UIT ĎPSALMENí

PSALM 42††††††† IK SMACHT NAAR U, O GOD

 

 

1 Voor de voorganger

Een lied.Uit de kring van Korach.

 

2 Zoals een hert naar water,

zo smacht ik naar u, o God;

u bent mijn leven,

3 ik verlang naar u, o God.

Wanneer mag ik bij u komen,

wanneer zal ik weer voor u staan?

4 Dag en nacht huil ik,

tranen zijn mijn enig voedsel,

want steeds weer moet ik horen:

'Waar is nu je God?'

5 Met weemoed denk ik terug

aan de tocht naar de tempel,

aan de menigte feestgangers,

de juichkreten, de dankliederen.

 

6 Mijn ziel, wat drukt je terneer,

waarom ben je zo onrustig?

Op God wil ik vertrouwen,

eens zal ik hem weer prijzen,

hem, mijn behoud, mijn God.

 

7 Mijn ziel is bedrukt, Heer,

daarom denk ik aan u,

hier, ver van uw tempel,

in het Hermongebergte,

bij de berg Misar,

hier, aan de bronnen van de Jordaan.

8 om mij heen kolkt het water,

oorverdovend stort het neer

en roept nieuwe kolken op.

U overspoelt mij, Heer,

het water slaat over mij heen!

 

9 De Heer zal mij zijn liefde geven, elke dag,

zijn lied zal ik horen, elke nacht,

een gebed tot de God

die mij in leven houdt.

10 Ik zal tegen hem zeggen:

'U bent mijn toevlucht.

Waarom bent u mij vergeten,

waarom ben ik in rouw gedompeld,

door mijn vijanden gekweld?'

11 Spottend vragen ze de hele dag:

'Waar is nu je God?'

Het snijdt mij door de ziel.

 

12 Mijn ziel, wat drukt je terneer,

waarom ben je zo onrustig?

Op God wil ik vertrouwen,

eens zal ik hem weer prijzen,

hem, mijn behoud, mijn God.

 

 

PSALM 48††††††† DE STAD VAN ONZE GOD

 

 

1 Een lied.

Een psalm uit de kring van Korach.

 

2 Machtig is de Heer, onze God,

in zijn stad moet iedereen hem eren.

3 Prachtig verheft zich de Sion,

een vreugde voor de hele wereld,

die machtige berg daar in het noorden,

en op zijn hellingen

de stad van de grote koning.

4 God woont binnen haar vestingen,

hij geeft ons bescherming.

 

5 Koningen sloten zich aaneen

en rukten gezamenlijk op;

6 maar al bij het zien van de Sion

stonden zij verbijsterd

en sloegen van schrik op de vlucht,

7 door angst overvallen,

als een vrouw door weeŽn.

8 Zoals een storm zeeschepen tot zinken brengt,

zo breekt God hun macht.

 

9 Wat ons altijd is verteld,

hebben we nu zien gebeuren,

hier in de stad van de almachtige Heer,

in de stad van onze God:

God is het behoud van de stad.

 

10 In uw tempel, God, overdenken wij

al het goede dat u hebt gedaan.

11 U hebt een grote naam,

men eert u overal op aarde,

want u bent gerechtigheid.

12 De berg Sion verheugt zich,

de steden in Juda juichen,

omdat u rechtvaardig bent.

 

13 Trek om de Sion heen,

tel de torens van de stad;

14 bewonder de muren,

aanschouw de vestingen

en vertel aan het nageslacht:

15 'Kijk, zo is onze God,

onze eeuwige God:

hij leidt ons,

hij blijft dat doen,

altijd.'

 

 

PSALM 84††††††† BIJ DE HEER WIL IK WONEN

 

 

1 Voor de voorzanger.

Op de wijs van het lied uit Gat.

Een psalm uit de kring van Korach.

 

 

2 Almachtige Heer,

hoe dierbaar is mij uw huis.

3 Ik hunker ernaar in uw tempel te zijn,

met hart en ziel juich ik u toe,

u, de levende God.

4 Zelfs een mus vindt er onderdak

en de zwaluw bouwt er haar nest;

bij uw altaar, almachtige Heer,

bij u, mijn koning en mijn God,

brengt zij haar jongen groot.

5 Gelukkig zij die in uw tempel wonen,

altijd brengen zij u hulde.

6 Gelukkig zij die hun kracht vinden bij u,

vol verlangen gaan zij naar u op weg;

7 trekken zij door dorre dalen,

dan worden het oasen;

de vroege regen daalt er als een zegen neer.

8 Onvermoeid trekken ze verder,

in Sion zien ze u, o God.

9 Heer, almachtige God,

luister naar mijn gebed;

God van Jakob,

schenk mij aandacht.

10 Wees onze koning goedgezind,

hij is ons schild,

zie hem welwillend aan,

u hebt hem uitgekozen.

11 Eťn dag in uw tempel is meer

dan duizend dagen erbuiten.

Liever staan bij de ingang van uw tempel

dan wonen bij mensen zonder God of gebod.

12 Heer, u bent onze zon,

u bent ons schild,

u, God, verleent geluk en roem;

aan wie onberispelijk leven,

geeft u alle goeds.

13 Almachtige Heer,

gelukkig is wie op u vertrouwt.

 

 

PSALM 95††††††† LUISTER NAAR DE HEER

 

 

1 Laten wij zingen voor de Heer,

hem uitbundig toejuichen,

hij is voor ons een rots,

hij is ons behoud!

2 Laten wij naar de tempel gaan,

hem hulde brengen,

uitbundig toezingen.

3 Want de Heer is een grote God,

een machtig koning,

groter en machtiger

dan alle goden.

4 Hij beheerst de diepten der aarde,

de toppen van de bergen.

5 Zee en land behoren hem toe,

hij heeft ze gemaakt.

6 Kom,

laten wij neerknielen, ons buigen,

hem onze dank brengen.

Hij heeft ons gemaakt.

7 Hij is onze God,

wij zijn zijn volk;

hij is de herder,

wij zijn de kudde.

Luister toch

naar wat hij nu te zeggen heeft:

8 ĎWees niet koppig als jullie voorouders.

Zij daagden mij uit in de woestijn,

bij Meriba, bij Massa.

9 Wat had ik niet voor hen gedaan?

Ze hadden het zelf gezien

en toch stelden ze mij op de proef.

10 Zij waren mij een ergernis, veertig jaar lang.

Het was een wispelturig volk,

ze trokken zich niets van mij aan.

11 Toen heb ik woedend bij mijzelf gezworen:

Nooit zullen zij het land bereiken,

waar ik hun rust wilde geven.'

 

 

PSALM 121††††† DE HEER WAAKT OVER JE

 

 

1 Een pelgrimslied.

 

Ik kijk naar de bergen.

want vandaar verwacht ik hulp.

2 Te hulp komt mij de Heer,

die hemel en aarde gemaakt heeft.

 

3 De Heer voorkomt dat je struikelt,

hij waakt over je,

nooit verslapt zijn aandacht.

4 Nooit slaapt of sluimert hij,

hij waakt over IsraŽl.

5 De Heer zal je beschermen,

hij gaat met je mee;

de Heer geeft je schaduw:

6 overdag zal de zon je niet steken,

's nachts de maan je niet ziek maken.

7 De Heer houdt het kwaad op een afstand,

hij neemt je in bescherming.

8 Waar je ook gaat of staat,

de Heer waakt over je,

nu en altijd.

 

 

PSALM 122††††† VRAAG GOD OM VREDE VOOR JERUZALEM

 

 

1 Een pelgrimslied.

Uit de bundel van David.

 

Wat was ik blij toen zij zeiden:

ĎKom, we gaan naar het huis van de Heer.'

2 Jeruzalem, we hebben je bereikt,

we zijn nu binnen je poorten.

3 Jeruzalem, hecht gebouwde stad,

omgeven met machtige muren.

4 Naar jou komen de stammen van IsraŽl,

de stammen van de Heer;

hem komen zij eren,

dat is hun opdracht.

5 Hier, in Jeruzalem,

regeert het huis van David,

hier spreken de koningen recht.

 

6 Vraag God om vrede voor Jeruzalem,

om voorspoed voor wie van haar houden,

7 om vrede binnen haar wallen,

om veiligheid in haar vesting.

8 Uit liefde voor mijn verwanten en vrienden

wens ik Jeruzalem vrede toe.

9 Uit liefde voor de tempel,

het huis van de Heer, onze God,

vraag ik voor haar om welvaart.

 

 

PSALM 124††††† GOD STAAT AAN ONZE KANT

 

 

1 Een pelgrimslied.

Uit de bundel van David.

 

'Als de Heer niet aan onze kant stond

- IsraŽl kan het niet genoeg herhalen -

2 als de Heer niet aan onze kant stond

toen de vijanden ons aanvielen,

3 dan hadden ze hun woede op ons gekoeld,

ons levend verslonden;

4 dan had het water ons meegesleurd,

hadden de golven ons overspoeld:

5 we zouden zijn verzwolgen.'

6 Dank aan de Heer:

aan de vijand gaf hij ons niet ten prooi.

7 Als een vogel zijn we ontsnapt uit het net;

het net scheurde en wij zijn ontkomen.

 

8 Te hulp komt ons de Heer,

die hemel en aarde gemaakt heeft.

 

 

PSALM 125††††† WIE OP DE HEER VERTROUWT

 

 

1 Een pelgrirnslied.

 

Wie op de Heer vertrouwt,

staat als de berg Sion

onwankelbaar vast.

2 Zoals de bergen Jeruzalem omringen,

zo omringt de Heer zijn volk, nu en altijd.

3 Hij laat het land van zijn getrouwen

niet in de macht van het kwaad;

wie hem dienen,

zouden hun geloof verliezen.

4 Heer, wees goed

voor wie u zijn toegedaan,

voor wie onkreukbaar zijn.

5 Maar vernietig wie slinkse wegen volgen.

vernietig allen die kwaad bedrijven.

Vrede voor IsraŽl!

 

 

PSALM 126††††† DE HEER HEEFT IETS GROOTS VOOR ONS VERRICHT

 

 

1 Een pelgrimslied.

 

Het was als een droom:

Jeruzalem, door de Heer hersteld,

in oude glorie.

2 We konden weer lachen,

van vreugde juichen;

alle volken zeiden:

ĎDe Heer heeft voor hen iets groots verricht.'

3 De Heer heeft voor ons iets groots verricht,

wat waren we gelukkig!

 

4 Heer, herstel ons in oude glorie,

zoals de regen de droge beken vult.

5 Ook al zaait een mens onder tranen,

hij zal oogsten in vreugde;

6 al gaat hij in droefheid voort

met de zaaikorf aan de heup,

zingend komt hij van het land

met zijn armen vol schoven.

 

 

PSALM 127††††† DE HEER GEEFT WAT NODIG IS

 

 

'Een pelgrimslied.

Uit de bundel van Salomo.

 

Als de Heer het huis niet bouwt,

bouwen de mensen voor niets.

Als de Heer de stad niet bewaakt,

waakt de wachter voor niets.

2 Het geeft je niets

van 's morgens vroeg tot 's avonds laat

te zwoegen voor je eten.

Aan de mensen die hij liefheeft

geeft de Heer wat nodig is,

zelfs als ze slapen.

3 'Kinderen zijn een geschenk van de Heer:

met hen beloont hij de ouders.

4Flinke zonen zijn voor een vader

als pijlen voor een soldaat.

5 Gelukkig de man

die zijn koker vult met zulke pijlen:

hij heeft niets te vrezen

als tegenstanders hem aanklagen.

 

 

PSALM 130††††† IK KIJK UIT NAAR DE HEER

 

 

1 Een pelgrimslied.

Heer, ik zie geen uitweg,

u roep ik te hulp.

2 Luister naar mij,

luister aandachtig, smeek ik u.

3 Heer, als u acht staat op onze fouten,

kan niemand zich meer staande houden.

4 Maar u weet te vergeven,

daarom hebben we ontzag voor u.

 

5 Ik heb alle hoop op de Heer gevestigd,

ik vertrouw op zijn bevrijdend woord.

6 Ik kijk uit naar de Heer,

met meer verlangen

dan nachtwakers naar de morgen,

naar het aanbreken van de dag.

7 IsraŽl, vertrouw op de Heer,

want de Heer heeft ons lief,

hij bevrijdt ons altijd weer.

8 Hij zal IsraŽl bevrijden van alle fouten, hij alleen.

 

 

PSALM 131††††† MIJN HART IS TOT RUST GEKOMEN

 

 

1 Een pelgrimslied.

Uit de bundel van David.

 

Heer, ik ben niet hooghartig,

ik kijk niet op anderen neer;

ik streef niet na

wat mij te boven gaat,

wat onbereikbaar voor mij is.

2 Mijn hart is tot rust gekomen,

ik ben niet langer gejaagd;

als een kind in de armen van zijn moeder,

zo rustig ben ik.

3 IsraŽl, vestig alle hoop op de Heer, nu en altijd.

 

 

PSALM 137

HOE ZOUDEN WE KUNNEN ZINGEN OP VREEMDE GROND?

 

 

1 Wij zaten aan Babels rivieren

en huilden als we dachten aan Sion.

2 Aan de wilgen daar

hingen wij onze lieren.

3 Wie ons gevangen hielden,

ons onderdrukten,

wilden dat we vrolijk waren,

vroegen ons te zingen:

'Zing voor ons,

een van die liedjes over Sion.'

4 Maar wie kan zingen voor de Heer

op vreemde grond?

5 Jeruzalem, als ik jou vergeet,

mis ik liever mijn hand.

6 Als ik niet meer aan jou denk,

als ik jou niet boven alles stel,

boven iedere vreugde,

mis ik liever mijn tong.

 

7 Heer, vergeet nooit

hoe de Edomieten schreeuwden

op die dag dat Babel Jeruzalem innam:

'Haal omver die stad,

maak haar met de grond gelijk!'

8 Babel, spoedig word ook jij verwoest.

Gelukkig wie jou vergelden

wat jij ons hebt aangedaan.

9 Gelukkig wie jouw kinderen grijpen

en tegen de rotsen te pletter slaan.

 

 

PSALM 147

AAN ZIJN VOLK HEEFT DE HEER ZIJN WIL BEKENDGEMAAKT

 

 

1 Eer aan de Heer!

 

Ja, het is goed voor onze God te zingen!

Goed is het hem te eren met een lied!

2 De Heer bouwt Jeruzalem weer op,

IsraŽls ballingen brengt hij terug.

3 Hij geneest wie gebroken zijn,

hij heelt al hun wonden.

4 Hij die het getal der sterren bepaalt,

elk van hen oproepen kan.

5 Onze Heer is groot, oppermachtig,

zijn wijsheid heeft geen grenzen.

6 Wie zich voor hem buigen, richt hij op,

maar wie hem niet willen kennen, werpt hij neer.

 

7 Zing ter ere van de Heer een lied,

speel voor onze God op de lier.

8 Voor hem die de hemel bedekt met wolken,

voor hem die de aarde met regen doordrenkt,

voor hem die het gras op de bergen laat groeien.

9 Hij geeft aan het vee zijn voer,

aan de raven het voedsel waar zij om schreeuwen.

10 Hij vindt geen voldoening in de kracht van een paard,

een leger sterke soldaten geeft hem geen vreugde.

11 Wie ontzag voor hem hebben, die zijn hem lief,

wie op zijn goedheid vertrouwen.

12 Jeruzalern, verkondig de lof van de Heer,

bewijs eer aan uw God, o, Sion.

13 Hij zorgt dat de grendels van je poorten niet breken,

dat je bewoners in welvaart leven.

14 Hij laat vrede heersen binnen je grenzen,

hij geeft je een overvloed aan tarwe.

15 Hij stuurt de bevelen op de aarde af,

zijn woord is een snelle bode:

16 de sneeuw laat hij vallen als vlokken wol,

als stof strooit hij de rijp neer,

17 de hagel gooit hij rond als stukken steen!

Wie is bestand tegen de koude die hij stuurt?

18 Op zijn bevel ook begint het te dooien,

hij laat een zachte wind waaien

en daar gaat het water stromen.

19 Ja, aan IsraŽl heeft hij zijn wil bekendgemaakt,

aan ons, zijn volk, gaf hij zijn wetten en geboden.

Niet aan de andere volken, niet aan hen,

zij hebben geen weet van zijn wetten.

 

Eer aan de Heer!

 

 

PSALM 148††††† LAAT HEEL DE SCHEPPING GOD EREN

 

 

Eer aan de Heer!

 

Laat heel de hemel eer brengen aan de Heer,

allen daar in de hoge!

2 Eer hem, engelen,

eer hem, hemelse krachten,

3 eer hem, zon en maan,

eer hem, stralende sterren,

4 eer hem, hoogste hemel,

eer hem, wateren daarboven!

5 Ja, hem, de Heer, moeten zij eren,

want op zijn bevel zijn ze ontstaan.

6 Hij houdt ze voor altijd in stand,

hij stelt de wetten

die geen van hen overtreedt.

 

7 Laat ook de aarde hem eren!

Zeemonsters en diepe oceanen,

8 vuur en hagel, sneeuw en nevel,

stormen die zijn bevelen uitvoeren,

9 bergen en heuvels,

de bomen met vruchten en de ceders in het woud,

10 wilde beesten en tamme dieren,

al wat kruipt en al wat vliegt.

11 Eer hem, koningen en volken,

vorsten en machtigen der aarde,

12 mannen en vrouwen,

jong en oud.

13 Ja, hem, de Heer, moeten zij eren,

hij is groter dan al wat bestaat, hij alleen,

zijn luister gaat hemel en aarde te boven.

 

14 Ook IsraŽl moet hem eer bewijzen,

het volk dat zijn gunst geniet,

dat hem nabij is,

want hij heeft het aanzien gegeven.

Eer aan de Heer!

 

 

PSALM 150††††† LAAT AL WAT ADEM HEEFT DE HEER PRIJZEN

 

 

1Eer aan de Heer!

 

Eer God in zijn heilige hemel,

eer hem om het machtige firmament,

2 om zijn krachtige daden,

om zijn onmetelijke grootheid.

3 Eer hem met hoorngeschal,

met harpen, lieren en trommen,

4 eer hem met vreugdedansen,

met spel op gi taren en fluiten,

5 sla de bekkens,

de luidklinkende bekkens.

6 Laat ales wat adem heeft

de lof zingen van de Heer.

 

Eer aan de Heer!

Terugkeren naar de homepage van Renaat


Laatst bijgewerkt op 27 april 2001