JACOB WILLEBRANDS

EN DE MELKITISCHE COMMUNITEIT VAN MONNIKEN - LAVRA NETOFA


De communiteit is er ook op gericht de verzoening tussen Joden en Palestijnen te bevorderen.


LAVRA NETOFA, DE KIEM DRGBLOEM

Lavra Netofa werd geboren uit het verlangen om als christelijk monnik te delen in het avontuur van het Joodse volk dat terugkeert naar zijn oude vaderland en ook uit verlangen om aan de oude plaatselijke Kerk haar eigen monnikenleven terug te geven.

Het eerste verlangen werd in mij gewekt door een oom, Pater Dr. Laetus Himmelreich ofm., een bijbelgeleerde die mij als jongen erg aansprak door met grote liefde te spreken over het Joodse volk. Ik trad in 1936 als jongeman van 18 jaar in de Trappistenabdij te Zundert. Mijn oom werd in 1942 wegens zijn vrijmoedig spreken ten gunste van de Joden naar het concentratiekamp van Dachau gebracht en daar, omdat hij een open been had, als proefkonijn gebruikt. Men spoot hem allerlei serums in, zodat hij in 1945 Dachau als invalide man verliet, maar zijn geestkracht was niet gebroken. Hij kwam al spoedig naar onze abdij waar hij twee conferenties gaf die op mij een diepe indruk maakten. Hij zei o.a. "In psalm 117 is IsraŽl de voorzanger die alle volkeren uitnodigt tot de lof van God en dit gaat nu pas goed beginnen". Ik stond versteld dat hij dit durfde te beweren na alles wat was voorgevallen. Hij zei ook dat hij het avontuur van de terugkeer naar Palestina zelf wilde meemaken.

Onmiddellijk kwam de gedachte in mij op: "Hij is te oud en te invalide om dat te doen, maar jij, die heel de oorlog zo intens beleefd hebt, zou dat kunnen". Hoewel men in de abdij veel nadacht over een nieuwe stichting, was er geen enthousiasme voor het Midden Oosten. De oude abt zei me: "Je bent nog jong en ik wil je niet missen, maar als God het wil, wordt de weg geopend". Dit laatste woord gaf mij een geweldige moed. Het hoefde dus alleen Gods wil te worden!

 

ZUNDERTSE JAREN

In de abdij kreeg ik alle mogelijke baantjes: organist, ondercantor, koster, kleermaker, liturgiedocent, maar ook al heel spoedig de taak van novicenmeester voor de twee noviciaten. De abdij bruiste van leven. Er waren altijd zo'n 15 jongeren die de eerste 4 jaar in het monastieke ideaal geÔntroduceerd moesten worden. Ik gaf ze conferenties en het drong toen pas goed tot mij doůr dat heel het christelijke monnikenideaal eigenlijk in Palestina en Egypte begonnen is. Er bestaat nog een rijke literatuur daarover. In verband met mijn eigen verlangen om naar IsraŽl te gaan, begon ik mij toen ook af te vragen: 'Waarom een Westerse Orde overplanten naar een Oosters land wat zijn eigen monnikenleven heeft?"

Bovendien waren de Trappistenstichtingen in China, Japan en Afrika, waar heel de Europese levensstijl met huid en haar werd overgeplant voor mij geen aantrekkelijk voorbeeld. Er was geen ruimte om zich echt te integreren in het volk waar men kwam. Ik begon er over te denken om als eenling te gaan, opname te vragen als monnik in de plaatselijke melkitische Kerk en te proberen haar eigen monnikenleven van binnenuit opnieuw te bezielen, zonder ook maar een trappist van zijn roeping los te weken.

 

STUDIE IN ROME

In 1960 bood de jonge abt van Zundert mij aan een jaar in Rome te studeren. Ik koos toen voor het Oosters Instituut dat mij een uitstekende inleiding gaf, zowel in Oosterse theologie als in de geschiedenis en de spiritualiteit. Aan het einde van dat jaar Rome was ik 25 jaar Trappist. Ik deed een retraite in Tre Fontane en sprak met enige vertrouwde professoren over mijn diep verlangen naar IsraŽl te gaan.

Zij raadden mij aan het nog eenmaal klaar en uitvoerig voor te leggen. 'Wordt het aanvaard, dan ga je, wordt het afgewezen, dan moet je het ook voorgoed vergeten'. ik schreef mijn verlangen beknopt naar de abt, en stelde voor er langer over te beraadslagen. De abt verlangde dat ik niet naar Zundert, maar naar Westmalle zou gaan. Daar overlegden wij samen elke donderdag, vijf weken lang, en tenslotte kreeg ik de zegen om naar IsraŽl te vertrekken. Wat jaren een verlangen was, werd nu in enkele weken een feit: op 17 augustus 1961 betrad ik de IsraŽlische bodem.

Ik blijf Zundert zeer dankbaar, want de vorming aldaar is een belangrijke basis geweest voor mijn verdere leven.

 

OP ZOEK NAAR EEN GUNSTIGE PLEK

Mgr. George Hakim, de melkitische aartsbisschop van Galilea had mij geschreven dat hij geÔnteresseerd was in een monastieke stichting: 'kom en zie !". Ik realiseerde mij al spoedig dat ik op de juiste plaats was, maar dat ik enkel theoretische kennis had, zowel van het volk als van het land. Daarom vroeg ik een jaar als observer te mogen leven: een half jaar in Arabisch en een half jaar in Joods milieu. Ik moest ook een serieus begin maken met de twee talen: Ivriet en Arabisch. Ik kende enkel wat bijbels Hebreeuws. Ik woonde 4 maanden in Akko en nam daar de geestelijke zorg voor het bejaardenhuis waar. Daarna een half jaar in Jerusalem waar ik een intensieve ulpan deed en tenslotte nog twee maanden in Esfiya op de berg Karmel, waar ik mij verder oefende in het Arabisch. Aangezien ik geheel zonder middelen was en de overgang van ritus in Rome op zich liet wachten, ging ik zelf mijn zaak bepleiten in Rome en maakte daarna in Nederland wat propaganda voor de nieuwe stichting.

In december 1962 keerde ik terug naar IsraŽl met een Nederlandse kandidaat, Theo Koperdraat, en een andere van Frans-Joodse afkomst sloot zich ook bij ons aan. De bisschop bood ons een kleine villa aan even buiten de stad Nazareth. Het huis was leeg en wij kregen het allernoodzakelijkste huisraad zoals bedden, dekens en keukengerief van het seminarie. De bisschop bood ons ook een terrein van 5 hectare aan, niet ver van de berg Thabor, in de vallei van Esdrelon.

Het was heel vruchtbare grond en het bisdom had daar wel 200 hectare, die zij ons later wilde geven, maar het lag vlak aan de grote weg Afula-Tiberias. Je zou er alle oppervlakkige bezoekers krijgen die nog een half uurtje op hun schema vrij hadden. Bovendien was de plaats snikheet in de zomer en niet bijzonder mooi. Na verschillende picnics van een dag besloten wij eenstemmig dit voorstel niet aan te nemen en uit te zien naar een meer afgelegen plaats. De bisschop kon dit nauwelijks begrijpen. Wij zeiden hem ook dat wij geen rijke grootgrondbezitters wilden worden en dat dit geen goed getuigenis zou zijn, zowel ten opzichte van onze Christenen als van niet-Christenen. Ik begon dus uit te zien naar een andere plaats. De allereerste was Ma'aloui, een verwoest Arabisch dorp, niet al te ver van Nazareth. De tamelijk nieuwe kerk en de pastorie stonden er nog. Vlakbij lag nog een orthodox kerkje dat heel stijlvol was en volgens de Orthodoxe bisschop zouden wij dat ook mogen gebruiken. Na twee en een half jaar inspanningen viel het plan in duigen. De bisschop had achter onze rug om het hele stuk land aan de Staat verkocht!

Om een lange geschiedenis kort te maken: wij vonden in totaal zes plaatsen die geschikt leken voor een monastieke stichting. Wij bewogen hemel en aarde om te slagen, maar de regeringsinstanties vonden steeds motieven om te weigeren.

Tenslotte vonden wij een prachtige plaats die wij na 9 maanden onderhandelen ook konden kopen. Wij vroegen aan de bisschop: "Bent U het met ons eens als wij ditmaal niets vragen"? Hij zei: "Dit lijkt mij zelfs de enige manier om voeten in de aarde te krijgen".

 

DE PIONIERSJAREN

Op 17 juli 1967 - een paar weken na de zesdaagse oorlog, terwijl IsraŽl nog een euforie was om al de nieuwe gebieden - trokken wij met een tent en wat huisraad naar de top van de Netofaberg bij Deir Hanna. De plaats was schitterend. maar er was niets: geen toegangsweg, geen bebouwde grond, geen water, geen huis. Twee tractoren hadden de grootste moeite om ons boedeltje langs een smal paadje naar boven te krijgen. Het was hartje zomer en het halve dorp kwam naar boven om 'het klooster' te zien. Zij vonden enkel 3 monniken in een tent en dronken al het water uit onze enige ton, want zij waren allemaal dorstig! Eťn der eerste werkzaamheden was: met een bulldozer en met behulp van een paar weg-ingenieurs een soort toegangsweg te banen naar de top. Daarna kwam de nieuwe jeep en konden wij het eerste bouwmateriaal voor de barakken naar boven brengen. Er moesten 6 beschermingsmuren van 30 meter aangelegd worden om de grond van de kunstmatige terrassen vast te houden tegen erosie en wij begonnen te graven aan onze eerste waterput. Na 3 maanden juist voor de winter - stonden onze barakken, maar onze financiŽn waren volledig uitgeput.0008

Ik ging terug naar Nederland waar ik al 5 jaar niet geweest was om wat steun te zoeken. De eerste winter was zeer streng. Toma plantte de eerste boompjes en de anderen gingen door met de waterput. Na een jaar werd ik op het matje geroepen bij de gouverneur van Galilea en zijn ingenieur. In eerste instantie wilde ik naar voren brengen dat onze Kerk 2000 jaar in IsraŽl tegenwoordig was, dat er vanaf de eerste eeuwen hier monniken waren geweest, dat wij 6 jaar tevergeefs hadden gepoogd voeten in de aarde te krijgen. Onze bisschop had beloofd dat hij - nadat wij 3 maanden ter plaatse waren - de autoriteiten zou inlichten dat wij op de wettig gekochte grond een klooster begonnen waren. Maar de bisschop werd tot patriarch gekozen en vertrok naar Damascus en wij zaten een jaar zonder. Tenslotte besloot ik niet zo hoog van de toren te blazen. Ik zei: "Volgens Ottomaans recht - wat nog geldig was - mag je altijd een hutje neerzetten op je bouwland. Ook dat de bisschop het plan had gehad hen op de hoogte te stellen". Zij bekoelden en zeiden dat wij konden blijven, dat het bestaande gebouwtje in tekening moest worden gebracht, maar dat wij absoluut niets mochten bijbouwen zonder uitdrukkelijk bouwverlof en dat dit geen streek was waar ook maar iets gebouwd mocht worden.

00010Maar wij moesten voortleven. Wij vroegen om een bouwvergunning en kregen die niet. Na 2 jaar verrees er een tweede gebouwtje van steen niet ver van de top, zonder enige vergunning. Wij zagen ook uit naar een plaats voor de eredienst, want een pijpenlade was tegelijk bibliotheek, kapel en slaapplaats. Niet ver van de barakken lag een lap grond met een oude grot erin. De grot had een mooie ronde ingang. Het kostte mij 3 jaar visites op alle Moslimfeesten bij de eigenaar en heel wat koffie werd geplengd alvorens wij dat stuk grond in handen kregen. Maar rond Pasen 1970 was het zover en ik wilde geen tijd verliezen met erin te gaan werken. Toma vond dat het een tweede waterput moest worden, maar ik hield voet bij stuk dat een waardige eredienst de voorkeur verdiende.

Vanaf dat ogenblik hield Toma zich vooral bezig met het planten van wel duizenden boompjes, - wat ook nodig was - maar liet mij en enkele vrijwilligers met de taak 3 meter naar de diepte uit te hakken en een nieuwe toegang te maken.

De grot is 13 bij 7 meter en dit vroeg 3 jaar gestadige en harde arbeid. In mei 1973 werd de grotkapel ingewijd door Mgr. Joseph Raya. Het was een ontroerende plechtigheid en veel vrienden waren aanwezig.

 

MONSEIGNEUR JOSEPH RAYA

Mijn tweede bisschop, Monseigneur Joseph Raya droeg ons in de jaren van zijn bisschopsambt hier altijd een warm hart toe. Hij begreep en waardeerde onze aanwezigheid en ais we bij hem kwamen, voelden we ons thuis. Hij had ook een actief Madonnahouse gesticht in HaÔfa en leden daarvan kwamen ons regelmatig bezoeken. Monseigneur Raya inspireerde verschillende Arabische jongeren tot zeer vruchtbare projecten: Souad begon met een gebedsgroep die zich uitbreidde over verschillende plaatsen. Kamil Shehadeh, die met zijn vriend Sami Shami dikwijls bij ons kwam, begon na zijn huwelijk met Agnes Bieger met "House of Grace" in Haifa. Dit is niet alleen een home voor ex-gevangenen, ongehuwde moeders, maar voor allerlei personen in moeilijke situaties en dit tot op de huidige dag.

Twee merkwaardige figuren: Sara en Moshe

IsraŽl is een pelgrimsland en al heel spoedig kreeg men er de lucht van dat er ergens op een berg in Galilea een nieuw klooster was. In de loop van de jaren kregen wij gasten en vrijwilligers uit alle delen van de wereld. Er waren heel spirituele mensen bij, maar ook veel jongeren die nog aan het begin van hun geestelijke ontdekkingstocht stonden, kwamen overal vandaan: uit China, Japan, Roodhuiden uit Canada Amerika en heel Europa. Een enkeling moesten we "afvoeren". Met velen maakten we mooie en soms ook komische ervaringen mee.

Ik wil hier twee merkwaardige figuren vermelden die voor langere tijd bleven.

- Sara Den Hollander, een Nederlandse weduwe van 65 jaar, die al een kankeroperatie achter de rug had, hoorde van een vriend over ons en schreef dat ze graag voor een tijdje wilde komen. Nadat haar eerste man tijdens de oorlog door de Duitsers was neergeschoten en ze alleen 5 kinderen had opgevoed, huwde ze met een weduwnaar die 12 kinderen had. In totaal voedde ze 17 jongeren op. In twee brieven meende ik haar definitief te hebben afgepoeierd om bij ons te komen: veel te primitief, geen stromend water, geen elektriciteit, geen telefoon of televisie. Maar zij danste met de brieven rond de tafel en liet weten: " Dat is precies wat ik zoek. Ik kom. En ze kwam twee keer voor ruim een half jaar en pakte van alles aan. Eťn dag in de week deed ze op haar eentje de hele was die met de hand moest gedaan worden. Maar je moest dan wel bij haar uit de buurt blijven!

 

- Een ander was Moshe Rappaport, een orthodoxe jood uit New York. Als oudste van 10 kinderen was hij door zijn vader voor een jaar naar een yeshiva in Jerusalem gestuurd - hij had veel familieleden in rabbinale kringen - maar had in die tijd niets van IsraŽl gezien. Hij kwam thuis terug en zei: "Vader, ik heb gehoorzaamd, maar nu wil ik IsraŽl op mijn eigen manier gaan verkennen". Ze lieten hem gaan. Hij kwam in kibboetsen, waar ze hem uitlachten om zijn ongewone manieren en kleding. Hij klopte aan op de Thabor en in Stella Maris bij Haifa en werd onvriendelijk afgewezen. Maar hij had iets van een ontdekkingsreiziger en liet zich niet zo maar uit het veld slaan. Op een of andere manier hoorde hij van ons en het klikte meteen. Met korte onderbrekingen is hij alles tesamen ruim drie en een half jaar bij ons geweest. Wij stonden in die jaren wel steeds onder "rabbinaal toezicht". Zijn vader en verschillende ooms kwamen herhaaldelijk, maar de sfeer was altijd cordiaal en ze lieten hem vrij. Ik had hem ook gezegd: "Moshe, drink uit je eigen bron". Hij was heel goed thuis in Bijbel en Talmoed, maar ook geÔnteresseerd om meer van Jezus en de Kerk te leren kennen. Hij hield geweldig van de natuur, maakte een begin met onze wijngaard en ook met het maken van wijn. Op een dag had hij 200 flessen gebotteld, maar aangezien hij erg kippig was, zat er in de meeste teveel om te kunnen kurken. "Dat is geen bezwaar", zei hij en met zijn mond dronk hij van allemaal te top af. Bij de theepauze verscheen Moshe in beschonken toestand. Wij kregen die dag juist een groep topfiguren van de Wereldraad van Kerken. Er moest effectief gehandeld worden. Moshe werd op een stretcher gelegd en naar zijn hut gevoerd. Hij moest uit het zicht zijn! Je kon wel eens boos op hem worden, maar je kon het niet blijven, want hij had iets zeer beminnelijks. Als hij moest koken, kookte de hele keuken mee en zuchtten de afwassers. Je moest ook niet verwonderd zijn als hij opeens voor de dag kwam met gebakken aardappelen die hij op een primus in de WC had gebakken. Op de grote christelijke feestdagen stond hij erop om in de kerk wieroker te zijn. Er was altijd een behoorlijke blauwe damp. Hij voelde het Oosten precies aan!

 

TIENJARIG BESTAAN OP DE BERG EN REKRUTERING

Op 16 juli 1977 vierden we ons tienjarig bestaan op de berg. De bisschop, Monseigneur Maximos, enkele priesters en een veertigtal vrienden van dichtbij en van ver kwamen het feest meevieren. Er zat nog geen deur in onze grotkapel en juist voor ik de bisschop wilde binnenleiden, schoot onze hond naar beneden. Hij deed daar wel eens stiekem een middagdutje op een warme dag! "Weg met die hond", zei Monseigneur. De hond droop grommend af. Er is nu eenmaal "baas boven baas"!

Natuurlijk zijn we zeer geÔnteresseerd in roepingen uit het land zelf, maar met verloop van tijd is het ons ook duidelijker geworden dat dit niet zo vanzelfsprekend is. Er zijn hier als eeuwenlang vrijwel geen monastieke roepingen meer geweest. Het huwelijk staat zeer centraal. Het is hier bijna ondenkbaar dat de oudste zoon van een familie priester of religieus wordt: hij moet het geslacht voortzetten. Er is een grote solidariteit: alle gewichtige beslissingen worden genomen door je vader en moeder en grote broers en zussen. Er bestaat eigenlijk geen privacy. De buurman kan ten allen tijde binnen lopen en alles meemaken, mee eten en mee bedisselen.

Bovendien hebben onze christenen, als een kleine minderheid in het land, een groot verlangen om op de sociale ladder op te stijgen. Het monnikenleven is bij definitie een staat van nederigheid en ongekend zijn. Dit staat voor hen gelijk met jezelf wegwerpen!

Maar een jonge Arabische christen uit Jeruzalem was twee keer bijna een jaar bij ons om het toch te proberen. Hij kende Arabisch en Hebreeuws, Engels en wat Frans en had een goed hart en geloof. De gebedstijden gingen hem behoorlijk goed af, behalve het vroege opstaan, maar de stille uren in de namiddag, als hij op zijn eentje moest mediteren en lezen, waren voor hem ondraaglijk. Oosterlingen zijn veel minder individueel dan wij. Zij leven en bewegen zich in hun familie en houden van eindeloze socialisatie. Alles moet door rechtstreeks contact ontvangen worden en niet door een boek. De arbeid en vooral koken en wassen vond hij een ontspanning. Het monnikenleven in IsraŽl vraagt behalve liefde voor de stilte en de afzondering ook een openheid voor alle lagen van de bevolking zowel voor Joden als Palestijnen, voor Christenen en voor de meerderheid die op een andere manier leven. Wij hebben vertrouwen dat er mettertijd eenlingen zullen zijn die dit aandurven.

 

HARARIT EN ONZE WETTELIJKE ERKENNING NA 26 JAAR

Vanaf 1967 tot 1978 hadden wij heel rustige jaren op de berg. Mensen die ons absoluut wilden bezoeken moesten of per jeep of tractor of te voet 3 kilometer naar boven klauteren, voor een deel langs een tamelijk steil pad. Er was dus een natuurlijke selectie en men dacht 3 keer na alvorens met dit avontuur te beginnen. Vanaf 1979 hoorden we dat de Staat in Galilea een reeks nederzettingen had gepland. Ook de tweede top van de Netofaberg was daaronder. Dat was al te dicht bij ons en wij namen onmiddellijk contact met het ministerie voor religieuze zaken en het lnterfaith Comitee waarvan we sinds lang lid zijn. Wij vroegen of de nederzetting niet wat verder van ons af, meer naar het westen gepland kon worden. Temeer omdat er ook een toegangsweg van 13 kilometer werd aangelegd langs de bergrug, iets wat stromen bezoekers zou opleveren! Vanaf 15 augustus 1979 waren er meerdere ontmoetingen met het hoofd van de geplande nederzettingen, Dr. Ra'anan Weisz. Soms was dit bij ons, soms ook werden we naar Jerusalem, Tel Aviv of HaÔfa ontboden. Wij brachten dan tot hun verwondering en ongenoegen ook enkele lsraŽlische vrienden mee, die uitstekende pleitbezorgers waren voor het ideaal van de Lavra en wat dit voor hen betekende.

Er werd ons beloofd dat Hararit nauwelijks zichtbaar zou zijn vanuit ons, dat er enkel op de westelijke flank gebouwd zou worden, maar toen de eerste karavanen verschenen in 1980 bleek dit een ijdele belofte te zijn. Ze bouwden hoe langer hoe dichter bij. Nu zelfs tot aan het einde van hun grond.

Wij probeerden voor zover mogelijk alles in der minne te schikken. Met individuele families hadden wij goede betrekkingen, maar er waren ook doordrijvers bij die al het Staatsland wat rondom ons lang wilden inpikken voor Hararit. Om daar alvast een begin mee te maken, lieten ze de "groene patrouille" aanrukken, die op een vroege regenachtige wintermorgen 3 hectare van onze jonge boompjes uitrukten en vernietigden. Toen wij onze plantvergunning lieten zien, trokken ze af, maar de schade was aangericht en werd niet vergoed.

Met hand en tand hebben wij jarenlang gestreden om wettelijk erkend te worden door de staat en om het Lavra karakter van ons klooster te bewaren. Wij zorgden dat de Landautoriteiten en het joodse nationale fonds letterlijk overstelpt werden met brieven uit binnen- en buitenland die allen sympathie betuigden met onze stichting. Na 26 jaar van eindeloze onderhandelingen, reizen en wijzigingen in ons bestemmingsplan werden wij eindelijk in 1993 officieel goedgekeurd en werden alle bestaande gebouwen gelegaliseerd. Bij de laatste etappe kregen we veel steun van de regionale burgemeester van Misgav, Arik Raz en leden van zijn bouwbureau. Wij zijn dankbaar dat het nu zover is, maar zouden dit proces niet graag een tweede keer herhalen.

 

BRAND EN OORLOG

We hadden al eerder kleine branden gehad, maar op 14 juni 1983 raakte de vuilverbranding van Deir Hanna buiten controle. Rond elf uur's morgens komt er vaak een sterke wind opzetten en dat was die dag ook het geval. Binnen de kortste keren vlogen de vlammen de berg op en stond heel het oostelijk deel in lichte laaien. Wij probeerden de geiten die buiten graasden, binnen te brengen, maar ook daar kwamen de vlammen binnen een ommezien. Een deel moesten we afslachten wegens te erge brandwonden. Vanaf de bibliotheek tot aan de barakken, van beneden tot op de top was alles zwartgeblakerd. Het smeulde nog een paar dagen en we moesten steeds opnieuw blussen. Daarna leek het wel een maanlandschap! Toen het vuur al in de cipressen dicht bij de barakken was, sloeg de wind plotseling om en konden we het vuur meester worden. We hadden nog dagenlang de schrik in het lijf. De coniferen waren allemaal reddeloos verloren, maar al het andere gewas kwam na een jaar we fris omhoog vanuit de wortels!

Tijdens de Kippoeroorlog konden we 's avonds het vuur van de gevechten zien, niet ver van het meer, maar tijdens de Libanon-oorlog in 1982 kregen we een zeer persoonlijk ervaring. Er is op een 12 kilometer van ons af in de heuvels een groot ammunitiedepot. Men had daar oude bommen teruggebracht en op 18 juli ontstond er een kettingontploffing. Gedurende 4 uur vlogen op zondagmiddag de scherven rondom ons een radius van wel 15 kilometer. Wonder boven wonder werd niemand van ons geraakt, hoewel we ons af en toe moesten verplaatsen. Wel vloog door de trilling het grote gebrandschilderde raam van de kapel eruit; het het was niet meer te herstellen.

Op eerste paasdag 1982 stierf in Jerusalem onze goede vriend Marco Ringnalda. Hij had het bij ons 7 maanden geprobeerd en werkte daarna als assistent bibliothecaris bij de JezuÔeten in Jerusalem. Hij was tamelijk eenzaam, was plotseling gestorven en bleef 4 dagen onopgemerkt in zijn kamer liggen. Daarna moest er een lijkschouwing gedaan worden. Zijn familie was heel dankbaar dat wij hem bij ons wilden begraven. Dat gebeurde op 18 april 1982. Het was tevens voor ons een goede gelegenheid om ons mooie nieuwe kerkhof in gebruik te nemen. Er is nog plaats genoeg.

 

ENIGE HEUGLIJKE FEITEN VAN DE LAATSTE JAREN

Op 20 december 1987 streek Gustavo Costanzo uit ArgentiniŽ na lange omzwervingen bij ons neer. Hij werd op 1 december 1988 postulant, begon zijn canonieke noviciaat op 25 mei 1989 en deed zijn solemnele professie op 7 juni 1992. Hij zorgt voor het onderhoud van onze behuizing, voor machines en voertuigen en schildert iconen. Kees Suijkerland uit Nederland kwam op 3 februari 1993 naar de Lavra, waar hij in de afgelopen 20 jaar meermalen op bezoek was geweest. Werd rasofoor van de communiteit op 2 april 1994. Hij is wasbaas, ploegbaas en koster met zorg voor alles wat tot de Liturgie behoort.

De 18e juli 1992 vierden we ons 25-jarig bestaan op de berg. 200 vrienden uit heel IsraŽl en daarbuiten kwamen onze vreugde en dankbaarheid delen. Monseigneur Maximos Salloum was ook aanwezig en gaf Jakob de wijding van hegumen (archimandriet).

In september 1995 begonnen we met de bouw van een grote waterput en een langgewenst afzonderlijk gastenhuis. Wij hadden bekwame en toegewijde werklui uit Deir Hanna. De winter was nogal mild, zodat er steeds doorgebouwd kon worden en rond Pinksteren 1996 was het huis bewoonbaar. Het is eenvoudig maar met goede smaak uitgevoerd. Gedurende de grote vasten van 1999 renoveerden we ook onze barakken die er al 32 jaar staan. Er was geen geld om iets heel nieuws neer te zetten, maar alles ziet er weer aantrekkelijk uit en de officiŽle keuken en refter keerden naar die plaats terug. Behalve de 4 monniken hebben wij voor langere tijd 3 uitstekende vrijwilligers die met bekwaamheid onze lasten verlichten. Wij hebben al zo vaak gezien dat God op onverwachte wijze oplossingen en nieuwe situaties schept die onze eigen plannen overstijgen. Ik heb dat ervaren met het vinden van de plaats na 6 jaar, met onze grotkapel, met roepingen zowel voor onszelf als andere roepingen die wij mochten helpen wekken. Wij gaan dus met vertrouwen de toekomst tegemoet.

 

MONASTIEKE GESCHIEDENIS

Nu enige woorden over ons monastiek ideaal. Toen de jonge Kerk niet langer vervolgd werd en haar profetisch karakter begon te verliezen, waren er een aantal Christenen die inzagen dat ook zij dreigden geseculariseerd en gecompromitteerd te worden in dit proces. Deze mannen en vrouwen namen een zeer dramatische beslissing: zij gingen naar de rand van de samenleving om met God te verkeren in eenzaamheid en stilte. Door dit te doen gaven deze pelgrims een sprekend voorbeeld, zowel voor hun tijdgenoten als voor latere geslachten. Deze eerste christelijke 'eenzaten' hadden allemaal dit gemeen, dat zij verlangden God te vinden door zichzelf te vinden. Om dit te volvoeren, vroegen zij om de genade de zinsbegoocheling en de misleiding waarop hun identiteit tot dan toe was gebaseerd, te mogen verliezen. Zij wilden van nu af gewoon zichzelf zijn.

Maar dat is geen gemakkelijke taak. Alle dragers van de Geest zullen beamen dat 'de langste reis, die naar binnen is! Wij vinden God door onszelf te ontdekken en bij ons zoeken naar God ontdekken wij meer wie wijzelf eigenlijk zijn. Thomas Merton heeft dat heel goed verwoord: 'De vlucht van deze vroege pelgrims naar de woestijn was een weigering tevreden te zijn met argumenten, begrippen en een technische omhaal van woorden. Zij zochten een weg naar God die zij alleen konden vinden, niet een die al gegeven was door iemand anders in een gezette stereotiepe vorm" (The wisdom of the desert. p. 6).

Zodra de Kerk vrij was stroomden er - niet alleen uit Palestina zelf maar ook uit alle delen van de christelijke wereld, mannen en vrouwen naar de woestijnen en eenzame plaatsen van het land waar heel de heilsgeschiedenis zich had afgespeeld. Zij hadden daarbij voor ogen het Joodse volk dat 40 jaar in de woestijn werd opgevoed, Mozes, de vertrouweling van de Heer, Elias, Johannes de Doper, maar vooral Jezus zelf, de Verlosser van de wereld die het grootste deel van zijn korte aardse leven in verborgenheid doorbracht. Zij wilden in zijn voetspoor treden. leder zocht een dosering van eenzaamheid die hem of haar het beste paste. Er waren en zaten die diep in hun grot nagenoeg aan geen gemeenschappelijke eredienst deelnamen. Anderen kwamen enkel voor het weekend uit hun schuilplaats. In heel wat communiteiten werd het getijdengebed tezamen gevierd. Er waren zelfs monniken die de verzorging van de Liturgie op zich namen in de grote heiligdommen: de verrijzeniskerk in Jerusalem, Gethsemani, Bethlehem, de Thabor en Tabgha. Jerusalem ontwikkelde een dramatische jaarcylus die gretig door de Kerken overal ter wereld werd overgenomen.

Na drie eeuwen van intense bloei waarin bijna heel het volk gekerstend werd: Joden, Samaritanen. heidenen en NatabeeŽrs en waarin het land bezaaid werd met kloosters, kwam de Arabische verovering in 638. Aanvankelijk waren de nieuwe machthebbers gematigd en werden de Christenen niet vervolgd, maar de kloosters namen sterk af en ook de geestelijke vorming van het volk. De kruistochten deden aan de plaatselijke Kerk geen goed: de eigen hiŽrarchie werd voor 200 jaar verdreven.

Toen na de nederlaag van de kruisvaarders de rekening aan de plaatselijke Christenen werd gepresenteerd en hun situatie veel moeilijker werd, kozen velen voor een overgang naar de Islam. De kerk, die vrijwel geheel orthodox was, leidde een uiterst moeizaam bestaan. Byzantium had al zijn luister verloren en viel weldra in handen van de Turken. Het patriarchaat van Jerusalem kwam vanaf 1450 tot heden in Griekse handen. Het was goed dat er tenminste leiders waren, al spraken zij niet de taal van het volk.

In de zeventiende eeuw ontstond er in heel het Midden Oosten een beweging onder bisschoppen, monniken en gelovigen die een vereniging met Rome voorstond, maar met behoud van heel hun eigen erfgoed. Vanaf 1 720 bij de keuze van een nieuwe patriarch werd dit een feit. De bisschop van Acco sloot zich daarbij aan. Dat de Christenen van Galilea nu voor het overgrote deel n-let Rome verenigd zijn, is voornamelijk het werk van een monastieke communiteit, het Verlossersklooster bij Younieh in Zuid Libanon.

Alle landen van het midden Oosten wilden zich vrijmaken van het gehate Ottomaanse juk en daarom vochten zij aan de zijde van de geallieerden in de Eerste Wereldoorlog. Maar zij werden nog niet rijp geacht voor onafhankelijkheid en daarom onder Brits of Frans mandaat gebracht. In Palestina was nog een andere factor werkzaam: het opkomende Zionisme met zijn settlers. leder weldenkend mens zal zich verheugen dat Joden konden terugkeren naar hun oude vaderland, hoewel het land gedeeld moest worden met de Palestijnse bevolking die daar ononderbroken is gebleven. Het is hier niet de plaats het gehele conflict uit de doeken te doen. Het verdelingsplan van 1 947 werd door geen van beide partijen praktisch aanvaard. Men raakte slaags. Er vond er een massale Palestijnse uittocht plaats en het Joodse deel veroverde bijna heel het land. Het is te begrijpen dat de kleine overgebleven Palestijnse Christenheid, die voor een deel uit hun eigen dorpen verdreven werd en daarbij hun land verloor tot heden toe traumatische ervaringen heeft. Ik werd met dit alles geconfronteerd in 1 961. De woonomstandigheden waren in Nazareth, waar ik werd ondergebracht, allererbarmelijkst.

 

DE COMMUNITEIT VAN DE LAVRA NETOFA

In 1963 en 1964 kreeg onze communiteit de officiŽle kerkelijke erkenning van de bisschop en patriarch en in 1 967 konden wij ons vestigen bij de top van de Netofaberg te Deir Hanna in Galilea. Onze eerste taak is de voortdurende omgang met God in gebed zowel in gemeenschap als alleen. Wij moeten de Heer van de oogst vragen dat hij werkers zendt in zijn wijngaard. De schitterende natuur van de plaats en de eenvoud van ons leven -zonder elektriciteit, telefoon, televisie, zelfs zonder stromend water helpen mee om de stilte en de contemplatie te bevorderen. Wij kozen voor de vorm van de Lavra waar iedere monnik wel afzonderlijk leeft, maar waar gebed, arbeid en maaltijden gemeenschappelijk zijn.

Ons land telt maar 2.5 % Christenen, nauwelijks 150.000. Wij begrijpen daarom dat de gastvrijheid anders moet zijn dan in Europa. Wij moeten ons ook openstellen voor Joden en Moslems en voor ongelovigen. Aangezien de lsraeli's niet naar de buurlanden kunnen, met uitzondering van Egypte, wordt heel het land intensief bezocht. Nu onze grotkapel eenmaal ontdekt is, komen er vooral op sabbath en op feestdagen honderden bezoekers en zo mogelijk willen zij graag enige uitleg hebben. zij komen uit alle lagen van de bevolking en over het algemeen met veel respect en sympathie. Met de Moslems uit de omgeving hebben wij ook de beste betrekkingen. Ook zij komen graag voor bezoeken en zijn niet verlegen om hun noden uit te zeggen. Wat onze eigen plaatselijke Christenen betreft: hun positie is verre van gemakkelijk. zij zijn een dubbele minderheid tussen Joden en Moslems en krijgen dat bij gelegenheid duchtig te voelen. Als scheuten in de jungle hebben zij een sterke drang om op de sociale ladder op te stijgen. Daarom is de nederigheid van het monastieke leven niet bepaald wat zij zoeken. Zij zijn blij dat wij er zijn, komen graag voor een kort bezoek, ook al om hun behoeften te etaleren, maar menen dat ons ideaal niet voor hen is.

Het vraagt tijd om hen inzicht te geven dat het monnikenleven een wezenlijk element is van het Christendom en dat het in de plaatselijk Kerk een grote rol heeft vervuld. Jammer genoeg is er in heel het Midden Oosten, maar ook in IsraŽl een ontstellende uittocht van jonge christelijke intellectuelen, die ter plaatse geen toekomst zien. Wij hebben jaarlijks minstens 50 Joodse lsraeli's die bij ons voor een tijd van bezinning komen. Aangezien IsraŽl een land is dat veel toeristen trekt, hebben wij over de jaren ook enkele duizenden jongeren uit heel de wereld bij ons te gast gehad. Zij hebben ons bij de opbouw van de plaats geweldig geholpen en het is ook voor ons verrijkend om te ervaren wat er in hen leeft. Sinds 30 jaar heeft Lavra Netofa het Hebreeuws als eerste liturgische taal. Wij voelen ons daar wel bij en het kweekt geen verwijdering van onze plaatselijke Christenen, want zij weten dat wij allen gelijkelijk liefhebben. Trouwens, als op een zondag de meerderheid van de kerkgangers Arabisch blijkt te zijn, gaan wij minstens gedeeltelijk over op die taal.

Lavra Netofa telt nu 4 leden. Dat is geen groot aantal na al die jaren, maar wij hebben ons leven in Gods hand gegeven. Het is Aan Hem om te bepalen wat Hij ermee doet. Wij hebben zoveel zegeningen ontvangen dat wij in vertrouwen verder gaan. Ik ben door volk en land nog even gefascineerd als op de eerste dag en geloof dat er hier voor ons allen grote dingen op het spel staan: kansen die genomen of gemist kunnen worden. Moge het een nieuwe jeugd worden voor heel het volk van God.

 

jac in b03jacob%2001%20kjacob%2004%20kjacob%2005%20k

jacob%20en%20agnes%2002%20kgalil%2001%20k

 

Br. Jakob Willebrands

 

DAGORDE

4.15 - Ontwaken

4.45 - Dageraadsofficie - Eucharistie

6.30 - Ontbijt - Arbeid

12.45 - Middagofficie

13.00 - Tijd voor lezing, meditatie, studie

17.00 - Vespers

17.45 - Avondmaaltijd

18.45 - Kleine recreatie

20.30 - Begin van de nachtelijke stilte


Het werk van abt Willebrands wordt ondersteund door een Nederlands - Belgische vriendenkring, waar iedereen lid van kan worden.

Secretariaat

Voor Nederland:

Jucunda Frumau-Willebrands

De Kempenaarstraat 1

2613 BZ DELFT

 

Voor BelgiŽ:

Pastoor J. Ghijs

Sint-Antoniuskaai 14A

9000 GENT - +32.9.266.87.21

 

Padre Renaat De Paepe

Bakkerstraat 3

9860 LANDSKOUTER tel. 0486/51.41.43

e-mail: renaat@renaat.be

 

FinanciŽle ondersteuning is welkom op:

Nederland: Gironummer 497476 t.n.v. Stichting Lavra Netofa De Kempenaarstraat 1 Delft

Banknummer: 3134.14.025 (Rabobank Delft), t.n.v. Stichting Lavra Netofa

 

BelgiŽ: P.C.R. 979-2826545-67 van Pastoor Ghijs

VDK 891-1740133-60 van Renaat De Paepe



Terugkeren naar de homepage van de Vrienden van Galilea

 


Laatst bijgewerkt op 26 mei 2007door Renaat