveld,

om de zelfzucht die ons van elkaar vervreemdt,

 

Kristus, ontferm U.

 

Als moedeloosheid ons overvalt,

als angstvalligheid ons verblindt,

als ongeloof ons vertwijfelt,

 

Heer, ontferm U.

 

 

 

OPENINGSGEBEDEN

 

 

1.Heer onze God,

in ons hart dragen wij Uw oorspronkelijke bedoeling :

die van een paradijs, van een ongekend geluk.

Maar wat wij zo vaak ervaren, wat ons dit uur overkomt

staat haaks op wat wij in ons hart verlangen.

Wij willen de pijn en het verdriet niet dichtbranden

met al te gemakkelijke woorden.

Maar moge het woord van Jezus van Nazareth

voor ons een troost en bevrijding zijn,

dit uur en alle dagen tot in eeuwigheid.  Amen.

 

2.Heer, wij vragen U

dat er niets van dit mensenleven verloren zal gaan ;

dat wat N. geleefd en gedaan heeft,

ten goede mag komen aan deze wereld ;

dat al wat hem/haar heilig was,

geëerbiedigd mag worden door de mensen

die na hem/haar komen,

en dat hij/zij in alles waarin hij/zij groot geweest is,

tot ons mag blijven spreken, juist nu hij/zij gestorven is.

Wij bidden U dat hij/zij voort mag leven

in zijn/haar echtgeno(o)t(e) en in zijn/haar kinderen,

in hun hart en levensdurf,

in hun gedachten en in hun geweten.

Wij vragen het U door Christus Jezus, onze Heer.  Amen.

3.Heer onze God,

terwijl wij dagelijks met de dood voor ogen leven

in een wereld, die aan alle kanten brandt ;

terwijl wij in dit uur de dood zelf voor ogen hebben

in onze dierbare (lieve) N.,

wagen wij het woorden uit te spreken

van hoop en vertrouwen, van geloof en eeuwig leven.

In dit uur zijn zulke woorden ons eigenlijk vreemd.

Maar wij klampen ons vast aan Jezus van Nazareth,

die huilde over de stad Jeruzalem

waar Hij de dood zou vinden.

Hij sprak van het nieuwe Jeruzalem

waar elke traan zal worden uitgewist.

In Hem proberen wij onze toekomst uit handen te geven

tot in eeuwigheid.  Amen.

 

4.Heer onze God,

wij kennen U als een God van belofte en trouw,

als Iemand die voltooid wat Hij begonnen is.

Wij bidden U voor onze dierbare (lieve) N.

Laat hem/haar over de dood heen thuiskomen bij U

en schenk hem/haar de vreugde die Gij van alle eeuwigheid

aan Uw kinderen hebt toegezegd.

Door Uw Zoon Jezus Christus, die met U leeft en heerst

in de eenheid van de heilige Geest,

door de eeuwen der eeuwen.  Amen.

 

5.Heer onze God,

de naam van elke mens staat gegrift in de palm van Uw hand.

Wij vertrouwen u N., die ons zo lief en dierbaar is, toe.

Nu zijn/haar leven onder ons is afgebroken, vragen wij U :

dat Gij het zoudt bestendigen en voltooien

door de kracht van de verrijzenis van Jezus, Uw Zoon en onze Heer, die met U leeft en heerst in de eenheid van de heilige Geest, door de eeuwen der eeuwen.  Amen.

 

6.Heer onze God,

wij zijn bijeengekomen om afscheid te nemen van N.

Wij vinden geen woorden om elkaar te troosten.

En ook tegenover U, Schepper van alle leven,

voelen wij ons verlamd en verslagen.

Wij staan voor U met lege handen,

met vragende ogen en met een hart vol pijn.

Juist nu hebben wij elkaar brood-nodig.

Samen met heel onze gemeenschap proberen wij

ons toe te vertrou­wen aan U, Vader,

omwille van Jezus, Uw Zoon en onze Heer.  Amen.

 

7.Heer van leven en dood,

wij gedenken Jezus, Uw Zoon,

die ons is voorgegaan naar de vrede van Uw koninkrijk.

Samen met Hem bidden wij voor N.

die het boek van zijn/haar leven voorgoed heeft afgesloten.

Laat hem/haar een blijvende woning vinden

in de vrede van Uw rijk,

door Jezus Christus die met U en de heilige Geest

leeft tot in de eeuwen der eeuwen.  Amen.

 

8.God van liefde,

de aarde en al wat er leeft behoort U toe.

Zegen het werk van Uw handen

en laat N. door de dood heen het ware leven vinden

in de vreugde van Uw koninkrijk,

waar Gij leeft met Jezus Christus

in eenheid met de heilige Geest

tot in de eeuwen der eeuwen.  Amen.

 

 

9.Heer onze God, Gij behoedt het leven

van iemand die U trouw heeft gediend.

Wij bidden u voor N. : zie neer op de zorg en moeite

die hij/zij zich heeft getroost om in zijn/haar gezin

Uw wil te volbrengen.

Schenk hem/haar een nieuw leven in het onvergankelijk geluk

door Jezus Christus, Uw Zoon, die met U en de heilige Geest

leeft in de eeuwen der eeuwen.  Amen.

 

10.God van liefde, niet het lijden van de wereld,

niet de onafwendbare dood,

maar Gij alleen spreekt het laatste woord.

Wij bidden U voor N.

dat het lijden dat hij/zij heeft doorstaan

nu wijken mag voor de vreugde,

waarin hij/zij U mag ontmoeten, samen met Jezus, Uw Zoon,

die met U en de heilige Geest leeft

in de eeuwen der eeuwen.  Amen.

 

11.God, Gij alleen kent het hart van de mens.

Gij alleen kunt hem doorgronden.

Gij alleen weet de eenzame wegen die de mens gaan kan.

Gij kunt het lijden, de angst,

het diepe verlangen van uw mensen begrijpen.

Gij blijft gereed staan met open handen.

Die U zoeken wil, heeft U reeds gevonden.

Wij bidden U voor deze mens : laat hem rust vinden bij U.

Leer aan ons allen, dat deze wereld, hoe rijk ook,

te klein is om deze verlangens te vervullen

die gij ons hebt meegegeven.

Laat ons dan bouwen aan deze wereld,

gelijk ook hij het zo goed heeft willen doen,

in vertrouwen dat Jezus de Weg is naar U.

 

12.God onze Vader, Gij kent ons.

Gij kent ons vallen en opstaan,

ons zeker weten en onze twijfels.

Gij kent onze onverschilligheid en onze hartstocht,

onze kieskeurigheid en onze trouw.

Gij roept ons.

Gij roept ons van verre en van dichtbij.

Gij roept ons in mensen die nood lijden,

in onze kinderen, in mensen die een beroep op ons doen.

Gij zoekt ons en wij zoeken U.

Toon ons waar Gij woont.  Leer ons Uw wegen.

En blijf ons roepen totdat wij eens staan

oog in oog met U.

Dat bidden wij U, met onze ogen gericht op die kleine vlam

die toch licht is van Uw licht,

en die Gij nooit zult doven in eeuwigheid niet.

Amen.

 

13.Heer van ruimte en tijd,

Gij hebt ons in dit leven geroepen,

Gij roept ons naar het leven bij U.

Maar bovenal roept Gij ons op te zijn als zaad,

dat leven geeft.  Wees niet ongeduldig

wanneer wij nog niet ontkiemen.

Blijf bij ons wachten en leg op ons de dauw van Uw woord,

dat mens geworden is in Jezus Christus.

Hij is ons voorgegaan.  Hij is de weg naar U.

Geef ons de kracht om te gaan in Zijn spoor

door de dood heen naar U toe.

Dan zullen wij leven, zoals Hij leeft bij U,

tot in de eeuwen der eeuwen.  Amen.

 

14.Heer, onze God,

Gij stelt aan ons leven grenzen,

die wijzelf niet kunnen overschrijden.

In de verrijzenis van uw Zoon toont Gij,

dat uw liefde over deze grenzen heen reikt.

Wij danken U,

dat Gij ons de zekerheid geeft,

dat ook wij eenmaal zullen verrijzen.

Help ons nu reeds op te staan

tot dit nieuwe leven,

waarin Gij met uw Zoon en de heilige Geest leeft

door de eeuwen der eeuwen. Amen.

 

15.Almachtige God,

in Jezus van Nazareth,

die wij als uw Zoon aanbidden,

hebt Gij het verlangen gewekt

om zonder macht en aanzien

mens te zijn in deze wereld.

En aan den lijve heeft Hij ondervonden wat dat betekent :

als een slaaf is Hij gestorven op het kruis.

Wij bidden U :

laat ons in Hem uw wijsheid en uw kracht herkennen,

en schenk ons het geloof dat Gij bij machte zijt

zelfs doden op te wekken, Gij de levende God,

vandaag en alle dagen tot in eeuwigheid.

 

16.Gij zijt heel anders dan wij denken, God,

dat hebt Gij ons getoond in Jezus Christus,

Hij die uw Zoon is en licht van uw licht.

Hij is deemoedig onze weg gegaan,

niet meer dan wie ook ter wereld -

zo hebt Gij ons gered.

Wij danken U dat Gij in deze Mens gekomen zijt

en dat Gij zo dicht bij ons staat,

ook nu wij de dood van N. betreuren.  Amen.

 

17.Heer onze God, zoals Abraham

die door U geroepen werd

trachten wij te geloven

dat Gij de doden levend maakt

en dat Gij in het aanzijn roept

wat niet bestaat.

Van Jezus uw zoon geloven wij

dat Gij hem uit de dood hebt opgewekt

om ons te redden.

Wij aanbidden U

omdat zo uw liefde is voor deze wereld.

En wij smeken U

dat geen toekomst en geen zonde

en geen dood

ons ooit zal scheiden

van uw trouw in Jezus, de zoon der mensen,

die met U leeft

vandaag en tot in eeuwigheid.

 

18.Eeuwige God

uw naam, uw stempel dragen wij,

uw Zoon, uw evenbeeld hebt Gij op ons gemunt,

aan U behoren wij toe.

Wij bidden U

dat wij van mens tot mens

mogen gelijken op Hem ;

dat wij in onze samenleving met elkander

uw bestaan mogen uitbeelden

en uw genade weerspiegelen,

zoals Hij dat gedaan heeft,

Jezus onze broeder,

ten dienste van deze wereld

eens en voor altijd.

 

19.Heer, onze God,

met het oog op geluk leven en werken wij.

Hoop doet ons uitzien naar de dag van morgen.

Met een hart dat lief heeft en naar liefde verlangt

leren wij mens zijn en worden onmisbaar voor elkaar.

Zo is N.  voor ons geworden, enig, onvervangbaar.

Wij bidden U, God, nu N.  niet meer bij ons is,

neem h.  op in uw liefde, laat h.  wonen in uw huis.

En leer ons leven met leemte en gemis,

dat wij haar/zijn plaats open houden

in ons midden vandaag en alle dagen,

tot wij zullen verzameld zijn in Jezus, Uw zoon.  Amen.

K. Gelaude

 

20.Heer, onze God,

als geschokte en gewonde mensen

zijn wij hier samen.

Wat met N.  gebeurd is, is als een vuist

neergekomen in ons bestaan.

Wij kunnen niet geloven

dat dit het einde is van alles wat eens

goed en schoon en vol belofte was in hem

Help ons opstaan uit onze verslagenheid.

Bewaar in ons de hoop dat Gij,

oorsprong en toekomst van alles,

niets laat verloren gaan

van wat mensen voor elkaar geworden zijn :

tedere geliefde,

onvergetelijke vriend,

trouwe leefgenoot.

Dat vragen wij door Jezus, uw Zoon

en onze broeder.  Amen.

 

21.Heer, onze God,

afscheid nemen doet pijn.

We blijven achter

met de herinnering

aan zoveel goede dingen

uit het leven van N.

We zoeken steun en kracht

bij elkander

maar ook bij U, God,

Vader van de mensen.

Voltooi nu wat Gij begonnen zijt

opdat dit leven

van uw eeuwige liefde

vervuld mag worden.  Amen.

 

 

VOORBEDEN  1

 

 

Laat ons stil worden en bidden tot God.

Hij hoort ons al van verre,

Hij verstaat wat niet gezegd kan worden.

 

Wij bidden voor N., weggevallen uit ons midden

maar opgevangen door God, zo geloven wij.

Dat Hij N. koestert in Zijn hand,

dat hij hem/haar aan Zijn hart drukt

en bewaart in eeuwige vrede.

Laat ons bidden.

 

Wij bidden voor hen voor wie N. een stuk van hun leven was :

voor moeder/vader, voor zijn/haar kinderen en kleinkinderen.

Wij brengen voor God hun pijn en verdriet,

hun ontreddering en hun vragen, hun onmacht,

maar ook hun geloof.

Dat er mensen om hen heen staan,

nu en telkens wanneer dat nodig is,

die hen tot steun en toeverlaat zijn.

Laat ons bidden.

 

Wij bidden voor onszelf

die geraakt zijn door het sterven van N.,

die opgeschrikt uit de dingen van alledag

ons hier verzameld hebben.

Dat wij, die nog mogen leven, de kracht vinden

het leven mooi te maken voor anderen en voor onszelf,

de kracht vinden de aarde bewoonbaar te houden

voor onszelf en onze kinde­ren.  Laat ons bidden.

 

Wij bidden voor wie ziek zijn en geen verzorging hebben,

voor wie er alleen voor staan

en geen schouder hebben om op uit te huilen,

voor wie sterven moeten zonder iemand

die met hen meegaat tot de grens.

Dat wij schouder, reisgenoot mogen worden

en dat God hen in Zijn armen sluit.  Laat ons bidden.

 

 

VOORBEDEN  2

 

 

Broeders en zusters,

midden in ons leven worden wij getroffen door de dood.

Laat ons bij dit pijnlijk verlies bidden tot God, onze Vader,

die ons bijstaat en vertroost in alle tegenspoed.

 

Voor onze dierbare overledene " NAAM "

die wij in gebed op zijn/haar laatste tocht vergezellen :

dat hij/zij in Gods vaderhuis de vervulling mag vinden

van zijn/haar verlangen naar liefde en genegenheid.

 

Voor de familieleden en vrienden die bedroefd zijn

om dit afscheid :

dat hun droefheid wordt verzacht

door de dankbare herinnering aan " NAAM "

en aan al het goede dat hij/zij tot stand heeft gebracht.

 

Voor alle overledenen,

voor hen die eenzaam en verlaten sterven

en aan wie niemand denkt :

dat zij in God een Vader vinden,

en in de hemel een gemeenschap van vrienden.

 

Voor de wereld waarin wij leven :

dat bij vreugde en leed

de mensen elkaar méér nabij zouden zijn.

 

God die onze Vader zijt,

niet voor de dood hebt Gij ons gemaakt,

wel voor het leven.

Wij vragen U :

geef dat hij/zij die overleden is, mag leven bij U,

en dat wij allen groeien in geloof en hoop.

Door Christus Jezus onze Heer.  Amen.

 

 

VOORBEDEN  3

 

 

Zusters en broeders, in dit uur, met ons hart vol ver­driet en pijn, willen wij bidden tot de Heer van alle leven.

 

Wij danken U, Heer God,

voor N. die ons zo lief en dierbaar is.

Wij danken U voor alle vriendschap die van hem/haar

is uitge­gaan, en voor de vrede en het geluk

die hij/zij heeft gebracht.

Moge niets van dit leven verloren gaan.

Laat ons bidden.

 

Wij bidden U dat al wat hem/haar heilig was,

geëerbiedigd mag worden door de mensen

die na hem/haar komen, en dat hij/zij in alles

waarin hij/zij groot is geweest

tot ons mag blijven spreken,

juist nu hij/zij gestorven is.  Laat ons bidden.

 

Wij bidden U dat wij allen,

die met hem/haar verbonden waren,

nu ook dieper met elkaar verbonden mogen zijn.

En mogen wij in die saamhorigheid,

en in alle vriend­schap en vrede op aarde,

de belofte herken­nen dat Gij ons in de dood

getrouw zult zijn.  Laat ons bidden.

 

Laat ons bidden voor onszelf

die door dit sterven worden be­proefd ;

dat wij het verlies niet wegpraten, niet ontvluchten,

maar het ook niet koesteren,

zo dat het ons verstikt en eenzaam maakt.

God geve dat wij ons opnieuw durven toevertrouwen

aan dit leven.  Laat ons bidden.

 

 

God, wees ons barmhartig.  Neem ons bij de hand,

keer ons ten goede, ten leven, vandaag en in eeuwigheid.

 

 

VOORBEDEN  4

 

 

Laat ons stil worden en bidden tot God.

Hij hoort ons al van verre,

Hij verstaat wat niet gezegd kan worden.

 

Wij bidden voor N. die wij vandaag begraven.

Wij vragen God dat Hij hem/haar alle liefde geeft

die wij niet meer kunnen geven.  Laat ons bidden.

 

Wij bidden voor hen voor wie N.

een stuk van hun leven was :

voor zijn/haar ouders,voor zijn/haar grootouders, en familie.

Wij brengen voor God hun pijn en verdriet,

hun ontreddering en hun vragen, hun onmacht,

maar ook hun geloof.

Dat er mensen om hen heen staan,

nu en telkens wanneer dat nodig is,

die hen tot steun en toeverlaat zijn.  Laat ons bidden.

 

Wij bidden voor wie ziek zijn en geen verzorging hebben,

voor wie er alleen voor staan

en geen schouder hebben om op uit te huilen,

voor wie sterven moeten zonder iemand

die met hen meegaat tot de grens.

Dat wij schouder, reisgenoot mogen worden

en dat God hen in Zijn armen sluit.  Laat ons bidden.

 

Bidden wij voor allen die van ons zijn heengegaan.

Dat wij het goede niet vergeten

dat zij voor ons gedaan hebben.

Dat wij de waarden hoog houden

waarvoor zij geleefd heb­ben.  Laat ons bidden.

 

Zovelen zijn er, Heer onze God,

waarvan de dood voor ons onaanvaardbaar is :

mensen die worden weggenomen

in de kracht van hun jaren,

die worden afgesneden vóór zij tot bloei kunnen komen,

die het slachtoffer worden van het geweld,

van de oorlog of het verkeer.

Neem ons gebed dan aan,

wij die op U blijven hopen

bij alle duisternis en beproe­ving,

wij die U de kracht vragen om te leven,

nu en zolang Gij ons de tijd gunt.

Wij vragen het U omwille van Jezus Christus, onze Heer.

Amen.

 

VOORBEDEN  5

 

God, wij hebben het zo moeilijk met lijden, met sterven

kortom met het onheil dat mensen treft.

Laat ons nu niet alleen.

Laten wij bidden...

 

Wij bidden voor wie eenzaam achter blijven,

dat wij door ons bezoek en aandacht

hen troostend nabij zijn.

Laten wij bidden...

 

Wij bidden voor ons allen,

we kennen zelf ook van die moeilijke dagen,

waarop alles tegenslaat.

Help ons in dit gevoel niet te verdrinken.

Laten wij bidden...

 

 

VOORBEDEN  6

 

 

In dankbaarheid voor het eenvoudige geloof van vader/moeder

bidden wij tot U, Heer God,

dat hij/zij nu van aangezicht tot aangezicht ervaren mag

- voor eeuwig - wat hij/zij tijdens zijn/haar leven

steeds heeft betracht: die hunker naar geluk en vreugde,

opdat het ook ons aansteken mag,

in geloof aan Uw onovertroffen goedheid.

Laten wij bidden.

 

God, onze Heer, wij bidden U verhoor ons.

 

In dankbaarheid voor de eenvoudige dienstbaarheid van vader/moeder, die samen met moeder/vader ... kinderen grootbracht, bidden wij tot U, Heer God,

dat hij/zij die Uw liefde gestalte gaf tijdens zijn/haar leven,

nu mag opgenomen worden - voor eeuwig -

in het wondere mysterie van Uw liefde;

zodat ook wij bemoedigd worden om toewijding

en zorgende aandacht te schenken

aan allen die in zorgen en verdriet gevangen zitten.

Laten wij bidden.

 

God, onze Heer, wij bidden U verhoor ons.

 

In dankbaarheid voor het eenvoudige voorbeeld

van lijdzaamheid en offerzin van vader/moeder

bidden wij tot U, Heer God,

dat allen die slachtoffer zijn van oorlog en geweld,

van zinloos lijden en onbegrip,

van miskenning en verachting

in Uw liefde geborgen worden - voor eeuwig -

en rust en genade vinden.  Laten wij bidden.

 

God, onze Heer, wij bidden U verhoor ons.

 

 

VOORBEDEN  7

 

 

Heer, wij geloven dat Gij ons niet alleen laat met onze storm­achtige vragen maar dat Gij meevaart in de boot van ons leven.  Daarom vertrouwen wij U toe wat ons bekommert.

 

Bidden wij voor een veilige thuishaven voor N..

Dat Uw ko­nink­rijk van rust en vrede, licht en leven zijn bestem­ming moge zijn.   Laten wij bidden...

 

 

Bidden wij voor allen die te kampen hebben met een storm van verdriet in het hart :  familie en vrienden van N.  en alle mensen die om iemand rouwen.  Dat zij niet verdrinken in draaikolken van bitterheid maar een uitgestrekte hand voelen en zich geborgen mogen weten bij zorgzame mensen.

Laten wij bidden...

 

Bidden wij voor allen die met tegenwind en tegen de stroom in moeten opvaren.  Dat zij niet achteloos voorbij gevaren worden maar dat ze op sleeptouw genomen worden.  Dat ook wij niet aan wal blijven toekijken, maar het zeil hijsen voor elke mede­mens in nood.  Laten wij bidden...

 

Heer, bij U mogen wij altijd even voor anker gaan.  In U is ons geloof verankerd.  Geef rust en kracht aan wie, moe en have­loos, bij U aanmeert.  Geef vastberaden­heid en geloof aan wie onder uw vlag uitvaart naar open zee.  Wees als een lichtba­ken en breng ons allen behouden naar de overkant door Kristus, onze verrezen Heer.  Amen.

 

 

VOORBEDEN  8

 

 

Laten wij bidden voor N.

die in zijn/haar leven veel goed gedaan heeft.

Dat zijn/haar voorbeeld

altijd ons mag bijblijven

en ons kracht schenken,

om te blijven geloven

in die grote droom,

het Rijk van God

op deze wereld.

Laat ons bidden...

 

Laten wij bidden

voor al wie

zich met N.  verbonden voelt,

in het bijzonder bidden wij voor ...

Dat zijn/haar diep geloof

en vertrouwen

in de God van het leven

een dankbare herinnering

en een stuwende kracht

mag zijn in momenten

dat het minder goed gaat.

Laat ons bidden...

 

Laten wij bidden

voor al wie twijfelt

aan het leven na de dood.

Dat zij mensen mogen ontmoeten

die hen de rust en de zekerheid geven

dat onze God,

een God van levenden is

en niet van doden.

Laten wij bidden...

 

 

GEBEDEN OVER DE OFFERGAVEN

 

 

1.God, het sterven van een dierbare valt ons hard.

Het kost ons moeite om dit te aanvaarden.

Toch willen wij U danken voor dit schone leven onder ons

en voor al het goede dat hij/zij voor ons deed.

Wij willen U ook danken omdat Gij ons, in Christus,

hebt verzekerd dat de dood niet het einde is,

maar dat elke gestorven mens geroepen is

om voor eeuwig met U te leven.   Amen.

 

2.Heer God,

meer dan ooit weten wij hoe wij elkaar nodig hebben.

Wij zoeken steun bij elkaar nu de grond

onder onze voeten dreigt weg te zakken.

Ook Jezus is met zijn vrienden samengekomen

toen het onbegrijpelijke lot van de dood Hem trof,

toen het afscheid nemen Hem vervulde met angst en pijn.

Zoals Hij willen wij samen met allen

het brood nemen en de kelk,

en onze hoop uitspreken dat U met ons zijt, ondanks alles.

Vandaag en alle dagen tot in eeuwigheid.  Amen.

 

3.God almachtige Vader,

met brood en wijn in onze handen

spreken wij uit onze hoop

dat de weg die Jezus is gegaan

niet doodloopt, maar leven geeft.

Wij bidden U :

laat dat nu onze hoop en onze steun zijn,

in Jezus Christus, onze Heer.  Amen.

 

4.God onze Vader,

brood brengen wij op Uw tafel en wijn.

Zij zijn de tekenen waarin wij ons hele leven

voor U brengen.

Gebroken, gemalen en gestorven graan

en uitgeperste druiven.

Wij bieden ze U aan en vragen :

maak ze voor ons tot Lichaam en Bloed

van Jezus, Uw Zoon en onze Broeder.  Amen.

 

5.Ons hart, Heer, zoekt naar leven,

vooral op dit uur, nu de dood ons zo nabij is.

Zonder brood sterven wij van honger ;

zonder drank sterven wij van dorst.

Met des te meer verlangen gaan wij aan tafel :

brood en wijn, leven in ons midden,

Jezus Christus over de dood heen

tot in eeuwigheid.  Amen.

 

6.God, onze Vader,

wij bieden U aards brood aan,

maar Gij geeft ons uw Zoon,

die Brood is voor eeuwig leven.

Wij bidden U: geef ons de kracht

te leven zoals Hij.

Maak onze liefde zo sterk,

dat zij reikt over de grenzen

van dit aards bestaan,

waar wij met U mogen leven

tot in de eeuwen der eeuwen. Amen.

7.God, onze Vader, vol overgave bieden wij U

in brood en wijn ons leven, getekend door het kruis.

Wij bidden U :

Geef dat wij ons levenskruis niet ontkennen

of er wanhopig onder worden

maar het durven aanvaarden

in navolging van Jezus Christus, uw Zoon,

die met U leeft in de eeuwen der eeuwen.  Amen.

 

8.Heer God,

Gij zijt niet onbereikbaar en verheven,

Gij wilt geen grote en aanzienlijke plaats

innemen in deze wereld,

Gij zijt de weg gegaan van alle zaad,

Gij zijt als brood, zo onopvallend en gewoon

zo voedzaam en zo onmisbaar.

Wij hopen dat wij U herkennen mogen in alle zaad,

in alle brood, in al uw mensen ;

ja, geef ons nieuwe ogen om te zien,

geef ons opnieuw de kracht om te geloven,

vandaag en alle dagen van ons leven.

 

9.Heer, God en Vader,

wij leggen in uw handen,

elke herinnering die N.  ons nalaat :

alles wat deugd deed,

alles waarin zij/hij groot was,

alles wat h.  verheugde of bedroefde,

alles wat ons met h.  verbond.

Maar ook datgene waar zij/hij niet in slaagde,

datgene wat onaf bleef,

datgene waarin zij/hij toch maar een mens was.

En ook datgene van onszelf

dat wij nog hadden goed te maken.

Aanvaard het, Heer.  Breng het tot heelheid.

Wil het heiligen.  Amen.

 

10.Heer, Gij strekt uw hand naar ons uit

en richt ons telkens op tot nieuw leven.

Voedt ons vandaag met uw brood van liefde,

hoop en geloof.

Schenk voor ons de wijn

die ons de smaak van uw koninkrijk geeft.

Ga ons zelf voor in overgave,

in het vertouwen dat Gij met ons is.

Amen.

 

11.God, onze Vader,

met de levenstijd die N.  gekregen heeft

bieden wij U aan :

het werk van onze handen,

het zoeken van onze geest,

de hunker van ons hart,

de weldaad van ons bestaan.

Bij de beproeving die N.  heeft gekend leggen wij :

het gemis van wie we liefhadden,

de littekens die we dragen,

het leed dat mensen treft,

het onrecht dat niet kan worden hersteld.

Verzamel deze gaven, Heer,

zoals Gij uw volk verzamelt.

Heilig al ons pogen en falen,

opdat het vruchtbaar wordt :

voedsel en kracht om telkens weer te herbeginnen,

en om onszelf en elkaar staande te houden,

vandaag en alle dagen van ons leven.  Amen.

 

PREFATIE  1

 

De Heer zal bij U zijn.

De Heer zal U bewaren.

 

Verheffen wij ons hart.

Wij zijn met ons hart bij de Heer.

 

Brengen wij dank aan de Heer onze God.

Hij is onze dankbaarheid waardig.

 

Heilige Vader, machtige eeuwige God,

om recht te doen aan Uw heerlijkheid,

om heil en genezing te vinden

zullen wij U danken, altijd en overal,

door Christus onze Heer.

Want Hij die uit de dood is opgestaan,

Hij is het Licht van de wereld,

onze enige hoop.

In onze angst omdat wij moeten sterven

troost ons Uw belofte

dat wij eens onsterfelijk zullen zijn met Hem.

Gij neemt het leven, God, niet van ons af,

Gij maakt het nieuw :

dat geloven wij op Uw woord.

En als ons aardse huis - ons lichaam - afgebroken wordt

heeft Jezus al een plaats voor ons bereid in Uw huis

om daar voorgoed te wonen.

 

Daarom, met alle engelen, machten en krachten,

met allen die staan voor Uw troon

loven en aanbidden wij U

en zingen met de woorden :

 

 

PREFATIE  2

 

 

De Heer zal bij U zijn.

De Heer zal U bewaren.

 

Verheffen wij ons hart.

Wij zijn met ons hart bij de Heer.

 

Brengen wij dank aan de Heer onze God.

Hij is onze dankbaarheid waardig.

 

Hemel en aarde bezingen Uw Naam,

Heer, God die leven geeft,

spreken van het wonder

van heel het bestaan.

 

Uw Naam noemen wij, God en Schepper,

Gij bron en oorsprong van alle leven.

Wij danken U voor al wat leeft en is.

Uw naam, God van mensen, spreken wij uit

met een hart vol verlangen

naar Uw liefde die meer is dan het leven.

Uw Naam, God van onze toekomst

roepen wij vòòr ons uit, als een belofte,

als een hoop die in ons leeft

om Uw toekomst te ontvangen.

Uw Naam, die vertrouwen geeft

dat wij gedragen worden

door Uw verlangen naar ons,

geeft ons de woorden om te zeggen :

 

Heilig, heilig ...

 

 

PREFATIE  3

 

 

De Heer zal bij U zijn.

De Heer zal U bewaren.

 

Verheffen wij ons hart.

Wij zijn met ons hart bij de Heer.

 

Brengen wij dank aan de Heer onze God.

Hij is onze dankbaarheid waardig.

 

God en Vader,

wij willen U danken,

zelfs in onze droefheid,

zelfs met de pijn van de dood in ons hart.

Wij danken U voor Jezus Christus, Uw Zoon,

door wie wij U leerden kennen

als de Heer van het leven.

Want Jezus heeft uit Uw hand het leven ontvangen,

en toen Hij zichzelf geheel voor ons wegschonk,

en zich in Uw handen had overgegeven,

hebt U Hem voor eeuwig verheerlijkt

met de volheid van het leven.

In Hem vertrouwen wij,

dat U ook deze dierbare mens N.

uit het duister van lijden en dood brengt

naar het licht van het blijvende leven.

 

Daarom willen wij U danken,

en samen met allen die leven

het loflied zingen (bidden) ter ere van Uw naam :

 

Heilig, heilig ...

 

 

PREFATIE  4

 

 

De Heer zal bij U zijn.

De Heer zal U bewaren.

 

Verheffen wij ons hart.

Wij zijn met ons hart bij de Heer.

 

Brengen wij dank aan de Heer onze God.

Hij is onze dankbaarheid waardig.

 

Heilige God, hoe moeten wij U zegenen

om deze sterfelijke wereld in uw handen,

op dit uur van droef­heid, dit uur van verlies -

waarop wij geen woorden hebben

om U te zeggen wat er met ons is.

Toch komen wij bij U,

want tot wie zouden wij anders gaan dan tot U

die groter zijt dan deze dood.

Wat anders kunnen wij,

dan aarzelend Uw naam uitspreken,

God van de levenden,

die niet de dood wil maar het leven -

door Jezus Christus, de eerstgeborene uit de doden.

 

Gezegend zijt Gij om Hem.

Met allen die leven en sterven voor U

met allen die ons zijn voorgegaan

en na ons zullen komen

zegenen wij Uw naam

en wij aanbidden U met deze woorden :

 

Heilig, heilig ...

 

 

PREFATIE  5

 

 

De Heer zal bij U zijn.

De Heer zal U bewaren.

 

Verheffen wij ons hart.

Wij zijn met ons hart bij de Heer.

 

Brengen wij dank aan de Heer onze God.

Hij is onze dankbaarheid waardig.

 

God,

uit naam van allen die staan geschreven

in de palm van uw hand, danken wij U,

omdat Gij ons draagt.

Gij die ons hebt gemaakt en Gij hebt uw hand geopend

en alles kwam tot leven.

Het licht in onze ogen, de aarde die ons draagt,

het woord uit onze mond, de liefde van de mensen,

het brood op deze tafel,

wij danken het aan U.

En midden in de wereld, tussen leven en dood,

hebt Gij uw Zoon gezonden om het verlossend woord te zijn

voor mensen in hoop en vrees,

om tranen te drogen van mensen in lief en leed,

om het hart te vinden van allen die gebroken zijn,

want Hij heeft zijn handen uitgestrekt

en het lijden van de wereld gedragen

om deze aarde een nieuw gezicht te geven,

het gezicht van de liefde die groter is dan de dood.

Daarom danken wij U met gans ons hart

en aanbidden wij U met de woorden :

 

 

PREFATIE  6K. Gelaude

 

 

 

De Heer zal bij U zijn.

De Heer zal U bewaren.

 

Verheffen wij ons hart.

Wij zijn met ons hart bij de Heer.

 

Brengen wij dank aan de Heer onze God.

Hij is onze dankbaarheid waardig.

 

Heer, onze God,

ook in dit uur zijt Gij diegene

die wij met moeite kunnen noemen:

het Woord dat was in den beginne.

Gij die aan elke geschiedenis zijt vooraf gegaan.

Gij die alle menselijke inspanning ten goede brengt.

Gij die een nieuwe toekomst geeft

aan wat in mensenhanden soms verloren gaat.

Gij die ons zult verwachten

in het uur van onze dood.

Gij zijt altijd

voor ons en na ons.

 

Wij zijn maar zandkorrels

in de hand van de tijd.

En toch zult Gij ons vinden

en weer samenbrengen:

het gebroken hart,

de vermoeide geest,

de gekwetste liefde,

de levende, de stervende,

en al wie met ons tot U roepen:

 

 

PREFATIE  7K. Gelaude

 

 

De Heer zal bij U zijn.

De Heer zal U bewaren.

 

Verheffen wij ons hart.

Wij zijn met ons hart bij de Heer.

 

Brengen wij dank aan de Heer onze God.

Hij is onze dankbaarheid waardig.

 

God, onze Moeder, onze Vader

Gij die naar ons hebt uitgezien

voor wij er waren,

Gij die ons leven liefhebt

en het leed niet wilt,

die aan het eind van onze weg

ons naar het vaderhuis zult dragen,

in ons geloof houden wij vast aan U.

Wij weten dat Gij

ons niet los zult laten.

En daarom noemen wij uw naam,

met schroom in onze stem,

met hoop in onze ogen:

heilig, heilig, heilig...

 

 

 

PREFATIE  8P. Destrooper

 

 

De Heer zal bij U zijn.

De Heer zal U bewaren.

 

Verheffen wij ons hart.

Wij zijn met ons hart bij de Heer.

 

Brengen wij dank aan de Heer onze God.

Hij is onze dankbaarheid waardig.

 

Het is moeilijk U vandaag te danken, Heer,

in ons hart is bitterheid en opstand.

Hoe kunnen wij U loven en eren?

 

Moge Jezus, de mens van pijn en lijden,

die vreugde is komen brengen,

onze stilte aannemen,

ons gestokte lied verstaan.

 

In Hem is de hymne

van de nieuwe schepping begonnen,

het licht van Pasen

verlicht het kruis van de ontgoocheling.

De duisternis van het graf verdwijnt,

nu het nieuwe vuur verschijnt.

Daarom willen wij ook nu Uw naam heiligen:

 

 

PREFATIE  9   Bernard Lenaerts

 

 

De Heer zal bij U zijn.

De Heer zal U bewaren.

 

Verheffen wij ons hart.

Wij zijn met ons hart bij de Heer.

 

Brengen wij dank aan de Heer onze God.

Hij is onze dankbaarheid waardig.

 

Heer, onze God,

Gij die de bron van leven zijt,

wij willen U loven en prijzen.

Wij danken U

omwille van de liefde tussen mensen.

Zovelen hebben in de loop der tijden

daarvan het voorbeeld gegeven.

Wij willen hun namen in herinnering brengen.

Zij hebben zich laten bezielen

door die ene mens,

Jezus van Nazareth, de Zoon van God.

Zijn leven blijft ons aanzetten

om goed te zijn voor elkander,

om elkaar te troosten en bemoedigen,

om mild, barmhartig en trouw te zijn.

Wij willen U loven en prijzen

met deze woorden:

Heilig, heilig, heilig...

 

 

PREFATIE  10    Raf Buysse

 

 

De Heer zal bij U zijn.

De Heer zal U bewaren.

 

Verheffen wij ons hart.

Wij zijn met ons hart bij de Heer.

 

Brengen wij dank aan de Heer onze God.

Hij is onze dankbaarheid waardig.

 

Heer onze God, in pijn en verdriet

noemen we aarzelend uw naam.

Wij weten dat Gij een God van leven zijt,

ook voor hen die sterven.

We geloven dat het verhaal van Jezus,

de Kristus, ook ons verhaal zal zijn.

Hij is het die het gezicht

en de houding van God zelf had:

een trouwe God in goede en kwade dagen.

Zo heeft Hij,

de vriend van mensen,

in vreugde en in lijden,

bij onbegrip en onmenselijkheid,

het geloof trouw bewaard.

In dit geloof en vertrouwen

verbonden met zovelen,

willen wij U loven en prijzen:

Heilig, heilig, heilig...

 

 

EUCHARISTISCH HOOGGEBED  1

 

 

Eeuwige God, Heer van het leven,

Gij zijt het begin en het einde van alles.

Wij brengen U lof en dank

omdat Gij de mens hebt geschapen, wel aards en sterfelijk,

maar toch bestemd om eeuwig te leven.

Gij hebt hem geschapen naar Uw beeld,

met een hart om lief te hebben,

om voor anderen te bestaan en te werken.

 

Wij danken en verheerlijken U, Vader,

voor dé mens onder de mensen : Jezus Christus.

Hij is het Licht van de wereld

en schenkt ons leven in overvloed.

Doden heeft Hij opgewekt als teken

van het komend heil voor alle mensen.

Aan allen die in Hem geloven

gaf Hij een teken van Zijn liefde tot het uiterste.

 

Want op de avond vóór zijn lijden en dood

heeft Hij het brood in Zijn handen genomen

en Zijn ogen opgeslagen naar U, Zijn almachtige Vader.

Hij heeft de zegen uitgesproken,

het brood gebroken

en het aan Zijn vrienden gegeven met de woorden :

 

Neem en eet hiervan, gij allen,want dit is Mijn lichaam

dat voor u gegeven wordt.

 

Zo nam Hij ook, toen zij gegeten hadden,

de beker in Zijn handen.

Hij sprak de zegen en het dankgebed,

reikte hem aan Zijn vrienden en zei :

 

Neem deze beker en drink hier allen uit;

want dit is de beker van het nieuwe, altijddurende verbond.

Dit is Mijn bloed dat voor U en alle mensen

wordt vergoten tot vergeving van de zonden.

Blijf dit doen om Mij te gedenken.

 

Verkondigen wij het mysterie van ons geloof.

 

Daarom, God onze Heer,

houden wij de gedachtenis van Uw Zoon Jezus Christus.

Zijn lijden is onze kracht.

Zijn dood leert ons overgave

en schenkt ons vertrouwen in Uw liefde.

Zijn verrijzenis geeft ons uitzicht op eeuwig leven.

Om voor ons een plaats te bereiden

is Hij naar U teruggekeerd bij zijn glorievolle hemelvaart.

 

God, wij bidden U :

zend ons Uw Geest

om onze droefheid te troosten,

ons geloof te sterken

en het eeuwig leven in ons te voeden

door het brood van het leven,

dat Gij ons hier bereidt.

Schenk Uw barmhartigheid aan allen

die ons in de dood zijn voorgegaan.

Wij vragen het U omwille van Jezus Christus, Uw Zoon.

 

Door Hem en met Hem en in Hem

zal Uw naam geprezen zijn, Heer onze God,

almachtige Vader,

in eenheid van de heilige Geest,

hier en nu en tot in eeuwigheid.  Amen.

 

 

EUCHARISTISCH HOOGGEBED  2

 

 

Heer onze God,

wij danken U dat wij leven,

dat wij door deze wereld gaan,

en van dag tot dag onze weg mogen zoeken.

Wij danken U voor de dynamiek

die U in ons bestaan hebt gelegd

en die ons steeds weer verder doet gaan.

 

Er is soms onzekerheid, Heer,

over de richting die wij moeten kiezen :

vaak aarzelen wij

en vaak moeten wij achteraf bekennen

dat wij de verkeerde weg hebben gekozen.

Wij danken U

omdat U ons gebrek aan richtinggevoel kent

en zo op bijzondere wijze de weg wilt wijzen.

 

Wij danken U voor Uw Zoon Jezus Christus.

Hij werd mens als wij,

leefde tussen andere mensen,

kende dezelfde problemen.

Maar vastberaden is Hij op weg gegaan naar Jeruzalem.

Hij heeft geleefd, geleden, gegeven.

Hij heeft waargemaakt wat wij

in onze beste ogenblikken als ideaal zien.

Hij kon voorzien wat Hem te wachten stond,

maar niets kon Hem afbrengen van Zijn weg.

Zo heeft Hij geleefd,

zo heeft Hij de dood aanvaard.

 

Op de avond voor Zijn lijden

nam Hij brood in Zijn handen.

Hij sprak de zegenbede uit, brak het

en deelde het rond onder Zijn leerlingen

en zei :

 

Neem en eet hiervan, gij allen,

want dit is Mijn lichaam

dat voor u gegeven wordt.

 

Zo nam Hij ook de beker wijn

en sprak opnieuw het dankgebed.

Hij gaf hem aan Zijn leerlingen en sprak :

 

Neem deze beker en drink hier allen uit

want dit is de beker

van het nieuwe, altijddurende verbond ;

dit is Mijn bloed

dat voor u en voor alle mensen wordt vergoten

tot vergeving van de zonden.

Blijf dit doen om Mij te gedenken.

 

Verkondigen wij dit mysterie van ons geloof

 

Heer Jezus, wij verkondigen Uw dood

en wij belijden tot Gij wederkeert

dat Gij verrezen zijt.

 

Daarom Heer, herdenken wij Uw Zoon Jezus Christus :

hoe zijn levensweg leek te eindigen in de dood ;

maar, hoe Hij door de dood ging

zoals het Joodse volk door de zee,

om verder te leven bij U, bij ons.

 

Wij vragen U :

dat wij Hem onderweg mogen herkennen

overal waar brood gebroken wordt,

overal waar leven gegeven wordt,

overal waar mensen werkelijk goed zijn.

 

Laat Hij ons voorgaan onderweg

en ons verzamelen als een nieuw volk Gods.

Laat Zijn geest ons bezielen zodat wij vastberaden

verder gaan op onze weg naar het einde,

het einde waarvan wij geloven dat alles goed zal zijn,

vrede en vreugde, liefde en begrip,

alles wat wij nog niet bereikt hebben.

 

Dat vragen wij U door Jezus Christus, Uw Zoon,

die door de dood is heengegaan

en nu met U en de heilige Geest

leeft in eeuwigheid.  Amen.

 

 

EUCHARISTISCH HOOGGEBED  3

 

 

Wij noemen uw naam, Heer onze God,

en wij zegenen U, dit uur,

deze dag die Gij ons geeft.

Wij aanbidden U, verdoofd of gelaten,

vervreemd of opstandig,

vol geloof of ongeloof tegelijk.

Gij zijt een God van levenden,

Gij hebt U niet geschaamd om onze God te zijn,

eeuwig en trouw, op leven en dood,

in goede en in kwade dagen.

Zoudt gij uw naam dan niet gestand doen,

en genadig zijn voor deze dode mens ?

 

Dat bidden wij U

omwille van Jezus Christus,

onze broeder, uw beminde zoon,

die Gij geroepen en gezonden hebt

om ons voor te gaan naar U ;

die, mens geworden en beproefd

in lief en leed aan U heeft vastgehouden,

die alles heeft volbracht,

ons leven, onze dood,

die zich, met hart en ziel,

aan deze wereld heeft gegeven.

 

Want in de nacht waarin Hij werd overgeleverd,

heeft Hij het brood in zijn handen genomen.

Hij heeft zijn ogen opgeslagen

naar U, God, zijn almachtige Vader,

hij heeft U dank gezegd, het brood gebroken,

en het aan zijn vrienden uitgedeeld

met de woorden :

 

Neem en eet, dit is mijn lichaam voor u.

Doet dit tot mijn gedachtenis.

Zo nam Hij ook de beker,

sprak een dankgebed uit en zei :

 

Deze beker is het nieuwe verbond in Mijn bloed

dat voor u en voor allen wordt vergoten

tot vergeving van zonden.

Telkens als gij deze beker drinkt

zult gij het doen tot Mijn gedachtenis.

 

Daarom, Heer onze God,

stellen wij hier dit teken van ons geloof,

en daarom gedenken wij nu

het lijden van uw Zoon,

dat Hij gekruisigd en begraven is,

maar bovenal dat Gij Hem uit de dood hebt gered ;

dat Hij voor ons geworden is

een naam verheven boven alle namen,

een mens van vrede

die bij U leeft, en voor ons bidt,

die komen zal om alles nieuw te maken.

Dan zal er geen verdriet, geen dood meer zijn,

Hij zal ons allen, levenden en doden

roepen bij onze naam

op de dag die Gij hebt vastgesteld.

 

Wij bidden U, Heer onze God,

zend in ons allen zijn levenskracht,

uw heilige Geest,

opdat wij hoopvol en vastberaden

mogen verder gaan op de weg van het leven,

en elkaar vasthouden,

en waken dat geen van uw mensen

verloren loopt.

En dat wij, U mogen vinden

en dicht bij U allen die ons zijn voorgegaan ;

dat wij U mogen zien

en met U spreken, God,

zoals een mens spreekt met een mens,

dat bidden wij en smeken

door Jezus en met Hem en in Hem

die met U en de heilige Geest

leeft in alle eeuwigheid.  Amen.

 

 

EUCHARISTISCH HOOGGEBED  4

 

 

Biddend en smekend komen wij bij U, Vader,

waar kunnen wij beter terecht

dan bij de Schepper van leven en licht ?

Maar vooral komen wij U danken

voor de hoop die leeft in ons hart,

voor Uw woord, dat naklinkt in onze oren,

voor de Geest die Gij ons geschonken hebt.

U willen wij danken en aanbidden,

want machtig is Uw Naam, allerwegen op aarde.

 

Gij die Uzelf in Jezus openbaarde,

die in de wereld als verlosser gekomen is,

blinden uitzicht gaf en zondaars beminde,

en doden tot een leven van liefde riep.

 

Gij die door Jezus Uw Geest hebt willen schenken,

toen Hij ons niet aan ons lot overliet.

Zend opnieuw Uw Geest, dan wordt alles herschapen,

en wordt de wereld rijk van liefde.

 

 

Op de avond voor Zijn lijden en dood

heeft Hij brood in Zijn handen genomen,

de zegen uitgesproken, het brood gebroken

en aan Zijn leerlingen gegeven met de woorden :

 

"Neem en eet hiervan, Gij allen,

want dit is Mijn lichaam

dat voor u gegeven wordt."

 

Zo nam Hij ook, toen zij gegeten hadden,

de beker in Zijn handen,

Hij sprak de zegen en het dankgebed,

reikte hem over aan Zijn leerlingen en zei :

 

"Neem deze beker, en drink hier allen uit,

want dit is de beker van het nieuwe, altijddurende verbond;

dit is Mijn Bloed dat voor u en alle mensen

wordt vergoten tot vergeving van de zonden.

Blijf dit doen om Mij te gedenken."

 

Zo dikwijls wij dit doen, gedenken wij Hem,

die voor ons gestorven is

en nu voor ons ten beste spre­ekt.

Hij zal ons de Geest van Zijn liefde schenken,

de kracht om te leven zoals Hij ons heeft voorgeleefd.

 

Daarom zijn wij rond deze tafel bijeen,

biddend om Zijn Geest.

Nu wij gaan eten en drinken

en met Jezus één zijn in Zijn Geest, in Zijn vrede,

zeggen wij U dank om Uw grote heerlijkheid.

 

 

 

EUCHARISTISCH HOOGGEBED  5

(Jan Duin)

 

 

Heer, onze God, wij staan voor U in dit uur,

met Jezus Chris­tus, Uw Zoon,

die gehoorzaam is geworden tot de dood aan het kruis

en toch hebt Gij Hem vastgehouden

tot alles was volbracht.

Geef ons dan ook de hoop

dat Gij voor ons zult zijn

die Gij altijd zijt geweest :

God met de mensen,

die alles ooit ten goede leidt.

 

Al wordt ons lichaam gebroken,

al sterft ook ons hart -

wij willen toch geloven dat Gij uitkomst weet

en wegen wijst die nu nog niemand ziet,

zoals Gij hebt gedaan voor Hem die ons is voorgegaan,

ons leven en onze verrijzenis, tot in Zijn dood.

 

Wij bidden U :

zend Uw Geest over deze gaven van brood en wijn,

opdat zij mogen worden

het Lichaam en Bloed van Jezus Chris­tus, Uw Zoon.

 

Want in de nacht dat Hij moest sterven,

nam Hij brood in zijn handen,

Hij zegende U, brak het brood

en gaf het aan Zijn vrienden met de woorden :

 

Neem en eet hiervan, gij allen,

want dit is Mijn Lichaam dat voor u gegeven wordt.

 

Zo nam Hij ook de beker,

zegende U opnieuw

en gaf hem aan Zijn vrienden met de woorden:

 

Neem deze beker en drink hier allen uit,

want dit is de beker van het nieuwe, altijddurende verbond ;

dit is Mijn Bloed dat voor u en alle mensen wordt vergoten

tot vergeving van de zonden.

Blijf dit doen om Mij te gedenken.

 

Verkondigen wij het mysterie van ons geloof.

 

Heer, onze God, zo gedenken wij Hem

die onze pijn gedragen heeft en onze dood gestorven is -

maar bovenal gedenken wij dat Gij Hem opgewekt hebt

en door de dood verlost als eerste van ons allen,

tot allen die ontslapen zijn verrijzen zullen uit Zijn kracht.

 

Wij bidden U in het bijzonder voor N.,

laat hem/haar thuis komen bij U, voor altijd in Uw vrede.

 

Wij bidden U ook voor onszelf :

zend ons Uw Geest, Zijn levenskracht,

opdat wij verder kunnen langs de weg waarop wij staan.

Dat wij elkander vasthouden, zoals Gij houdt van ons.

Dat wij op de dag die Gij hebt vastgesteld

bij U mogen zijn als één volk, één wereld.

En dat Gij met ons zijt,

God van troost, in deze dagen.

 

Want door Hem en met Hem en in Hem

zal Uw Naam geprezen zijn,

Heer onze God, Almachtige Vader,

in de eenheid van de Heilige Geest,

hier en nu en tot in eeuwigheid. Amen.

 

 

EUCHARISTISCH HOOGGEBED  6

K. Gelaude

 

 

Wij zegenen U, Heer onze God.

Want kracht hebt Gij ons bewezen

en ons een toekomst toegezegd

in Jezus, onze broeder.

 

Hij heeft geleefd bij ons,

eenvoudig en met overgave.

Gij vond in Hem uw welbehagen.

Hij ging met mensen om

die bang en soms kleinmoedig waren.

Hij heeft hen waardigheid geschonken.

Hij heeft hun vreugden meegemaakt,

hun werk en hun zorgen.

Hij is een vriend en leefgenoot geworden.

Hij heeft hun eenzaamheid gevoeld.

En Hij is naar hen toegegaan

met menselijke warmte en met aandacht.

Hij heeft hun droefenis gekend.

Hij heeft met hen geweend

en hun gemis gedragen.

Hij heeft gezien wat hen gevangen hield.

Hij heeft hen opgericht

en vrij gemaakt van angsten.

Hij werd getroffen door het onrecht

en Hij heeft recht gedaan

aan mensen die vernederd werden.

Hij was gegrepen door de liefde.

In Hem heeft ze een menselijk gezicht

en goddelijke kracht gekregen.

 

En in de volheid van zijn leven

bleef Hem geen lijden gespaard.

Toen heeft Hij opgekeken naar U, Vader,

en al zijn hoop op U gesteld.

Hij heeft zijn vrienden

om Hem heen verzameld

en alles wat zijn leven was geweest

met kracht gebundeld, ten volle gegeven.

 

Dan heeft Hij het brood genomen

en heeft dank gezegd om alles.

Hij heeft het brood gebroken

en aan zijn vrienden uitgedeeld met deze woorden:

Neem en eet hiervan.

Dit is mijn lichaam

dat voor u gegeven wordt.

Hij nam ook de beker,

zegende U, Vader,

liet de beker rondgaan en sprak:

dit is de beker van het nieuw verbond

in mijn bloed,

dat voor u en voor velen vergoten wordt

tot vergeving van zonden.

Telkens gij dit brood eet

en deze beker drinkt,

doe dit in gedachtenis aan Mij.

 

Daarom geloven wij

in alle nood en twijfel,

in onmacht en eenzaamheid,

dat Hij die ons is voorgegaan,

ons over de dood en lijden heen

naar U zal brengen.

Gij zijt het die in ons  het leven kunt bewaren,

tot in eeuwigheid.

 

Doe ons dan opstaan, Vader,

in de kracht van uw Geest.

Wek in ons het vermogen

om mild en moedig voort te leven,

met een lege plaats naast ons.

En doe ons, kwetsbaar en ontvankelijk

voor al het leed dat mensen kennen,

uitzien naar de dag van de vervulling,

wanneer Gij zult voltooien wat niet af is,

met Jezus, uw Zoon aan uw zijde.  Amen.

 

 

EUCHARISTISCH HOOGGEBED  7

P. Destrooper

 

 

Wij roepen uw naam,

tot wie anders kunnen wij ons richten?

Waar kunnen wij het geluk zoeken,

tenzij bij U, mijn God, de bron van leven.

 

Uw zoon Jezus leert ons

hoe wij moeten leven en sterven.

Tot het einde is Hij de levensweg gegaan.

Ook voor ons is Hij de weg van leven,

die geen einde kent

door zijn Geest.

 

Daarom heeft Hij

de avond voor zijn dood

het brood in zijn handen genomen.

Hij heeft U dank gezegd, Vader,

het brood gebroken

en aan zijn vrienden uitgedeeld

met de woorden:

Neem en eet, dit is Mijn lichaam,

Mijn liefde en Mijn leven, voor u gegeven.

 

Dan nam Hij ook de beker met wijn.

Hij gaf hem aan zijn vrienden en zei:

Drink hier allen uit.

Dit is Mijn bloed, Mijn liefde en Mijn leven,

voor u geschonken.

Wanneer gij dit brood eet

en deze beker drinkt,

doe het tot Mijn gedachtenis.

 

Belijden wij ons geloof:

 

Heer Jezus, wij verkondigen uw dood,

en wij belijden tot Gij wederkeert

dat Gij verrezen zijt.

 

Wij gedenken Jezus,

in zijn droefheid om Lazarus, zijn vriend,

in zijn medelijden met de moeder

van de gestorven jongeling van Naïm.

Wij gedenken zijn totale verlatenheid op het kruis.

Wij voelen ons één met zijn leerlingen,

die geen raad meer wisten met hun leed.

 

Vader, wij danken U dat Gij geen mens vergeet,

hoe klein of hoe groot, dichtbij en ver.

Kom dan met uw Geest,

zodat wij leren wat liefde doet,

zodat wij kunnen vergeven,

zodat wij troosten waar droefheid is.

 

Wij brengen allen die wij lief hebben voor U, Vader,

een vader, een moeder,

een zuster, een broer,

een man, een vrouw,

mensen met wie wij het leven delen.

Met hen zijn wij verbonden,

ook over de dood heen.

 

Laat ons ervaren dat liefde eindeloos is,

dat Gij uw mensen redt en behoudt.

Door Hem en met Hem en in Hem,

zal uw naam geprezen zijn Heer, onze God,

vandaag en alle dagen,

tot in uw eeuwigheid. Amen.

 

 

EUCHARISTISCH HOOGGEBED  8   Bernard Lenaerts

 

 

Toen Hij op het laatste avondmaal

met zijn apostelen aan tafel ging,

om het Joodse Paasmaal te vieren

nam Hij brood in zijn handen,

zegende het, dankte God, zijn Vader,

brak het en gaf het aan zijn leerlingen

met de woorden:

Neem en eet,

dit is Mijn lichaam, dit is Mijn leven,

het beste wat Ik kan geven.

 

Na de maaltijd nam Hij ook

de beker in zijn handen,

dankte God en gaf hem

aan zijn apostelen,

terwijl Hij zei:

Neem en drink uit deze beker

en geef hem aan elkander door,

maar weet: dit ben Ikzelf,

dit is Mijn bloed,

een nieuw verbond tussen God

en de mens.

 

Als gij van dit brood eet en uit deze beker drinkt,

doe het dan altijd in Mijn gedachtenis.

 

Nu wij zullen eten van het brood

en drinken uit de beker

denken wij terug aan zijn leven:

hoe Hij al weldoende is rondgegaan

en woorden van troost en bemoediging

heeft gesproken.

Wij denken terug aan wat Hij

tot Martha, de zuster van Lazarus, zei:

"Wie in Mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven."

Zo is Hij ook onze hoop geworden.

Op het einde van zijn leven is Hij gestorven aan het kruis.

Hij is de weg naar de Kalvarieberg ten einde tot gegaan.

Hij heeft de beker tot het bittere einde geledigd.

Maar wij weten en geloven dat Hij verrezen is,

opgestaan uit de dood om voor altijd te leven bij de Vader.

 

Wij bidden voor zijn levenswerk:

het Rijk van God op aarde,

de kerk van God op aarde:

dat het een gemeenschap mag zijn

waarin vreugde en verdriet

samen gedeeld en gedragen worden.

Dat het een gemeenschap mag zijn

waarin mensen in vrede

met elkaar willen samenleven.

 

Wij bidden nu voor hen

die gestorven zijn,

in het bijzonder voor N.

Dat zij/hij bij God mag zijn

en Hem anders kennen

dan wij kunnen vermoeden,

misschien van aangezicht tot aangezicht,

opgenomen in zijn heerlijkheid.

 

Voor ons allen bidden wij:

dat wij in deze moeilijke momenten

elkaar niet in de steek laten

maar steunen en helpen waar we kunnen.

Mogen wij gesterkt door de Geest van God

ons steeds blijven inzetten

voor gerechtigheid en vrede,

voor het koninkrijk van God op onze wereld.

Dan wordt uw Naam geprezen.

Want door Hem en met Hem en in Hem

en in verbondenheid met de heilige Geest

zal de naam van God verheerlijkt worden,

gisteren, vandaag en morgen,

tot in de eeuwen der eeuwen. Amen.

 

 

EUCHARISTISCH HOOGGEBED  9   Raf Buysse

 

 

Als we hier samen zijn rond N.,

vinden we bijna geen woorden.

Wij hebben alleen maar tekenen

om het diepste van wat liefde doet

uit te drukken.

Zo heeft ook Jezus, met de dood voor ogen

heel zijn leven en sterven samengevat

in een teken dat ons bewaard gebleven is.

 

Hij nam het brood in zijn handen, Hij dankte God zijn Vader,

Hij brak het brood

en verdeelde het onder zijn vrienden met de woorden:

neem en eet, dit is Mijn lichaam voor u.

Word zoals Ik ben, gebroken brood.

Blijf dit doen opdat mensen zouden kunnen leven.

 

Na de maaltijd nam Hij ook de beker in zijn handen.

Ook nu dankte Hij God zijn Vader

om alle goedheid en sprak:

neem en drink hiervan,

dit is Mijn bloed.

Dit is de beker van het nieuwe verbond,

verzoening en vrede.

Als gij van deze beker drinkt,

denkt dan aan Mij en aan allen die u dierbaar zijn.

 

Dit willen we blijven doen,

gedeeld brood zijn voor elkaar,

wijn tot troost en verzoening

om te gedenken hoe wij verbonden blijven

tot over de grenzen van dit leven.

 

Daarom, Heer onze God,

klampen wij ons vast aan dit geloof.

Jezus heeft immers gezegd:

"Wie in Mij gelooft, zal leven

ook al is hij gestorven."

 

N., die we zo graag in ons midden hadden bewaard,

vertrouwen wij nu

toe aan uw goedheid.

Haar/zijn leven was goed en rijk gevuld.

Velen hebben er mogen in delen.

Haar/zijn leven kende ook pijn en tranen.

Moge zij/hij geheeld worden bij U.

Over de grenzen van dit leven zult Gij N.

tot voltooiing brengen.

 

Vandaag gedenken we allen

die voor ons geleefd hebben.

Mogen ze herleven in uw vrede.

We bidden ook voor allen die omwille van het verlies

van iemand die hen dierbaar is,

leven met verdriet.

Wees hen nabij wanneer zij niet meer weten

hoe het verder moet.

 

Gij, die een God van leven en bevrijding zijt,

zend uw Geest over allen

die in liefde en goedheid

willen leven met elkaar.

 

Dit willen we blijven doen,

gedeeld brood zijn voor elkaar,

wijn tot troost en verzoening

om te gedenken hoe wij verbonden blijven

tot over de grenzen van dit leven. Amen.

 

 

SLOTGEBEDEN

 

 

1.Heer God,

geef Uw heerlijkheid, Uw toekomst en Uw trouw

aan deze gestorven mens.

Wij kunnen niet geloven

dat zijn/haar leven tevergeefs voorbij gegaan is,

en dat alles wat hij/zij voor mensen heeft betekend

nu verloren is.

Maar wij verenigen ons met het geloof

waarin hij/zijzelf aan U

heeft vastgehouden ten einde toe,

aan U, zijn/haar God

vandaag en alle dagen tot in eeuwigheid.

 

2.Heer onze God, het brood is gebroken,

de wijn vergoten, de tafel leeg.

Wij brengen onze dierbare " NAAM " naar het graf.

Er blijft een lege plaats achter.

Ons hart is daarom verward.

Maar wij bidden U :

vul deze leegte met Uw bemoediging en Uw troost.

Mogen wij onderweg bij elkaar rust vinden,

mogen wij bij U leven vinden

tot in de eeuwen der eeuwen.  Amen.

 

3.God almachtige Vader,

nu wij hier samen zijn geweest,

verbonden in geloof

met onze dierbare overledene

houden wij aan Jezus' woord :

dat zij die geloven zullen leven,

ook al zijn zij gestorven.

Laat dit zo zijn

op het woord van Jezus Christus.  Amen

 

4.Vader in de hemel,

Gij hebt ons door Uw sakrament

troost en kracht geschonken.

Wij smeken U :

geef aan " NAAM " die wij nu begraven

een leven dat geen dood meer kent

en Uw vreugde voor altijd.

En help ons in deze dagen van nood en rouw

voor elkaar een steun te zijn.

Wij vragen het U door Christus onze Heer.  Amen.

 

5.Heer onze God,

wij waren hier samen om te bidden

voor onze dierbare overledene

die wij toevertrouwen aan U.

Wij danken U voor Uw woord van eeuwig leven,

het enige dat ons troosten kan.

Help ons trouw te blijven aan dit woord

met dezelfde trouw die Gij ons toedraagt.

Vandaag en alle dagen

tot in eeuwigheid.  Amen.

 

6.Heer onze God,

wij danken u voor Uw woord van troost en eeuwig leven.

Toch is de droefheid om het heengaan van " NAAM "

niet geweken uit ons hart.

Blijf ons nabij in ons verdriet.

Richt onze ogen op Jezus die door de dood heen

de weg naar het leven heeft gebaand.

Laat ons niet vertwijfelen maar breng ons tot rust.

Help ons de leegte te overbruggen

door inniger nog met elkaar verbonden te leven.

Vandaag en alle dagen tot in eeuwigheid.  Amen.

 

7.Heer, onze God,

Gij sterkt ons aan deze tafel

met het Lichaam en Bloed

van uw Zoon, Jezus Christus.

In Hem maakt Gij ons gereed

voor het leven van de toekomst.

Wij bidden U: verzamel ons allen

rond de verrezen Heer,

die met U en de heilige Geest leeft

in de eeuwen der eeuwen. Amen.

 

8.Heer God, Gij gunt ons het licht van onze ogen,

Gij hebt onze geboorte gewild,

niet voor het duister hebt Gij ons gemaakt,

niet voor de dood,

maar om te leven naar U toe van ganser harte.

Maar wees dan ook barmhartig

en neem ons bij de hand

keer ons ten goede, ten leven

vandaag en in eeuwigheid.

 

9.God, wij waken bij deze dode

en bidden voor hem,

want nu zijn lichaam is verstard

willen wij zijn naam toch levend houden in ons midden.

Maar wij weten hoe zelfs dat onmogelijk is :

hij zal nog dieper sterven in ons,

zijn naam zal inslapen in onze herinnering,

en ook de droefheid zal ons ontnomen worden,

wij zullen verder leven zonder hem.

Wij bidden U, dat hij, levend bij U,

mag waken over ons ;

dat hij onze voorspraak, ons gebed mag zijn bij U ;

dat hij U onze namen in herinnering mag brengen

zonder ophouden, zoals Jezus Christus doet

een mens naast U in al uw eeuwigheid.

 

10.Heer onze God,

zoals Abraham die door U geroepen werd

trachten wij te geloven

dat Gij de doden levend maakt

en dat Gij in het aanzijn roept wat niet bestaat.

Van Jezus uw zoon geloven wij

dat Gij hem uit de dood hebt opgewekt om ons te redden.

Wij aanbidden U

omdat zo uw liefde is voor deze wereld.

En wij smeken U dat geen toekomst en geen zonde

en geen dood ons ooit zal scheiden

van uw trouw in Jezus, de Zoon der mensen,

die met U leeft vandaag en tot in eeuwigheid.

 

11.Heer God,

Gij hebt uw zoon, Jezus van Nazareth,

naar ons toegezonden

als een wonder van menselijkheid en liefde,

een woord dat vrijmaakt en ruimte schept,

en waar Hij komt

is het leven niet meer duister en angstwekkend.

Wij bidden U

dat Hij tot leven komen mag hier in ons midden,

dat wij niet langer in verwarring zijn verstrikt,

bezeten van twijfel en tweedracht,

maar dat wij worden vervuld

van geloof en goede moed, eenvoud en vrede.

 

12.God, zo ernstig neemt Gij ons verlangen

naar een bestaan dat onvergankelijk is,

dat Gij ons duurzame liefde hebt gezworen,

uw trouw tot in eeuwigheid.

Wij houden U aan dat woord.

wij bidden U : maak ons vernederde lichaam gelijk

aan het lichaam van Jezus, uw Zoon ;

en maak ons onsterfelijk gelukkig met Hem

die leeft voor U, voor deze wereld

vandaag en alle dagen tot in eeuwigheid.

 

13.Wij hebben uw belofte om van te leven, God,

uw woord om ons aan vast te houden.

Wat ons ook overkomen zal,

Gij zult er in voorzien,

Gij weet wat goed voor ons is.

Wij wagen het met U

in hoop en vrees - in goed vertrouwen -

wij bidden U dat wij, levend of dood, van U mogen zijn,

naar U genoemd en bij U geborgen

met Jezus onze broeder, uw Zoon in eeuwigheid.

 

14.Tot aangevochten en beproefde mensen komt uw woord,

tot hen die twijfelen en geloven en angstig zijn.

In onze onmacht spreken wij U uit,

in ons niet-meer-weten spreken wij U verder

met lege handen geven wij U weg -

zo worden wij gekruisigd en door U verlaten

uw kracht, uw wijsheid,

uw geliefde Zoon.

 

15.Heer, onze God, Gij leidt ons door de woestijn

naar een land van belofte, door de dood naar het leven.

Wij danken U,

dat Gij ons opnieuw uw Zoon hebt gegeven,

die ons stervend en verrijzend voorging,

die het kruis veranderde in een stralend teken

van licht en overwinning.

Mogen wij door dit teken

de juiste weg vinden, Jezus Christus achterna,

uw Zoon die met U leeft

in de eeuwen der eeuwen.

Amen.

 

16.Heer God,

wat de toekomst mij zal brengen

blijft voor mij een groot geheim.

Maar ik weet dat een mens

niets vast in handen heeft.

Zelfs wat vandaag zijn stevige zekerheid is

kan morgen definitief ontvallen:

gezondheid en levenskracht,

de nabijheid van goede mensen

en de trouw van vrienden.

Ik bid U, Heer,

verlaat ons niet

als kwade dagen aanbreken

en het in mijn geest heel duister wordt.

Laat niet toe

dat ik ooit ga twijfelen

aan de zin van een gegeven bestaan

en aan uw eindeloze barmhartigheid.

 

17.Heer, onze God, wij keren ons tot U,

met ogen die het licht niet altijd zien,

met armen die heel vaak te kort zijn

om te troosten, met een stem zonder woorden

in ogenblikken van verdriet,

met schouders die het leed

niet altijd kunnen dragen.

Wij bidden en trachten te geloven

dat leven en sterven

veel verder gaan dan ons vermogen.

Help ons op te staan

uit ons gevoel van machteloosheid, God.

Toon uw kracht in mensen

die ondanks alles herbeginnen,

die vol vertrouwen en van harte

verder leven met elkaar,

vandaag en alle dagen van het leven.  Amen.

K. Gelaude

 

18.Heer, aan U hebben wij N.  toevertouwd.

Breng haar behouden thuis in het huis van de Vader

waar plaats is voor velen.

Zegen ook ons met de vrede die Gij ons geven kunt.

Wees de stille luwte in de storm van ons hart.

Moge uw Geest ons sterken om weer uit te varen,

uw toekomst tegemoet.  Amen.

 

19.Heer, onze God,

het lichaam van N.  zullen wij neerleggen

in de schoot van de aarde,

waar het leven begon

en waarnaar het terugkeert.

Zoals een mens wanneer hij wordt geboren,

kansen en toekomst krijgt,

bidden wij dat dit ook nu mag geschieden.

Laat N.  door haar/zijn sterven

herboren worden door U.

Geef hem een nieuwe toekomst,

anders dan de tijd die hij

onder ons heeft gekend.

Bevrijd hem nu van angst en pijn,

van alles wat een mensenleven

zo kortstondig maakt,

opdat er Leven zij voor N.

en ook voor ons,

vandaag en tot in eeuwigheid.  Amen.

 

20.Als het leven ons kleiner maakt,

onze dromen aantast, onze krachten sloopt,

help ons dan, God,

om stiller te leven en in vrede los te laten

wat we toch niet vast kunnen houden.

Help ons om ja te zeggen tegen het onvermijdelijke, ontgoocheld misschien, maar niet wrokkig,

armer geworden, maar dankbaar

voor de weg die we mochten en mogen gaan.

In dankbare herinnering aan het leven van N.

bidden we tot U:

laat N. proeven van Uw eeuwige liefde

en deel hebben aan Uw heerlijkheid,

die groter is dan wij vermoeden.

Wij vragen het U

door Hem die wij noemen Uw beeld, Uw Zoon.  Amen.

 

 

UITVAART VAN EEN KIND

OP VLEUGELS GEDRAGEN...

 

Welkom

 

Bij het binnenkomen wordt aan iedereen een tekstboekje en een zilveren ster gegeven.  Over de kist ligt een blauwe doek.  Bij het afscheidsritueel leggen allen de ster op het blauwe doek.

 

Laten wij deze dienst beginnen in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

 

Broeders en zusters,

(ouders, broers en zussen noemen)

grootouders, familie en vrienden

kollega's, leerlingen en allen die met ons delen in

de pijn en het verdriet van deze dagen :

 

Hoe vreemd en onwennig, hoe moedeloos en leeg wij ons op dit uur ook mogen voelen, het is goed dat jullie allen hier zijn.  Niemand van ons zal een afdoend en echt helpend woord hebben.  Niemand zal zich bij machte voelen het diepe ver­driet en leed te stelpen.  Inderdaad, met een woordenloze mond maar tegelijk met onze aanwezigheid hebben wij samen een groot hart dat het verdriet kan dragen.  Dank je voor je komst.

 

Wij zijn hier als sterren die aan de donkere hemel staan.  Een ster is maar een klein lichtje.  Toch wordt de donkere, lege nacht met het lichtje van een ster leefbaar.  Wat zou de hemel zijn zonder sterren, lege donkerte ?  Hoe klein elk lichtje van een ster ook is, het spreekt van het grote licht dat weldra zal komen als de dag begint.  Elk lichtje, zelfs van de kleinste ster is een hoopvol puntje tegen alle duisternis in.  Wij zijn hier die sterretjes.  Met N.  is zo'n sterretje verdwenen.  En als dan zo'n lege plaats komt, beseffen die talloze sterren, hoe klein en misschien ook hoe onmis­baar ze samen zijn.

 

Wij zelf zijn niet het grote licht.  Wij zijn een afstraling en ver­wachting van dat uiteindelijke licht.  Vandaar de pijn en het verdriet dat wij nu voelen.  Wij zijn nog in de donkerte maar toch kennen we het licht.  Er is ook de stem die ons zegt :  kom, plaats je boven die sterren en kijk waartoe je geschapen bent, niet alleen om dat kleine licht te blijven.

 

Daarom hebben jullie bij het binnenkomen, samen met de tekst een ster gekregen, jezelf in handen gelegd tot troost en hoop.  Straks zal ik jullie vragen dit sterretje neer te leggen op het blauwe doek bij N., als teken van hoop, want hoop willen we zijn.  Dat wij nu hier zijn om te zingen, om te bidden, om te hopen en te aanvaar­den, kunnen wij niet omwille van onszelf maar omwille van dat licht waardoor wij schijnen.  Dat licht legt ons ook woorden in de mond om te zeggen wat nu zo moei­lijk is.  Dragen wij elkaar en bidden wij.

 

Gebed om vergeving

 

Dat het niet kan en niet mag

en toch telkens weer gebeurt

dat een kind ophoudt midden in het spel

en woordeloos gaat :

dat kunnen wij niet begrijpen.

Dat belijden wij, Heer God,

die ons geschapen hebt

niet voor de dood maar om te leven.

Wees ons nabij.

 

Dat wij vandaag geen antwoord weten op de vraag,

waarom er handen waren

en voeten en ogen en een lach,

die niet ten einde toe mochten leven.

Dat kunnen wij niet begrijpen.

Dat belijden wij, Heer God,

die ons geschapen hebt

niet voor de dood maar om te leven.

Wees ons toch nabij.

 

Dat wij ons leven op onze zekerheid bouwen

en niet bedacht zijn op het broze geheim

dat wij zelf zijn,

dat wij daarom blijven zoeken naar een uitweg,

met tranen die niet te stelpen zijn

en verdriet zo diep als de zee,

dat belijden wij, Heer God,

die ons geschapen hebt

niet voor de dood maar om te leven.

Wees ons altijd nabij.

 

 

Openingsgebed

 

Onnoembare en Nabije, Vader van alle leven,

Moeder van elk mensenkind,

in deze dagen en op dit uur,

worden tranen bijna als een wiegelied.

Wij hebben woorden te weinig,

maar vragen te veel.

Waarom is toch zo'n blij leven,

dat Gijzelf geschapen hebt,

dat met grote liefde gekoesterd werd,

zo plots en snel weer heengegaan ?

In weerwil van ons niet begrijpen

richten wij ons tot U.

Druk Gij nu N.  aan Uw hart.

Koester hem zoals Gij Uw eigen zoon hebt omarmd.

Wees Gij haar/zijn moeder.

Wees Gij de vader die aan zijn kind

geen steen geeft als het vraagt om brood.

Laat N.  ons gedenken en in engelengeduld

met U over ons waken,

nu en in al de broze dagen

die ons wachten.  Amen.

 

 

Eerste Lezingnaar 2 Makkabeeën 7, 22-23 en 27b-28

 

 

Toen de moeder haar zonen had zien sterven, sprak ze tot haar laatste kind :  Mijn kind, ik heb je gedragen in mijn schoot negen maanden lang en tot vandaag heb ik gezorgd dat je niets tekort kwam.  Ik heb je op handen gedragen, gevoed en grootgebracht en pas vandaag weet ik dat mijn woord het laatste niet is.  En toch vraag ik je; kijk nog één keer naar al wat leeft en geloof van mij :  uit niets is het gemaakt en dat heeft God gedaan.  Zo ben je zelf uit niets gemaakt en ook dat heeft God gedaan.  Ik was bij jou en jij in mij, maar hoe je in mij groeide weet ik niet.  Gevoeld heb ik het wel, maar niet begrepen.  En nu ik je niet meer voel, begrijp ik wel dat Hij die gisteren leven gaf, het morgen niet zal nemen, omwille van zijn trouw.

 

EvangelieMarkus 4, 26-29

 

Als een boer zijn koren heeft gezaaid gaat hij naar huis.  Hij gaat slapen, hij staat op, hij gaat weer slapen...  Er gaan dagen en nachten overheen.  Onderwijl kan het zaad kiemen, het schiet op maar dat hangt niet van hem af.  Zonder zijn toedoen brengt de aarde vruchten voort :  eerst de groene halm, dan de aar.  Pas wanneer het koren rijp staat, slaat hij er de sikkel in want dan komt de oogst.  Zo gaat het met het Rijk van God.

 

 

Voorbeden

 

Gij die onze levensdagen kent,

hun vreugde en hun duur,

roep uw trouw en goedheid in ons wakker

en laat ons spreken door uw mond.

 

Voor...  (ouders, broers en zussen noemen)

voor peter en meter,

grootouders en familie,

willen wij bidden.

Omwille van de vriendschap die wij hen toedragen,

vragen wij :

dat zij niet meer verdriet en tranen kennen,

dat zij troost kunnen bieden aan elkaar,

dat zij U vinden, een God van liefde

en erbarming tot in het duizendste geslacht.

En dat het leven van N.  in hun hart bewaard mag blijven

tot zij elkaar weervinden in Uw lichtende toekomst.

Daarom bidden wij U.

 

In dit uur gedenken wij :

de kinderen die onlangs gestorven zijn (noemen),

de zovelen die diep in ons hart gegrift staan

en ook de kinderen die ongekend en naamloos sterven.

Wees Gij voor hen een tedere moeder en ontvangende vader.

Wil hen aanvaarden en koesteren aan uw hart.

Daarom bidden wij U.

 

Voor allen die gekruisigd worden als uw zoon,

voor allen die hun lot niet kunnen dragen,

voor allen die geen zin of uitkomst zien willen wij bidden.

En ook voor hen die vol hoop zijn

en die vriendschap kunnen geven :

dat zij staande blijven als zij worden beproefd

en nooit ontbreken in ons midden.

Daarom bidden wij U.

 

Soms breekt Uw licht door

mild en teder,

in de genegenheid van mensen

of in de zegen van een kind.

Want Gij wilt liefde en geluk

voor elke mens die wordt geboren.

Gedenk ons, God,

als wij die droom moeten ontberen.

Genees ons hart

met tekenen van leven,

opdat wij toekomst zien,

ondanks de schaduw van de dood.

 

 

EUCHARISTISCH HOOGGEBED VOOR DE UITVAART

VAN EEN KIND

 

 

Heer onze God,

onverwacht worden wij soms vervuld van vreugde en dank :

door een bloem die openbloeit,

door een kind dat geboren wordt,

door een liefde die ontluikt of rijpt.

Maar deze morgen aarzelen wij met onze dankbaarheid.

Nu wij staan bij de lijkbaar van dit kind(je)

komt een woord van dank moeilijk over onze lippen.

 

Toch beroepen wij ons op Uw Naam, vreemde God,

waarin alle namen van Uw kinderen zijn opgenomen.

Tot wie zouden wij anders moeten gaan ?

Waar zouden wij anders ons heil moeten zoeken

dan bij U, Ondoorgrondelijke ?

 

Gij hebt ons in één adem genoemd

met Jezus Christus uw Zoon,

die uit de doden is opgestaan.

Hij heeft de afgrond van het leven gepeild.

Hij zag de dood voor ogen

en waagde Zijn leven voor ons behoud.

Hij durfde Zijn leven verliezen

om het te winnen bij U.

 

Want in de nacht waarin Hij werd overgeleverd

heeft Hij het brood in Zijn handen genomen,

Hij heeft U dank gezegd,

het brood gebroken

en het aan Zijn vrienden uitgedeeld met de woorden :

 

Neem en eet, dit is Mijn lichaam voor u.

Doe dit en denkt aan Mij.

 

Zo nam Hij ook de beker,

Hij sprak de zegen en het dankgebed uit,

deelde de beker met Zijn vrienden en zei :

 

Deze beker is het nieuwe verbond in Mijn bloed

dat voor u en voor allen wordt vergoten

tot vergeving van de zonden.

Blijf dit doen en denk aan Mij.

 

Daarom Heer onze God,

gedenken wij Jezus Christus in zijn droefheid

om Lazarus, Zijn vriend,

en Zijn medelijden met de moeder uit Naïm.

Wij gedenken Zijn volstrekte verlatenheid op het kruis

en voelen ons één met de leerlingen

die geen raad wisten met hun leed.

 

Daarom bidden wij U :

zend Uw Geest over ons uit,

Uw Geest die leven geeft,

die door geen dood wordt weerstaan ;

Uw Geest die licht en warmte geeft,

de Geest van Jezus Christus.

 

Door Hem schenkt U ons hoop op leven.

Door Hem zij aan U, God almachtige Vader,

alle eer en heerlijkheid

in de eeuwen der eeuwen.  Amen.

 

 

Slotgebed

 

Onnoembare en Nabije,

hebt Gij niet in den beginne,

toen alles nog verkeerde in leegte en gemis,

uw naam geroepen 'Ik-zal-er-zijn ? '

Hebt Gij ons niet toegeroepen 'Licht'

opdat wij zouden leven naar uw Licht ?

Gij hebt ons toch in liefde gezoend

zodat wij levensadem werden.

Doe dan nu uw Naam gestand en voltooi uw schepping.

Gij die nu opnieuw N.  gezoend hebt in uw adem.

Laat hem dan ook gedragen worden

op uw vleugels van liefde.

En dat zij/hij ons dragen mag met haar/zijn vleugels,

als een engel die ons bewaart in uw naam.

Nu het afscheid zwaar is, laat die hoop ons lichten.

Geef dat wij allen ooit, met hem

U zullen zien van aangezicht tot aangezicht,

waar Gijzelf onze tranen zult afwissen.

Daarom houden wij ons vast

in Jezus, uw Zoon, de Messias,

de engel van uw naam nu en over alle dagen heen.

Amen.

 

 

 

Zegening 1

 

 

 

Mogen wij ons N.  en dit uur

blijven herinneren als de dag van gisteren.

Moge de God van leven en liefde,

van dood en opstanding bij h.  blijven,

en ook bij ons.

Moge Hij ons zegenen en bewaren.

Amen.

 

"Tot morgen dan"

zei je en dat ik

voorzichtig moest zijn

onderweg.

 

Maar morgen was plots

een eeuwigheid verder.

Jouw handen versteend.

Een zee van stilte

nu tussen ons.

 

Ik schrei.

Maar jij lijkt rustig te zeggen :

"We zien elkaar straks,

om de hoek."

 

Zelfs sterven hoefde

voor jou

niet gewichtig.

Kris Gelaude

 

 

 

LAATSTE GEBEDEN

 

Beste familie en vrienden,

we willen samen nog even verwijlen bij N.

Om de laatste eer te brengen

aan deze mens (onze dierbare),

om recht te doen aan zijn/haar leven en sterven

staan wij hier

rondom dit gestorven lichaam

dat ons van hem/haar is overgebleven.

Wij houden onze ogen gericht

op het kruis van Jezus Christus,

en wij spreken uit

in tastend geloof

dat dít niet het einde is,

dat onze God een 'God-van-levenden' is.

 

Méér dan zijn/haar lichaam

is ons de naam van deze mens gebleven ;

die naam spreken wij hier uit

met eerbied en genegenheid

 

(zacht wordt de voornaam genoemd, waarna een ruime stilte)

 

- N -

 

en wij bidden :

 

Heer God, herinner U zijn/haar naam

die hij/zij van mensen heeft ontvangen

en waarin hij/zij gekend wordt,

ook al is hij/zij gestorven,

die naam die Gij geschreven hebt

in de palm van Uw hand.

Als teken van hoop dat God aan deze mens (N.)

en aan ons allen

een nieuw en onsterfelijk lichaam zal geven

én om te getuigen van ons geloof in de verrijzenis

zegen ik dit dode lichaam

in de naam van de Vader en de Zoon

en de heilige Geest.

 

Dit gewijd water herinnert ons aan het doopsel

dat N. eens heeft ontvangen.

Van toen af aan was zijn /haar leven op God gericht

en wordt nu door Hem vervuld met eeuwige vriendschap.

 

(de kist wordt besprenkeld met wijwater)

 

Met wierook eren wij dit lichaam

waarin Gods Geest woonde en werkzaam was.

 

(de kist wordt bewierookt)

 

Nu volgt de afscheidsplechtigheid : alle aanwezigen worden uitgenodigd naar voren te komen en als uitdrukking van ons geloof in de verrijzenis van de Heer Jezus, belofte van onze eigen opstanding, de hand op het kruis te leggen.  Deze gang drukt tevens ons medeleven uit met de familie en laat ons afscheid nemen van onze dierbare.  De mensen onder ons die anders gelovig zijn hoeven de hand niet op het kruis te leggen.  Ook zij nemen eerbiedig afscheid van de dierbare en spreken hun sympathie uit met de familie.  Nu wordt ook het gedachtenisprentje uitgereikt.

 

Laat ons nu gaan in vrede

om N., die wij dit uur

voor het laatst in ons midden mochten hebben,

weg te dragen naar zijn/haar graf.

Wij geven hem/haar uit handen,

wij leggen hem/haar neer in de aarde,

in de handen van de levende God,

in de naam van de Vader en de Zoon

en de heilige Geest.  Amen.

 

Mogen onze gebeden hem/haar vergezellen.

 

(bij crematie)

 

Laat ons nu gaan in vrede

om N., die wij dit uur

voor het laatst in ons midden mochten hebben,

uitgeleide te doen.

Wij geven hem/haar uit handen,

wij vertrouwen hem/haar toe

aan Gods oneindige liefde

in de naam van de Vader en de Zoon

en de heilige Geest.  Amen.

 

Mogen onze gebeden hem/haar vergezellen.

 

 

LEZINGEN UIT HET EERSTE VERBOND

 

 

LEZING UIT HET BOEK PREDIKER   (Pred. 3, 1-15)

 

Alles heeft zijn uur,

alle dingen onder de hemel hebben hun tijd.

Er is een tijd om te baren en een tijd om te sterven,

een tijd om te planten en een tijd

om wat geplant is te oog­sten.

Een tijd om te doden en een tijd om te genezen,

een tijd om af te breken en een tijd om op te bouwen.

Een tijd om te huilen en een tijd om te lachen,

een tijd om te rouwen en een tijd om te dansen.

Een tijd om stenen weg te gooien

en een tijd om stenen te verzamelen,

een tijd om te omhelzen

en een tijd om van omhelzen af te zien.

Een tijd om te zoeken en een tijd om te verliezen,

een tijd om te bewaren en een tijd om weg te doen.

Een tijd om stuk te scheuren en een tijd om te herstellen,

een tijd om te zwijgen en een tijd om te spreken.

Een tijd om lief te hebben en een tijd om te haten,

een tijd voor oorlog en een tijd voor vrede.

 

Wat heeft iemand dan aan al zijn werken en zwoegen ?

Ik overzag de bezigheden die God de mensen heeft opgelegd om er zich mee af te tobben.

 

Alles wat Hij doet is goed op zijn tijd ;

ook heeft Hij de mens besef van tijd en uur ingegeven,

maar toch blijft Gods werk voor hem

van het begin tot het eind ondoorgrondelijk.

 

Zo spreekt de Heer.

 

 

LEZING UIT HET BOEK PREDIKER  (Pred. 3, 1-11.14)

 

 

Alles heeft zijn tijd en uur -

zo gaat dat hier in deze wereld.

Geboren worden en sterven,

zaaien en maaien :

alles heeft zijn tijd.

Verwonden en genezen,

kwetsen en helen,

breken en bouwen :

alles heeft zijn tijd.

Treuren en troosten,

rouwen en trouwen :

alles heeft zijn tijd.

Er is een tijd van weten

en een tijd van vergeten,

een tijd van tederheid

en een tijd van eenzaamheid,

een tijd van omhelzen en van afwenden,

van vernietigen en van herstellen.

Er is een tijd van zoeken :

een thuis vinden, zinvol leven

en een tijd van verliezen :

nergens blijven, niemand hebben.

Er is een tijd van brood,

er is een tijd van nood.

Ja, alles gebeurt op tijd en uur :

zwijgen en spreken - open en gesloten,

liefhebben en haten - geluk en ongeluk,

oorlog en vrede - dood en leven.

Alles heeft zijn tijd.

 

Wat bereikt een mens

met al zijn zwoegen en tobben ?

Ik heb begrepen dat de mens

zwaar belast en moeizaam

door het leven gaat.

En God heeft alles

op het juiste moment bepaald.

Zo heeft de mens besef van tijd en uur.

Maar niet alles kan de mens doorgronden.

Heel Gods werk

- van het begin tot het einde -

kan hij niet vatten.

Ik kwam tot het inzicht

dat alles wat God doet voor altijd blijft :

er valt niets aan toe te voegen

en niets gaat eraf.

God heeft het zo beschikt

dat de mensen ontzag voor Hem hebben.

 

 

LEZING UIT HET BOEK PREDIKER   (Pred. 12, 1.3-7.13-14)

 

 

Zo spreekt de Prediker :

" Houd uw Schepper in ere, zolang ge leeft,

want er komen kwade dagen

dat gij zeggen zult :

het gaat mij niet meer.

Als het zover is, beven de bewakers van uw huis

en lopen de sterke mannen gebogen.

De vrouwen die malen staken hun werk

en staren uitzichtloos in de nacht.

De huisdeur valt in het slot,

het geluid van de malende molen vervaagt,

het gefluit van de vogels verstomt,

alle geluiden sterven weg.

Het wordt stil.

De mens is op weg

naar zijn laatste verblijf.

De rouwklagers staan al klaar in de straat.

Het zilveren snoer wordt doorgeknipt,

de gouden lamp valt stuk op de vloer.

De waterkruik breekt bij de bron,

het scheprad knakt af

en valt in de put.

De mens, gemaakt uit stof,

keert terug naar de aarde,

zijn levensgeest naar God,

oorsprong van het leven.

Mijn vriend, wees gewaarschuwd,

nu gij dit alles hebt gehoord.

Heb ontzag voor God

en onderhoud zijn geboden.

Daar komt het voor een mens op aan.

Want God zal oordelen

over alles wat gij doet,

zelfs over wat verborgen blijft,

of het nu recht of slecht is. "

 

 

LEZING UIT HET BOEK JOB   (Job 2, 11-13;19,19.23-27)

 

 

In die dagen hoorden drie vrienden van Job

van al de rampen

die hem getroffen hadden.

Zij besloten samen naar hem toe te gaan

om hun meeleven te tonen

en om hem te troosten.

Toen ze bij hem kwamen,

herkenden zij hem eerst niet,

zo erg was het met hem gesteld.

Luid begonnen ze te klagen,

scheurden hun kleren

en strooiden stof op hun hoofd.

Zeven dagen en zeven nachten

zaten ze bij hem op de grond

zonder een woord te zeggen,

want ze zagen

hoe vreselijk hij moest lijden.

Toen opende Job zijn mond en zei :

" Vrienden, heb toch medelijden met mij,

want ik ben zwaar geslagen.

Ach, werden mijn woorden maar opgeschreven,

voor altijd vastgelegd,

gegrift met een ijzeren stift in de rots

en de letters met lood gevuld.

Want ik weet met zekerheid :

de levende God zal het voor mij opnemen

en mij hier op aarde recht verschaffen.

Ook al is mijn lichaam geschonden,

toch zal ik God met eigen ogen zien.

Ikzelf zal Hem aanschouwen

en ik verlang er vurig naar

Hem in eigen persoon te ontmoeten. "

 

 

LEZING UIT HET BOEK JOB   (Job 5, 8-16)

 

 

Als ik jou was, zou ik mij wenden tot God

en mijn zaak aan Hem voorleggen.

Hij doet grootse, onbegrijpelijke dingen,

verricht ontelbare wonderen.

 

Hij laat het regenen op de aarde,

geeft vruchtbaarheid aan het land.

Onaanzienlijken brengt Hij tot aanzien,

bedroefden maakt Hij gelukkig.

Hij verijdelt de plannen van listige mensen,

zij hebben geen succes.

Hij vangt de sluwen in hun sluwheid,

zij bereiken niets.

 

Op klaarlichte dag stuiten zij op duisternis,

zij tasten in het donker, midden op de dag.

Zo beschermt God de zwakken tegen de sterken,

bevrijdt hen uit hun knellende greep.

De weerlozen geeft Hij hoop,

maar de onrechtvaardige snoert Hij de mond.

 

 

LEZING UIT HET BOEK JOB (Job 7, 1-7)

 

 

Gekweld door leed en ellende sprak Job :

" Wat is het leven van een dagloner ?

Hij zwoegt van 's morgens vroeg

tot 's avonds laat.

Hij snakt naar schaduw

en ziet vol verlangen uit naar het uur

dat zijn loon wordt uitbetaald.

Zo is het ook met mij.

De dagen vallen mij zwaar en 's nachts

kan ik niet slapen van al mijn zorgen.

's Avonds denk ik : was het maar morgen.

En 's morgens zucht ik :

was het maar avond.

Mijn lichaam staat vol met zweren,

van kop tot teen etter en ellende.

Het einde van mijn dagen

komt sneller en sneller nabij,

zoals een aflopende weversspoel -

de draad is ten einde.

Mijn leven is niet méér dan een zucht

en geluk zal ik nooit meer kennen. "

 

 

LEZING UIT HET BOEK JOB   (Job 14, 1-14)

 

 

De mens, geboren uit een vrouw,

leeft maar een korte tijd.

Hij ontluikt en verwelkt als een bloem

en aan zijn leven is een grens gesteld,

die hij niet overschrijdt.

 

Voor een boom is er nog hoop als hij wordt geveld.

Hij loopt weer uit, en zijn loten houden niet op.

En al is ook zijn wortel verouderd, hij bot weer uit.

 

Maar sterft een mens,

ontzield blijft hij liggen ;

geeft hij de geest, hij is er niet meer.

 

Ach God, wanneer bepaalt Gij

het tijdstip van mijn dood ?

Wanneer zult Gij aan mij denken ?

 

Als Gij de mens na zijn dood doet herleven,

dan zou ik al de dagen van mijn leven wachten,

tot het mijn beurt is om te sterven.

 

 

LEZING UIT HET BOEK JOB (Job 14, 1-2.5.7-12.14-16)

 

Een mens geboren uit een vrouw,

leeft maar een korte tijd

en zorgen kent hij zonder eind.

Zijn levensdagen zijn niet meer

dan een bloem, die ontluikt en verwelkt,

als een vluchtige schaduw die voorbijgaat.

Het getal van zijn dagen is bepaald

en aan zijn leven is een grens gesteld,

die hij niet overschrijdt.

Voor een boom is er nog hoop :

zelfs omgehouwen kan hij nog uitbotten

en opnieuw in blaren schieten.

Al worden zijn wortels oud in de grond,

als hij water krijgt, loopt hij weer uit

en krijgt hij weer twijgen

als een jonge plant.

Maar sterft er een mens : het is gedaan.

Geeft hij de geest : hij is er niet meer.

Als water dat verdampt,

als een rivier die uitdroogt,

zo is een mens, die sterft.

Als een mens eenmaal geveld is,

blijft hij liggen zolang de hemel bestaat

en uit zijn slaap

wordt hij niet meer wakker.

Ach God, wanneer bepaalt Gij

het tijdstip van mijn dood ?

Wanneer zult Gij aan mij denken ?

Als Gij de mens na zijn dood doet herleven,

zou ik al de dagen van mijn leven wachten

tot het mijn beurt is om te sterven.

Ik zou dan antwoorden als Gij roept.

En Gij zoudt mijn stappen tellen

en niet mijn zonden.

 

 

LEZING UIT HET BOEK DER PSALMEN   (Psalm 1)

 

 

Gelukkig de man die zich niet bemoeit met de zwetsers

over niets dan eigenbelang,

die eigendunk uit de weg gaat,

een vergadering van spotters laat wat ze is,

maar die uitgaat om goed te doen

en zich dag en nacht afvraagt : doe ik genoeg ?

 

Een plataan aan het water,

vol en sterk is zijn gebladerte,

nooit dor of kaal, altijd verkwikkend

die in zijn wuivende schaduw zitten,

zo is zijn leven.

Hij staat, vast,

en wat hij is, brengt geluk,

al wat hij doet houdt stand.

 

De anderen worden weggeblazen als kaf, tegen

geen ernstig oordeel zijn zij ooit opgewassen,

waar werkelijk gesproken wordt over zaken van

waarde bestaan zij niet.

 

Maar de weg van hen die goed doen

en vol aandacht zijn voor wat anderen leven,

blijft voor altijd getekend in het hart van de tijd.

 

 

LEZING UIT HET BOEK DER PSALMEN   (Psalm 8)

 

 

 

Heer, onze God, hoe ontzagwekkend is Uw naam op aarde.

Hoger dan het firmament reikt Uw macht.

 

Als ik naar de hemel kijk, het kunstwerk van Uw vingers ;

als ik maan en sterren zie, die Gij daar hebt geplaatst.

Ach !  Wat is de mens dan, dat Gij naar hem omziet ;

het mensen­kind dat Gij voor hem zorgt ?

 

En toch ... heel Uw schepping hebt Gij aan hem onderworpen,

alles aan zijn voeten gelegd.

 

Behoed mij dan, Heer, tot U neem ik mijn toevlucht :

Gij zijt mijn God, ik erken het.

 

Ik dank U, Heer, dat Gij mij altijd geleid hebt.

Gij zult mij niet verlaten, maar de weg wijzen

om eeuwig geluk te vinden in U.

 

 

LEZING UIT HET BOEK DER PSALMEN

(Ps 37, 5.27_28a.29_31.34.37b)

 

 

Leg uw lot in de handen van Jahweh.

Vertrouw op Hem, Hij stelt je niet teleur.

 

Keer je af van het kwaad en doe het goede,

dan vind je voor altijd een woning,

want Jahweh heeft rechtschapenheid lief,

Hij laat zijn getrouwen niet in de steek;

voor altijd blijven ze onder Zijn hoede.

 

De rechtvaardigen zullen het land bezitten,

daar een woning vinden voor altijd.

Wijze woorden spreekt de mond van de rechtvaardige,

zijn tong zegt wat ze zeggen moet,

want in zijn hart leeft de wet van God.

Hij gaat met vaste tred zijn wegen.

 

Vertrouw op Jahweh en houd Zijn spoor,

Hij zal je verheffen tot bezitter van het land,

maar de verdelging der bozen zal je beleven.

 

Alleen een man van vrede heeft toekomst.

 

 

LEZING UIT HET BOEK DER PSALMEN   (Psalm 77)

 

 

Ik roep op U, o Heer, in deze zware dagen

maar ach, mijn woorden zijn zo klein.

Ik kom U need'rig aandacht vragen,

want in mijn hart voel ik zo'n pijn.

 

Hoort Gij mij, God, in al mijn zwakheid,

van niets meer zeker en zo ver van U.

 

Houdt Gij Uw hand voor mij gesloten ?

Ach, ik heb U, Heer, zo nodig nu.

 

Gij hebt ons toch Uw woord gegeven

dat Gij met ons zijt in 't verdriet.

 

Want, wie zal mij tot troost nog wezen,

als Gij mijn pijn niet ziet ?!

 

Kom, spreek tot mij, geef mij een teken,

sta aan mijn zijde, ga met mij mee.

 

Want ik geloof en 'k heb vertrouwen.

Gij zijt mijn steun, mijn troost, mijn vree.

 

 

LEZING UIT HET BOEK DER PSALMEN   (Psalm 139)

 

 

Heer, Gij kent mij en doorschouwt mij,

Gij ziet mij, waar ik ga of sta.

 

Van verre kent Gij mijn gedachten,

Gij let op al mijn wegen.

 

Waar ik mij wend, Gij staat op wacht,

Uw hand rust op mijn schouder.

 

Wat er in mij is, hebt Gij geschapen,

Gij hebt mij als een weefsel in de moederschoot gevormd.

 

Toen reeds zagen Uw ogen al mijn levensdaden,

zij waren reeds beschreven in Uw boek.

 

Mijn dagen waren al door U geteld,

voordat de eerste nog was aangebroken.

 

Maar hoe onpeilbaar zijn voor mij Uw plannen, God.

Mijn leven ligt volledig in Uw handen.

 

Wanneer het eind ervan gekomen is,

leid mij dan binnen in Uw woning.

 

 

LEZING UIT HET BOEK DER SPREUKEN

(Spreuken 31, 10-31)

 

 

Een sterke vrouw wie zal haar vinden ?

Zij heeft haar eigen plaats

is geen slavin

zij kan regeren

met vaste hand

met rijk gemoed

met boordevol hart

met scherpe geest:

het koud-beredeneerde

intuïtief afgerond.

Zij is geloof

in iets en iemand;

zij is trouw

die tijd en ruimte overspant;

zij is hoop

die toekomst en verlossing schept;

zij is liefde

die het mooiste van de mens ontsluiert.

 

 

LEZING UIT HET BOEK DER SPREUKEN

(Spreuken 31, 10-31)

 

 

Een sterke vrouw wie zal haar vinden ?

Een sterke vrouw, wie zal haar vinden.

Haar waarde gaat die van juwelen te boven.

Haar man kan vast op haar bouwen.

Zolang hij leeft brengt zij hem voordeel.

 

Vroeg in de morgen staat zij reeds op

en bereidt het eten voor haar gezin.

Zij omgordt haar lenden met kracht,

vlug steekt zij haar handen uit de mouwen.

 

Zij gaat na of haar huishouden loopt ;

zelfs in de nacht dooft haar lamp niet.

Met vlijtige vingers doet zij haar huistaak.

 

Haar huisgenoten hoeven zich geen zorgen te maken ;

alles schikt zij voor hen ten beste.

Met kracht en voornaamheid is zij gekleed.

Zij kent geen angst voor de dag van morgen.

 

Haar mond is vol wijsheid;

haar tong heeft voor ieder een vriendelijk woord.

Zij volgt haar gezin in doen en laten.

Zij eet haar brood niet in ledigheid.

 

Haar kinderen prijzen haar gelukkig.

Haar man is vol lof voor haar :

" vele vrouwen zijn dapper " zegt hij

" maar gij hebt allen overtroffen. "

 

Bevalligheid kan bedrieglijk zijn,

maar een vrouw die de Heer vreest wordt geëerd.

Laat haar genieten van het werk van haar handen

en allen die haar kennen, zullen haar prijzen.

 

 

LEZING UIT HET BOEK DER SPREUKEN

(Spreuken 31, 10-31) J. van den Bergh

 

Een sterke vrouw wie zal haar vinden ?

Wie heeft haar ogen droog doorstaan,

haar handen vol ontvangen,

en haar doorzweet gelaat

van droefenis doorhangen ?

 

Zij weent niet omdat tranen lokken,

zij treurt om scherpe droefenis.

Zij roept niet omdat woorden schallen

maar vraagt om onrecht-lafenis.

 

Zij spreekt maar doet méér

dan ze in haar daden zeggen zal ;

en luistert en verstaat veeleer

dan mijn tong het vragen kan.

 

Zij is door wie men Leven proeft

niet van dat zwakke, ijle

maar haven voor wie thuisloos is

een teder menselijk verwijlen.

 

Zij is de kleine trouw nabij

die het grootse leven laten kan.

Zij is -in God- de mens voor mij

waarin mijn vrede dagen zal.

 

- in de lijn van O.T.-ische sterke vrouwen -

 

 

LEZING UIT HET BOEK DER SPREUKEN

(Spr. 31, 10-12.20.26-31)

 

 

Een flinke vrouw, wie zal haar vinden ?

Zij is meer waard dan edelstenen.

Haar man kan zich op haar verlaten

en het zal hem aan geen vreugde ontbreken.

Zij stelt hem nooit teleur

en maakt hem gelukkig, haar leven lang.

Zij opent haar hand voor de behoeftige

en strekt haar armen uit

naar wie in nood is.

Wat zij zegt, is vol wijsheid ;

haar vermaningen zijn altijd vriendelijk.

Zij let op het komen en gaan van haar gezin

en voor het brood op tafel

heeft zij gewerkt.

Haar kinderen zijn fier op hun moeder

en haar man is vol lof over haar.

" Vele flinke vrouwen kunnen er zijn,

zegt hij,

maar gij overtreft ze allemaal. "

Een mooi voorkomen is bedrieglijk

en uiterlijke schoonheid gaat voorbij.

Maar de vrouw die ontzag heeft

voor de Heer, moet geprezen worden.

Laat haar genieten

van de vruchten van haar werk

en dat iedereen in de stad

met lof over haar spreekt.

 

 

LEZING UIT HET BOEK 'WIJSHEID VAN JEZUS SIRACH'

(Sir. 14, 17-19;17,1-3.6b.8-10.23.29-30)

 

 

Al wat leeft verslijt als een kleed

en reeds heel jong

weet de mens dat hij moet sterven.

Zoals een prachtige boom

zijn bladeren verliest

en weer andere krijgt,

zo gaat het met mensen van vlees en bloed :

de éne sterft, de andere wordt geboren.

Aan ieder werk van de mens komt een einde

en met het werk verdwijnt ook de maker.

 

De Heer heeft de mens

uit de aarde geschapen

en heeft hem tot haar doen terugkeren.

Hij schonk hun een aantal dagen

en een bepaalde tijd

en gaf hun macht over de dingen der aarde.

Hij heeft hen gemaakt naar Zijn beeld

en hun een hart gegeven om lief te hebben.

De Heer heeft Zijn oog in hun hart geplant,

om de mensen te laten zien

hoe groot Zijn werken zijn.

Zo kunnen zij Zijn grootheid verkondigen

en Zijn heilige Naam prijzen.

Uiteindelijk zal de Heer opstaan

en ieder mens geven naar zijn verdienste.

Voor een mens is niet alles bereikbaar,

omdat elk mensenkind sterfelijk is.

Maar de barmhartigheid van God is eeuwig

en Zijn goedheid onuitputtelijk.

 

 

LEZING UIT HET BOEK 'WIJSHEID VAN JEZUS SIRACH'

(Sir. 18, 1-5.7.9-13a)

 

 

God die tot in eeuwigheid leeft,

heeft het heelal geschapen.

Alleen de Heer wordt rechtvaardig bevonden.

Niemand heeft Hij in staat gesteld

Zijn grote daden te doorgronden.

Wie zal kunnen verhalen

hoe vaak Hij Zijn barmhartigheid

heeft getoond ?

Als een mens is uitgedacht,

staat hij nog aan het begin.

En als hij ermee ophoudt,

ziet hij nog geen uitweg.

Voor een mensenleven

is honderd jaar veel.

Toch zijn die paar jaren op de eeuwigheid

slechts een druppel water in de zee,

een korreltje zand op het strand.

Daarom heeft de Heer geduld met de mensen

en stort Hij over hen

Zijn barmhartigheid uit.

Hij ziet en weet

dat het einde van de mens ellendig is.

Daarom biedt Hij rijkelijk verzoening.

De barmhartigheid van de mens

gaat uit naar zijn buurman,

maar de barmhartigheid van God

gaat uit naar al wat leeft.

 

 

LEZING UIT HET BOEK WIJSHEID

 

 

 

Een zegen is het voor de mens,

als de almachtige God hem straft,

weiger zijn straf dan ook niet.

Hij brengt wonden toe, maar verbindt ze ook,

Hij slaat, maar geneest met eigen hand.

Telkens weer redt Hij je uit de nood,

er zal je niets overkomen.

In hongersnood houdt Hij je in leven,

in oorlog beschermt Hij je voor de dood.

Laster hoef je niet te vrezen,

voor geweld hoef je niet bang te zijn.

 

Je kunt spotten met hongersnood en oorlog ;

wilde beesten jagen je geen schrik meer aan.

Je voelt je veilig in het open veld,

want de wilde dieren zijn je vrienden.

Weet : het zal je goed gaan in je huis,

tel je schapen, er ontbreekt er niet één.

Je zult veel kinderen en kleinkinderen krijgen,

zo veel als het gras op het veld.

Vol levenskracht blijf je tot vlak voor je dood,

als een korenschoof die wordt binnengehaald.

 

 

LEZING UIT HET BOEK WIJSHEID   (Wijsh. 3, 1-9)

 

 

Het leven van de rechtvaardigen

is in Gods hand

en geen kwelling zal hen raken.

In de ogen van de mensen

schenen zij te sterven.

Hun heengaan werd als een ongeluk aanzien

en hun verwijdering uit ons midden

als een ramp.

Maar zij zijn in vrede.

Alhoewel zij naar de mening van de mensen

met de dood geslagen werden,

is er voor hen

toch volle hoop op onsterfelijkheid.

Nadat zij een kleine tuchtiging

hebben ondergaan,

zullen zij grote weldaden ontvangen.

Want God heeft hen beproefd

en Hij heeft hen waardig bevonden

voor Zijn Aanschijn te treden.

Als goud in het vuur heeft Hij hen beproefd

en hun leven als brandoffer aanvaard.

Op het ogenblik van het oordeel

zullen zij schitteren

als een lopend vuur in het stoppelveld.

En de Heer zal altijd over hen koning zijn.

Zij, die zich aan Hem hebben toevertrouwd,

zullen de waarheid vatten.

Zijn getrouwen zullen in liefde

bij Hem blijven,

want goedheid en barmhartigheid

vallen Zijn uitverkorenen ten deel.

 

 

LEZING UIT HET BOEK WIJSHEID  (Wijsh. 4, 7-13.14b-15)

 

 

De rechtvaardige zal rust vinden,

ook al sterft hij voor zijn tijd.

Want het aanzien van de ouderdom

bestaat niet in een lang leven

en wordt niet gemeten

naar het aantal jaren.

De ware achting bereikt men

door inzicht in Gods bedoeling

en door een voorbeeldig leven.

God ziet met liefde neer

op de rechtvaardige.

Daarom heeft Hij hem weggenomen

uit de kring van de zondaars.

((Hij werd weggerukt

opdat geen kwaad hem zou bederven

en geen bedrog hem zou verleiden))

Want het kwaad met zijn betovering

verduistert het goede.

En het bedrog met zijn begeerte

verjaagt de waarheid.

In korte tijd tot rijpheid gekomen,

heeft de rechtvaardige

reeds de volheid van de jaren bereikt.

De mensen zien dat wel,

maar ze vatten het niet.

Zij konden niet begrijpen

dat de Heer Zijn uitverkorenen

goedheid en barmhartigheid schenkt

en dat Hij waakt over zijn geliefden.

 

 

LEZING UIT DE PROFEET JESAJA   (Jes. 25, 6a.7-9)

 

 

In die dagen zal de almachtige Heer

op de berg Sion een feestmaal houden

voor alle volken.

Op die dag zal Hij het rouwkleed

vernietigen dat elk volk draagt

en het doodskleed

waarin elke mens wordt gehuld.

Want God de Heer

zal de dood voor altijd vernietigen

en de tranen van alle gezichten afwissen.

Hij zal de ellende en de vernedering

van zijn volk wegnemen.

Op die dag zal men zeggen :

"De Heer is werkelijk onze God.

Wij hebben onze hoop op Hem gesteld

en Hij heeft ons bevrijd.

Met recht en reden

hebben wij ons aan Hem toevertrouwd.

Laten wij juichen van vreugde

op de bevrijding

die de Heer ons bracht."

 

 

LEZING UIT DE PROFEET JESAJA   (Jes. 43, 1-7)

 

 

Zo spreekt de Heer, uw Verlosser,

die u geschapen heeft,

die u gevormd heeft :

Vrees niet, want Ik heb u vrijgekocht,

en u bij uw naam geroepen :

Gij zijt van Mij.

Al moet gij door wateren van ellende,

Ik ben met u.

Al moet gij door vuur,

gij kunt niet verbranden.

Want Ik ben uw God, de Heilige, uw Redder.

Kostbaar zijt gij in mijn ogen

en liefde draag Ik u toe.

Wees dus niet bang,

want Ik ben met u.

Ik leid u naar het nieuwe Jeruzalem,

waar gij vreugde zult kennen.

Uw tranen zullen in jubel verkeren

en gij zult de volheid van mijn glorie kennen.

 

 

LEZING UIT DE KLAAGLIEDEREN VAN JEREMIA

(Klaagl. 3, 6-8.17-29.32)

 

 

In uiterste nood stortte de profeet Jeremia

zijn hart uit bij de Heer en zei :

" In duisternis laat de Heer mij wonen,

als dood voor altijd.

Ik zie geen uitweg,

ik ben als in boeien geslagen.

Ook al roep en schreeuw ik om hulp,

Hij hoort mij niet.

Elk geluk is mij ontnomen,

ik weet niet meer wat vreugde is.

Is er voor mij nog uitzicht ?

Kan ik nog hopen op de Heer ?

Ik denk aan mijn eenzaamheid

en mijn ellende.

Het vergiftigt mijn leven.

Steeds weer moet ik er aan denken -

dan ben ik zo moedeloos.

Toch blijf ik hopen, want ik weet :

het leven is een geschenk van de Heer.

Zijn liefde houdt nooit op

en zijn trouw is iedere morgen nieuw.

Ik behoor aan de Heer

in het diepst van mijn hart.

Daarom blijf ik op Hem hopen.

Goed is de Heer voor wie naar Hem uitziet,

voor wie Hem zoekt.

Goed is het in stilte te wachten

op de Heer en op zijn bevrijding.

Goed is het van jongsaf te leren

het leven te aanvaarden,

ook als men eenzaam en alleen

het gezicht richt naar de grond.

Blijf toch hopen op de Heer -

ondanks alles.

Want wie droef is, troost Hij

en wie eenzaam is,

schenkt Hij zijn grote liefde. "

 

 

LEZING UIT DE PROFEET DANIËL   (Dan. 12, 1-3)

 

 

In die dagen kreeg de profeet Daniël

door een visioen inzicht

in hetgeen ging gebeuren.

Het volgende werd hem meegedeeld :

Er zal een tijd van nood aanbreken,

zoals er nog nooit één is geweest

onder de volkeren.

Dan zal de aartsengel Michaël opstaan

om heel uw volk te beschermen.

Allen, die in het boek staan opgetekend,

omdat ze trouw gebleven zijn

aan de Heer,

zullen gered worden.

En velen, die ontslapen zijn,

zullen ontwaken :

sommigen om voor altijd te leven,

anderen om voor eeuwig gestraft te worden.

Dan zullen de wijzen stralen

als de glans van de zon.

En allen, die door woord en voorbeeld

de mensen tot gerechtigheid

hebben gebracht, zullen schitteren

als de sterren voor eeuwig en altijd.

 

 

LEZING UIT HET TWEEDE BOEK MAKKABEEËN

(2 Makk. 7, 27-29, 22-23)

 

 

Mijn kind,

ik heb je negen maanden

in mijn schoot gedragen

en tot op deze leeftijd

je verzorgd, grootgebracht en verpleegd.

ik bid je, mijn kind,

beschouw de hemel en de aarde

met alles wat ze bevatten

en bedenk

dat God dit uit het niet geschapen heeft.

Ik weet niet

hoe je in mijn schoot werd gevormd ;

want niet ik heb je adem en leven geschonken

of het groeien in jou geleid.

Neen, het was de Schepper van de wereld ;

Hij bewerkt het ontstaan van de mens,

zoals Hij van alles de oorsprong is.

In zijn barmhartigheid zal Hij

jou eens weer adem en leven schenken.

 

 

LEZING UIT HET TWEEDE BOEK MAKKABEEËN

(2 Makk. 7, 27-29, 22-23)

 

 

Mijn kind,

ik heb je negen maanden

in mijn schoot gedragen

en tot op deze leeftijd

samen met je papa

je verzorgd, grootgebracht en verpleegd.

ik bid je, mijn kind,

beschouw de hemel en de aarde

met alles wat ze bevatten

en bedenk

dat God dit uit het niet geschapen heeft.

Ik weet niet

hoe je in mijn schoot werd gevormd ;

want niet wij hebben je adem en leven geschonken

of het groeien in jou geleid.

Neen, het was de Schepper van de wereld ;

Hij bewerkt het ontstaan van de mens,

zoals Hij van alles de oorsprong is.

In zijn barmhartigheid zal Hij

jou eens weer adem en leven schenken.

 

 

LEZING UIT HET TWEEDE BOEK MAKKABEEËN

(2 Makk. 12, 43-46)

 

 

In die dagen hield

de edele legeraanvoerder Judas

na de strijd

een geldinzameling onder de soldaten.

Hij zond dat geld naar Jeruzalem

om voor de zonden van de overledenen

een offer op te dragen.

De gedachte aan de verrijzenis

had hem tot deze mooie en edele daad aangezet.

Want, als hij niet geloofde

dat de gesneuvelden zouden verrijzen,

dan was het een nutteloze daad geweest

en had het geen zin

voor de doden te bidden.

Maar hij was bedacht

op de heerlijke beloning

die gereed ligt

voor allen die voor God ontzag hebben.

Daarom liet hij dit zoenoffer opdragen

om voor de overledenen

vergeving van hun zonden te bekomen.

 

 

UIT DE PROFEET ZACHARIAS   (Zach. 8, 2-8)

 

 

Het woord van de Heer der Hemelse Machten kwam

en het luidde als volgt :

Zo spreekt de Heer van de Hemelse Machten :

" Ik ijver voor Sion met heftige ijver ;

heftig en grimmig ijver Ik voor haar. "

Zo spreekt de Heer van de Hemelse Machten :

" Ik keer terug naar Sion,

Ik neem in Jeruzalem mijn intrek.

Jeruzalem zal de stad van de trouw heten,

de berg van de Heer van de Hemelse Machten,

de heilige berg. "

Zo spreekt de Heer van de Hemelse Machten :

" Er zullen weer oude mannen vrouwen zitten

op de pleinen van Jeruzalem,

ieder met een stok in de hand

vanwege hun vele jaren.

De pleinen van de stad zullen ook weer vol zijn

van jongens en meisjes,

die op haar pleinen spelen. "

Zo spreekt de Heer van de Hemelse Machten :

" Het zal in die dagen wonderbaar lijken

in de ogen van de rest van dit volk,

maar moet het daarom ook

in mijn ogen wonderbaar zijn ? "

Zo spreekt de Heer van de Hemelse Machten :

" Zie, Ik ga mijn volk redden

uit het land waar de zon opkomt

en uit het land waar zij ondergaat.

Ik breng hen terug

en zij zullen in Jeruzalem wonen.

Zij zullen mijn volk zijn

en Ik hun God,

in trouw en in gerechtigheid. "

 

 

LEZINGEN UIT HET TWEEDE VERBOND

 

 

LEZING UIT DE HANDELINGEN VAN DE APOSTELEN

(Hand. 10, 34-36.42-43)

 

 

In die dagen nam Petrus het woord

en sprak :

" Nu zie ik duidelijk in

dat God geen onderscheid maakt

tussen Joden en heidenen.

Iedereen - van welk volk ook -

die ontzag heeft voor God

en het goede doet, is welkom bij Hem.

Aan het volk Israël heeft God

de blijde boodschap van vrede

laten brengen door Jezus Christus.

En deze is de Heer van àlle mensen.

Hij vroeg ons

dit nieuws aan het volk bekend te maken

en te zeggen

dat Hij door God is aangesteld

om rechter te zijn

over de levenden en de doden.

Alle profeten hebben het over Jezus

en zeggen dat ieder die in Hem gelooft

vergeving van zonden verkrijgt. "

 

 

LEZING UIT DE BRIEF VAN DE APOSTEL PAULUS

AAN DE CHRISTENEN VAN ROME   (Rom. 5, 5-11)

 

 

Broers en zusters,

Wij weten dat God ons liefheeft,

want Hij heeft ons

de heilige Geest gegeven.

Christus is voor ons gestorven

op het ogenblik,

dat door God werd vastgesteld.

Wij leefden toen alsof God niet bestond

en waren geheel hulpeloos.

Men zal niet gemakkelijk iemand vinden

die zijn leven wil geven

voor een goed mens.

Het kan toch wel zijn dat iemand

in een bepaald geval dit zou doen.

God daarentegen hield al van ons

toen wij nog in zonden leefden.

Daarom is Christus voor ons gestorven

en heeft Hij zijn bloed gegeven

op het kruis.

Zo staan wij in een juiste verhouding tot God.

Vroeger waren wij vijanden van God

en verdienden wij eigenlijk zijn straf.

Maar omdat Zijn Zoon

zijn leven heeft gegeven,

is die vijandschap voorbij.

Wij zijn vrienden van God geworden.

En dat is niet alleen waar voor later,

nu reeds kunnen wij God

vol vreugde loven en danken,

want onze Heer Jezus Christus

heeft ons met God verzoend.

 

 

LEZING UIT DE BRIEF VAN DE APOSTEL PAULUS

AAN DE CHRISTENEN VAN ROME  (Rom. 5, 17-21)

 

 

Broers en zusters,

Door de schuld van één mens, Adam,

is de zonde in de wereld gekomen.

Dit had als gevolg dat de dood

het lot van elke mens is geworden.

Maar hoeveel méér is tot stand gebracht

door die andere mens : Jezus Christus!

Door zijn overvloedige liefde

is vrijspraak van zonden

mogelijk geworden.

En wie de gave van Christus aanneemt,

zal met Hem leven en heersen.

Dit betekent het volgende :

de overtreding van de éne mens Adam

had de veroordeling van alle mensen tot gevolg.

De overvloedige liefde van die éne mens

Christus bracht vrijspraak en leven

voor alle mensen.

Zoals de ongehoorzaamheid van Adam

allen tot zondaars maakte,

zo zullen allen door de gehoorzaamheid

van Christus gerechtvaardigd worden.

Toen later de wet van Mozes kwam,

werden de overtredingen talrijker.

Al werd de breuk met God

door de zonde groot,

de goedheid van God

werd nog veel groter.

De zonde bracht de dood,

maar de goedheid van God

brengt eeuwig leven,

dank zij Jezus Christus onze Heer.

 

 

LEZING UIT DE BRIEF VAN DE APOSTEL PAULUS

AAN DE CHRISTENEN VAN ROME   (Rom. 6, 3-4.8-11)

 

 

Broers en zusters,

Gij weet waarom ge gedoopt zijt.

Ge wilde helemaal van Christus zijn,

die voor ons gestorven en begraven is.

Welnu, door het doopsel

zijn we met Hem begraven,

daar wij ons zondig leven

hebben opgegeven.

En zoals Jezus

door de Vader uit de dood is opgewekt,

zo zijn wij door ons doopsel

tot nieuw leven gebracht.

Onze oude mens is met Jezus gekruisigd,

opdat wij als nieuwe mensen

mogen leven voor God en voor elkaar.

Indien we dan met Christus gestorven zijn,

mogen wij geloven

dat ook wij met Hem zullen leven.

We weten immers dat Christus,

eenmaal verrezen, niet meer sterft;

de dood heeft geen macht meer over Hem.

Door Zijn dood op het kruis

heeft Jezus de zonden vernietigd.

Daarom moet ook gij uzelf beschouwen

als dood voor de zonde

en levend voor God in Christus Jezus.

 

LEZING UIT DE BRIEF VAN DE APOSTEL PAULUS

AAN DE CHRISTENEN VAN ROME   (Rom. 8, 14-23)

 

 

Broers en zusters,

Allen die zich laten leiden

door de Geest van God,

zijn kinderen van God.

Want de Geest, die God u gaf,

maakt van u geen slaven, zodat gij

opnieuw in angst moet leven.

Neen, de Geest heeft u kinderen van God

gemaakt en door Hem

kunnen we God aanspreken met :

"Abba, Vader."

En wat wij in het diepst van ons hart weten,

wordt bevestigd door de Geest,

namelijk dat wij kinderen zijn van God.

En zijn we kinderen,

dan zijn we ook erfgenamen

en wel erfgenamen van God,

tezamen met Christus.

Daar wij nu in dit leven delen

in het lijden van Christus, zullen wij

ook eens delen in zijn heerlijkheid.

Want ik ben ervan overtuigd

dat het lijden van deze tijd niet opweegt

tegen de heerlijkheid

die ons te wachten staat.

De hele schepping ziet vol verwachting uit

naar de dag

waarop God zijn heerlijkheid zal tonen

aan zijn kinderen.

Want de schepping is onderworpen

aan een zinloos bestaan.

Niet uit zichzelf, maar omdat God

haar daaraan onderworpen heeft.

Maar toch is er hoop!

Want ook de schepping,

die nu gedoemd is om te vergaan,

zal bevrijd worden en mogen delen

in de heerlijke vrijheid

van de kinderen Gods.

Wij weten dat de hele schepping

zucht en kreunt,

zoals een vrouw tijdens haar bevalling.

En met ons, mensen,

is het al niet beter gesteld.

Ook wij zuchten onder ons lot,

hoewel wij

- door de gave van de heilige Geest -

reeds nieuwe mensen zijn geworden.

Wij hunkeren ernaar dat ons lichaam

zal verlost worden van ziekte en dood.   

 

 

LEZING UIT DE BRIEF VAN DE APOSTEL PAULUS

AAN DE CHRISTENEN VAN ROME  (Rom. 8, 31b-35.37-39)

 

 

Broers en zusters,

Als God aan onze kant staat,

wie zal dan tegen ons zijn ?

God heeft zijn eigen Zoon niet ontzien,

toen Die stierf op het kruis om ons te redden.

Als God zijn Zoon heeft gegeven,

zal Hij ons dan niet al het andere schenken ?

Nu God ons heeft uitverkoren,

zal Hij ons dan aanklagen ?

Neen, want Hij spreekt ons vrij van schuld

en rechtvaardigt ons.

Wie zal ons veroordelen ?  Jezus Christus ?

Neen, want Hij is voor ons gestorven

en ten leven gewekt om

- gezeten aan Gods rechterhand -

voor ons ten beste te spreken.

Wie of wat kan ons scheiden van Christus,

die ons liefheeft ?

Tegenslag of ellende, vervolging, honger of armoede,

levensgevaar of gewelddadige dood ?

Al die bedreigingen komen wij te boven

omdat God ons liefheeft.

Hij laat ons niet in de steek.

Ik ben ervan overtuigd

dat niets ons kan scheiden van God,

die ons liefheeft.

Dood of leven, licht of duisternis,

heden of toekomst, macht of kracht :

geen van allen is in staat

ons te scheiden van de liefde Gods,

die ons is gegeven in Christus Jezus onze Heer.

 

 

LEZING UIT DE BRIEF VAN DE APOSTEL PAULUS

AAN DE CHRISTENEN VAN ROME  (Rom. 14, 7-12;15, 1-6)

 

 

Broers en zusters,

Niemand van ons leeft voor zichzelf alleen

en niemand sterft voor zichzelf alleen.

Zolang wij hier op aarde leven,

leven wij in dienst van de Heer.

En als ons uur van sterven gekomen is,

dan nog blijft Christus onze Heer.

Wij zijn dus van Christus, in leven en in sterven.

Hem behoren wij toe.

Want daarvoor is Christus gestorven

en ten leven gewekt

om Heer te zijn over doden en levenden.

Allen zullen wij verschijnen

voor de rechterstoel van God.

Want er staat geschreven :

Zo spreekt de Heer :

Voor Mij zal elke knie moeten buigen

en iedereen zal openlijk erkennen dat Ik God ben.

Zo zal dan ieder van ons

rekenschap moeten afleggen voor zichzelf.

 

Broers en zusters,

wij mogen onszelf niet zoeken.

Laat ieder van ons bedacht zijn

op wat goed is voor zijn naaste

en op wat hem kan bemoedigen.

Ook Christus heeft zichzelf niet gezocht.

Moge God, de bron van volharding en troost, u helpen

om met elkaar eensgezind te leven

in de geest van Jezus Christus.

Dan kunt gij één van hart en uit één mond

lof brengen aan God, de Vader van onze Heer Jezus Christus.

 

 

LEZING UIT DE EERSTE BRIEF VAN DE APOSTEL

PAULUS AAN DE CHRISTENEN VAN KORINTE

(1 Kor. 13, 1-10.12-13)

 

 

Broers en zusters,

Al spreek ik met de tongen

van engelen en mensen,

maar liefde heb ik niet :

ik ben slechts schallend koper -

een rinkelende tamboerijn.

Al ben ik een profeet,

ziende het onzienlijke,

in alles ingewijd;

en is mijn geloof zo groot

dat ik bergen verzet,

maar ik heb geen liefde - ik ben niets.

En geef ik alles weg,

en laat ik mij martelen als het moet,

heb ik geen liefde,

het dient mij tot niets.

 

Liefde is

ruimte geven, tijd laten,

goedheid en geduld.

Liefde is niet kleinzielig,

jaloers, hebzuchtig.

Ze laat zich niet gelden,

ze is niet ijdel of hoogmoedig,

ze doet niets voor het oog van de mensen.

Wie liefheeft is niet belust op zichzelf.

Liefde wordt niet verbitterd,

liefde vindt niets onvergeeflijk.

Onrecht maakt haar niet gelukkig,

waarheid maakt haar gelukkig.

Liefde houdt stand tegen alles :

telkens weer gelooft zij,

alles verdraagt zij,

altijd opnieuw vol hoop.

Nooit bezwijkt de liefde.

Woorden van profeten verdwijnen,

aan taal en kennis komt een einde.

Ach, al wat wij weten is stukwerk -

en onze diepste dromen zijn zo vluchtig.

Maar als het oneindige aanbreekt,

houdt al het eindige op.

Nu nog zien wij spiegelbeelden -

onduidelijk,

eenmaal staan wij oog in oog met God.

Nu weet ik nog niet de helft,

ooit, eenmaal, zal ik alles weten

zoals Hij alles weet van mij.

Geloof, hoop en liefde zullen blijven,

alle drie,

maar de grootste is de liefde. 

 

 

LEZING UIT DE EERSTE BRIEF VAN DE APOSTEL

PAULUS AAN DE CHRISTENEN VAN KORINTE

 

 

Broeders en zusters,

als wij verkondigen

dat Christus uit de doden is opgewekt,

hoe kunnen dan sommigen onder u beweren

dat er geen opstanding van de doden bestaat?

Als er geen opstanding van de doden bestaat,

is ook Christus niet verrezen.

En als Christus niet is verrezen,

is onze prediking zonder inhoud

en uw geloof zonder grond.

Dan volgt zelfs

dat wij over God een vals getuigenis hebben afgelegd;

want dan hebben wij tegen God in getuigd

dat Hij Christus ten leven heeft gewekt,

wat Hij niet gedaan heeft indien, zoals zij beweren,

de doden niet verrijzen.

Want als de doden niet verrijzen,

is ook Christus niet verrezen,

en als Christus niet is verrezen,

is uw geloof waardeloos

en zijt gij nog in uw zonden.

Dan zijn ook zij die in Christus ontslapen zijn verloren.

Indien wij enkel voor dit leven

onze hoop op Christus hebben gevestigd

zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen.

 

Maar zo is het niet!

Christus is opgewekt uit de doden,

als eersteling van hen die ontslapen zijn.

 

 

LEZING UIT DE EERSTE BRIEF VAN DE APOSTEL

PAULUS AAN DE CHRISTENEN VAN KORINTE

(1 Kor. 15, 12-20.23b)

 

 

Broers en zusters,

Als de Blijde Boodschap van Jezus Christus

nu juist inhoudt

dat Jezus uit de dood is opgewekt,

hoe kunnen sommigen van u dan beweren

dat er geen opstanding uit de dood is ?

Als er geen opstanding is,

dan is ook Christus niet verrezen.

En als Christus niet verrezen is,

dan is onze boodschap waardeloos

en uw geloof zonder betekenis.

Sterker nog :

dan blijkt zelfs dat we over God

een vals getuigenis hebben afgelegd.

Voor u zou het dan geen verschil uitmaken

of ge gelooft of niet.

Dan is er voor niemand redding meer,

noch vergeving van zonden.

Dan gaan ook al die mensen verloren,

die al gestorven zijn

in het geloof in Christus.

Als wij alleen voor dit leven

iets van Christus verwachten,

dan zijn we meer te beklagen dan wie ook.

Maar zo is het niet !

Christus is wél opgewekt uit de dood,

als eerste van hen die ontslapen zijn.

En wanneer Hij terugkomt,

zal Hij alle mensen, die bij Hem horen,

doen herleven.

 

 

LEZING UIT DE EERSTE BRIEF VAN DE APOSTEL

PAULUS AAN DE CHRISTENEN VAN KORINTHE

(1 Kor. 15, 20-26.28b)

 

 

Broers en zusters,

Christus is verrezen uit de dood

als eerste van velen die ontslapen zijn.

Door een mens kwam de dood in de wereld,

zo komt ook door een mens

de opstanding uit de dood.

In navolging van Adam

moeten alle mensen sterven;

in navolging van Christus

zullen allen ook herleven!

Maar ieder op zijn beurt.

Als eerste en voornaamste : Christus,

vervolgens bij zijn komst

allen die in Christus geloven.

Daarna komt het einde.

Maar Christus zal zolang koning zijn

tot Hij al de vijanden van Zijn Rijk

heeft vernietigd.

En de laatste vijand, die vernietigd wordt,

is de dood.

Dan zal Hij het koningschap

aan God de Vader overdragen.

Zo zal God alles in allen zijn.

 

 

LEZING UIT DE EERSTE BRIEF VAN DE APOSTEL

PAULUS AAN DE CHRISTENEN VAN KORINTE

(1 Kor. 15, 51-58)

 

 

Broers en zusters,

Ik deel u een geheim mee :

wij zullen niet allen sterven,

maar wel van gedaante veranderen -

opeens, in een oogwenk.

Als de laatste trompet weerklinkt,

zullen de doden verrijzen

om eeuwig te leven

en wijzelf zullen ook

van gedaante veranderen.

Ons sterfelijk en vergankelijk lichaam

zal veranderen in een onsterfelijk

en onvergankelijk lichaam.

Dan zal het woord van de Schrift

in vervulling gaan :

de dood is vernietigd

en God heeft overwonnen!

Dood, waar is uw overwinning ?

Dood, waar is uw macht ?

De macht van de dood is de zonde

en die wordt maar mogelijk door de Wet.

Maar onze overwinning op zonde en dood

danken wij aan God

door onze Heer Jezus Christus.

Daarom, geliefde broers en zusters,

houd u vast aan uw geloof in Jezus.

Zet u volledig in

voor het werk dat de Heer u opdraagt.

Gij weet toch dat uw inspanning

onder Zijn leiding niet vergeefs is.

 

 

LEZING UIT DE TWEEDE BRIEF VAN DE APOSTEL

PAULUS AAN DE CHRISTENEN VAN KORINTE

(2 Kor. 4,14-18; 5,1.7-8a.9-10)

 

 

Broers en zusters,

Wij weten dat God, die de Heer Jezus

uit de dood heeft opgewekt,

ook ons ten leven zal wekken

om ons tot Zich te voeren.

Wij geven daarom de moed niet op.

Al gaan wij uiterlijk gezien ten onder,

innerlijk worden wij van dag tot dag

een nieuwe mens.

Wij houden onze ogen gericht,

niet op het zichtbare,

maar op het onzichtbare.

Wat wij zien gaat voorbij,

de onzichtbare dingen duren eeuwig.

Wij weten immers :

als de tent, die onze aardse woning is,

wordt neergehaald,

heeft God voor ons een gebouw gereed

in de hemel -

een onvergankelijk huis,

niet door mensenhanden gemaakt.

Wij leven in geloof. Wij zien God niet.

Maar wij houden goede moed.

Onze enige betrachting is Hem te behagen.

Allen moeten wij voor de rechterstoel

van Christus verschijnen.

Dan zal ieder het loon ontvangen

voor hetgeen hij in dit leven

heeft gedaan : goed of kwaad.

 

 

LEZING UIT DE BRIEF VAN DE APOSTEL PAULUS

AAN DE CHRISTENEN VAN EFEZE

(Ef. 1, 3-7)

 

 

Broers en zusters,

Aan God, de Vader van Jezus Christus,

komt alle lof en eer toe.

Hij heeft ons vanuit de hemel

elke geestelijke zegen geschonken.

Al voordat Hij de wereld maakte,

heeft God ons in Christus uitgekozen

om heilig en zonder zonde te leven

voor zijn aangezicht.

In zijn liefde wilde God niets liever

dan ons als zijn kinderen aannemen,

opdat wij Hem zouden prijzen

voor zijn grote goedheid.

En Hij heeft ons door zijn geliefde Zoon

laten ervaren hoezeer Hij ons liefheeft.

Zijn Zoon Jezus heeft zijn leven,

zijn bloed gegeven,

om ons van zonden te verlossen

en onze misstappen te vergeven.

 

 

LEZING UIT DE BRIEF VAN DE APOSTEL PAULUS

AAN DE CHRISTENEN VAN FILIPPI

(Fil. 3, 20-21;4, 1.7-9)

 

 

Broers en zusters,

Ons vaderland is in de hemel

en uit de hemel verwachten wij

Jezus Christus, onze Heer en Redder.

Hij zal ons armzalig lichaam vernieuwen

en het gelijkvormig maken

aan Zijn verheerlijkt lichaam.

Hij kan dat, omdat Hij in staat is

alles te beheersen.

Daarom, mijn beminde broers en zusters,

naar wie ik zo verlang,

mijn vreugde en mijn kroon,

blijf vasthouden aan de Heer.

En de vrede van God,

die alle begrip te boven gaat,

zal uw harten en uw gedachten behoeden

in Christus Jezus.

Houd uw aandacht gericht op alles

wat waar en edel, rechtvaardig en zuiver

beminnelijk en eervol is.

Kortom, op alles wat deugdzaam is

en lof verdient.

Breng in praktijk wat ik u heb geleerd

en u heb doorgegeven in woord en daad.

Dan zal de God van vrede met u zijn.

 

LEZING UIT DE EERSTE BRIEF VAN DE APOSTEL

PAULUS AAN DE CHRISTENEN VAN TESSALONICA

(1 Tess. 4, 13-14.17b-18;5, 14b-15.16-18.23-24)

 

 

Broers en zusters,

Wij willen u niet in onwetendheid laten

over het lot van hen die gestorven zijn.

Gij moogt niet

bedroefd zijn zoals de ongelovigen,

mensen die geen hoop hebben.

Wij geloven immers dat Jezus

gestorven is en verrezen.

Zo zal God allen,

die in Jezus zijn ontslapen,

eeuwig leven geven, samen met Christus.

 

En dit kunnen wij u zeggen

op het woord van de Heer :

wij die nu nog in leven zijn,

zullen in geen geval

de afgestorvenen voorgaan.

Want als de Heer komt

zullen allen, doden en levenden,

de Heer tegemoet treden.

Zo zullen wij voor altijd samen zijn

bij de Heer.

Troost elkander dan met deze woorden.

 

Wij vragen u, broers en zusters,

troost hen die moedeloos zijn,

ondersteun de zwakken,

heb geduld met allen.

Zorg dat niemand kwaad met kwaad vergeldt.

Streef steeds naar wat goed is

voor ieder van u en voor alle mensen.

Wees blij bij al wat u overkomt,

bid zonder ophouden

en dank God voor alles.

Dat is het wat God van u verlangt

als volgelingen van Christus.

En de God van vrede moge u heil brengen

en u gelukkig maken.

Heel uw wezen, uw hart, uw lichaam en ziel

mogen gaaf en ongeschonden blijven

tot de komst van onze Heer Jezus Christus.

Daartoe zijt gij geroepen.

En God, die trouw is,

zal ook doen wat Hij beloofd heeft.

 

 

LEZING UIT DE BRIEF VAN DE APOSTEL PAULUS

AAN TIMOTEÜS   (2 Tim. 2, 8-13)

 

 

Dierbare,

Vergeet dit nooit : Jezus Christus,

een nakomeling van koning David,

is opgestaan uit de dood.

Dat is de inhoud van de blijde boodschap

die ik u verkondigd heb.

Daarvoor heb ik vele moeilijkheden doorstaan

en zit ik nu als een misdadiger gevangen.

Maar het woord van God

laat zich niet gevangen zetten.

En ik wil dit alles graag verdragen

als ik daarmee de mensen,

die God heeft uitverkoren, kan helpen.

Ik verlang vurig

dat zij redding en eeuwig geluk vinden

in Christus Jezus.

Terecht staat er geschreven :

Als wij met Christus gestorven zijn,

zullen wij ook met Hem leven.

Als wij volhouden,

zullen wij met Hem heersen.

Als wij Hèm verloochenen,

zal Hij ons verloochenen.

Als wij ontrouw zijn, blijft Hij trouw :

zichzelf verloochenen kan Hij niet.

 

 

LEZING UIT DE EERSTE BRIEF VAN DE APOSTEL JOHANNES   (1 Joh. 3, 1-3)

 

 

Vrienden,

Het is haast onbegrijpelijk

dat God de Vader

zo'n grote liefde voor ons heeft.

Wij worden kinderen van God genoemd

en wij zijn het ook!

De andere mensen, de ongelovigen,

begrijpen daar niets van,

omdat zij God niet kennen.

Vrienden,

nu reeds zijn wij kinderen van God

en wat wij zullen zijn,

weten we nog niet.

Maar wij weten wél

dat wij eens op God zullen gelijken

omdat wij Hem zullen zien zoals Hij is.

Wie zulk een geluk van God verwacht

houdt zich vrij

van iedere vorm van kwaad,

zoals ook Christus heeft gedaan.

 

 

LEZING UIT DE EERSTE BRIEF VAN DE APOSTEL JOHANNES   (1 Joh. 3, 14-16.18-24a)

 

 

Vrienden,

Wij zijn overgegaan van de dood naar het leven.

Wij weten het omdat wij onze medemensen liefhebben.

De mens zonder liefde is nog in het gebied van de dood

en heeft het eeuwig leven niet in zich.

En wat liefde is, hebben wij geleerd van Christus :

Hij heeft zijn leven voor ons gegeven.

Dus zijn ook wij verplicht

ons leven te geven voor onze medemensen.

Vrienden,

Wij moeten niet liefhebben met grote woorden.

Aan onze daden moet men kunnen zien

dat we de mensen echt liefhebben.

Als we zo leven, weten we met zekerheid

dat we thuishoren bij God.

En ook al weet ons hart heel goed

dat wij verkeerd doen,

toch mogen wij met een gerust hart voor God staan.

Voor Hem hoeven we niet bang te zijn,

want God is groter dan ons hart en Hij weet alles.

Wij mogen dus zonder vrees

en in alle openheid omgaan met God.

We krijgen van Hem wat we vragen

omdat we doen wat God graag heeft.

En God vraagt van ons dat we geloven in zijn Zoon,

Jezus Christus, en dat we elkaar liefhebben

zoals Jezus het ons heeft opgedragen.

Dan woont God in ons.

 

 

LEZING UIT DE OPENBARING VAN DE APOSTEL JOHANNES   (Apok. 7, 9-10.15-17)

 

 

Ik, Johannes, had een visioen.

Ik zag de troon van God

door een deur in de hemel die openstond.

Daarna zag ik ineens een geweldige menigte,

die niemand tellen kon

uit alle rassen en stammen

en volken en talen.

Zij stonden voor de troon van God.

Gekleed in witte gewaden

en met palmtakken in de hand,

riepen zij luid :

"Dank voor onze redding,

aan onze God die op de troon zit

en aan Christus,

het Lam dat onze zonden draagt."

Daarom staan zij voor de troon van God

en dienen Hem dag en nacht in zijn tempel.

God zal bij hen wonen.

Nooit meer zullen zij

honger of dorst lijden.

En de hitte van de zon zal hen niet deren.

Christus zal hun redder zijn.

Hij brengt hen

naar de waterbronnen van het leven

en God zal alle tranen

van hun ogen afwissen.

 

 

LEZING UIT DE OPENBARING VAN DE APOSTEL JOHANNES  (Apok. 14, 6-7.13)

 

 

Ik, Johannes, had een visioen.

Ik zag een engel die aan iedereen op aarde

een blijvende boodschap bracht.

Het was groot en goed nieuws,

bestemd voor alle rassen en stammen

en volken en talen.

Hij riep met een geweldige stem :

"Heb ontzag voor God

en bewijs Hem eer.

Want het uur van het oordeel

is aangebroken.

Buig u voor Hem

die hemel en aarde gemaakt heeft

en aanbid zijn heilige Naam."

Toen hoorde ik

een andere stem uit de hemel die zei :

"Schrijf op :

gelukkig zijn de doden

die sterven in geloof in Christus.

Zij zullen rust vinden na hun zwoegen

en de beloning ontvangen

voor het goede dat zij gedaan hebben.

De Geest getuigt dat het zo

en niet anders zal zijn."

 

 

LEZING UIT DE OPENBARING VAN DE APOSTEL JOHANNES   (Apok. 20, 11a.12-13.15)

 

 

Ik, Johannes, had een visioen.

Ik zag de Allerhoogste,

gezeten op een witte troon

en de doden - groot en klein -

staande voor de troon.

Toen werden de boeken geopend,

ook het levensboek.

En de doden werden geoordeeld

naar hun daden zoals die

in de boeken beschreven stonden.

De doden kwamen van overal vandaan

- uit de zee, het graf en het dodenrijk -

en ze werden allen geoordeeld

naar hun daden.

En ieders wiens naam

niet stond in het levensboek,

werd in het vuur geworpen.

 

 

LEZING UIT DE OPENBARING VAN DE APOSTEL JOHANNES   (Apok. 21, 1-5a)

 

 

Ik, Johannes, had een visioen.

Ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.

De eerste hemel en de eerste aarde

waren verdwenen

en het kwaad bestond niet meer.

En ik zag de heilige stad,

het nieuwe Jeruzalem,

van God uit de hemel neerdalen.

Zij zag er schitterend uit, zoals

een bruid verschijnt voor haar man.

Toen hoorde ik een machtige stem,

die riep van de troon :

"God heeft zijn tent

onder de mensen opgeslagen.

Hij zal bij hen wonen.

Zij zullen zijn volk zijn

en Hij zal hun God zijn.

Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen

en de dood zal er niet meer zijn.

Geen rouw, geen geween,

geen smart zal er zijn,

want al het oude is voorbij."

En Hij, die op de troon was gezeten,

sprak :

"Zie, ik maak alles nieuw!"

 

 

 

 

UIT HET HEILIG EVANGELIE VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS VOLGENS MATTHEUS

(Mt. 5, 1-12)

 

 

Toen Jezus de menigte zag, beklom Hij de berg.

Zijn leerlin­gen kwamen bij Hem en Hij onderrichtte hen aldus :

 

Zalig de mensen die weten dat ze arm zijn voor God :

want van hen is Zijn rijk.

 

Zalig de mensen die bedroefd zijn, Hij zal hen troosten.

 

Zalig de mensen die zachtmoedig zijn,

want zij zullen de wereld bezitten.

 

Zalig de mensen die hunkeren naar rechtvaardigheid,

want hun verlangen zal Hij vervullen.

 

Zalig de mensen die barmhartig zijn,

want Hij zal ook voor hen barmhartig zijn.

 

Zalig de mensen die oprecht en zuiver van hart zijn,

want Hij zal zich aan hen openbaren.

 

Zalig de mensen die vrede brengen,

want Hij zal hen zijn kinderen noemen.

 

Zalig de mensen die omwille van de rechtvaardigheid verdrukt worden, want van hen is Zijn rijk.

 

Zalig zijt gij, wanneer men u om Mijnentwil uitscheldt,

vervolgt en belastert.

Wees blij en vol vertrouwen, want uw loon zal groot zijn.

 

 

UIT HET HEILIG EVANGELIE VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS VOLGENS MATTEÜS

(Mt. 5, 1-12a)

 

Toen Jezus de mensen naar zich toe zag komen,

ging Hij de berg op.

Hij zette zich neer

en zijn leerlingen kwamen bij Hem.

Hij nam het woord en onderrichtte hen aldus :

" Zalig die arm voor God staan,

want aan hen behoort het hemels Koninkrijk.

Zalig zij die treuren,

want zij zullen getroost worden.

Zalig die zachtmoedig zijn,

want zij zullen het land bezitten.

Zalig zij die hunkeren naar gerechtigheid,

want zij zullen barmhartigheid ondervinden.

Zalig die zuiver van hart zijn,

want zij zullen God zien.

Zalig die vrede brengen,

want zij zullen kinderen van God genoemd worden.

Zalig die vervolgd worden om de gerechtigheid,

want aan hen behoort het hemels Koninkrijk.

Zalig zijt gij wanneer men u beschimpt en vervolgt

en allerlei leugens van u vertelt

omwille van Mij :

wees dan blij en zing van geluk,

want groot is uw loon in de hemel. "

 

 

UIT HET HEILIG EVANGELIE VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS VOLGENS MATTEÜS

(Mt. 6, 25-33)

 

 

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen :

" Wees niet bezorgd om je leven,

 om eten en drinken, om lichaam en kleding.

Het leven is groter dan eten en drinken,

het lichaam is kostbaarder dan kleding.

Volg de vogels in de lucht :

zij zaaien niet en maaien niet

en hebben geen bezit in schuren.

Maar Jouw Vader, die in de hemel is,

houdt hen in leven.

Zijn jullie niet méér dan wat vogels ?

Trouwens, je kunt je leven niet verlengen,

ook al ben je bezorgd dag na dag.

En waarom maak jij je druk over je kleding ?

Kijk naar de bloemen langs de weg,

die niet spinnen en niet weven,

maar wel bloeien !

Salomo ging schitterend gekleed,

maar was niet zo mooi als één van hen.

Jullie Vader in de hemel kleedt de bloemen,

die vandaag nog bloeien en morgen verdwenen zijn.

Hoe zal Hij dan niet voor jullie zorgen ?

Wees dus niet bezorgd om eten en drinken,

om lichaam en kleding.

Jullie hemelse Vader weet wel

dat je dit alles nodig hebt.

Maar zoek eerst zijn Koninkrijk

en doe wat recht is.

Dan zal God je voorzien in alles. "

 

 

UIT HET HEILIG EVANGELIE VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS VOLGENS MATTEÜS

(Mt. 10, 32.39-42)

 

In die tijd riep Jezus zijn twaalf leerlingen bij zich

en zei :

" Ieder die tegenover de mensen

openlijk voor Mij opkomt,

voor hem zal ook Ik opkomen bij mijn hemelse Vader.

Wie zijn leven voor zichzelf wil behouden,

zal het verliezen.

Maar wie zijn leven voor Mij prijsgeeft,

die zal het ware leven vinden.

Wie jullie opneemt, neemt Mij op.

En wie Mij opneemt, neemt God zelf op,

die Mij gezonden heeft.

Wie een profeet opneemt

omdat hij een man van God is,

zal de beloning van een profeet ontvangen.

En wie een goed en eerlijk man opneemt,

omdat het een deugdzaam mens is,

zal dezelfde beloning ontvangen.

En wie één van deze kleinen

een beker koud water geeft

omdat hij mijn leerling is,

die wordt vast en zeker beloond. "

 

 

UIT HET HEILIG EVANGELIE VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS VOLGENS MATTEÜS

(Mt. 11, 25-30)

 

In die tijd zei Jezus :

" Ik prijs U, Vader, Heer van hemel en aarde,

omdat Gij aan kleinen hebt laten zien

wat Gij voor wijzen en verstandigen

verborgen hebt gehou­den.

Ja, Vader, zo hebt Gij het gewild. "

Daarop richtte Jezus zich tot de omstaanders en zei :

" Alles is Mij door mijn Vader in handen gegeven.

Niemand kent de Zoon tenzij de Vader,

en niemand kent de Vader tenzij de Zoon

en zij aan wie de Zoon Hèm wil bekendmaken.

Kom tot Mij, gij allen,

die uitgeput zijt en onder lasten gebukt gaat.

Ik zal u rust en verlichting schenken.

Neem mijn juk op uw schouders

en wees mijn leerling,

want Ik ben zachtmoedig

en nederig van hart.

Zo zult gij rust vinden,

want mijn juk is zacht

en mijn last is licht. "

 

 

UIT HET HEILIG EVANGELIE VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS VOLGENS MATTEÜS

(Mt. 14, 22-33)

 

Nadat Jezus het volk te eten had gegeven,

dwong Hij zijn leerlingen in de boot te gaan

en naar de overkant te varen.

Zelf bleef Hij nog ter plaatse om de mensen naar huis te sturen.

Toen iedereen weg was, ging Hij de berg op om te bidden.

Het werd donker en Hij was daar alleen.

De leerlingen waren al ver op het meer.

Zij kwamen niet goed vooruit

door de harde tegenwind en de hoge golven.

Tegen de morgen kwam Jezus te voet

over het water naar hen toe.

Maar toen de leerlingen

Hem zo over het water zagen komen,

meenden zij een spook te zien

en ze begonnen van angst te schreeuwen.

Maar Jezus riep hen onmiddellijk toe :

" Wees gerust.  Ik ben het.  Vreest niet. "

Hierop zei Petrus : " Heer, als Gij het zijt,

laat mij dan over het water naar U toe komen. "

Jezus zei : " Kom. "

Petrus stapte uit de boot

en liep over het water naar Jezus toe.

Maar toen hij merkte hoe hevig de wind was,

sloeg de schrik hem om het hart.

Hij begon te zinken en riep : " Heer, red mij ! "

Meteen stak Jezus zijn hand uit,

pakte Petrus vast, trok hem uit het water en zei :

" Wat hebt ge toch een klein geloof.

Waarom twijfelt gij ? "

Toen zij in de boot stapten, ging de wind liggen.

Allen, die in de boot waren, wierpen zich voor Jezus neer

en zeiden : " Waarlijk, Gij zijt de Zoon van God. "

 

 

UIT HET HEILIG EVANGELIE VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS VOLGENS MATTEÜS

(Mt. 16, 21.25-27)

 

In die tijd begon Jezus

zijn leerlingen duidelijk te maken

dat Hij naar Jeruzalem moest gaan.

Daar zou de Hoge Raad Hem veel doen lijden

en Hem ter dood brengen.

Maar Jezus zei ook

dat Hij op de derde dag zou verrijzen.

En Hij vervolgde :

" Wie zijn leven voor zichzelf wil behouden,

zal het verliezen.

Maar wie zijn leven voor Mij prijsgeeft,

zal het vinden.

Wat heeft de mens eraan als hij heel de wereld wint,

maar zijn leven erbij inschiet ?

Of wat is er meer waard dan het leven ?

Denk eraan :

eens komt de Mensenzoon met zijn engelen

in de heerlijkheid van de Vader.

Dan zal Hij ieder vergelden naar zijn daden. "

 

 

UIT HET HEILIG EVANGELIE VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS VOLGENS MATTEÜS

(Mt. 18, 1-5.10)

 

In die tijd stelde Jezus

aan zijn leerlingen deze vraag :

" Wie is volgens u de grootste in het hemels Koninkrijk ? "

Hij riep een klein kind, zette het in hun midden en zei :

" In waarheid, Ik zeg u :

als gij niet opnieuw wordt als kleine kinderen,

zult gij het hemels Koninkrijk niet binnengaan.

Wie zichzelf klein weet als dit kind,

is de grootste in het hemels Koninkrijk.

En wie in mijn Naam zo'n kind opneemt,

neemt Mij op.

Kijk niet neer op één van deze kleinen :

zij hebben engelen in de hemel

en die zien mijn hemelse Vader

van aangezicht tot aangezicht. "

 

 

UIT HET HEILIG EVANGELIE VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS VOLGENS MATTEÜS

(Mt. 25, 1-13)

 

In die tijd vertelde Jezus deze gelijkenis.

Het gaat met het hemels Koninkrijk

zoals met tien bruidsmeisjes die met hun fakkels

de bruidegom tegemoet trokken.

Vijf van hen waren dwaas, de andere vijf wijs.

Want de dwazen namen wel hun fakkels mee, maar geen olie.

De wijzen echter namen met hun fakkels

tevens kruikjes olie mee.

Toen de bruidegom op zich liet wachten,

dommelden zij in en vielen in slaap.

Midden in de nacht werd er geroepen :

" Daar is de bruidegom.  Ga hem tegemoet ! "

Onmiddellijk waren alle meisjes wakker

en maakten hun fakkels klaar.

Nu zeiden de dwazen tot de wijzen :

" Geef ons wat olie, want onze fakkels gaan uit. "

Maar de wijzen antwoordden :

" Neen, wij hebben niet genoeg voor u en voor ons.

Ga liever voor uzelf wat olie kopen. "

Maar toen zij onderweg waren om olie te gaan kopen,

kwam de bruidegom.

En de bruidsmeisjes die klaar stonden,

trokken met hem mee om bruiloft te vieren.

De deur ging op slot.

Later kwamen ook de andere bruidsmeisjes

en zeiden : " Heer, doe open. "

Maar hij antwoordde : " Voorwaar ik zeg u: ik ken u niet. "

En Jezus besloot :

" Wees dus waakzaam, want de bruidegom komt op een uur

dat gij niet kent. "

 

 

UIT HET HEILIG EVANGELIE VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS VOLGENS MATTEÜS

(Mt. 25, 14-23)

 

In die tijd vertelde Jezus deze gelijkenis.

Er was eens een man,

die op reis moest naar het buitenland.

Voor zijn vertrek riep hij zijn knechten bij zich

en vertrouwde hun zijn geld toe.

Aan de één gaf hij vijf talenten,

aan een tweede twee en aan een derde één,

ieder naar zijn bekwaamheid.

Daarop vertrok hij.

De man, die de vijf talenten had gekregen,

begon er onmiddellijk mee te werken

en verdiende er evenveel bij.

Zo deed ook de tweede.  Hij verdiende er twee bij.

Maar de laatste, die één talent had gekregen,

verstopte het geld van zijn heer in de grond.

Na lange tijd kwam de heer terug

en riep zijn knechten bij zich.

De eerste kwam bij hem,

gaf hem tien talenten en zei :

" Heer, vijf talenten hebt gij mij gegeven.

Ziehier, vijf heb ik er bij verdiend. "

En de heer sprak : " Uitstekend, goede en trouwe knecht,

over weinig waart gij trouw,

over veel zal ik u aanstellen.

Ga binnen in de vreugde van uw heer. "

Toen kwam de tweede naar voren en zei :

" Heer, twee talenten hebt gij mij gegeven.

Ziehier, twee heb ik er bij verdiend.

En de heer sprak : " Uitstekend, goede en trouwe knecht,

over weinig waart gij trouw, over veel zal ik u aanstellen.

Ga binnen in de vreugde van uw heer. "

 

 

UIT HET HEILIG EVANGELIE VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS VOLGENS MATTEÜS

(Mt. 25, 31-40)

 

In die tijd sprak Jezus :

" Eens komt de Mensenzoon terug in heerlijkheid,

vergezeld van alle engelen.

Dan zal Hij plaatsnemen op zijn troon.

Alle volken zullen voor Hem bijeengebracht worden.

Dan zal Hij ze in twee groepen scheiden :

de éne rechts en de andere links van Hem.

Tot die aan zijn rechterhand zal de Koning zeggen :

" Kom, gezegenden van mijn Vader.

Neem bezit van het Koninkrijk

dat Hij voor u heeft bereid.

Want Ik had honger en gij hebt Mij te eten gegeven.

Ik was vreemdeling en gij hebt Mij opgenomen.

Ik was naakt en gij hebt Mij gekleed.

Ik was ziek en gij hebt voor Mij gezorgd.

Ik was in de gevangenis en gij hebt Mij bezocht. "

Dan zullen de rechtvaardigen antwoorden :

" Heer, wij hebben U nooit hongerig of dorstig gezien.

Hoe hebben wij U dan te eten of te drinken gegeven ?

We hebben U nooit gezien als vreemdeling of naakt.

Hoe hebben wij U opgenomen en gekleed ?

Wij hebben nooit gezien dat Gij ziek waart

of in de gevange­nis.

Hoe hebben wij U dan kunnen bezoeken ? "

Dan zal de Koning hun ten antwoord geven :

" In waarheid, Ik zeg u :

Al wat gij gedaan hebt

voor één van de minsten van mijn broers,

hebt gij voor Mij gedaan. "

 

UIT HET HEILIG EVANGELIE VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS VOLGENS MAR­CUS

(Mc. 4, 35-41)

 

Tegen de avond van die dag, zei Jezus tot zijn leerlingen :

'Laten wij naar de overkant gaan'.

En ze lieten de mensen gaan en namen Jezus mee zoals Hij daar in die boot zat ;

er waren nog andere boten bij.

 

En er stak een hevige storm op,

en de golven sloegen over de boot, zodat hij vol water kwam.

Maar zelf lag Jezus aan de achtersteven op een kussen te slapen.

 

De leerlingen maakten Hem wakker en zei­den tegen Hem :

'Meester, kan het Jou niet schelen dat wij ver­gaan ?'

 

Toen stond Jezus op en bestrafte de wind en de zee :

'Wees stil ! Kom tot bedaren !'

De storm ging liggen en het werd windstil.

 

Jezus zei tegen hen :

'Waarom zijn jullie toch bang ?

Hebben jullie nog geen vertrouwen ?'

 

En ze kregen groot ontzag, en ze zeiden tegen elkaar :

'Wie is dat toch, dat zelfs de wind en de zee

naar Hem luiste­ren ?'

 

 

UIT HET HEILIG EVANGELIE VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS VOLGENS MARCUS

(Mc. 4, 35-41)

 

De dag liep ten einde en Jezus zei tot zijn leerlingen :

" Laten wij oversteken. "

Daarop stuurden de leerlingen de mensen weg

en namen Hem gewoon mee -

Hij zat toch al in de boot.

Ook andere boten staken van wal.

Toen stak er een hevige storm op

en de golven sloegen over de boot,

zodat die vol liep.

Intussen lag Jezus

achter in de boot te slapen,

met zijn hoofd op een kussen.

Ze maakten Hem wakker en riepen :

" Rabbi, ziet Ge niet dat wij vergaan ? "

Hij stond op en riep krachtig tegen de wind in :

" Hou op ! Hou u stil ! "

En de wind viel neer en het werd heel stil.

Toen zei Jezus :

" Waarom zijt ge bang ?

Hebt ge nog steeds geen geloof ? "

De leerlingen waren geweldig onder de indruk

en ze zeiden tegen elkaar :

" Wie mag Hij wel zijn dat zelfs wind en water doen

wat Hij zegt ? "

 

 

UIT HET HEILIG EVANGELIE VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS VOLGENS MARCUS

(Mc. 5, 21b-24.33-42)

 

Terwijl Jezus aan de oever van het meer stond,

kwamen heel veel mensen naar Hem toe.

Daar kwam ook Jaïrus, de overste van de synagoge.

Toen hij Jezus zag, viel hij Hem te voet

en smeekte Hem met aandrang :

"Mijn dochtertje ligt op sterven. Kom mee en leg haar de handen op dat ze gered wordt en blijft leven."

En Jezus ging met hem mee,

terwijl een grote menigte Hem volgde.

Toen ze onderweg waren,

kwam men uit het huis van de overste met de boodschap:

"Uw dochter is gestorven.

Waarom de Meester nog langer lastig vallen ?"

Jezus hoorde dit en zei tegen de overste van de synagoge :

"Wees niet bang, maar blijf geloven."

Hij liet niemand met zich meegaan

behalve Petrus, Jakobus en Johannes.

Toen ze bij het huis van de overste gekomen waren,

hoorde Hij de mensen luid wenen en weeklagen.

Jezus ging naar binnen en zei tegen hen :

"Waarom dat gehuil en geween ? Het kind is niet dood.  Het slaapt !"

Maar ze lachten Hem uit.

Daarop stuurde Jezus iedereen naar buiten

en ging samen met de ouders van het kind

en de drie leerlingen naar de kamer waar het kind lag.

Hij pakte haar bij de hand en zei :

"Talita koemi. - Meisje, sta op."

Onmiddellijk stond het meisje op en begon rond te lopen.

Zij was twaalf jaar.

De ouders en de leerlingen waren stom van verbazing.

Jezus verbood hun nadrukkelijk dit aan iemand te zeggen.

En Hij zei ook nog : "Geef het meisje te eten."

 

 

UIT HET HEILIG EVANGELIE VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS VOLGENS MARCUS

(Mc. 10, 13-16)

 

In die tijd brachten de mensen

hun kinderen bij Jezus met de bedoeling

dat Hij ze zou aanraken.

Maar de leerlingen stuurden ze terug.

Toen Jezus dat zag, werd Hij kwaad en zei:

"Laat die kinderen bij Mij komen

en houd ze niet tegen.

Want het Koninkrijk van God

is voor allen die zijn als kinderen.

Ik verzeker u:

wie voor het Koninkrijk van God

niet openstaat als een kind,

die komt er zeker niet in."

Daarop sloeg Jezus zijn armen

om de kinderen heen,

legde hun de handen op

en zegende hen.

 

UIT HET HEILIG EVANGELIE VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS VOLGENS MARCUS

(Mc. 13, 33-37)

 

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:

"Wees op uw hoede !

Blijf waakzaam, want gij weet niet

wanneer het beslissende moment komt.

Het is er mee als met een man

die op reis gaat:

hij laat zijn huis achter

en het beheer draagt hij over

aan zijn dienaars,

ieder krijgt zijn eigen taak.

Aan de deurwachter heeft hij gezegd

waakzaam te zijn.

Blijf dus waakzaam,

want gij weet niet

wanneer de Heer van het huis terugkomt,

's avonds laat of midden in de nacht,

voor dag en dauw of bij het eerste licht.

Als hij onverwacht komt,

zorg dat hij u niet in slaap vindt.

Wat Ik tegen u zeg, zeg Ik tegen iedereen:

blijf waakzaam."

 

 

UIT HET HEILIG EVANGELIE VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS VOLGENS MARCUS

(Mc. 15, 33-35.37.39.42.46; 16, 1-6a)

 

 

In die tijd brachten de soldaten Jezus

naar Golgotha, wat betekent Schedelplaats.

Daar sloegen ze Hem aan het kruis.

Vanaf het middaguur

viel er een duisternis over het hele land,

tot drie uur in de namiddag.

Toen riep Jezus heel luid:

"Eloï, Eloï, lama sabachtani.

Mijn God, mijn God,

waarom hebt Gij Mij verlaten ?"

Daarop slaakte Jezus nog een luide kreet

en gaf de geest.

De honderdman,

die recht tegenover het kruis stond,

had gezien hoe Jezus gestorven was.

Hij zei:

"Waarlijk, die man was de Zoon van God."

Het was al avond geworden,

toen Jozef van Arimatéa naar Pilatus ging

om het lichaam van Jezus te vragen.

Toen Pilatus het had afgestaan,

kocht hij een lijkwade,

haalde Jezus van het kruis

en wikkelde Hem in de lijkwade.

Daarop legde hij Hem in een graf.

Toen de sabbat voorbij was,

kochten Maria Magdalena,

Maria, de moeder van Jakobus en Salomé

welriekende kruiden

om het lichaam van Jezus te balsemen.

Heel vroeg in de morgen,

bij het opgaan van de zon,

gingen zij naar het graf

- die eerste dag van de week.

Ze zeiden tegen elkaar:

"Wie zal de steen voor het graf wegrollen ?"

Toen ze daar kwamen,

zagen ze dat de steen al weggerold was;

en deze was zeer groot.

Ze gingen het graf binnen

en zagen rechts een jongeman zitten

in een wit gewaad.

Ze waren geheel van streek.

Maar hij zei:

"Wees niet bang.

Gij zoekt Jezus van Nazareth,

die gekruisigd is.

Hij is niet hier. Hij is verrezen."

 

 

UIT HET HEILIG EVANGELIE VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS VOL­GENS LUKAS

(Lc. 1, 46-55)

 

In haar 'Magnificat' bad Maria aldus :

Hoog verheft nu mijn ziel de Heer,

verrukt is mijn geest om God, mijn Redder.

 

Zijn keus viel op zijn eenvoudige dienares :

van nu af prijst ieder geslacht mij zalig.

 

Wonderbaar is het wat Hij deed,

de Machtige, groot is Zijn Naam.

 

Barmhartig is Hij tot in lengte van dagen

voor ieder die Hem erkent.

 

Hij doet zich gelden met krachtige arm,

vermetelen drijft Hij uiteen ;

 

Machtigen haalt Hij omlaag van hun troon,

eenvoudigen brengt Hij tot aanzien ;

 

Behoeftigen schenkt Hij overvloed,

maar rijken gaan heen met ledige handen.

 

Hij trekt zich zijn dienaar Israël aan,

zijn milde erbarming indachtig ;

 

Zoals Hij de vaderen heeft beloofd,

aan Abraham en zijn geslacht voor altijd.

 

 

UIT HET HEILIG EVANGELIE VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS VOLGENS LUCAS

(Lc. 7, 11-16)

 

In die tijd ging Jezus met zijn leerlingen

naar een stad die Naïm heette.

Zoals gewoonlijk liep

een grote groep mensen achter Hem aan.

Toen Hij bij de stadspoort gekomen was,

werd daar een dode uitgedragen.

Het was de enige zoon van een vrouw,

die ook al haar man verloren had.

Een groot aantal mensen ging met haar mee.

Toen Jezus de vrouw zag,

kreeg Hij medelijden met haar en zei:

"Schrei maar niet."

Dan ging Hij naar de lijkbaar toe

en legde zijn hand erop.

De dragers bleven staan

en Jezus zei:

"Jongeman, Ik zeg u: sta op !"

De dode ging rechtop zitten

en begon te spreken,

en Jezus gaf hem aan zijn moeder terug.

Allen waren vol ontzag

en zij loofden God met de woorden:

"Een groot profeet is onder ons gekomen

en God heeft met liefde

op ons neergezien."

 

 

UIT HET HEILIG EVANGELIE VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS VOLGENS LUCAS

(Lc. 10, 38-42)

 

 

Onderweg kwam Jezus in een dorp waar een vrouw,

een zeke­re Martha, Hem in haar huis ontving.

Ze had een zuster die Maria heette.

Die was aan de voeten van de Heer gaan zitten

en luis­terde naar al wat Hij te zeggen had.

Maar Martha had al haar aandacht nodig

voor de vele huiselij­ke zorgen.

 

'Heer', kwam zij Jezus vragen,

'doet het U niets dat mijn zuster mij alles alleen laat doen ?

Zeg haar toch dat ze mij moet komen helpen!'

 

'Martha, Martha!' antwoordde de Heer haar.

'Je maakt je zorgen en bent druk in de weer met veel dingen ;

toch is er maar één ding nodig.

Maria heeft goed gekozen

en haar deel zal haar niet worden afgenomen.

 

 

UIT HET HEILIG EVANGELIE VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS VOLGENS LUCAS

(Lc. 12, 35-40)

 

In die tijd hield Jezus zijn leerlingen

deze gelijkenis voor:

"Zorg ervoor dat gij altijd klaar staat

en houd de lampen brandend.

Gedraag u als mensen die wachten

op de thuiskomst van hun heer,

die naar de bruiloft is,

om als hij aankomt en klopt,

hem aanstonds open te doen.

Gelukkig de dienaren die de Heer

bij zijn terugkomst zo zal aantreffen.

In waarheid, Ik zeg u:

Hij zal hen aan tafel nodigen

en langs hen gaan om hen te bedienen.

En al komt hij midden in de nacht,

of zelfs nog later:

gelukkig zijn de dienaren

die hij wakend aantreft.

Begrijp dit wel:

als de eigenaar van het huis wist

op welk uur de dief zou komen,

zou hij in zijn huis niet laten inbreken.

Wees dus ook gij bereid

omdat de Mensenzoon komt

op een uur dat gij het niet verwacht."

 

 

UIT HET HEILIG EVANGELIE VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS VOLGENS LUCAS

(Lc. 22, 39-44)

 

Na het laatste avondmaal

ging Jezus met zijn leerlingen

naar buiten.

Hij begaf zich volgens zijn gewoonte

naar de Olijfberg.

Toen zij daar aankwamen,

zei Jezus tot hen:

"Bid, dat gij niet op de bekoring ingaat."

Dan ging Hij wat verder,

wierp zich op de knieën en bad:

"Vader, als het mogelijk is,

laat dit lijden aan Mij voorbijgaan.

Maar toch,

niet Mijn wil maar Uw wil geschiede."

Een engel uit de hemel verscheen Hem

om Hem te sterken.

In doodsangst bad Hij met nog meer aandrang.

Zijn zweet werd tot dikke druppels bloed

die op de grond neervielen.

 

 

UIT HET HEILIG EVANGELIE VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS VOLGENS LUCAS

(Lc. 23, 33.38-43)

 

In die tijd werd Jezus,

samen met twee misdadigers weggevoerd

om ter dood te worden gebracht.

Toen zij op de plaats kwamen

die Schedel heet, sloegen de soldaten

Jezus daar aan het kruis,

en ook de misdadigers,

de één rechts, de ander links.

Boven zijn hoofd hing een opschrift:

Dit is de koning van de Joden.

Het stond geschreven in het Grieks,

het Latijn en het Hebreeuws.

Eén van de misdadigers

die met Hem gekruisigd waren,

riep spottend:

"Als Gij de Messias zijt,

red dan uzelf en ook ons !"

Maar de andere misdadiger

strafte hem af en zei:

"Hebt gij zelfs nu geen ontzag voor God ,

Wij hebben gekregen

wat wij door ons gedrag verdiend hebben.

Maar Hij heeft niets verkeerds gedaan."

Daarop zei hij:

"Jezus, denk aan mij

als Gij in uw Koninkrijk gekomen zijt."

En Jezus sprak tot hem:

"Voorwaar, Ik zeg u: vandaag nog

zult gij met Mij zijn in het paradijs."

 

 

UIT HET HEILIG EVANGELIE VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS VOLGENS LUCAS

(Lc. 23, 44-47.50.52-53; 24, 1-6a)

 

 

In die tijd sloegen de soldaten

Jezus aan het kruis.

Vanaf de middag tot drie uur in de namiddag

viel er duisternis over heel die streek.

Toen riep Jezus heel luid:

"Vader, in Uw handen

leg ik mijn leven neer."

Na deze woorden gaf Hij de geest.

Bij het zien van wat er gebeurd was,

loofde de honderdman God en zei:

"Deze mens was waarlijk

een rechtvaardige."

Nu was er een zekere Jozef,

een goed en rechtschapen man,

afkomstig uit de Joodse stad Arimatéa.

Hij ging naar Pilatus

en vroeg om het lichaam van Jezus.

Nadat hij het van het kruis had genomen,

wikkelde hij het in een lijkwade.

Vervolgens legde hij Jezus neer in een graf

dat in een steen was uitgekapt

en waarin nog nooit iemand was neergelegd.

 

Op de eerste dag van de week, de zondag,

- het was nog vroeg in de morgen -

gingen de vrouwen naar het graf.

Zij droegen de balsem en de geurige kruiden

die zij hadden bereid.

Toen zij bij het graf kwamen,

zagen ze dat de steen voor de ingang

weggerold was.

Zij gingen naar binnen

en vonden er het lichaam van Jezus niet.

Zij wisten niet

wat ze ervan moesten denken.

Opeens stonden twee mannen voor hen

in een stralend wit kleed.

Verschrikt bogen de vrouwen

het hoofd naar de grond.

Maar de mannen zeiden:

"Waarom zoekt gij

de levende bij de doden ?

Jezus is niet hier.

Hij is verrezen."

 

 

UIT HET HEILIG EVANGELIE VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS VOLGENS LUCAS

(Lc. 24,13-17.19b-21.26-35)

 

 

In die tijd waren twee leerlingen

van Jezus op weg naar Emmaüs,

een dorp dat ongeveer elf kilometer

van Jeruzalem lag.

Ze spraken met elkaar over alles

wat er gebeurd was.

En terwijl ze zo aan het spreken waren,

kwam Jezus zelf naar hen toe

en liep met hen mee.

Maar hun ogen werden verhinderd

Hem te herkennen.

Hij vroeg hun:

"Waarover hebt ge het zo druk ?"

Ze zeiden:

"Wel, over Jezus van Nazareth,

een groot profeet,

machtig in woord en daad

in het oog van God en heel het volk.

De Hoge Raad in Jeruzalem

heeft Hem overgeleverd.

Zo werd Hij veroordeeld

en stierf Hij op het kruis.

En wij hadden gehoopt dat Hij het zou zijn

die Israël zou bevrijden."

Nu sprak Jezus tot hen:

"Moest de Messias dat alles niet doorstaan

om in zijn heerlijkheid binnen te gaan ?"

Dan begon Hij hun uit te leggen

wat er over de Messias

in de hele Schrift stond, te beginnen

met Mozes tot bij al de profeten.

Zo kwamen ze bij het dorp

waar ze heen gingen,

maar Jezus deed alsof Hij verder moest.

De leerlingen drongen bij Hem aan

en zeiden:

"Blijf bij ons, want de avond valt

en de dag loopt ten einde."

Toen ging Hij binnen om bij hen te blijven.

Aan tafel nam Jezus brood,

sprak de zegen uit,

brak het en gaf het hun.

Nu gingen hun ogen open

en zij herkenden Hem,

maar Hij verdween uit hun gezicht.

Toen zeiden ze tot elkaar:

"Brandde ons hart niet in ons,

terwijl Hij onderweg met ons sprak

en ons de Schriften ontsloot ?"

Zij stonden op en gingen onmiddellijk

naar Jeruzalem terug.

Daar vonden ze de elf bijeen.

Deze zeiden:

"De Heer is waarlijk verrezen,

want Hij is aan Simon verschenen."

En toen vertelden zij

wat er onderweg gebeurd was

en hoe ze Jezus herkend hadden

aan het breken van het brood.

 

 

UIT HET HEILIG EVANGELIE VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS VOLGENS JOHANNES

(Joh. 1, 1.9-14.16-18)

 

In het begin was het Woord

en het Woord was bij onze God

en God zelf was het Woord.

Al van in het begin

was het toegewend naar onze God.

Het ware Licht,

dat iedere mens verlicht,

kwam in de wereld.

Maar de mensen wilden Hem niet aanvaarden.

Allen, die Hem wél aanvaardden

- allen die in Hem geloven -

gaf Hij het voorrecht

kinderen van God te worden.

Niet uit vlees en bloed,

niet uit man en macht

of op eigen kracht

zijn zij geboren, maar uit God.

En het Woord is vlees geworden

- een mens als wij -

en heeft onder ons

zijn tent neergezet.

Wij hebben zijn licht gezien:

het weegt op ons, het draagt ons,

het doorschijnt ons.

Toen konden wij allen nog zeggen:

Hij is de enige Zoon van de Vader

één en al goedheid en waarheid.

Uit zijn volheid hebben wij allen

ontvangen -

genade op genade.

De woorden van de Wet

zijn door Mozes gegeven.

Vriendschap, genade en trouw zonder meer

zijn geworden door Jezus Christus.

Nooit heeft iemand God gezien.

De enige eigen Zoon van God,

die rust aan het hart van de Vader,

Hij alleen is onze gids.

 

 

UIT HET HEILIG EVANGELIE VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS VOLGENS JOHANNES

(Joh. 5, 24-29)

 

In die tijd zei Jezus tot de Joden:

"Ik ben van de Vader uitgegaan.

Al wie in Hem gelooft

en naar mijn woorden luistert,

heeft eeuwig leven.

Hij zal niet geoordeeld worden,

want hij is reeds overgegaan

van de dood naar het leven.

Ik zeg u:

er komt een tijd dat de doden

de stem van Gods Zoon zullen horen

en die haar horen, zullen leven.

Zoals de Vader bron van leven is,

zo is ook de Zoon bron van leven,

dank zij de Vader.

En de Vader heeft Hem recht gegeven

om te oordelen,

omdat Hij de Mensenzoon is.

Verwondert u niet hierover:

er komt een tijd dat alle doden

in hun graven zijn stem zullen horen.

Wie het goede hebben gedaan,

zullen opstaan om te leven.

En wie het kwade hebben gedaan,

zullen opstaan

om veroordeeld te worden."

 

 

UIT HET HEILIG EVANGELIE VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS VOLGENS JOHANNES

(Joh. 6, 37-40)

 

In die tijd zei Jezus tot de Joden:

"Iedereen die de Vader

aan Mij toevertrouwt,

zal tot Mij komen.

En wie tot Mij komt,

zal Ik niet buitenwerpen.

Ik ben in de wereld gezonden,

niet om mijn eigen wil te doen,

maar om de wil van mijn hemelse Vader.

God wil niemand laten verloren gaan,

maar dat Ik allen doe verrijzen

op de laatste dag.

Mijn Vader wil dat ieder,

die de Zoon ziet en in Hem gelooft,

eeuwig leven heeft.

En Ik zal hem doen verrijzen

op de laatste dag."

 

 

UIT HET HEILIG EVANGELIE VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS VOLGENS JOHANNES

(Joh. 6, 51-58)

 

In die tijd zei Jezus tegen de menigte:

"Ik ben het levende brood

dat uit de hemel gekomen is.

Wie van dit brood eet,

zal leven in eeuwigheid."

Toen begonnen de Joden te morren

en ze zeiden:

"Hoe kan Hij ons

zijn vlees te eten geven ?"

Hierop zei Jezus:

"Als gij mijn vlees niet eet

en mijn bloed niet drinkt,

hebt gij het leven niet in u.

Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt,

heeft eeuwig leven

en Ik zal hem doen opstaan

op de laatste dag.

Want mijn vlees is waarlijk voedsel

en mijn bloed is waarlijk drank.

Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt,

blijft in Mij en Ik in hem.

Ik ben het brood uit de hemel.

Wie dit brood eet,

zal leven in eeuwigheid."

 

 

UIT HET HEILIG EVANGELIE VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS VOLGENS JOHANNES

(Joh. 10, 1-5.7-11)

 

In die tijd zei Jezus:

"Wie niet door de deur de schaapskooi binnengaat,

maar langs een andere weg,

hij is een dief en een rover.

Want de herder komt langs de deur binnen.

Voor hem doet de deurwachter open.

De schapen luisteren naar zijn stem.

Hij roept ze bij hun naam en leidt ze naar buiten.

En als hij al zijn schapen naar buiten heeft gebracht,

trekt hij voor hen uit.

Zij volgen hem, omdat zij zijn stem kennen.

Een vreemde zullen zij niet volgen.

Integendeel, ze zullen van hem weglopen.

Zij kennen immers zijn stem niet."

 

Een andere keer zei Jezus:

"Ik ben de deur van de schaapskooi.

Allen die voor Mij gekomen zijn,

waren dieven en rovers.

Maar de schapen hebben niet naar hen geluisterd.

Ik ben de deur.

Als iemand door Mij binnengaat, zal hij worden gered.

Hij zal vrij in- en uitgaan

en voedsel vinden in overvloed.

De dief komt alleen maar om te stelen,

te doden en te vernietigen.

Ik ben gekomen om de schapen leven in overvloed te geven.

Ik ben de goede herder.

De goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen."

 

 

UIT HET HEILIG EVANGELIE VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS VOLGENS JOHANNES

(Joh. 11, 1.3.5-6.17.19-27)

 

Er was iemand ziek, een zekere Lazarus,

die in Betanië woonde.

Zijn zusters, Maria en Marta, stuurden

Jezus nu de boodschap:

Heer, hij die Gij liefhebt, is ziek.

Jezus hield veel van Marta,

haar zuster en Lazarus.

Toen Hij hoorde dat Lazarus ziek was,

bleef Hij nog twee dagen ter plaatse.

Daarna ging Hij met zijn leerlingen

naar Betanië.

Bij zijn aankomst bleek

dat Lazarus al vier dagen in het graf lag.

Vele Joden waren naar Maria en Marta

gekomen om hen te troosten

bij het verlies van hun broer.

Zodra Marta hoorde

dat Jezus op komst was,

ging zij Hem tegemoet en zei:

"Heer, als Gij hier waart geweest,

zou mijn broer niet gestorven zijn.

Maar ik ben er zeker van dat God

u zal geven wat Gij Hem vraagt."

Jezus zei haar:

"Uw broer zal verrijzen."

Marta hernam:

"Ja, dat weet ik.

Hij zal verrijzen op de laatste dag."

Jezus zei haar:

"Ik ben de verrijzenis en het leven.

Wie in Mij gelooft, zal leven,

zelfs al is hij gestorven.

En ieder die leeft en gelooft in Mij

zal in eeuwigheid niet sterven.

Gelooft gij dat ?"

Marta zei tot Hem:

"Ja, Heer, ik geloof.

Gij zijt de Messias, de Zoon van God,

die in de wereld komt."

 

 

UIT HET HEILIG EVANGELIE VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS VOLGENS JOHANNES

(Joh. 11, 17.32-45)

 

In die tijd kwam Jezus te Betanië.

Bij zijn aankomst bevond Hij dat Lazarus

al vier dagen in het graf lag.

Toen Maria op de plaats kwam

waar Jezus zich bevond,

viel ze Hem te voet en zei:

"Heer, als Gij hier waart geweest,

zou mijn broer niet gestorven zijn."

Jezus zag haar wenen en ook de mensen

die met haar meegekomen waren.

Het verdriet greep Hem aan

en diep ontroerd zei Jezus:

"Waar hebt gij hem begraven ?"

Zij antwoordde:

"Kom en zie, Heer."

En Jezus begon te wenen,

zodat de mensen onder elkaar zeiden:

"Zie eens hoeveel Hij van hem hield."

Toen Jezus bij het graf kwam,

werd Hij weer ontroerd.

Het was een graf,

uitgehouwen in de rots

en afgesloten met een grote steen.

Jezus zei:

"Doe de steen weg."

Marta zei hierop:

"Hij riekt al,

want hij is al vier dagen in het graf."

Ze rolden de steen weg.

Jezus sloeg zijn ogen ten hemel en bad:

"Vader, Ik dank U

dat Gij Mij hebt verhoord.

Ik weet dat Gij Mij altijd verhoort.

Mogen deze mensen hier geloven

dat Gij Mij gezonden hebt."

Na deze woorden riep Hij met luide stem:

"Lazarus, kom naar buiten."

En de dode kwam naar buiten,

handen en voeten in doeken gewikkeld.

Om zijn gezicht was een zweetdoek.

En Jezus zei:

"Maak hem los en laat hem gaan."

En vele Joden die daar waren

en zagen wat Jezus gedaan had,

geloofden in Hem.

 

 

UIT HET HEILIG EVANGELIE VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS VOLGENS JOHANNES

(Joh. 12, 23-28a)

 

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:

"Het uur is gekomen

dat de Mensenzoon verheerlijkt wordt.

Ik zeg u:

als de graankorrel

niet in de aarde valt,

blijft hij alleen.

Maar als hij sterft,

brengt hij veel vrucht voort.

Wie zijn leven wil behouden,

zal het verliezen.

Maar wie zijn leven in deze wereld

prijsgeeft,

zal het behouden en eeuwig leven.

Als iemand Mij wil dienen,

moet hij Mij volgen.

Waar Ik ben, zal ook mijn dienaar zijn.

Als iemand Mij dient,

zal mijn Vader Hem eren.

Nu ben Ik bedroefd.

Wat zal Ik zeggen:

Vader, red Mij uit dit uur ?

Maar daarom juist

ben Ik tot dit uur gekomen.

Vader, verheerlijk Uw Naam."

 

 

UIT HET HEILIG EVANGELIE VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS VOLGENS JOHANNES

(Joh. 14, 1-6)

 

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:

"Laat uw hart niet verontrust worden.

Gij vertrouwt op God,

vertrouw ook op Mij.

In het huis van mijn Vader

is ruimte voor velen.

Als dat niet zo was, had Ik het u gezegd.

Ik ga heen om een plaats voor u te bereiden.

En als Ik ben heengegaan

en een plaats voor u heb bereid,

kom Ik terug om u op te nemen bij Mij,

opdat ook gij zult zijn

waar Ik ben.

Gij weet waar Ik heenga

en ook de weg daarheen is u bekend."

Thomas zei tot Hem:

"Heer,

wij weten niet waar Gij heengaat.

Hoe moeten wij dan de weg kennen ?"

Jezus antwoordde hem:

"Ik ben de weg,

de waarheid en het leven.

Niemand komt tot de Vader

tenzij door Mij."

 

 

UIT HET HEILIG EVANGELIE VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS VOLGENS JOHANNES

(Joh. 16, 20-22.26b-28.33)

 

In zijn afscheidsrede zei Jezus

tot zijn leerlingen:

"Gij zult wenen en weeklagen,

terwijl de wereld zich zal verheugen.

Gij zult verdriet hebben,

maar uw verdriet

zal in blijdschap veranderen.

Wanneer een vrouw gaat baren

is zij bedroefd.

Haar uur van lijden is aangebroken.

Maar wanneer het kind er eenmaal is,

denkt zij niet meer aan de pijn.

Zij is blij dat zij een mens

ter wereld heeft gebracht.

Zo is het ook met u:

Nu zijt gij bedroefd.

Maar wanneer Ik u zal weerzien,

zal uw hart zich verheugen.

En die vreugde zal niemand u kunnen ontnemen.

Ik zal bij de Vader voor u ten beste spreken.

En Hij heeft u lief,

omdat gij Mij liefhebt en gelooft

dat ik van de Vader ben uitgegaan.

Ik ben in de wereld gekomen,

maar Ik verlaat de wereld en ga naar de Vader.

Dit heb Ik u gezegd opdat gij in Mij vrede vindt.

In deze wereld zal lijden uw deel zijn.

Maar heb goede moed:

Ik heb de wereld overwonnen."

 

 

UIT HET HEILIG EVANGELIE VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS VOLGENS JOHANNES

(Joh. 17, 1-3.11b.13)

 

In zijn afscheidsrede zei Jezus

tot zijn leerlingen:

"Vader, het uur is gekomen !

Verheerlijk Uw Zoon.

Gij hebt Hem macht gegeven

om eeuwig leven te schenken

aan allen

die Gij Hem hebt toevertrouwd.

En dit is het eeuwig leven,

dat de mensen U van harte kennen,

de enige en ware God,

en Jezus Christus die Gij gezonden hebt.

Heilige Vader,

bewaar in uw Naam allen,

die Gij Mij hebt toevertrouwd,

opdat zij één mogen zijn zoals Wij.

Nu kom Ik naar U toe.

Terwijl Ik nog in de wereld ben,

zeg Ik dit alles opdat zij

ten volle Mijn vreugde mogen hebben."

 

 

UIT HET HEILIG EVANGELIE VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS VOLGENS JOHANNES

(Joh. 17, 6-8.11; 14, 18-19)

 

In zijn afscheidsrede bad Jezus :

 

Vader, Ik heb Uw naam bekend gemaakt aan hen

die Gij Mij gegeven hebt.

Ze zijn de Uwen, maar Gij hebt ze Mij gege­ven.

 

Ik heb hen de woorden gebracht,

die Gij Mij hebt bekend gemaakt ;

zij namen ze aan en her­kenden naar waarheid

dat Ik van U ben uitgegaan.

 

Vader, bewaar hen in Uw naam en waak over hen.

 

Zie, Ik zal u niet als wezen achterlaten.

Want Ik leef en ook gij zult leven.

 

Dit is mijn gebod :

heb elkander lief, zoals Ik u heb lief gehad.

Blijf in mijn liefde.

 

 

UIT HET HEILIG EVANGELIE VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS VOLGENS JOHANNES

(Joh. 17, 24-26)

 

Tijdens het laatste avondmaal

sloeg Jezus zijn ogen ten hemel en bad:

"Vader,

Ik wil dat allen die in Mij geloven,

mogen zijn waar Ik ben.

Dan kunnen zij Mij zien in de heerlijkheid

die Gij Mij gegeven hebt.

Rechtvaardige Vader,

de wereld heeft U niet aanvaard,

maar Ik heb U erkend

en mijn leerlingen weten en geloven

dat Gij Mij gezonden hebt.

Ik heb hun hart geopend voor U

en Ik zal dit blijven doen.

Want Ik verlang vurig

dat ook zij de liefde ervaren,

waarmee Gij Mij hebt liefgehad."

 

 

UIT HET HEILIG EVANGELIE VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS VOLGENS JOHANNES

(Joh. 19, 24b-30.35)

 

Toen de soldaten Jezus gekruisigd hadden,

namen ze zijn kleren en scheurden ze in vieren,

voor elke soldaat een stuk.

Terwijl ze hiermee bezig waren,

stonden onder het kruis van Jezus

zijn moeder, de zuster van zijn moeder,

Maria de vrouw van Klopas en Maria Magdalena.

Toen Jezus zijn moeder zag en naast haar

zijn geliefde leerling Johannes,

zei Hij tot zijn moeder:

"Vrouw, zie daar uw zoon."

En vervolgens zei Hij tot Johannes:

"Zie daar uw moeder."

En van die dag af nam Johannes Maria bij zich in huis.

Jezus wist dat nu alles volbracht was.

Om de Schrift in vervulling te laten gaan,

riep Hij: "Ik heb dorst."

Er stond daar een kruik vol bittere wijn.

Een soldaat stak er een spons in en bracht

die met een stok aan zijn mond.

Toen Jezus van de bittere wijn

genomen had, zei Hij: "Het is volbracht."

Daarop boog Hij het hoofd en gaf de geest.

 

Dit is het getuigenis van iemand

die het met eigen ogen heeft gezien.

Wat hij zegt is waar

en hij weet dat hij de waarheid spreekt,

opdat ook gij moogt geloven.

 

UIT HET HEILIG EVANGELIE VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS VOLGENS JOHANNES

(Joh. 20, 19-21.24-31)

 

In de avond van de eerste dag van de week

- de zondag -

zaten de leerlingen bij elkaar.

Ze hielden de deuren op slot,

omdat ze bang waren voor de Joden.

Toen kwam Jezus binnen,

ging in hun midden staan en zei:

"Vrede zij u."

Na deze woorden toonde Hij hun

zijn handen en zijn zijde.

Nogmaals zei Jezus:

"Vrede zij u.

Zoals de Vader Mij gezonden heeft,

zo zend Ik u."

 

Thomas, één van de twaalf,

was er niet toen Jezus kwam.

De andere leerlingen vertelden hem:

"We hebben de Heer gezien."

Maar Thomas zei:

"Zolang ik niet de wonden

in zijn handen en zijn zijde

kan zien en aanraken,

zal ik zeker niét geloven."

 

Een week later waren de leerlingen

weer bijeen en nu was Thomas er ook bij.

Hoewel de deuren gesloten waren,

kwam Jezus in hun midden en zei:

"Vrede zij u."

Toen keerde Hij zich tot Thomas en zei:

"Kom hier en bezie en betast

mijn handen en mijn zijde.

En wees niet langer ongelovig,

maar gelovig."

Toen riep Thomas uit:

"Mijn Heer en mijn God."

En Jezus hernam:

"Omdat ge Mij ziet, Thomas, gelooft gij.

Zalig die niet zien

en toch geloven."

 

In het bijzijn van zijn leerlingen

heeft Jezus nog vele andere tekenen gedaan,

die niet in dit boek staan opgeschreven.

Maar wat hier geschreven staat,

is opgetekend

opdat ook gij moogt geloven

dat Jezus de Messias is, de Zoon van God.

En als gij in Hem gelooft,

zult gij leven bezitten in zijn Naam.

 

 

ANDERE TEKSTEN

 

ALS JE VAN IEMAND HOUDT  Dietrich Bonhoeffer

 

Als je van iemand houdt en je bent van hem gescheiden,

kan niets de leegte van zijn afwezigheid vullen.

Je moet dat niet proberen.

Je moet eenvoudig volharden.

Dat klinkt erg hard, maar het is ook een grote troost,

want zolang de leegte blijft,

blijf je daardoor met elkaar verbonden.

 

Het is fout te zeggen : God vult die leegte.

Hij vult haar helemaal niet, integendeel :

Hij houdt die leegte leeg en helpt ons zo

de vroegere ge­meenschap met elkaar te bewaren,

zij het ook in pijn.

Hoe moeilijker en rijker de herinneringen,

des te moeilijker de scheiding.

 

Maar dankbaarheid verandert de pijn der herinnering

in stille vreugde.

De mooie dingen van vroeger zijn geen doorn in het vlees,

maar een kostbaar geschenk dat je meedraagt.

Je moet zorgen dat je niet in je herinneringen blijft graven

en je daarin verliest ;

Een kostbaar geschenk bekijk je niet aldoor,

maar alleen op bijzondere ogenblikken ;

buiten die ogenblikken is het een verborgen schat,

een veilig bezit ;

dan wordt het verleden

een blijvende bron van vreugde en kracht.

 

DE PARABEL VAN DE VEERMAN

 

"Hij noemde zich de veerman van de laatste oever.  Hij wacht­te met zijn bootje en vertelde somtijds van de overkant.  Hij zou de mensen kunnen overvaren, iedereen die wilde, die in hem geloofde.  Er lach een verre glimlach in zijn ogen en vrede in zijn woorden, vrede zonder einde.  Maar, hoe zou hij kunnen overvaren?  Hoe wist hij dat er een andere oever was?  En dan nog met het bootje van een visser, naar een oever die niet zichtbaar was?...

Er groeide spot en wrevel, vijandigheid en weerzin rond zijn tengere figuur.  Hij werd bedroefd en hard en vreesde voor het ergste.

Op een donkere avond zijn de mensen teruggekomen.  Zij hebben hem van de kant geduwd.  Zij dachten : nu zal het uit zijn met zijn dromen en met zijn overkant.  's Anderendaags is alles weer normaal verlopen.  Er was geen veerman meer, geen die van de overkant vertelde.  Alleen zijn bootje is daar blijven liggen, het bootje van de visser.  Het is nu oud gewor­den, ligt al eeuwen aan de oever vastgemeerd.

De kabels zijn verroest, de loopplank ligt gebroken.  Er zitten scheuren in en barsten.

Wie durft er nog mee naar de overkant ?

Maar in zijn boegbeeld en zijn lijnen zingt nog het heimwee naar de volle zee.  Het ligt nog altijd gereed om te vertrekken voor iedereen die wil en die gelooft.  Elke avond komen men­sen samen aan de laatste oever.  Zij staren naar de onbeken­de verte...  'Waar is de tijd toen hij nog bij ons was ?'  Het leven op het land heeft hen nooit bevredigd.  Zij hebben veel gezien, veel meegemaakt, veel geleden, veel genoten.  Maar, aangeko­men op de laatste oever, zoeken zij de veer­man van weleer.  'Zou hij niet terugkomen ?'  Als deze oever bestaat, dan moet er ook een andere oever zijn...  Zij staan en kijken en verlan­gen...  Zij gaan, ten einde raad, met zijn allen op het wankele bootje.  En als zij rond de tafel zitten in de kleine kajuit, en weer elkanders leven delen, het goede en het slechte, dan is het of zij in elkanders ogen weer de verre glimlach van de veerman zien.  Zijn vrede zonder einde is hun deel geworden.  Als zij door de patrijspoort kijken, komt de andere oever zachtjes dichterbij."

(Manu Verhulst, uit Voltanken met Hoop, Reinaert uitgave, Zele)

 

DRAAG, ALS IK STERF, UW WITTE GEWADEN

Lieve Moenssens

 

" Draag, als ik sterf, uw witte gewaden

en zing bij mijn dood uw hoogste lied.

Ik heb onuitsprekelijk liefgehad

daarom wil ik uw tranen niet.

 

Steek in de kerk alle lichten aan,

vergeet de bloemen op tafel niet

en lees dan hoe Paulus heeft liefgehad

en voel voor mij geen verdriet.

 

 

Vaak waren mijn woorden kleurloos en koel,

maar de Geest is een laaiend vuur.

In dit huis heb ik vele uren vertoefd

maar dit is het mooiste uur.

 

Nu zijn alle grenzen weggevaagd

ik ben eindelijk nieuw en vrij ;

al wat ik in mezelf niet veranderen kon

veranderde God in mij.

 

Draag, als ik sterf, uw witte gewaden

en zing bij mijn dood uw hoogste lied

opdat deze stad die ik zorgend liefhad

uw juichende vreugde ziet. "

 

JIJ BENT NIET DOOD ...   Nel Benschop

 

Je bent niet dood,

de Heer heeft je ge­roepen bij Hem te wonen

in zijn glan­zend huis.

Je hoeft geen rust en vrede meer te zoe­ken,

je hebt ze nu, want je bent veilig thuis.

Je bent niet dood, je mag voor eeuwig leven.

Je bent verlost van onvol­komen­heid,

van pijn en van verdriet.

God zal je geven een onbe­grensd geluk

in onbe­grens­de tijd.

Je bent niet dood - maar ach - ik zal je missen,

zoals een mens de meest gelief­de mist.

De jaren van geluk zijn niet meer uit te wissen.

En ik geloof: God heeft zich niet vergist

 

OVER DE DOOD HEEN VERBONDEN ...

Antoon Van Wilderode

 

De oude fotodoos -

gestolde herinneringen netjes opgeborgen,

een geschiedenis van voor ... en na ...

Er lijkt geen grens te zijn, ook niet in de dood.

Hij leeft verder !

 

Die glimlach, dat gebaar,

dat zachte strelen door ons haar

en het nabij zijn

in dagen van vreugde en van pijn.

 

Het diep geloof

dat de overkant een land is

waar elke traan wordt gedroogd,

of waar geen rouw of smart meer is,

een huis waar plaats is voor zovelen.

 

Al is de stoel leeg

en schiet een plaats aan tafel over,

hij blijft ons nabij door banden

die sterker zijn dan de dood.

 

Eén van hart ...

we voelen nog de vriendschap,

trouwer dan voorheen.

Eén van geest ... hij leeft verder

misschien nog meer, en dichter bij.

 

Liefde is de band en niets gaat verloren

van wat God heeft voortgebracht.

Wij delen in de toekomst

die ons beloofd is :

de eeuwige morgen van Jezus' verrijzenis.

 

ZIJN GLIMLACH EN ZIJN ZORGEN ZIJN VOORBIJ

Antoon Van Wilderode

 

Zijn glimlach en zijn zorgen zijn voorbij

zijn lieve aandacht voor de daagse dingen

die door zijn hoofd

en door zijn vingers gingen :

en alles wat hij was voor u en mij.

 

Wij kunnen vragen stellen,

maar geen vraag

en zelfs geen antwoord doet de pijn vergeten

die wij tesamen om zijn heengaan leden

en die zal blijven schrijnen na vandaag.

 

Maar in zijn dapper rechtgetrokken spoor

naar Gods oneindig land

mogen wij lopen hem achterna

die hoopte, wat wij hopen

hij is niet méér dan enkele stappen voor.

 

LEZING UIT HET GELOOFSBOEK VOOR JONGEREN

van Marcel Verhelst

 

Als er iemand sterft

De diepste en meest schokkende ervaring heb je

wanneer er iemand sterft om wie je veel geeft.

Dan schreeuwt heel je wezen het snikkend uit :

"Dit kan niet het einde zijn!"

Je weigert te geloven

dat alle liefde die de overledene je geschonken heeft

om niets is geweest.

Of dat de heilzame invloed

die je geliefde op jou heeft uitgeoefend,

nu brutaal stopt.

Ook kan je moeilijk geloven

dat het voor de betreurde dode zelf, nu 'amen en uit' is,

hoewel mensen dat tegenwoordig nogal vlug beweren.

Maar is het leven niet vanaf de geboorte

te groots en te wonderbaar geweest,

om nu zomaar op 'niets' te eindigen ?

Eigenlijk wil je geloven

dat de geliefde dode 'ergens heen' gaat,

dat zijn leven op een andere wijze wordt verder gezet,

dat het grote geschenk van het leven

hem in feite niet wordt afgenomen.

 

EEUWIG LEVEN

 

Lieveling,

 

Lange tijd hing je leven alleen nog aan het draadje

van ons smeekgebed voor jou.

Nu ben jij degene die ons wikkelt in een mantel

van liefdevol gebed.

Heel je leven is een zoektocht naar licht geweest ;

nu ben je in het licht van de Allerhoogste.

Zo graag wil ik je nu bij je naam roepen,

zoeken waar je bent

je zoveel zeggen.

Hoor je me ?

 

Het is alsof je nog nooit zo dichtbij bent geweest,

juist nu je ver weg bent.

Door je afwezigheid heen ontdek ik dat je er bent.

Je hebt je onttrokken aan onze ogen,

maar maakt ons open voor die onzichtbare werkelijkheid

waarin je nu voorgoed leeft.

Onze zwakke, onvolmaakte liefde

heb je achter je gelaten

en nu laat je ons samen met jou putten

uit de bron van onsterfelijke liefde

waarin je voorgoed

bent ondergedompeld.

 

Wanneer ik je roep,

om je huil,

met je praat,

verwijs je me naar Hem die als enige naar me kan luisteren,

me kan troosten,

me antwoord kan geven.

 

Naar Hem die jouw ogen al zagen toen je nog in de mist

van deze wereld leefde.

 

Waarom zouden we dan bezig blijven met herinneringen

die nu alleen nog maar pijn kunnen doen ?

Waarom al onze tranen vergieten

door steeds achterom te kijken ?

Alles wat we hier samen hebben opgebouwd,

is niet meer dan een aanzet

voor het geluk dat nog komt.

En als het tijdelijke onderkomen is ingestort,

is er een nieuwe woning, badend in het licht

waarmee we elkaar hebben liefgehad.

 

 

OM ALLEEN TE DOEN OP DE RECHTE TIJD

(Naar Prediker 3,1-8)

 

Uw wijsheid, Heer,

laat alles geschieden

op tijd en stond:

de opgang van de zon

en haar ondergang;

het kiemen van het zaad

en het trekken der vogels.

 

Laat ons zien

hoe ook in ons leven

voor alles

een tijd gegeven is:

een tijd om te werken

en een tijd om te spelen;

een tijd om te overleggen

en een tijd om te besluiten;

een tijd om te beginnen

en een tijd om te eindigen;

een tijd om op te staan

en een tijd om slapen te gaan.

 

En hoe er

een tijd is voor de ernst

en een tijd voor de lach;

een tijd voor het zwijgen

en een tijd voor het spreken;

een tijd voor het gebed bij U

en een tijd voor het gesprek met de mensen;

een tijd voor het alleen zijn

en een tijd voor het bijeen zijn!

 

DE WEG VAN HET MENSWORDEN

 

De weg van het mensworden loopt van de wieg tot het graf,

doorheen de seizoenen van kind, jeugd, volwassenheid en herfst van het leven,

hij heeft grote horizonten van dromen en verlangens,

hij loopt doorheen de mist van de ontgoocheling

en vertwijfe­ling,

doorheen de wisseling van dag en nacht, zomer en winter,

onder de zon van vreugde en geluk,

in de regen van verdriet en pijn,

doorheen de winter van eenzaamheid

naar de herfst van de goede kleine oogst.

 

Soms is de weg van het leven breed,

soms smal omwille van eigen beperktheid,

omwille van versper­ring en kruiswegen van anderen,

soms slijkerig, soms hobbelig, soms vol ijzel en glad,

nu eens ééntonig, dan weer steil,

en soms doodlopend, zonder uitzicht ...

 

Soms lijkt het of we alleen op weg zijn,

maar dat is nooit waar ...

maar men kan zich alleen voelen,

alleen zijn op zijn eigen weg ...

maar er zijn mensen voor en achter en rondom ons,

mensen met ervaring, mensen met sterke hoop,

mensen met groep­sverbondenheid ...

zij kunnen hulp of remming zijn, genade of verzoeking,

beheersen of bevrijden.

 

Op de weg van het mensworden zoeken mensen elkaar.

Men wordt mens aan elkaar of men wordt het niet.

Mensen zoeken iemand die leidt, voorgaat, wegwijst.

In hem geloven ze.

Hij is een licht en krachtidee, maar mens als zij.

Voor ons gelovigen is hij midden onder ons :

Jezus Christus, mensgeworden liefde van God,

op weg met mensen ...

 

GEBED VAN EEN VADER

Bewerkt naar Generaal D. MC. ARTHUR

 

Geef Heer, dat mijn kinderen steeds sterk genoeg wezen

om zich van hun zwakheid bewust te blijven,

en dat ze moedig genoeg zijn, dit voor zichzelf te bekennen.

Laat hen fier en vastberaden blijven bij een zware tegenslag,

maar ook nederig en grootmoedig bij succes.

Geef dat hun verstand nooit hun hart verdringt,

dat zij U kennen, mijn God,

en dat zij aan die kennis steeds voorrang geven.

Leid hun weg niet altijd langs welstand en gemak,

maar ook langs moeilijkheden en kruisen

zodat zij voeling blijven hebben met hun medemens.

Leer hen stand te houden in de storm

en begrijpend mee te voelen

met hen die ten onder gaan.

Geef hen een zuiver hart en hoge betrachtingen,

dat zij zichzelf beheersen

vooraleer zij anderen willen leiden.

 

Mochten zij leren lachen ...

zonder ooit het wenen te verleren

Mochten zij de toekomst tegemoetgaan ...

zonder het verleden te vergeten

Maak hen nederig, zodat zij steeds voor ogen kunnen houden :

de eenvoud van de ware grootheid,

het begrijpen van de ware wijsheid,

de mildheid van de ware sterkte.

Dan zal ik, Vader, mijzelf durven toefluisteren :

" Ik heb niet tevergeefs geleefd ! "

Ik bid U : zegen en bewaar ons gezin !

 

WIE GOD EENMAAL HEEFT ONTMOET...

(Han Fortmann, p.67)

 

Enkele jaren voor zijn dood

schreef een bekende schrijver het volgende:

 

"Wie God eenmaal heeft ontmoet,

vindt de vraag naar het hiernamaals

niet interessant meer.

Wie geleerd heeft in het Hoge Licht te leven,

is niet meer gekweld door het probleem

of het Licht er ook morgen nog zal zijn.

In het hoofd van een kind,

dat leeft onder de goede zorgen van zijn moeder,

komt het niet op te vragen

of zijn moeder ook morgen nog wel

voor hem zal zorgen.

Er zijn vragen die niet gesteld worden,

omdat er geen behoefte aan is.

Hoe meer wij leven vanuit God,

hoe meer de vragen over het hiernamaals verdwijnen,

omdat God er is en zal zijn."

 

Laten wij nu in ons hart ruimte scheppen

opdat God kan komen...

 

VORIG JAAR   Agnes Verbiest

 

 

Vorig jaar om deze tijd,

het was een herfst als nu

de herfsten keren...

 

Voor ons zal er geen herfst meer zijn

zonder aan dit woordeloos afscheid van jou te denken.

Het rumoer rondom je is verstomd,

nu volgt een diepe stilte.

In die stilte ontmoeten we je steeds weer,

elke dag opnieuw,

in tal van kleine dingen.

Telkens weer komen we je tegen,

want...

Hij heeft alleen je lichaam weggenomen,

niet wie je was,

niet wat je deed,

niet wat je zei.

Nu je ons niet meer aan kunt raken,

raak je ons hart des te duidelijker aan.

 

UIT "DE TUINMAN VAN DE PROFEET"   K.Gibran

 

In deze tuin liggen mijn vader en mijn moeder

begraven door de handen van levenden;

en in deze tuin liggen begraven

de zaden van verleden jaar,

hierheen gedragen, op de vleugels van de wind.

 

Duizendmaal zullen mijn vader en mijn moeder

hier begraven worden

en duizendmaal zal de wind het zaad bedelven;

en over duizend jaar zullen jij en ik

en deze bloemen

evenals nu in deze tuin bijeenkomen

en wij zullen zijn, wij zullen het leven liefhebben

wij zullen zijn, wij zullen dromen van de ruimte

en wij zullen zijn, opstijgen naar de zon.

 

ALS DE SCHEMER DES AVONDS

 

Als de schemer des avonds

je eenzaam vindt,

ga dan naar 't hart van het dorp, m'n kind,

warm je aan de eenvoud der simpelen;

soms, wellicht, zal een oud man gaan spreken;

luister naar diens schoon, wijs verhaal -

het zal je droefheid doorbreken.

 

Roep mij dus niet, maar ontvang de schoonheid

van 't leven met wijdopen zinnen:

Zo zal ik tot je komen

uit tienduizend dingen.

 

En laat wat je heugt van mij stil en in vrede zijn.

Dicht bij de vruchtbare aarde. En diep in je hart.

 

NAAR DE OVERKANT   Kris Gelaude

 

"Bij avond

en een uur als dit

meren wij aan.

We wachten op de oever.

Waar zijn de vrienden

en het smeulend vuur,

de broden en de vis ?

Waar is de tijd ?

 

In het gebroken licht

ontwaren wij

een aarzelend begin

van eeuwigheid".

 

GETUIGENIS

 

(Het volgend getuigenis dat een zieke als levenstestament achterliet, kan een bijbelse lezing vervangen.  Dit geloofsver­haal is vermoedelijk herkenbaar voor velen.)

 

Ik heb lang gevochten, met al mijn energie, tegen de ziekte die me verteerde.  Ik was gans alleen, trots op mezelf terugge­plooid, met als enig resultaat...  verloren­heid.  Heel lang vocht ik geduldig en het was gemakkelijker m'n gezicht niet te verlie­zen ten opzichte van de anderen dan ten opzichte van mezelf.  In mezelf veranderde er zoveel :  ik ontdekte kwetsbaar­heid, angst, slapte, afhankelijkheid, pijn engemis, vele overstel­pende en onbeantwoorde vragen.  Alles leek verspild en donker.  Stilaan, dankzij deskundige hulp, nabijheid en 'gelovi­ge' luisterbereidheid om me heen, ging er een deur open, op een kier slechts.  Het geloof in slaap gewiegd door een aan­een­schakeling van levensomstandigheden die me opslorp­ten, werd weer wakker.  De verre God kwam dichtbij en ik merkte dat ikzelf voor Hem de deur lang had gesloten gehouden.

Toen liet ik het masker vallen en trachtte weer echt te zijn, gewoon mezelf.  Ik probeerde m'n ziek zijn en zwakheid te erkennen omdat God me nam zoals ik was.  Ik wilde niet alleen smeken of mijn verlangens afdwingen maar naar het Licht reiken en geloven in een dialoog.

Stilaan kwam ik voor de anderen open en kon weer spontaan glimlachen.  Elke dag begon ik opnieuw met vallen en op­staan m'n lichaam en geest af te stellen op Gods kracht in plaats van op de mijne.  Ik heb geleerd - al was het maar één dag - de pijn te verdragen, mij te laten helpen, zelfs stap na stap de weg af te leggen van schaduw naar licht.  Ik liet God mijn innerlijke weerstanden oplossen en ging geloven dat daar waar het ene in mij eindigt, iets anders ontluikt.

 

OVER WATER   Kris Gelaude

 

Leef maar

naar het licht toe,

verder dan ik kan reiken.

Geen hand houdt je vast.

 

Al zou ik

je willen koesteren,

je huisvesten in tedere holten

van mijn bestaan.

Mijn lichaamswarmte

kan je niet behoeden.

Kou kruipt in onze kleren.

Vuur tast ons aan.

 

Ik zalf je

voorzichtig.

Ben kwistig met balsem.

Wil zien hoe je opstaat

en stenen opzij rolt.

Uit duizenden zal ik herkennen

de zoen van je adem,

de kracht van je stem.

 

Leef.  Ik geef

wat ik niet heb.

Elk hebben wordt éénmaal

verliezen.

Liefhebben alleen

zal nog duren :

zorgvuldig je plaats

in mijn huis bewaren.

En zonder omzien je tegemoet gaan.

Desnoods over water.

 

DE LIEFDE VERLAAT JE NOOIT   Orville Kelly

 

Lente, en het land ligt groen

onder een gele zon.

Wij liepen samen door dat land, jij en ik

en wisten niets van wat de toekomst brengen zou.

Zul je dikwijls aan mij denken

als de bloemen openspringen ieder jaar?

Als de aarde groeien gaat?

Men zegt: de dood is toch het einde.

Maar mijn liefde kent geen dood.

Zoals de zon, die eens ons hart verwarmde,

zo zal de liefde bij je zijn, des nachts,

als ik ben heengegaan,

en eenzaamheid verschijnt -

voordat je dromen zijn uiteengedreven

door de dageraad.

 

Zomer, en nooit hoorde ik vogels

zo hoog en helder zingen

dan toen men zei, dat ik je moest verlaten

voor een tijd.

Nooit zag ik de hemel zo diep blauw

dan toen ik wist: ik word niet oud met jou.

Maar liever toch jouw liefde kennen,

dan miljoenen jaren leven

en niet weten van die liefde.

Laten jij en ik, wij samen,

denken aan die dagen en die nachten

voor altijd.

 

Herfst, en de aarde gaat weer sterven

en blaren worden goudbruin aan de bomen.

Denk aan mij, ook in de herfst, als ik met je wandel,

als vroeger, een straatje om, in de schemering,

al houd ik je niet meer bij de hand.

 

Winter, en misschien is er dan eens

een andere haard, een andere kamer,

met knappend vuur, de geur van rook;

je draait je om en dan ineens zijn wij weer samen;

ik hoor je lach, streel je gezicht

en houd je dicht tegen me aan.

Maar tot die tijd, als eenzaamheid je overvalt

een winteravond, als het sneeuwt,

bedenk: al nam de dood mij mee,

de liefde verlaat je nooit.

 

UIT 'MAX HAVELAAR'Multatuli

 

 

Ik weet niet waar ik sterven zal.

Ik heb de grote zee gezien aan de Zuidkust

toen ik daar was met mijn vader

om zout te maken.

Als ik sterf op de zee

en men werpt mijn lichaam in het diepe water,

zullen er haaien komen.

Ze zullen rondzwemmen om mijn lijk, en vragen:

"Wie van ons zal het lichaam verslinden

dat daar daalt in het water?"

Ik zal het niet horen.

 

Ik weet niet waar ik sterven zal.

Ik heb de kleine Si-oenah zien vallen uit de boom

toen hij een vrucht plukte voor zijn moeder.

Als ik uit een boom val,

zal ik dood neerliggen aan de voet,

in de struiken zoals Si-oenah.

Dan zal mijn moeder niet schreien,

want zij is dood.

Maar anderen zullen roepen:

"Zie, daar ligt Saïdjah".

Ik zal het niet horen.

 

Ik weet niet waar ik sterven zal.

Ik heb het lijk gezien van Pa-lisoe,

die gestorven was van hoge ouderdom

want zijn haren waren wit.

Als ik sterf van ouderdom, met witte haren,

zullen de klaagvrouwen om mijn lijk staan.

En ze zullen misbaar maken

zoals de klaagvrouwen bij Pa-lisoes lijk.

En ook de kleinkinderen zullen schreien,

zeer luid.

Ik zal het niet horen.

 

Ik weet niet waar ik sterven zal.

Ik heb velen gezien te Badoer,

die gestorven waren.

Men kleedde hen in een wit kleed,

en begroef hen in de grond.

Als ik sterf te Badoer,

en men begraaft mij buiten het dorp,

oostwaarts tegen de heuvel,

waar het gras hoog is,

dan zal Adinda voorbijgaan,

en de rand van haar sleep

zal zachtekens voortschuiven langs het gras...

Ik zal het horen.

 

AVONDWAKE...EN JEZUS BEGON TE WENEN...

 

Openingsgebed

 

Verdrietig zijn,

ontroostbaar zijn,

om alles wat N.  je/ons geven mocht,

om alles wat N.  voor jou/ons betekenen mocht,

om alles wat nu niet meer kan zijn,

verdrietig zijn

doet pijn.

 

Verdrietig zijn,

gebroken zijn,

met een krop in de keel, de tanden geklemd,

met een ziel overhoop, het vertrouwen geschokt,

en toch...

niet alleen zijn,

samen zijn.

Hoe herkenbaar is die pijn.

 

Samen verdrietig zijn,

samen verloren zijn,

zoals Jezus, Martha en Maria.

Samen wenen bij Lazarus' graf.

Mogen wij in deze avondwake,

gesterkt door de hoop die Hij ons gaf

ons geborgen weten

in Jezus' pijn.

(J.F.  Lindemans)

 

Eerste LezingJoh.  20,11 - 21,6

 

Toen zag ik, Johannes, een grote witte troon;

ik zag ook wie op die troon gezeten was.

En ik kon de doden, groot en klein, voor de troon zien staan.

En de boeken werden geopend, ook het boek des levens.

De doden werden geoordeeld naar hun daden,

zoals die in de boeken beschreven stonden.

En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde;

de oorspronkelijke hemel en aarde waren verdwenen.

En ik zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem,

van God uit de hemel neerdalen,

schitterend zoals een bruid,

die zich voor haar man heeft getooid.

Van op de troon klonk een machtige stem, die sprak :

"God zal bij de mensen wonen,

zij zullen zijn volk zijn en Hij zal hun God zijn.

Geen dood zal er nog zijn, geen rouw,

geen geween noch smart, want al het oude is voorbij.

Zie, ik maak alles nieuw.

Ik ben de alfa en de omega, de oorsprong en het einde.

Wie dorst heeft zal ik te drinken geven

uit de bron van het water des levens."

 

Evangelie naar Johannes 11

 

In Betanië (dat betekent in het Hebreeuws :  'huis van droefe­nis') was er iemand ziek.  Hij heette Lazarus (en ook dat is een symbolische naam en betekent 'hij die door God geholpen wordt').  Lazarus had twee zusters, Maria en Martha.  Zij stuur­den Jezus een boodschap met de melding :  "Heer, Lazarus, van wie Jij houdt, is ziek." Jezus hield inderdaad veel van Maria en Martha en van Lazarus, maar bleef toch nog twee dagen ter plaatse vooraleer naar Betanië te reizen.

Nu waren er heel wat Joden naar Martha en Maria gekomen om hen te troosten over het verlies van hun broer.

Van zodra Martha had vernomen dat Jezus op komst was ging zij hem tegemoet, Maria bleef echter thuis.  Martha zei tot Jezus :  "Heer, als Jij hier was geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn.  Ik weet echter dat wat Gij ook aan God vraagt, God het U zal geven." Jezus zei tot haar :  "Uw broer zal verrij­zen.  Ik ben de verrijzenis en het leven.  Al wie in mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven.  Gelooft gij dit ? " Zij antwoordde hem :  "Ja Heer, ik geloof vast dat Gij de Messias zijt, de zoon van de levende God." Hierop ging zij haar zuster roepen, die thuisgebleven was.  Bij het zien van Jezus viel Maria Jezus te voet en sprak :  "Heer, als Jij hier was geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn." Jezus zag haar wenen.  Ook de Joden die met haar waren meegekomen weenden.  Dit verdriet greep Jezus zeer aan en diep ontroerd sprak Hij :  "Waar hebt gij hem neergelegd ? " Zij zeiden :  "Kom en zie, Heer." Jezus begon te wenen zodat vele Joden zeiden :  "Zie eens hoe Hij van hem hield."

 

AVONDWAKE OF UITVAART

LITURGIE VAN HET LEVEN...

 

Openingsritueel

 

Wanneer iemand in ons midden sterft,

valt er een schaduw, onafwendbaar.

Onze woorden verstommen.

Ons geluk verstilt.

Onze liefde lijkt vruchteloos.

Wij voelen eenzaamheid en kilte :

de twijfel van de dood.

Is het levenslicht dat mensen zien

als zij geboren worden,

niet krachtiger dan deze duisternis ?

Zal het niet langer duren