DAGBOEK UIT TIBNINE - LIBANON

 

class=WordSection2>

BELUFIL 1

oktober 2006 - februari 2007


 

DAGBOEK UIT TIBNINE (01)

 

zondag 8 oktober 2006

De zondagsviering in Landskouter met Gregoriaanse gezangen, een afscheidsgroet door de voorzitter van het kerkbestuur, lekker tafelen met (schoon)broer(s) en zussen en nog lang napraten bij koffie en gebak, noten en kastanjes rapen en foto’s nemen, nog even met Soezie (mijn moto) naar de andere zusters in Baarle en ondertussen genieten van het prachtige Theresia-nazomertje, de laatste spullen pakken en broodjes smeren als lunchpakket voor morgen, een allerlaatste bezoekje aan vriendelijke buren met ultieme richtlijnen voor post en eventualiteiten, een kaaskroketje met een glas wijn ... en toch noch na twaalven doodmoe mijn bedje induiken voor enkele luttele uurtjes slaap...

 

maandag 9 oktober 2006

... en om het uur op de wekker kijken, klaar wakker, om toch tijdig te vertrekken naar Melsbroek. Het uur van rendez-vous is vastgesteld op 6 uur. Even na 4.30 uur is mijn trouwe chauffeur er. Hij is een man die de militaire deugd bezit zich te haasten om nadien te kunnen wachten, en dus altijd ruim intijds is. De klaarstaande reistassen en rugzak wegen als lood (Renaat, wat neem je toch allemaal mee? Zijn je koffers niet al eerder vertrokken? Ben je misschien voor jaren weg?...), maar geen gezeur, er is plaats genoeg in het Peugeotje, en na een kleine détour via nr 11 waarvan de bewoners in vliegende vaan op straat staan en lang nawuiven, snellen we de E40 op.

35 Minuten later zoeken we een parkeerplaatsje bij de incheckbalie van de militaire luchthaven. Bij navraag mag de bagage onmiddellijk op de weegschaal geplaatst worden, en in de kortste keren is alles gescand en via het rolsysteem verdwijnt ze uit ons blikveld.

Een rugzak met proviand en drank, een fototas en een laptop sleur ik naar boven.

‘Voor de kolonel’ zegt de adjudant mij, als hij een foto maakt van mijn gezicht;

‘hier een stralingsmeter en teken daar af, a.u.b.’ zegt een tweede.

Oef, ik ben er, en nu ‘wachten’ want de vlucht is gepland om 8 uur, maar ik krijg gelijk als even later een wijziging verschijnt: vertrek om 9 uur. Dus: ... wachten ...

Ik groet de twee leden van de federale politie die ons vervoegen, drink een koffie met Guido, de secretaris van onze aalmoezeniersdienst, en zie dan plots mijn zus en schoonbroer binnenkomen. Het wachten duurt niet lang in goed gezelschap, en zelfs mijn ‘baas’ Johan komt mij uitwuiven.

Ik ben de laatste die door de scanner stap, op weg naar de airbus, bestemming Beiroet.

Even nog nawuiven, stil en ongemerkt een traan met de mouw afvegen, en de trap afdalen naar het tarmac, terwijl honderden ogen op het terras ons willen vasthouden, maar de opdracht wenkt... en we gaan er voor!

Adieu, klein Belgenland, waar mensen uitslapen van een dolle verkiezingsnacht, of ontgoocheld draaien en keren en zich afvragen wat er misgegaan is omdat ze niet tot de ‘uitverkorenen’ behoren; adieu, lievelingen, tot binnen vier maanden; het moge jullie allen goed gaan!

 

Het is na 13.30 uur als we landen op de internationale luchthaven van Beiroet, na een vlotte vlucht waarbij ons zelfs een warme maaltijd werd aangeboden. Ik zit hier nu met mijn lunchpakket, maar wees gerust, het kom nog van pas. De landing over zee en stad was spectaculair; ik vermoed dat er geen geluidsnormen bestaan en geen buurtcomités die de luchthaven willen sluiten, maar onze ‘laagvlieger’ liet ons bijna binnenkijken in wat wij veronderstellen achterkeukens te zijn van de huizen die afwisselend hoog optorenen, dan weer omringd zijn door prachtige tuinen met luxe zwembaden; nu eens aan de branding van de zee staan, dan weer ingebed zijn op de heuvels rondom de stad. Ik meen het enorme Mariabeeld te onderscheiden dat de stad beheerst.

De formaliteiten beperken zich tot een alfabetische paspoortcontrole en op een wip staan we buiten de luchthaven, die op mij een grote indruk nalaat: echt internationaal, mag zeker gezien worden!

Witte bussen van de UN brengen ons naar een parkeerplaats ... om te kunnen ... wachten in een temperatuur van ca 30°! We staan er twee uur en kort na half vijf lokale tijd zetten we eindelijk aan, richting Tibnine, een ritje van een drietal uren.

Tibnine ligt in het zuidoosten van Libanon, op ongeveer 15 km van de Israëlische grens, en een 20-tal km van de Middellandse zee. Onze compound ligt tegen een heuvel aan en wordt gedeeld met een Pools logistiek detachement van ca 70 soldaten. Ons Belgisch detachement van 400 officieren, onderofficieren en beroepsvrijwilligers komen uit een infanterie-eenheid, uit genie, een medisch detachement, een logistieke eenheid en een groep communicatie-informaticasystemen. Met onze aanwezigheid, in het kader van de UNO-resolutie, willen wij de burgerbevolking van Libanon, en dan vooral in onze regio, ondersteunen met het detecteren en onschadelijk maken van mijnen en niet-ontplofte tuigen, onze ‘engineers’ voeren structurele taken uit, zoals grondwerken, ons medisch detachement staat ten dienste van de Unifil-legers en de burgerbevolking met een heus hospitaal, en dit gebeurt alles in een vriendelijke sfeer met respect voor de eigenheid van de bevolking. Het infanteriedetachement beschermt alle Belgische soldaten in de uitvoering van hun taken.

 

Bij aankomst wacht ons een stevig avondmaal. Nadien zoeken we een grote hangar op om ons veldbed te plaatsen en ons een beetje te installeren. Ons verblijf in deze reuzetent is voorlopig, en we zien uit naar de dag dat we een definitieve slaapplaats toebedeeld krijgen in de 4-persoonstentjes die nog moeten opgesteld worden. Het wordt voor mij geen 22 uur vooraleer ik aan horizontale meditatie toe ben. Het Libanon-avontuur is begonnen.

 

dinsdag 10 oktober 2006

Ik ben één van de laatsten om de nieuwe dag te begroeten. De nacht door werd ik gekweld door een zwerm vraatzuchtige muggen die mij als slachtoffer hadden uitgekozen en mij geen moment gerust lieten. Pas tegen de morgen gaf ik mij over, moe geslagen, kapot gekrabd, vol met venijnige bobbels vol jeuk, én dus niet zo uitgerust! Deze avond span ik mijn muskietennet (als ik het terugvind in één van mijn koffers) en probeer zo de strijd te winnen. Mij zullen ze geen tweede keer ‘opeten’!

De dag licht op als ik de tent verlaat, maar ik heb nog maar enkele stappen gezet of ik blijf staan, één en al verwondering. Ik zie de zon van achter de heuvels rijzen, in al haar glorie werpt zij haar bundels stralend licht over het firmament, doorbreekt wolken en verdrijft sluiers, contouren van bossen en dorpen maken zich los van de zwarte oneindigheid waarin ze verscholen zaten; heuvels en dalen beginnen een morgendans terwijl van uit een minaret die als een naald de horizon doorpriemt de oproep tot gebed klinkt en bevestigt wat elke mens moet erkennen: Allah alakbar : God is groot!

Ik loop terug naar de tent en haal mijn wapen, mijn Canon, en vereeuwig een schoonheid waaraan de meesten onverschillig voorbij lopen. Wie laat zich nog raken door het grootste overwinningslied op de dood dat ook zonder menselijke tussenkomst eindeloos blijft klinken? Zo een dag kan niet meer stuk. Mijn zending start onder een goed gesternte! ik neurie het zegelied mee en telkens weer welt het van binnen op en komen de woorden voor mijn geest: “Mijn God, wat een vreugde, mijn God wat ...”

 

De zoektocht in de compound begint: een zoektocht naar wie zich waar bevindt, en waar ik voor wat moet zijn! Het zal enkele dagen duren vooraleer ik er wijs uit geraak. Ik maak kennis met onze officieren, voor zover ik ze niet mocht kennen, ik observeer de door elkaar wriemelende mensen en voertuigen die zich van her naar der begeven, lasten verplaatsen, containers hoog in de lucht tillen en zacht neerzetten op de juiste plek; anderen openen kisten en toveren ingenieus uitgedachte tenten op nieuw aangelegde plateaus, tankwagens met water bevoorraden keuken en sanitair, kilometers kabel verbinden centrales met ver of dichtbij zijnde telefoonposten, schildwachten beveiligen elke toegang, staan bezoekers vriendelijk te woord en groeten al wie voorbij komt. In de werkplaatsen sleutelen onze mekaniekers aan een defecte pandoer; anderen zorgen voor de stroomvoorziening van het reusachtige veldhospitaal, terwijl wachtende Libanezen aanschuiven voor een verzorging of een consultatie bij de dokter.

De dag verglijdt zonder dat ik goed besef waar alle momenten heen zijn; in een korte tijdspanne is al het licht uitgedoofd en is een heldere sterrenhemel de bode van een frisse nacht. Na de dagelijkse stafvergadering en het avondmaal zoek ik mijn nachtverblijf op en lees nog een uurtje, totdat omstreeks 22.30 uur de lichtschakelaar wordt omgedraaid. Ik hoor de muggen nijdig zoemen en zich te pletter storten op het fijn gaas dat mij als een cocon omringd. Met een kort avondgebed leg ik mij neer ... en denk aan jullie.

 

woensdag 11 - donderdag 12 oktober 2006

Ik begin een zekere routine te ervaren in de dagindeling, waarbij de maaltijden en de koffiepauzes voor- en namiddag en avond van elkaar onderscheiden. Aangezien ik nog geen werkplek heb, breng ik mijn dagen door met lezen, ik knoop gesprekken aan met wie zoals ik wachten op een vaste stek, een internetverbinding, een schrijftafel een telefoon... Het is niet wat je zoudt denken, dat er hier een vergeten groep mensen rondloopt de van geen tel zijn, niets is minder waar. Ik besef dat bij de opbouw van een nieuwe compound prioriteiten zijn gesteld, en dat sommige realisaties moeten wachten. Weet dat, vóór wij hier aankwamen, de compound plaats bood aan een honderdtal soldaten, terwijl wij met 460 man extra toestuiken, en dat heeft zo zijn consequenties wat logement, keuken, sanitair, communicatie en medische installaties betreft, nog gezwegen over parkeerplaatsen voor alle voertuigen, werkplaatsen voor onderhoud en de ruimte voor het veldhospitaal en andere diensten.

De bedrijvigheid waarover ik gisteren schreef houdt aan, en elke avond ziet onze compound er anders uit dan de avond voordien. Ik sta in bewondering voor de planning en de uitvoering van dit immens project, voor de denkers en de doeners. Af en toe zie je één van de Poolse collega’ ten tonele verschijnen, vooral bij de etenstijden zijn ze voltallig; anders slagen ze er wonderwel in zich te verstoppen, en je kan je afvragen met wat ze zich nog onledig houden; volgende week vertrekken de meesten naar huis, op hun opvolgers moeten we nog wachten.

‘s Namiddags ga ik op stap met iemand van de MP (militaire politie): we willen een bezoek brengen aan de priester van de kerk die we opmerken achter de heuvel. We vinden de kerk en het parochiehuis gesloten, maar vriendelijke buren zeggen ons dat de priester er alleen op zaterdag en zondag is, dus we keren onverrichter zake terug. De wandeling buiten doet deugd!

 

vrijdag 13 oktober 2006

Met kolonel Walter rijd ik vandaag naar El Naqoura waar het hoofdkwartier van de UN in Libanon gevestigd is. Het is een rit van anderhalf uur, van het bergland naar de zee, met prachtige vergezichten, onder een stralende blauwe hemel, door dorpen en gehuchten waar de oorlog hevig gewoed heeft.  Ik was in Kosovo en zag de sporen van de oorlog, ik was in Afghanistan dat probeerde recht te komen na verschillende conflicten, maar de ravage in de Libanese dorpen overtreft alles. Hele wijken liggen tegen de grond, maar vooraleer er te komen zie je dat veel wegen al een reparatie achter de rug hebben, dat bommenkraters gevuld zijn, en bedekt met een nieuw laagje asfalt. De oorlog heeft de infrastructuur van het land grondig aangetast, of moet je zeggen op een meesterlijke wijze vernield? Langs de wegen in de dorpen hangen de portretten van de imams, van ayatollah Khomeini, van Libanese vrijheidsstrijders, van de leiders van Hezbollah en Amal, en de gele vlaggen met groene logo’s wapperen strijdlustig in de wind alsof ze duidelijk willen maken dat hun organisaties levenskrachtiger zijn dan ooit.

Overal wordt puin geruimd en is men gestart met de wederopbouw. De Libanezen schijnen over een onvermoeibare werkkracht te beschikken en een ijzeren wil om niet te buigen voor de agressor en te laten zien dat er, ondanks alles, geld en middelen beschikbaar zijn waarvoor Hezbollah tekent. Hezbollah heeft naast een militaire vleugel ook een politiek en sociaal netwerk dat sterk verweven is in de Libanese maatschappij en zorgt onder meer voor onderwijs en verzorging.

Als wij door de dorpen rijden in onze witte wagen met zwarte UN-letters zien we kinderen wuivend de hand opsteken, jongeren maken het vredesteken, en af en toe is er wel één die ons duidelijk laat zien dat we niet gewenst zijn, en maar beter ophoepelen.

Onze houding tegenover de partners in het conflict is er één van absolute neutraliteit. Wij zijn niet ‘voor’ of ‘tegen’, maar kiezen resoluut voor hulp en steun aan de burgerbevolking, want wij zijn niet ongevoelig voor het leed dat mensen getroffen heeft.

In het hoofdkwartier doet ieder zijn ding, en ik zoek mijn Poolse collega op die ook volgende week vertrekt. Na een vlug middagmaal keren we terug naar Tibnine, blij dat ik niet in het hoofdkwartier moet verblijven.

Al bij al is het geen zwarte vrijdag (de 13-de) geweest.

 

zaterdag 14 oktober - zondag 15 oktober 2006.

Een bij momenten hevige wind is komen opzetten en belooft niet veel goeds voor de komende uren en dagen. Het regenseizoen is in aantocht en niemand kan voorspellen hoeveel neerslag en met welke frequentie de hemelsluizen zullen geopend worden.

Deze namiddag keer ik terug naar de kerk van de Grieks-Katholieke gemeenschap. De Grieks-Katholieke kerk (of de Melkieten) gaat terug naar de kerk van de Apostelen, heeft de Byzantijnse liturgie gemeen met de Orthodoxen, maar dan in de volkstaal, en wordt geleid door bisschoppen en patriarchen die door Rome benoemd worden, zij maakt dus deel uit van de Katholieke Kerk. De synode is het belangrijkste beleidsorgaan, voorgezeten door Gregorios III (Mgr. Lutfi Laham), patriarch van Antiochië, Alexandrië, Jeruzalem en van heel het Oosten. Deze kerk ligt mij nauw aan het hart omdat zij ook in Palestina en Israël aanwezig is, en onder meer père Emile Shoufani en bisschop Elias Shakour in Galilea zijn er vooraanstaande leiders.

Tevergeefs bel ik aan, en weer staan de vriendelijke buren mij te woord en zeggen dat de priester gewoonlijk aanwezig is. Zij zullen hem vragen voor 18 uur naar ons kamp te komen, want ik wil voor de briefing met hem de mogelijkheden bespreken om met onze soldaten deel te nemen aan de zondagsviering. In afwachting van zijn komst zet ik mij neer op een stenen muurtje bij de slagboom, en probeer nog wat te lezen, maar de ongemakkelijke houding maakt het mij zeer moeilijk. Als hij er om 10 na 6 nog niet is, begeef ik mij naar de briefing, en durf toch voor te stellen om aan te sluiten bij de zondagsviering in de kerk om 9 uur. Graag had ik bij voorbaat kolonel Herman op de hoogte gesteld van mijn voorstel.

Later op de avond komt Abouna Maurice er toch door, vergezeld van zijn zoon en een ander man die als tolk fungeert. Ik breng hem ook naar de kolonel, en het licht staat op groen om deel te nemen aan de viering. Voor velen is het een verrassing te horen dat er in de Katholieke Kerk van Rome plaats is voor gehuwd priesterschap, voor mij een gelegenheid om daarover wat meer te vertellen.

In de nacht begint het te regenen. Ik hoor het getik van vallende druppels op het tentzeil, dat weldra overgaat in een enorm geroffel als het water met bakken uit de hemel valt. Hier en daar lekt het tentzeil, en ik ben niet de enige die een stuk plastiek boven zijn veldbed span, om niet in een zwemb(e)(a)d te moeten slapen.

Het regent ‘s morgens nog, korte vlagen die soms met oorverdovend lawaai enkele minuten aanhouden om dat plots weer op te houden. Je gelooft het of niet, maar als we vertrekken naar de kerk die op amper 7 minuten gaans ligt, overvalt een regenbui ons, en niets kan verhinderen dat wij kletsnat tot op de huid arriveren. Niemand laat het aan zijn hart komen, want als één man, schouder aan schouder, elkaar beschuttend, worden de laatste meters afgelegd.

Abouna Maurice wacht ons lachend op en begroet mij minzaam. Ik zal concelebreren, en bepaalde teksten in het Frans bidden. De Liturgie van Johannes Chrysostomos is mij niet onbekend, en meermaals mocht ik concelebreren met bisschoppen en priesters van de Melkitische kerk.

In de viering zingt en bidt het volk van harte mee, de mooie eenvoudige kerk is bijna tot de nok gevuld en voor onze soldaten is de viering een echte meevaller. ‘Padre, volgende week komen wij graag terug!’

Nadien komen mensen ons spontaan groeten en vier zusters van een lokale gemeenschap nodigen ons uit hun basisschool te bezoeken. Een 300-tal kinderen lopen er school, waarvan ruim tweederden moslim zijn. Dit zegt wel iets over de verstandhouding tussen moslims en christenen in Tibnine. Maar vandaag zit er geen bezoek in, omdat dit niet de afspraak is.

Buiten aan de kerkmuur vangen we een blik op van een trotse burcht die Tibnine beheerst en gebouwd werd door de kruisvaarders. Ook dat monument willen velen bezoeken. We zien wel wat mogelijk is.

De zondagnamiddag verstrijkt met een iets langere siëst, wat lectuur, koffieklets, de avondbriefing en een bezoek aan het Libanese restaurant op 400 m van ons kamp. Af en toe kunnen we eens van de Libanese keuken genieten, en met een 8-tal mensen tafelen in een ‘echt’ restaurant maakt er een echte ‘zon’dag van.

Jammer dat er geen arakje bij is, als afsluiter...

 

Zo lievelingen, de eerste week zit er op. Morgen is het acht dagen geleden dat ik in Tibnine aankwam. De tijd kroop deze week soms voorbij, op andere momenten voelde ik mij meegezogen in een stroomversnelling en meende tijd te kort te hebben; het zal jullie ook wel eens overkomen.

 

maandag 16 oktober 2006

Rond half zes word ik wakker. Door het tentzeil breekt het eerste gefilterd morgenlicht dat schemerend de ruimte vult: onder het muskietennet en het stuk beschuttend plastiek blijf ik naar één puntje boven mij staren en ik zou terug wegglijden in de armen van Morpheus, gehypnotiseerd door de oneindigheid die loert vanuit een scheur in het dekzeil, maar ik word aangetrokken door de hallucinante constructies die her en der de loods vullen en langzaam hun geheimen prijsgeven naarmate het licht zachter en helderder wordt: geraffineerde creaties van gaasdoek en touw, kunstig gesponnen als een reuze-spinnenweb, opgehangen aan een spankabel in de tent, of vastgekleefd met oersterke tape aan een containerwand; binnenin schuilt ‘leven-in-wording’ dat zacht zuchtend of met gestaag gesnurk zijn ‘opstanding’ aankondigt... De nieuwe dag komt er aan, de week begint...

De mess (het restaurant) is open van 6 tot 8 uur, toch wacht ik tot 7.30 uur want meestal is er dan al een plaatsje vrij aan één van de vier tafels; zo niet wordt het ontbijt rechtstaande verorberd, of zittend op de trappen die naar het Pools HQ leiden... naar het schijnt zijn het de laatste dagen dat de maaltijden in open-air genomen worden; de nieuwe tenten worden zo opgesteld.

Ik doe mijn dagelijkse morgenwandeling en groet jan en alleman en ... zonder dat ik het merk is de voormiddag om.

Na de ‘lunch’ rijd ik mee met de PIO (Press Information Officer) en de CIMIC (Civil-Military Cooperation Officier) naar één van de dorpen waar onze ‘engineers’ de komende dagen zullen ontmijnen. Een tolk vergezelt ons. Weerom overvallen mij de beelden van stukgeschoten huizen, hele wijken die de sporen dragen van nietsontziende vernielingen, kogelinslagen in muren en deuren, troostelozen beelden van puinhopen waartussen huisraad steekt; hier hangt een kinderbedje boven de afgrond van een weggeslagen verdieping, daar wappert een familieportret zonder glas aan een stukje muur dat overeind bleef; verderop een moskee met neergehaalde minaret, de plastieken tuinstoelen - opeengestapeld - in een bergplaats met zicht op de binnenruimte waar een reuze gat aangeeft waar de bom de zoldering van het heiligdom doorboorde. Je ziet wat je ziet, en dan denk je aan al het menselijk leed dat je niet ziet...

 

 

Het laatste stukje lopen we mee met een oude man die ons vriendelijk de weg wijst naar het huis van de burgemeester. Zodra onze komst gemeld is, verschijnen er nog twee ‘raadsleden’ ten tonele, echte patriarchenfiguren wiens getaande en gerimpelde gezichten hen een adellijke uitstraling geven. Zij luisteren aandachtig naar de informatie die PIO en CIMIC geven aangaande de komende werken van onze mensen: zij zullen in de omgeving van het dorp de gekende plaatsen met gevaarlijk tuig en niet ontplofte bommen onschadelijk maken en eventueel afvoeren. Zij komen er aan met zware rupsvoertuigen, met pandours en vergezeld van medische ondersteuning. Met onze tolk erbij verloopt het gesprek zeer vlot en de drie ‘stamvaders’ zullen hun dorpsgenoten onze komst aankondigen en hen uitnodigen andere vindplaatsen van gevaarlijk materiaal kenbaar te maken. Nuskur Allah (God zij dank) is meermaals te horen. Vooral de figuur

      

 

van de burgemeester is subliem (foto midden): hij luistert aandachtig, met een glimlach die nooit verdwijnt, met ogen die een innerlijke vrede weerspiegelen; met zachte gebaren beaamt  of onderstreept hij zijn woord, zo sereen en waardig... Ik moet onwillekeurig danken aan de drie mannen die bij Abraham op bezoek kwamen, en hem meedeelden dat zijn vrouw hem een zoon zou schenken, ook al was zij reeds op jaren ...

Zij bieden ons te drinken aan, waar wij niet op in gaan, want wij weten dat de ramadan hen niet toestaat met ons mee te drinken ... zij appreciëren ons gebaar ten zeerste.

Na ons bezoek lopen we nog even het weeshuis van Tibnine binnen, en maken een afspraak met de directeur voor een bezoek later in de week. Onze PIO en CIMIC zullen luisteren naar de noden en zien wat wij kunnen doen. Ik merk op dat ook dit gebouw werd beschoten. Wat is er toen om gegaan in de geesten en de harten van de kinderen en van de opvoeders die hier verblijven? Zal dit trauma van haat en vernieling hen blijvend achtervolgen, hen voor goed tekenen?

 

dinsdag 17 - woensdag 18 - donderdag 19 oktober 2006

Deze dagen verlopen afwisselend: veel zon, en af en toe een regenbui die het land omhult met een ondoorzichtig watergordijn met zondvloedallures en dat op één-twee-drie onze compound herschept in een spekglad modderbad; eens de bui voorbijgetrokken is worden de werkzaamheden hervat en koortsachtig wordt gewerkt om de volgende bui voor te zijn ... en de tenten rijzen op in sneltempo. Ook de mess is nu klaar, en wat een zaligheid om niet meer te moeten aanschuiven in de striemende regen, en op de koop toe droog aan tafels te kunnen zitten en om niet te moeten vluchten en niet te weten waarheen ...

De vier-persoonstenten worden toegewezen en ik zie alleen maar blije mensen die met pak en zak sleuren naar hun nieuw verblijf, dat voorzien is van airco, verwarming, een bed en een kast; een luxe als je weet waar wij vandaan komen ...

Ik hoor dat ik morgen een tafel toegewezen krijg met een laptop-internetverbinding, weliswaar niet voor mij alleen, maar ook dat is een droom na dagen van rondhangen, willen werken en niet kunnen. En misschien zal ik morgen ook mijn intrek kunnen nemen in een slaaptent met alle comfort die erbij hoort!

 

vrijdag 20 oktober 2006

Weg muskietennet, weg plastiekfolie over mijn slaapvertrek, weg veldbed: vandaag verhuis ik!

Ik droomde zo van een heerlijk bed waar ik in lag, onder mijn eigen dekbed, met mijn eigen kopkussen, knus rond mijn nek gestopt ... dat ik bijna te laat was opgestaan. Maar zelden was ik zo vlug op de been als vandaag. Vliegensvlug kleed ik mij aan, na een scheerbeurt en tandenpoets, en onmiddellijk ontdoe ik mijn slaapvertrek van plastiek en gaasnet, ik rol mijn slaapzak en slaapmatje op, stop zo veel mogelijk spullen in mijn rugzak en reistas, en voor ik het besef kijk ik neer op een veldbed tegen een kaal tentzeil op een grof gegoten betonnen vloer en ik vergeet dat ik hier 11 nachten sliep. Rugzak, reistas, slaapzak en -mat staan aan de kant. De kleine exodus doet mij zingend de mess binnenstappen en ik geniet van mijn ontbijt.

Toch duurt het nog tot na de middag eer ik aan ‘verhuizen’ toe ben.

Ik vertrek naar El Naqoura, het hoofdkwartier van de UN, voor wat genoemd wordt ‘een induction-training’. Wij zijn met een vijftiental officieren die de lessenreeks volgen over ‘bommen, mijnen en granaten en hun gevaren’, over ‘UN’ als organisatie, en andere onderwerpen.

We lunchen in het HQ, en aangezien de volgende lesgever niet opdaagt, geeft de kolonel het sein tot terugkeer. Het is 14 uur. Eens terug ‘thuis’ zal ik kunnen verhuizen.

De rugzak en de reistas zijn voor mij te zwaar geladen, dus zoek en vind ik twee vrijwilligers die de klus met een lach klaren. Nu nog de twee metalen koffers wegbrengen die zo lang onder een buitentrap stonden.

Geen mens kan ze verslepen, dus ik ga weer op zoek naar een vorkliftje. “Nu niet, padré, maar deze avond na 8 uur wil ik dat voor u doen’. Ik stem onmiddellijk in, en ik ben dankbaar dat iedereen voor mij in de bres springt.

Voor het avondmaal nog installeer ik mijn laptop en printer op twee plastic tuintafels in een grote bovenruimte die door de staf van de protectiecompagnie gebruikt wordt; dit wordt tijdelijk ons bureel (ons dat zijn Kim, onze RMO en ik) en voor het eerst kan ik mijn mail checken. Ik val bijna omver als ik zie dat er niet minder dan 284 berichten zijn. Eerst en vooral het kaf van het koren scheiden en dan die mails beantwoorden die voor de hand liggen. De tijd vliegt voorbij, de stafvergadering, het avondmaal, het transport van de kisten, het openen ervan en het inrichten van mijn nieuwe slaapruimte; nog niet alles uitpakken, Renaat, want ik moet nog op zoek naar een kast ...

... doodmoe maar zo gelukkig strek ik mij uit op het nieuwe bed, onder mijn eigen dekbed, met mijn eigen hoofdkussen, met mijn kleine leeslamp, de twee kisten boven elkaar als bedkast, ...

Nu kunnen we er ten volle tegen aan, laat de dagen en weken en maanden maar komen ... ik ben thuis!

Nuskur Allah!

 

zaterdag 21 oktober 2006 - zondag 22 oktober 2006

Ik ontwaak in een droomwereld: de zon tovert een warm oranje licht in de tent en roept bij mij een zuiderse sfeer op. Het is geen vakantietijd, maar kunnen opstaan na een heerlijk nachtje slapen spreekt van nieuwe reserves aan energie en enthousiasme. Mijn tentgenoten, twee commandanten, zijn al de deur uit. Ik zie ze straks bij het ontbijt.

Het weekend ligt voor ons en belooft van temperatuur schitterend te worden. Gedaan dus met het stappen in zware grond waardoor je telkens schijnt te groeien door de aangekoekte aarde onder de schoenzolen.

 

Ik neem rustig de tijd om op zoek te gaan naar een kast, en eens die gevonden, moet ze ook nog in elkaar geschroefd worden. Mijn vriend van de federale politie schijnt een specialist ter zake te zijn, en met het nodige materiaal klaren wij de klus in één-twee-drie.

 

      

De rest van de dag organiseer ik verder mijn slaapruimte, lees en beantwoord mijn post en berichten, ik maak mijn dagelijkse wandeling door heen het kamp, steek hier en daar mijn hoofd binnen, ik volg de actualiteiten op de voet via mijn digitale krant op internet en ik bereid mij voor op de zondagsviering bij de Grieks-Katholieken.

Ik trakteer mezelf op een croissant en chocoladebroodje na een tweede heerlijke ‘dreamland’-slaap en onder een stralende zon stappen we met een twintigtal gegadigden naar de kerk. Het moet gezegd dat er meer kandidaten zijn onder de soldaten, maar ook op zondag wordt er gewerkt, zodat om dienstredenen een groot aantal mensen niet mee kan.

Ik stel vast dat allen geestdriftig zijn na de viering, en dit ook niet onder stoelen of banken steken. Voor sommigen gaat een nieuwe wereld open en ontdekken opnieuw een symboliek in de riten, de gezangen, de gebaren, de processies, een symboliek die in onze Latijnse liturgie vaak ver te zoeken is.

Naast de kerk, iets hoger op de heuvel, is een gedenkplaats voor Ierse soldaten. Het gedenkteken vermeldt de namen van 47 soldaten die tussen 1978 en 2001 tijdens UN-zendingen om het leven zijn gekomen.

Op 5 november is er voor hen een speciale viering in de kerk.

Er wordt niet veel gesproken, daarboven, ... zijn wij allen ook niet op zending?

 

Maandag 23 oktober - dinsdag 24 oktober 2006

In El Naqoura wordt ter gelegenheid van de UN-dag een parade gehouden waaraan ook een delegatie Belgische soldaten deel nemen. De dag herinnert aan de stichting van de Verenigde Naties in 1945. De Force Commander, de Franse generaal Pellegrini, zal de parade leiden, en tal van genodigden zullen ze bijwonen.

We vertrekken om 6.30 uur naar El Naqoura met de bus. Een uurtje later komen we aan, klaar voor de algemene repetitie om 8 uur. In de tussentijd drinken we een kop cappuccino. De RSM van dienst, een rondbuikige Ghanees stelt de detachementen op, en dondert over het paradeplein, als een dorpshoofd met zijn verzilverde vuistdikke stick. Het Indische muziekkorps zorgt voor de muzikale noot.

Na de inplaatsstelling van alle genodigden schouwt generaal Pellegrini de troepen, en de UN-vlag, samen met de vlaggen van de deelnemende naties worden gehesen.

 

 

 

Na een korte toespraak is er een plechtigheid waarbij verdienstelijke UN-medewerkers worden onderscheiden met een erekaart. En dan is er frisdrank en toastjes voor iedereen.

Wij zijn terug in Tibnine voor het middagmaal.

In het huis dat de Polen als stafgebouw gebruiken, naast onze keuken en mess, zijn twee lokalen vrij gemaakt voor ons, Belgen. In één lokaal is de dienst ‘Battle Stress Recovery Unit’ ondergebracht, door twee mensen van de medische dienst bemand, en in het ander lokaal krijgt Kim, de RMO (raadgever mentale operationaliteit), en ik een bureau. Deze namiddag kunnen we aan de verhuis beginnen, en zodoende ontkoppel ik laptop en printer in het ene lokaal en installeer alles opnieuw in wat nu een definitief bureel wordt voor de padré. Ook telefoon en netwerkverbinding op een militaire laptop zijn aanwezig, dus wij kunnen iedereen contacteren indien nodig. Oef, dat is dan ook weer in orde.

Ondertussen zijn de mensen naar België teruggekeerd die als opdracht hadden in onze compound alle tenten op te stellen en andere werken uit te voeren, zoals telefoon- en netwerkverbindingen realiseren. De kolonel gaf ze bij hun vertrek een kaart met een foto van de compound mee, een dankbare herinnering.

 

woensdag 25 oktober 2006

Generaal De Vos en zijn adjudant, de twee MP’s en ik verkennen vandaag het kasteel van Tibnine. Het werd gebouwd in 1105 door de kruisvaarders onder leiding van graaf de St. Omer. We stappen 17 minuten van onze compound tot aan de buitenmuren van het fort, en lopen door de toegangspoort het eeuwenoude bouwwerk in. Het poortgebouw is goed gerestaureerd, eveneens enkele grote zalen op de benedenverdieping.

De muren getuigen van de enorme grootte van het fort dat nu nog de valleien beheerst en een schitterend uitzicht biedt op de wijde omgeving. De ligging is zeer strategisch, zoals de meeste burchten die tijdens de kruisvaardersperiodes gebouwd werden. Van einde 11-de eeuw tot einde 13-de eeuw heersten de kruisvaarders met wisselend succes over het toenmalige Heilige Land. In 1187 werden ze door veldheer

 

   

 

Saladdin verslagen in de slag bij Hittim, waardoor Jeruzalem in moslimhanden kwam, maar ze konden nog enkele steden aan de kust behouden tot einde 13-de eeuw.

Wij genieten van de schoonheid van het landschap, van de grootsheid van de burcht, en keren door de smalle straatjes van Tibnine terug.

 

Donderdag 26 oktober 2006

Voor ons detachement is er vandaag hoog bezoek: drie-sterren-generaal Pellegrini, de Force Commander van de UN-troepen in Libanon komt. Hij wordt opgewacht door de detachementscommandanten onder leiding van kolonel Herman en door generaal Hubert.

Na de schouwing van de erewacht is er een briefing waarin ons Belgisch detachement, zijn infrastructuur, zijn taken en opdrachten en alle activiteiten worden voorgesteld.

 

   

 

Nadien wordt hij rondgeleid in het hospitaal, en bezoekt hij op het terrein de mensen van de ontmijningsdienst tijdens hun werkzaamheden.

Met een hartelijk woord van lof en waardering neemt hij afscheid. Het is na twaalven als zijn helikopter onze basis verlaat.

 

vrijdag 27 oktober - zaterdag 28 oktober 2006

Het zijn dagen van pennen geworden om jullie een beetje nieuws te bezorgen uit Tibnine, en het weer biedt daartoe een uitstekende uitvlucht. Regelmatig verdwijnt de versluierde zon volledig en barst een onweer van je welste los, een echt klank- en lichtspel. Na het middageten geniet ik van een siëstje, terwijl de regendruppels met grote virtuositeit neervallen op het tentzeil, soms ondersteund door een hevige donderslag die het drinkglas op mijn metalen kist doet rammelen alsof het wil meedeinen op het ritme van de natuur; de bliksem zorgt voor de nodige lichteffecten; mijn tent is een echte discobar.

De grootste verrassing staat mij te wachten als ik tegen twee uur mijn bureeltje opzoek. Het water sijpelt door een scheur in de zoldering, en komt mij reeds buiten tegemoet. Erger nog is dat mijn schrijfblad met laptop en fototoestel, enkele boeken en alle schrijfbenodigdheden doordrenkt zijn van water. Hier is geen tijd te verliezen, dus ik trek mijn bureau weg uit het gedruppel, ik snel om een dweil en een opneemvod en droog mijn fototoestel en laptop af in de hoop dat er geen schade aan is. Eén na één komen de andere objecten aan de beurt, het papier in de printer kan ik weggooien, mijn reispas en boeken leg ik open om te drogen... Met aftrekker en dweil wordt het meeste water weggenomen. Het zal een tijdje duren vooraleer ik alles terug kan aansluiten op het elektrische net. Samen met Kim heb ik mijn bureau in een ander hoekje van het lokaal gezet; hopelijk zet het water zich niet verder door via de barsten in de zoldering.

En jullie kunnen het wel raden: op die manier komt abrupt een einde aan mijn dagboekschrijverij.

Vandaag is een zus jarig, dus mag ik niet vergeten haar telefonisch te feliciteren. Zij is de oudste van zes en werd geboren kort voor WOII. Soms vertelt zij nog over de indrukken die haar als kind zijn bijgebleven, en ik herinner mij een verhaal over Engelse soldaten die chocolade aan de kinderen uitdeelden. Dan denk ik aan wat wij hier in Libanon soms doen: wat snoepgoed, een gebakje in onze zakken steken, en onderweg aan een kind geven, dat ons verwonderd en dankbaar naoogt. En de kinderen hebben niet altijd ‘vriendelijke’ soldaten’ ontmoet...

Soms zegt ze dat ze te laat geboren is, en graag ook het soldatenplunje zou aangetrokken hebben, om deel te nemen aan de vredesmissies. Een plunje heeft ze weliswaar aangetrokken, dat van religieuze, die ze in hart en ziel is. Nu het internet zijn intrede heeft gedaan in haar gemeenschap kijkt ze elke dag uit naar een berichtje, of naar een foto en wacht gespannen op mijn dagboek, dat ze deelt met al haar medezusters die het reilen en zeilen hier in Tibnine volgen. Ik mag haar niet ontgoochelen.

Tussendoor is er wel de één of de andere die iets komt vragen: een verjaardagskaart maken, een persoonlijke foto nemen voor het thuisfront, of gewoon nood heeft aan een babbel.

Het is nu elf uur ‘s avonds, en ik zit al weer achter mijn laptop en schrijf mijn dagboek verder. Morgen moet het de deur uit!

 

zondag 29 oktober 2006

Sinds vrijdagavond is de bar geopend in de twee tenten die als eetzaal dienst doen en op zaterdagavond blijft hij open tot 12 uur ‘s nachts. Ik waag mij er ook even in, en drink een pint mee, en geniet van de ambiance. Het was hoog tijd dat de riem eens kon afgelegd worden, en dat er een plaats is waar mensen elkaar kunnen ontmoeten. Er wordt poker gespeeld, verteld, gelachen, de sfeer is uitgelaten en niemand treurt dat er een uurtje extra nachtrust bijkomt, want ook wij schakelen over op het winteruur. Aan de wanden van de mess hangen reuzeposters die uit Leopoldsburg komen waarop groeten geschreven staan in alle kleuren en vormen voor de papa’s of partners op zending. Zulke initiatieven doen altijd deugd, maar je moet kunnen rekenen op mensen, zoals die in de ‘Paola’ die een hart hebben voor de militairen op zending, én voor hun gezinnen die achterblijven thuis; mensen die alles doen om de contacten met elkaar gemakkelijk en vlot te houden, die discreet bemiddelen in probleempjes, en te velde met de RMO en de padré de brug slaan met het thuisfront. Bedankt, lieve mensen, voor jullie inzet en gedrevenheid.

Ook deze zondagmorgen verlaten we met een stralende zon onze compound om deel te nemen aan de heilige Liturgie van de Grieks-Katholieke gemeenschap. Abouna Maurice vroeg mij om de preek te houden (in het Frans, natuurlijk) en die heb ik ook voorbereid. Het evangelie vertelt over de blinde Bartimeus die aan de stadspoort Jezus en zijn gevolg hoort naderen en luidkeels roept om genezing. Niemand kan hem het zwijgen opleggen, en hij werpt zelfs zijn mantel af om naar Jezus toe te stappen. Van blinde wordt hij ziende, omdat hij gelooft, zegt Jezus.

Hoeveel mensen ter wereld roepen niet in hun angst, in hun vertwijfeling, in hun wanhoop en verdriet ... en worden niet gehoord, worden niet verhoord, wordt aan hen geen recht gedaan...

... en wat doen wij ?!?

Op de middag verzamelt het detachement Genie voor een groepsfoto, en de fotograaf van dienst, ja, de padré, wordt met een kraan hoog in de lucht geheven om 90 mensen te vereeuwigen, die geschaard staan rond hun tuigen, trappelend in de zware modder die door nieuwe regenval met de dag aangroeit.

Op het ogenblik dat in Leopoldsburg de eerste familiedag plaats vindt, zit ik aan mijn schrijftafel en denk aan jullie allen: aan broers en zussen, aan mijn trouwe vrienden, aan ‘mijn’ mensen van Landskouter en Oosterzele of waar jullie ook wonen, aan de militairen uit de detachementen waarvan ik de padré mag zijn,...

 

Zo lievelingen, de tweede en derde week zitten er op. De tijd vliegt nu wel voorbij. Straks is het november met al zijn verjaardagen, feestdagen, rouwdagen ...

 

maandag 30 oktober 2006

6.30 uur: een kleine aardbeving haalt mij uit dromenland; één van mijn twee tentgenoten, Luc, schoof uit zijn slaapzak en pakt nu zijn spullen samen om naar de wasruimte te gaan. De plankenvloer registreert elke beweging die in kleine schokgolven verder uitdeint en onder mijn bed verstoppertje speelt. Peter, de andere tentgenoot, knippert tegen het zachte morgenlicht dat met de overgang van zomer- naar wintertijd ons verblijf een uurtje vroeger in lichterlaaie zet. Na de eerste indrukken komen de eerste gedachten als een film voorbij gerold, en ik kijk aan tegen een ongewone werkweek met dagen die de kleur dragen van een ‘ander leven’, hoogdagen vol herinneringen en emoties, maar die hier kunnen verschralen tot naamloze kalenderdagen, tot onbeduidende stippen op een monotone tijdslijn.

Ons logementsgedeelte bestaat uit een viertal niveaus, waarvan op de bovenste twee en het onderste niveau de tenten netjes gelijnd staan. Op het derde niveau zijn de sanitaire installaties ingericht: toiletten, wasruimtes en douches. Wil je van het onderste naar het bovenste plateau, dan kijk je tegen een vrij steile klim aan, en als je dit dagelijks veelvuldig doet, garandeer ik je een goede conditie. Aanleunend bij de sanitaire blokken, staan de containers van de wasserij: de industriële wasmachines en droogkasten worden bediend door mensen uit Tibnine; zij zorgen er voor dat de persoonlijke was van de 400 militairen netjes kastklaar afgeleverd wordt, en wie zijn waszak ‘s morgens binnenbrengt vóór 9 uur, kan die na 16 uur terug afhalen. Mocht je denken dat dit een grote luxe is waarvan je thuis alleen maar kunt dromen, dan moet je weten dat het werk dat hier verricht wordt én de omstandigheden van temperatuur/neerslag een goede hygiëne vereisen, en die hygiëne begint met een regelmatige wasbeurt en frisse kledij.

Vandaag beginnen de grondwerken om de afvalwatertanks en de septische putten vast te betonneren, want ze worden door het grondwater na de vele regenbuien omhoog gestuwd. Het wordt een actie met inzet van zwaar materiaal en veel kunde: met graafmachines, vrachtwagens, heftrucks...; palen inheien, hellingen verstevigen, bekistingen maken, beton gieten, en ondertussen de toevoerleidingen van water en elektriciteit ontzien...

Ik krijg de opdracht de hele compound in beeld te brengen, een niet eenvoudige klus, en gewapend met mijn ‘Canon’ trek ik er op uit. Ik zal er een hele tijd zoet mee zijn!

 

dinsdag 31 oktober 2006

Er komen heel wat reacties binnen op mijn dagboek. Het schijnt een vlot leesbaar ding te zijn, en hoewel ik nooit hoge cijfers haalde voor ‘opstel’, verrassen de reacties mij aangenaam. Onze bisschop Luc wenst mij een zalig hoogfeest, burgemeester Johan en schepenen Paul en Christ van Oosterzele laten van zich horen, en er is ‘mail’ van buur Wim en van de ‘Vermeirkes’, van de Zusters Marie-Ange en Veroniek, van pastoor Ghijs, én van zovele vrienden uit Landskouter, Baarle en de rest van de wereld. Bedankt allemaal! En of je het gelooft of niet, sommigen kruipen ook in hun pen en wisselen hun dagboek uit. Bedankt Ria. Namen en emailadressen van geïnteresseerden worden doorgespeeld, mijn lijstje groeit met de dag.

Een groot deel van de dag breng ik rechtstaande door in ons bureeltje. Er wordt een nieuwe elektriciteitskabel getrokken om de stroomvoorziening van modem en router stabiel te houden, en dus moet mijn schrijftafel aan de kant om de klus te kunnen klaren. Buiten is het echt allerheiligenweer, binnen blijven is de boodschap. Als een kleine jongen kijk ik toe ... en ik herinner mij hoe ik vaak met pa mee mocht die gevraagd werd één of andere karwei op te knappen bij familie en buren: een stopcontact plaatsen, een nieuwe lamp aansluiten, elektriciteitsleidingen vernieuwen, ... en hoe blij was ik dat ik hem ‘mocht helpen’ met het aanreiken van een schroevendraaier of met een lamp uit de verpakking te doen ... en fier omdat ‘mijn pa’ dat allemaal kon.

Morgen komen de specialisten van telefonie aan de beurt om de ‘router’ en de pc aan te sluiten; dan zal het telefoonnetwerk en internet heel wat stabieler zijn.

Later op de dag werk ik de ‘dodenherdenking’ af die op de avond van Allerzielen wordt gehouden in de kerk van Tibnine. En ik telefoneer naar de familie en allen die er bij horen ... morgen zal het telefoonverkeer naar België misschien overbelast zijn!

 

woensdag 1 november - donderdag 2 november 2006

Geen zondagsregeling bij ons, niet een half uurtje langer slapen, een gewone dag voor iedereen: verder doen aan de betonneringswerken, de ontmijners zijn op pad, geruggensteund door de FP(Force Protection), de wacht wordt opgetrokken, mensen komen en gaan in ons hospitaal, de keukenploeg en de wasserij draaien op volle toeren, officieren leggen contacten met de dorpen waar onze ontmijners zullen beginnen en luisteren naar grieven en zoeken oplossingen, in ons bureel zijn de CIS’sers (Communicatie en Informatie Systemen) aan het werk, en in de Staff-zone gonst het van één en al bedrijvigheid. Allerheiligen in Tibnine: een dag waarop alle ‘heiligen’ hun job uitvoeren met precisie en meesterschap, zonder berekening, in een geest van kameraadschap en dienstbaarheid.

10.30 uur: In Landskouter zullen ze nu in ons kerkje zitten. De viering van Allerheiligen brengt altijd veel mensen op de been. Ik ben er gerust in dat alles pico bello verloopt, dat de versiering feestelijk zal zijn, dat mijnheer Jozef het beste van zichzelf geeft, met Sylvère aan het orgel, al onze misdienaars op post, en dan zie ik ze zitten, onze trouwe kerkgangers, op hun vaste plaatsen, lieve mensen elk met zijn eigen-aard-igheid, met zijn eigen verhaal, met zijn eigen verleden, allemaal een beetje ‘heilig’, sommigen wat meer, anderen wat minder, maar allemaal ‘heiligen’... Ik voel mij met hen verbonden en bid en zing met hen mee in gedachten.

Tot mijn grote verrassing heeft Claudine foto’s genomen die ik doorgestuurd krijg. Met eigen ogen kan ik zien dat ons kerkje tot de nok gevuld was, geen stoel meer beschikbaar, ... ik verneem dat zelfs pastoor Jozef een beetje van zijn stuk was bij het zien van zulke grote opkomst. Bedankt, Claudine, voor je relaas!

Tibnine donderdagavond 20 uur. Met een veertigtal zijn wij naar het kerkje opgestapt, ondanks een druilerige regen en een koude wind. Onze viering begint met een lied van Miel Cools ‘November’. Wij dragen de namen mee van tientallen gekenden en beminden uit onze detachementen. Het is muisstil als de namen worden genoemd. Zeven kaarsen steken we aan bij een Christusicoon, vooraan in de kerk, en bidden...

Op het zelfde ogenblik herdenken de mensen in Landskouter hun dierbare overledenen. Weer voel je dat ‘gebed’ geen grenzen kent.

Enkele uren later zal ik ook weer getuige zijn door beeld en tekst hoe het er aan toeging. Wat is email en internet toch een zegen!

 

November - Miel Cools

 

Het is al bijna november                              

En mijn gedachten zijn oud

want nu de herfst is gekomen

lijkt dit huis soms te koud

om nog een droom te bewaren

van het kind dat hier was

de bomen verliezen hun blaren

maar geven kleur aan het gras.

 

Eenmaal leken de dagen

Duurzaam als zilver of goud                                                                                                                   

Maar alle kleuren vervagen

De tijd maakt het mooiste ook oud

Als je geluk wil bewaren

Luister dan goed hoe het was

de bomen verliezen hun blaren

maar geven kleur aan het gras.

 

Want soms nog stil aan de ramen

Praat toch nog zachtjes de wind

Geeft je de dagen die kwamen

Brengt je terug naar het kind

Dat je voorgoed mag bewaren

Zoals het vroeger eens was

de bomen verliezen hun blaren

maar geven kleur aan het gras.

 

Herfst geeft vaak mooie kleuren

Dan ooit dat zilver of goud

Laat nieuwe dingen gebeuren

Waar je dan ook weer van houdt

Niet meer zo fel als die jaren

Toen je niet wist wie je was

de bomen verliezen hun blaren

maar geven kleur aan het gras.

 

vrijdag 3 november - zaterdag 4 november 2006

Vandaag krijgt de bevolking informatie over het Belgisch Detachement en zijn opdracht in het gemeentelijk centrum van Tibnine. Op de ruime binnenplaats zijn voertuigen van alle slag opgesteld: ambulantie- en urgentiewagens, medisch pandour, voertuigen van de ontmijningsdiensten met allerlei demonstratiemateriaal, van de genie met voertuigen die bij constructiewerken gebruikt worden, en ook de Force Protection is aanwezig; de bevolking is uitgenodigd maar om de één of andere reden is de opkomst eerder laag te noemen. In de bibliotheek wordt door de CO een voorstelling gegeven van onze opdracht en krijgen de verzamelde pers en heel wat belangstellenden de kans vragen te stellen omtrent de opdracht en de neveneffecten ervan. In de praktijk betekent dit dat een tolk voortdurend aan de slag is om uit het Engels naar het Arabisch te vertalen en omgekeerd.

 

De geluidsinstallatie is goed, maar de vragen van het volk en de vertaling ervan gebeurt zonder micro waardoor achteraan in de zaal niets meer te verstaan is.

Ik observeer de mensen en kan het niet laten sommigen te ‘vereeuwigen’. Het worden ‘sprekende beelden’!

Het is een zonnige dag en we besluiten om terug te wandelen naar onze compound.

 

zondag 5 november 2006

Gisterenavond begon het te regenen en het heeft nog niet opgehouden. Het is 9.30uur en tijd om te vertrekken naar de Melkitische kerk. In een natuurparkje, naast de ruïne van een zeer oud kerkje, staat een monument met daarop de namen van 47 Ierse soldaten die tussen 1978 en 2002 overleden zijn tijdens een UN-missie in Libanon. Om 9.45u is daar een herdenkingsplechtigheid waaraan de Ierse ambassadeur deel neemt, naast delegaties uit het UN-hoofdkwartier in Naqoura. Ierse soldaten houden de wacht. Onze delegatie bestaat uit 4 Belgen en de Luxemburgse majoor. De ambassadeur, onder paraplu, houdt de herdenkingsspeech. Dan volgt de neerlegging van een bloemenkrans, een gebed en de ‘last post, geblazen door een soldaat uit India en één uit Ghana.

In de heilige liturgie die nadien gevierd wordt met de lokale gemeenschap gaat Abouna Maurice voor, een Ierse, een Italiaanse collega en ik zelf concelebreren.

Na de kerkdienst was er een receptie met frisdrank en koekjes, waarbij de Ierse ambassadeur ons bedankte voor onze aanwezigheid. Ik had een vrij lang gesprek met hem, dat natuurlijk over België ging en onze opdracht in de regio van Tibnine. Ik moest hem ook uitleggen wat voor een liturgie wij gevierd hadden. Ondertussen ben ik wel al een beetje een vertrouwd figuur in de Grieks-Katholieke gemeenschap, en veel mensen kwamen mij hartelijk groeten.

Toen we terugkeerde was de regen opgehouden. Voor de komende dagen is veel zon voorspeld!

 

maandag 6 november 2006

Tibnine, baken van Jabal Amel

Je kunt nauwelijks over de geschiedenis van Tibnine/Jabal Amel spreken, als je niet over  de geschiedenis van het fort spreekt. Het Aramese volk legde de basis van het fort. Als Hazabeel Bin Binjodod in Palestina aankomt op weg om de handelsroute van Egypte naar de Arabische wereld te controleren, beveelt hij de constructie van het fort in 1850 vóór Christus en noemt het ‘Tibnine’, wat in het Aramees “het verhoogde bouwwerk” betekent. Het werd ook “Toron” of “Tor” genoemd.

Gedurende de heerschappij van Sanharib de Assyriër werd het kasteel in 680 vóór Christus aangevallen en verwoest. Bij het begin van het jaar 582 vóór Christus werd het fort opgegeven door Nebukadnezar, de Chaldese heerser als hij zijn troepenmacht richting Tyrus beweegt. In de Romeinse periode werd het kasteel herbouwd en werd verwaarloosd gedurende de Byzantijnse periode. Het fort kwam weer tot leven toen de Kruisvaarders in 1099 A.D. arriveerden en het uit zijn diepe slaap deed ontwaken.

In een ander historisch geschrift van de Europese historicus William Alsouri, die leefde  in de periode van de Romeinse oorlogen, bevestigt dat het fort werd gebouwd door Hugh de St-Omer in 1105 A.D. Dank zij zijn hoge ligging met uitzicht op velden en valleien vond Hugh dit een uitstekende uitvalsbasis voor zijn aanvallen op Tyrus en de Oostelijke gebieden

Bovendien maakte de strategische ligging van het fort en zijn nabijheid tot belangrijke civiele en militaire plaatsen, in bijzonderheid tot Tyrus, van het dorp een belangrijk punt in deze periode. In het fort werden beslissingen genomen door belangrijke mensen en heersers, van wie sommigen koningen genoemd werden.

Voor een buitenstaander was het fort van Tibnine een façade van waaruit aanvallen en transporten werden uitgevoerd naar Tyrus en andere strategische plaatsen. Bij de overname door de Arabieren werd het fort echter gebruikt als een plaats van bescherming en als heiligdom.

Bovendien was Tibnine gedurende deze periode een verzamelplaats voor de reizende karavanen van Damascus naar de vlaktes. Tabarraya in Palestina  was echter zijn concurrent omwille van de kortere route, alhoewel de weg over Tibnine gemakkelijker was.

Tibnine is gesitueerd op 110 km ten zuiden van Beiroet en op 30 km ten oosten van Tyrus. Het aantal inwoners bedraagt 15.000, waarvan een 4.000 ter plaatse en de rest is verstrooid naar Beiroet en naar andere landen, vooral naar de USA en naar Afrika. De meesten echter die buiten Tibnine wonen, keren in de zomermaanden terug en nemen vakantie in Tibnine, omwille van zijn mild klimaat en zijn natuurschoon. Het aantal families in Tibnine bedraagt ongeveer 52.

De bronnen in Tibnine worden beschouwd als natuurlijke rijkdom en worden bezocht door velen die in de omliggende dorpen wonen. De belangrijkste van deze bronnen zijn : Ein Al-Mizrab, Ein Al-Hoor, Ein Al-Wardeh en Ein Al-Khan. (uit de officiële webstek van Tibnine - vertaling rdp)

 

Dag Ronny, schoonbroer van mij, een gelukkige verjaardag gewenst, en drink deze avond maar een glas op onze gezondheid, en zodra ik thuis ben op mijn kosten!

 

dinsdag 7 november 2006

De minister van Defensie (MOD) schonk een ambulance aan de stad Tibnine. Ondertussen is het voertuig aangekomen in het lokale ziekenhuis, dat tevens het hoofdkwartier is van het Libanese leger. De directeur is een militair-nietdokter. Vandaag willen wij de sleutels officieel overhandigen; volgende dinsdag komt de minister zelf naar Tibnine, maar hij zal geen tijd hebben het hospitaal te bezoeken.

Met onze tolk Fawwaz rijden we er naar toe.

Je merkt dat dit hospitaal een mannenburcht is, en dat er geen zusters zijn. De grauwgrijze trapzaal oogt niet fris, en de gangen en lokalen getuigen niet van elementaire hygiëne. Ik begrijp waarom de lokale bevolking graag naar ons hospitaal komt.                                                                           

Ik heb het er ook moeilijk mee dat in een gebouw waarop de rode-kruisvlag waait gewapende militairen vertoeven en er een hoofdkwartier hebben. De conventie van Genève sluit zo een gewapende aanwezigheid ten stelligste uit.

De commandant van ons medisch detachement overhandigt de kolonel de sleutels van hert voertuig, met enkele papieren, waaronder een handgeschreven brief van Minister Flahaut, en enkele douanepapieren.

We krijgen een koffie aangeboden, proberen of de sleutels passen op het voertuig en of het start en ja, bij de derde poging draait de motor heerlijk.

Tot afscheid worden nog enkele foto’s genomen als bewijs van de overgave.

 

woensdag 8 november 2006

Elke zondagnamiddag om 13 uur is er een welfarevergadering met afgevaardigden van de verschillende detachementen. Veel voorstellen liggen voor, die vragen om goedkeuring en uitvoering. Wat nu reeds kan, is een bezoek aan het kasteel van Tibnine, maar je hebt mensen nodig die er iets zinvols kunnen over vertellen. Daarom brengen we deze namiddag een bezoek aan het kasteel met Fawwaz als gids en met een tiental kandidaat-gidsen. Over de geschiedenis van het kasteel schreef ik maandag reeds.

Het wordt een geslaagde namiddag met tot slot een bezoek aan het gemeentehuis, een praktisch en mooi gebouw, dat tijdens de laatste oorlog getroffen werd door grof geschut. Het Libanese leger bewaakt dit complex dat vele diensten en voorzieningen huisvest.

Bij de wandeling naar de compound trekken we door een wijk die zo goed als met de grond gelijk gemaakt is. De voertuigen die door de bombardementen tot schroot herleid werden, zijn op een hoop bijeen gebracht en vormen zo een stille aanklacht tegen de agressie, terwijl het levenloze puin van tientallen huizen het trieste decor vormt, een monument van chaos en vernieling...

 

donderdag 9 november - vrijdag 10 november 2006

Het moet rond vijf uur geweest zijn dat ik stemmen hoor, fluisterend, geritsel van papier, het zacht schuren van een metalen kastdeur die voorzichtig geopend wordt, een vleug frisse lucht die binnen sluipt als de tentdeur even opengaat en weer dicht ... en dan stilte...

Knus ineengedraaid onder mijn dekbed droom ik verder van dieven die aan de haal gaan als ik mij rechtop zet, mij niet langer als slapende voordoe, maar ze resoluut achterna ga ... en dan zit ik recht ... en kijk ... en met slapers in mijn ogen maar klaar wakker zie ik dat ik alleen ben: mijn twee kamergenoten zijn weg, hun bedden leeggehaald, hun bagage ‘verschwunden’ ... en dan herinner ik mij dat ze vroeg moesten vertrekken naar België, hun zending zat er op! Goede reis en veilige thuiskomst, Luc en Peter ... en bedankt voor jullie gezelschap.

 

Deze avond zetten wij de film ‘Promises’ op het programma. In deze documentaire zijn geen politieke analyses, beelden van gevechten of dodelijke slachtoffers te zien, zoals we dat van de televisie gewend zijn, maar alleen maar kinderen. Ik vind deze film een goede aanloop naar de dag van 11-november, en een uitstekende achtergrond om het conflict waar ook wij in Libanon mee te maken hebben, beter te begrijpen.

Ik verwacht geen massa volk.

 

De filmmakers van 'Promises' volgden gedurende drie jaar zeven negen- tot dertienjarigen uit de regio, die allen een totaal verschillende achtergrond hebben. Kinderen van zowel gematigde als extremistische Palestijnse en Israëlische ouders komen aan het woord.

De interviews geven een onverbloemd beeld van de omgeving waarin ze opgroeien, en van de ideeën die hen door de ouders worden meegegeven. Schokkend is het om te zien hoe sommige kinderen al hopeloos verstrikt zijn geraakt in de haat van de regio.

Hoopgevend is echter dat anderen met de filmcrew de reis wagen langs de militaire cordons en door persoonlijk contact met 'vijandelijke' leeftijdgenoten ondervinden dat vooroordelen vaak voortkomen uit gebrek aan kennis van de cultuur van de ander.

Duidelijk wordt dat de kinderen niet alleen moeten worden gezien als slachtoffers van hun omgeving: ze spelen een belangrijke rol bij de toekomstige ontwikkelingen in hun land.

Alle verhalen zijn even dramatisch, emotioneel en zonder enige zelf-censuur.

B.Z. Goldberg, een van de regisseurs die Hebreeuws en Arabisch spreekt, haalt twee joodse tweelingbroers over om een dag met Arabische kinderen door te brengen. Na een nogal stugge kennismaking gaan de kinderen samen voetballen, eten en - met de regisseur als bemiddelaar en tolk - praten.

Promises, een humaan portret van een generatie, laat zien hoe diepgeworteld en bijna onoplosbaar de problemen in het Midden-Oosten zijn geworden. Hoewel de kinderen maar twintig minuten van elkaar vandaan wonen, leven ze in totaal verschillende werelden en weten ze bijna niets over elkaar. Hun wereldbeeld wordt gevormd door de volwassenen om hen heen en de omstandigheden waarin ze leven. Daardoor wordt, naarmate ze ouder worden, ook de fysieke, historische en emotionele kloof tussen hen steeds groter. Als de protagonisten in een epiloog een paar jaar later aan het woord worden gelaten, wordt duidelijk dat ze inmiddels allemaal hun kinderlijke onschuld zijn verloren.

Een massa volk was er niet, maar wie de film zag, vergeet hem niet. En mochten jullie thuis de kans krijgen deze film te zien of de dvd aan te kopen, dit kan ik alleen maar aanraden.

Een andere aanrader is het boek van Susan Nathan ‘De andere kant van Israël’. Als zioniste kwam zij naar Israël, zij ontdekte dat er een onderwerp is waarover niet gesproken wordt, zij won informatie in, ging wonen in het Palestijns dorp Tamra en maakte kennis met ‘die andere kant van Israël’. Dit boek vind je in de betere boekhandel of bibliotheek. Je leest het in één trek uit.

Op vrijdag gaan we naar de markt, voor het eerst, zonder machtsvertoon en zware wapens, en wij gaan op in de kleurrijke en levendige bedoening die elke markt eigen is. De mensen appreciëren onze aanwezigheid, ons snuisteren in de stalletjes, ‘you are welcome’ opent een eerste babbel, we bedingen een prijs, de één koopt dit, de andere dat... ‘Abouna’, zegt een vrouw die mij groet en ik herken haar uit de zondagsliturgie. Ook kinderen steken hun hand op bij wijze van herkenning en lachen ronduit. Ik moet meer naar de markt!

 

zaterdag 11 november - zondag 12 november 2006

Geen viering vandaag voor de gesneuvelden, geen redevoeringen, geen bloemenkransen bij een monument, alleen een bezinning rond ‘oorlog en vrede’ waarvoor amper 6 mensen belangstelling hadden. Je ziet maar ...

Met generaal Hubert maak ik een wandeling in Tibnine voor het middageten. Bij een bazaarke laten we ons verleiden een tros druiven te kopen die wij ons in de zon, op een bank bij de moskee-in-aanbouw, laten smaken... onze aperitief, want alcohol is hier niet te vinden.

De zondagsviering wordt een agendapunt waarvoor heel wat deelnemers aantreden. De zon maakt er een echte zondag van, wij zijn in hemd, broek en muts, maar voor de lokale bevolking is het koud. Wij blijven nog even napraten en soms zijn de gesprekken zeer geanimeerd.

De rest van de dag verloopt zonder uitschieters, tenzij dat we na het avondeten voor het eerst een avondje whisten (maar zonder kaaskroketjes, hé N.!)

 

maandag 13 november - dinsdag 14 november 2006

gisteren en vandaag stond alles in het teken van het bezoek van de heer Flahaut, minister van Defensie.

Hij werd vergezeld door de generaals Pochet en Vandingenen, andere officieren en een grote delegatie persmensen. Na het schouwen van de erewacht kreeg het gezelschap een briefing over onze opdracht door onze commandant kolonel Herman. Ondertussen waren persmensen al op het terrein om interviews af te nemen van deelnemers aan de missie: in de persmap vonden ze toch sowieso alles.

Nadien was er een rondleiding door de compound met een bezoek aan het hospitaal, en na een korte lunch, (een heerlijke stoemp met wortelen en spek) reed de stoet, begeleid en beschermd door de Force Protection, na een ontmijningsgebied waar iedereen uitleg kreeg over wat er gevonden werd en hoe men te werk ging. De gevonden munitie werd dan op een veilige afstand tot ontploffing gebracht.In de gietende regen keerde het gezelschap terug en kort na 15 uur vertrok de stoet naar Beiroet; het vliegtuig wacht!

Vanaf morgen is weer zon voorspeld. Wie had dit weer voor vandaag geregeld?

 

woensdag 15 november 2006

In ons kamp wordt vandaag niet gewerkt, tenzij door enkele secties van de Force Protection die voor de toegang en de beveiliging instaan: het is Koningsdag. In eigen land wordt op vele plaatsen het ‘Te Deum’ gezongen voor koning Albert en voor de leden van de koninklijke familie, én er worden recepties gehouden waar getoast wordt op de koning. In militaire kringen is het een traditie rond deze tijd de jaarlijkse korpsmaaltijd te houden, en dat gebeurt vandaag in Tibnine ook. Aangezien er geen zaal ter beschikking staat voor 350 man, wordt in vier groepen en in twee shiften de heildronk op de koning gehouden met aansluitend de korpsmaaltijd. Onze koks hebben hun beste beentje voorgezet met een visschoteltje als voorgerecht, frieten met eend als hoofdgerecht, en een reuzetaart als nagerecht. Witte en rode Libanese wijn zijn de ideale begeleiders.

Het middaguur is ook ideaal voor de infanteristen uit Leopoldsburg om een groepsfoto van het detachement te laten maken, zij zijn toch in de tweede shift ingedeeld. Ik ben nadien nog enkele uurtjes zoet om de deelfoto’s aan elkaar te zetten en uit te printen.

Deze dag wordt ook nog speciaal voor een klein detachement dat vanuit Tibnine naar Beiroet gaat op uitnodiging van de Belgische ambassadeur. Kolonel Herman wou mij erbij, dus rijden we tegen 15 uur via Tyrus (Sour) en Sidon (Saïda) naar Beiroet. Wij bereiken de ambassade tegen 18 uur en zijn nog bij de eerste genodigden die aankomen, maar het duurt niet zo lang vooraleer de ruime living gevuld is met landgenoten en de ambassadeur iedereen verwelkomt en de heildronk op de koning uitspreekt. Wat daarop volgt is een leuke bedoening van mensen die elkaar aanspreken en leren kennen; een officier ontmoet er een oude schoolmakker die in de ‘business’ zit, een medewerkster van de ambassade vraagt honderduit over het leven van een padré in Tibnine, en wordt geraakt als ze hoort dat je als een gelovig mens zeer gelukkig kunt zijn; onze delegatieleden zijn her en der in gesprek en er wordt hartelijk gelachen, terwijl drank en versnaperingen overvloedig en gul worden bedeeld; zelfs de ‘obers’ menen dat ze ongemerkt een graantje kunnen meepikken van de dis, wat soms leidt tot lachwekkende situaties van mensen die zo hun best doen om niet op te vallen maar juist zo de hoofdvogel afschieten.

Wanneer ik later twee grijze heren zie binnenstappen en hen onmiddellijk herken als clerici (ze kunnen het niet verstoppen, hoe is het mogelijk!) en hen aanspreek hoor ik dat één van hen een Gentenaar is, redemptorist van de Voskenslaan, die al meer dan vijftig jaar in Beiroet werkt, en er een parochiekerk en een katholiek schooltje heeft. Pater Timon De Cock en zijn Nederlands metgezel nodigen mij uit hen een bezoek te brengen, wat voor mij niet evident lijkt, maar men weet nooit... Ik noteer alvast zijn telefoonnummer, een straatnaam en huisnummer heeft hij niet.

Het is al na achten als we de terugweg aanvatten. Dan bedenk je dat je ruim zes uur onderweg bent om enkele uurtjes te vertoeven in ‘het paradijs’. Hoe relatief is dit alles niet! Ik ben dankbaar dat ik er bij mocht zijn, en dat ik veel interessante mensen mocht ontmoeten. Van Beiroet hebben we nauwelijks een glimp opgevangen, tenzij het drukke stadsverkeer en de onmogelijke en ongeordende kamikaze-rijstijl van de Libanezen.

 

vrijdag 17 november - zaterdag 18 november - zondag 19 november 2006

Het vrijdagse marktbezoek en de zondagse kerkgang zijn voor mij ideale gelegenheden om lokale mensen te zien, en tezelfdertijd niet te onderschatten uitlaatkleppen om wat afstand te nemen van het militair gedoe en van alles wat het samenleven in een kamp vraagt en oplegt.

Ik maak van de gelegenheid gebruik om binnen te springen in het Sociaal Centrum, maar Salma is er niet. Ik wou met haar afspreken wat wij voor de kinderen van Tibnine zouden kunnen doen in de dagen voor Kerstmis. Ik krijg haar telefoonnummer maar kan haar niet bereiken. Ik keer zondagmorgen terug.

De dagen verlopen nu echt routinematig met weinig uitschieters en hoogtepunten, sommige avonden uitgezonderd omdat ze soms wat kleur brengen, zoals vandaag zaterdag: generaal Hubert verlaat morgen Tibnine en zal voortaan in het hoofdkwartier in El Naqoura werken. Hij nodigt mij uit om de Libanese keuken eer aan te doen door een bezoek te brengen aan het restaurant en er het avondmaal te gebruiken. Ik sla het aanbod niet af, want ik ben altijd tot ‘goede werken’ bereid en voor de oriëntaalse keuken offer ik mij graag op.

Tegen negen uur zijn we terug, tijdig om de reuze-kwis mee te maken waaraan elk detachement kan deelnemen. Nico en Kim en anderen zorgen voor de nodige ambiance en de volgepropte messtent barst uit haar voegen van vrolijke opgewekte kreten, van bulderend gelach en niet te miskennen ontgoocheling bij verlies. Een avond om niet te vergeten...

Op zondagnamiddag is er een alarmoefening, dat wil zeggen dat iedereen met helm en scherfvest, en een dagrantsoen de bunker in moet. Deze training confronteert ons met mogelijks risico en wil onze alertheid op de proef stellen. De oefening verloopt zoals gepland. ‘s Avonds is er mosselen en friet: weerom feest!

 

dinsdag 21 november - woensdag 22 november 2006

Vandaag brengen Kim en ik een bezoek met Salma aan de Sint-Jorisschool. Ik heb iets met Sint-Joris. Ik was nauwelijks zes toen ik naar de grote school in Gent moest, naar Sindzjors zoals de Gentenaars zegden, het Sint-Jorisinstituut dat later deel uitmaakte van het Sint-Lievenscollege. Ik herinner mij de monumentale trap met het enorme glasraam dat Sint-Joris voorstelde in zijn gevecht met de draak. Toen hoorde ik voor het eerst het verhaal van deze drakendoder, en het is mij altijd lief gebleven. En er ging geen dag voorbij zonder dat ik Sint-Joris in het voorbijgaan eerbiedig groette.

De Sint-Jorisschool in Tibnine is een Grieks-Katholieke school met 400 kinderen waarvan drievierden moslimkinderen zijn. De bisschop van Tyrus is de eindverantwoordelijke, ter plaatse zijn er vier religieuzen-zusters die de leiding op zich nemen. Het valt op hoe kraaknet de gangen en de klaslokalen zijn, en kindvriendelijk versierd met duidelijk Westerse inslag.

Als wij aankomen is iedereen, kinderen, leerkrachten en directie, op de speelplaats verzameld en het wordt ons vlug duidelijk: hier wordt iets gevierd. Ook ouders zijn aanwezig. De kinderen staan per klassegroep en gerangschikt volgens leeftijd in rijen naast elkaar; velen dragen een zelfgemaakt wit-rood hoofddeksel waarbij de groene ceder op witte achtergrond duidelijk opvalt. Het feest van de Libanese onafhankelijkheid wordt hier op school gevierd, een dag vóór de officiële feestdag, want morgen is er een vrije dag voor alle kinderen. Wij moeten onmiddellijk plaats nemen op de ereplaatsen, naast de zusters, en ik krijg ook een punthoed aangeboden door één van de kinderen. Na de ceremonie staat zuster directrice ons te woord. Ik moet denken aan zuster Cyrilla en zuster Cecila in Baarle. Waar hebben de zusters dat charisma vandaan om met dezelfde uitstraling wereldwijd te werken en leerkrachten, ouders en kinderen te begeesteren; om moslims en christenen samen te brengen in een geest van respect?

Even later word ik weggeroepen: een pandoer wacht mij op om naar het terrein te rijden waar een enorme vliegtuigbom tot ontploffing zal gebracht worden. Met mijn Canon in aanslag leg ik de ontploffing vast. De afstand is voldoende groot om de veiligheid te waarborgen, maar het wordt wel een “verre-afstandsfoto”. De ontmijners zijn tevreden.

De plaats waar wij de ontploffing volgen is een open terrein, licht heuvelend tot aan de horizon, met weidse vergezichten, zonder huizen. De regen van begin november tovert het land lichtgroen door het jonge gras dat weelderig opschiet. En dan zie ik er één staan, en dan nog enkele, en dan meer en meer: witte krokusjes die hun kelkje openen om de warme zonnestralen op te vangen, en ze ‘s avonds weer sluiten om zeker te zijn dat niets van de zonne-energie verloren gaat. Nu moet je weten dat ik gek ben op de voorjaarsflora en ik herinner mij plaatsen zoals in Gluringen (Zwitserland), waar ik tijdens een paasvakantie duizenden en duizenden witte en paarse krokusjes zag die een alleenstaand kerkje omringden in een passende paastooi.

 

Ik geniet ervan; ben ik dan de enige die ontroerd ben door die nietige schoonheid die niet geëvenaard kan worden door welke rijkdom dan ook? Wie zei ook weer: ‘kijk naar de bloemen op het veld ... en vertrouw Hem die er de Maker van is!’

 

 

zondag 26 november 2006

Een wandeling in de zon naar de kerk is altijd een moment van verademing, van bijtanken, van even genieten van vrijheid, van anders-leven... De byzantijnse liturgie is een handreiking naar het goddelijke, een confrontatie met het Heilige en met alle heiligen. Ik laat mij erdoor raken!

Na de kerkdienst wandel ik door Tibnine naar het voetbalveld waar Belgische, Poolse en Libanese militaire ploegen het tegen elkaar opnemen in een tornooi.

De selecties zijn al volop aan de gang als ik rond 10.30 uur aankom, maar ik heb nog niets gemist. De ganse middag en namiddag ben ik de fotograaf van dienst om ploegen en spel te vereeuwigen. De halve finales worden gespeeld door 2 Belgische ploegen, een Poolse en een Libanese. Uiteindelijk wordt de Libanese ploeg de tornooiwinnaar, de Poolse ploeg wordt derde.

Op de terugweg nodigt de familie Fawwaz Paul en mij uit op de thee. Er zijn verwanten uit Amerika op bezoek, en al vlug zijn wij in gesprek. Maar de tijd dringt, en ik keer terug, want ik wil vóór de bekeruitreiking de foto’s klaar hebben, en ze ook op het intern netwerk zetten.

 

maandag 27 november - dinsdag 28 november - woensdag 29 november 2006

Ik kan meerijden met de pick-up die iemand naar de luchthaven brengt in Beiroet. De aanleiding voor mijn verzoek naar Beiroet te gaan is het gegeven dat iemand uit het naburige Gijzenzele voor beroepsredenen enkele dagen in de stad verblijft en mijn Canon-zoomobjectief meebrengt dat in herstelling was. Ik vond het al jammer dat ik de lens niet kon meenemen van bij het begin, en dus mag ik die kans niet laten voorbij gaan.

Pas donderdag kan ik terug meerijden naar Tibnine, want dan komt de pick-up terug naar de luchthaven. Die tussentijd vullen zie ik niet als een probleem, ook niet het feit dat ik Beiroet niet ken.

Een Libanese collega belt een taxi voor mij, nadat ik pater Timon De Cock aan de lijn had die mij verwacht. Gelukkig had ik zijn nummer genoteerd. Het adres is niet zo gemakkelijk te vinden en we maken heel wat toertjes tot we uiteindelijk bij de school terecht komen. Het is middag. Ik word opgewacht door een dame die zich voorstelt als de rechter hand van pater Timon; zij betaalt de taxi en brengt mij op de speelplaats waar de kinderen van de school vertoeven. Onmiddellijk staan zij lachend rondom mij, steken hun hand uit om mij te groeten, spreken mij aan ... tot de schoolbel ze ter orde roept en het middaggebed gezamenlijk wordt afgedreund. Ondertussen is Timon mij komen groeten, en zo te zien is hij wel degelijk de ‘baas’ hier op school want de kinderen hangen nu rond hem en hij kent ze bij naam. Wij drinken koffie in een soort bergplaats die ook als bureau dienst doet (ondertussen zijn de kinderen terug in de klas). Zijn ‘rechterhand’ heeft voor mij een soort pizza met kaas gehaald, en later komt haar zoon: hij brengt ons met zijn wagen boven op de berg naar Beit Meri waar de Rosary-sisters een gastenverblijf hebben en waar ik een kamer reserveerde. Pater Timon komt mee naar binnen, en na de welkomstkoffie en de kennismaking met enkele zusters keert hij terug naar zijn school. Morgenavond verwacht hij mij voor het avondmaal.

Ik voel mij er onmiddellijk thuis, en het blijkt dat ik zuster Gisèle nog ontmoet heb in het centraal huis van de zusters in Beit Hanina toen ik in Jeruzalem woonde.

In de namiddag kan ik nog met hen meerijden tot in de stad waar zij boodschappen doen. Ik geniet van de wandeling doorheen het oude centrum, ik zie gebombardeerde wijken, ik loop langs een badhuis uit de Romeinse tijd, doorheen brede lanen met chique restaurants, galerijen met kostbare kledij en schoenen tegen onbetaalbare prijzen, terrassen en obers die je zo zouden binnen sleuren, ik waan mij in Lausanne of in Genève; kilometers en kilometers te voet doorkruis ik Beiroet, bij toeval vind ik de Belgische ambassade, krijg er koffie aangeboden en groet de ambassadeur, kathedralen en moskeeën staan er broederlijk naast elkaar, zijn tegen elkaar aangebouwd; ik zoek de weg naar het Nationaal museum dat zeker al gesloten is , maar waar ik bus 7 zal vinden die mij terug moet brengen naar Beit Meri; op mijn vraag hoe ver het nog is krijg ik als antwoord: nog 15 minuten, maar dat doe je toch niet te voet! Niet-begrijpende blikken kijken mij na als ik vertel dat ik zeer graag wandel en beslist te voet wil verder gaan...

Aan de bushalte meen ik een Kleine Zuster van Nazareth te herkennen (aan de eenvoudige kledij en de sluier), maar dat

 

kan niet waar zijn: in een vreemde stad waar ik nog nooit kwam, én op die plaats én dat uur een bekende tegen het lijf lopen, dat zou toch te mooi zijn. Ik stap er toch naar toe en vraag in het Nederlands: “Zuster, ben jij niet één van de Kleine Zusters uit Gent” en onmiddellijk weet ik dat ik goed zit: ze lacht verwonderd en zegt: “natuurlijk ben ik uit Gent afkomstig”. Ons gesprek wordt jammerlijk afgebroken als haar bus arriveert, maar ondertussen weet ik dat zij in het Palestijns vluchtelingenkamp Dbaye ten noorden van Beiroet werkt, en een cursus Arabisch volgt bij de Jezuïeten. Zeg nu nog maar eens dat ‘toeval’ niet bestaat! Als dat geen toeval is ...

 

De volgende dag, na de eucharistieviering en het gezamenlijk ontbijt, stellen de zusters voor mij naar Harissa te brengen, het nationale heiligdom van Libanon, waar Maria vereerd wordt. Ik ben in de wolken. Wie had dit durven dromen. Wij maken een tour doorheen de heuvels van Beit Meri en zien de bergen van de anti-Libanon, die normaal reeds met sneeuw zouden moeten bedekt zijn. Via kleine dorpen dalen we af naar Antelia en verder naar Jounie waar de beklimming begint naar Harissa. Onderweg bezoeken we het Maronitisch patriarchaat in Bkirki en herinneren ons het bezoek van paus Johannes Paulus II aan Libanon en aan Harissa.

De Maronitische Kerk gaat in haar oorsprong terug tot een klooster gesticht door de heilige Maron in de 5de eeuw, en gesitueerd in de Orontesvallei nabij Apamea (Syrië).

Het ontstaan van de Maronitische Kerk dient gezien te worden in het kader van de discussies binnen het christendom met betrekking tot de goddelijke en/of menselijke natuur van Christus. De concilies van Nicea (325), Efeze (431) en Chalcedon (451) bogen zich over deze materie en deden een aantal uitspraken.       

Het concilie van Chalcedon verklaarde dat in Christus een goddelijke en een menselijke natuur samen bestaan. Naar aanleiding van dit concilie ontstond er een scheiding binnen de Syrische kerkgemeenschap. Het klooster van Maron koos voor Chalcedon. De Syrisch-orthodoxe Kerk volgden de leer van het monofysitisme.

            Het kerkelijk conflict rond Chalcedon leidde tot verdeeldheid binnen het christelijke Byzantijnse Keizerrijk. In de 7de eeuw stelde keizer Heraclius een compris-theologie voor: het monotheletisme (Christus heeft één wil maar twee naturen, een goddelijke en een menselijke). Als loyale aanhangers van de keizerlijke kerkpolitiek aanvaardden de monniken van Maron deze leer. In 681 werd de leer van het monotheletisme echter veroordeeld door het concilie van Constantinopel III. Mede door de verovering van de regio door de moslim-Arabieren (circa 640) raakte de gemeenschap van Maron in een isolement en namen ze de wijzigingen in de kerkelijke leer niet over. Er ontstond een eigen geloofsgemeenschap in West-Syrië bestaande uit monniken en leken-gelovigen.

In de 8ste eeuw verhuisde de Maronitische gemeenschap naar het Libanongebergte. Tijdens de kruistochten kwamen ze opnieuw in contact met het christelijke westen. In de 12de eeuw sloot de Maronitische Kerk zich aan bij de Kerk van Rome. Ze behield wel haar eigen Syrischtalige liturgie.

Later zouden de Maronieten de Franse koloniale macht als bevrijder van de islamitische overheersing verwelkomen. Ze speelden ook een belangrijke rol in de Libanese burgeroorlog en bezetten thans nog een aantal sleutelposities in Libanon. De president is een maronitisch christen en ook de belangrijke positie van opperbevelhebber van het leger wordt ingevuld door een maronitische christen. De afnemende invloed van Maronieten vanwege de demografische verschuivingen in Libanon ten gunste van de moslims in combinatie met slechte economische vooruitzichten leidt sinds het einde van de Libanese burgeroorlog tot een grote emigratie van hoog opgeleide Maronieten uit het land.

 

In Harissa staat een reuzegroot Mariabeeld, boven op de top van de heuvel, meer dan 600 m boven de zeespiegel.  Op 8 december 1854 werd de Onbevlekte Ontvangenis van Maria  afgekondigd en dit wilden de kerkleiders in Libanon 50 jaar later gedenken met dit beeld van O.L.Vrouw van Libanon. Het witgeverfde bronzen beeld van 8,5 m hoog werd in Lyon gegoten en werd in 1908 op een 20 m hoog conisch bouwwerk  geplaatst dat binnenin de kapel herbergt. Met een buitentrap kan men tot bij de voeten van het beeld komen. Naast het beeld staat een zeer moderne en nieuwgebouwde Maronietenkerk in de vorm van een ceder. Zij biedt plaats aan 6.000 bezoekers. Van op het terras kijk je neer op de baai van Jounieh, Beiroet en Biblos:  adembenemend, volgens sommigen één van de mooiste panorama’s ter wereld! Op dezelfde heuvel ligt ook de zomerresidentie van de pauselijke nuntius, het klooster van de Paulisten (Grieks-Katholieke paters) en van de Franciscanen; verder verwijderd zijn het Syrisch-Katholiek en het Armeens-Katholiek patriarchaat.

 

We zijn terug voor het middagmaal en een uitgebreide babbel met de zusters. Later brengt een taxichauffeur mij naar het huis van de Redemptoristen, waar pater Timon met enkele jonge confraters-studenten samen woont. Het avondmaal is overvloedig en over-heerlijk.

Ik word terug naar Beit Meri gebracht en geniet van het grandioze nachtelijke uitzicht op Beiroet en de baai.

 

Vandaag woensdag zal ik Pieter zien. Ik maak met hem een afspraak en hij komt zelf naar Beit Meri. In de voormiddag bezoek ik met één van de zusters nog enkele interessante plaatsen, en na het middagmaal word ik als computer-specialist aan het werk gezet bij zuster overste.

De ontvangst van Pieter is hartelijk: koffie en koekjes, en wij beschikken over het bureel van de overste. Naast mijn objectief heeft hij ook de post mee die Nicole hem bezorgde, waarvoor dank.

Met de lijnbus rijden wij nadien stadinwaarts (een hele ervaring voor een wereldreiziger als Pieter) en samen tafelen wij in openlucht in een restaurant dat Pieter kent. Dezelfde nacht vertrekt hij terug naar België. Ik bedank hem hartelijk voor de gezellige uren: hij is een echte ‘engel’, een ‘boodschapper’.

Ik keer terug met een taxi.

Donderdagmorgen: om 8.30 uur moet ik op de luchthaven zijn. De zusters bestelden een taxi voor 6.45 uur, en na de afrekening van het logement wordt het afscheid nemen van een ‘nieuwe thuis’. Ik zie ze nog staan, aan de deur van hun Foyer, met tranen in de ogen ... “Abouna, wanneer kom je terug?” Ze wuiven me na tot de taxi verdwijnt in de bocht. Een half uurtje later ben ik in de luchthaven, natuurlijk veel te vroeg, en ik begin aan een hoogst militaire bezigheid: ik wacht ... tot we eindelijk rond 10.30 uur vertrekken, en na een boodschap in het UNO-HQ is het na elven wanneer we de stad uitrijden. Binnen drie uurtjes zijn we weer in Tibnine.

 

Vrijdag 1 december - zaterdag 2 december - zondag 3 december 2006

De aangekondigde manifestaties in Beiroet veranderen de situatie bij ons: “groen” wordt “geel”, dat wil zeggen dat de veiligheidsmaatregelen verscherpt worden, en dat niemand er nog alleen op uit kan trekken.

We volgen de berichtgeving op de voet, en al bij al zie ik persoonlijk geen enkel gevaar. Het marktbezoek mag nog doorgaan en ik vind enveloppen om mijn kerst- en nieuwjaarskaartjes te versturen.

Terug aan mijn werktafel noteer ik alle adressen, en ik stuur een mailtje naar Norbert, Hilde en Michel om wat vertaalwerk voor mij te doen: de tekst die ik schrijf moet ook verstaanbaar zijn voor de vrienden die geen Nederlands verstaan. De rest van het weekend druk ik de kaartjes, nadien worden ze gesneden, geplooid, ondertekend en in de enveloppen gestoken. Dit soort werkjes ligt mij wel, en ik denk terug aan de Baarlese tijd toen ik met pa, of met de Zusters en Jacqueline allerlei kaartjes en boekjes maakte voor de liturgie in de kerk. Vader was stadsdrukker, en wij, zijn kinderen, hebben allemaal een voorliefde voor papier en mooie dingen maken. Het moet in het bloed zitten. Eh gasten, wanneer beginnen we ons ‘winkeltje’?

De zaterdagnamiddag ga ik naar de kerk, want onze ‘mannen’ komen om voorbereidselen te treffen om de kerk tijdens de winter te kunnen verwarmen. Vanaf morgen zullen zij instaan voor een verwarmde kerk. Ook dit is een deeltje van de steun die wij, Belgen, aan de plaatselijke bevolking leveren. De mensen appreciëren dit ten zeerste. Er werden ook al werken uitgevoerd aan de nieuwe moskee in Tibnine.

 

woensdag 6 december 2006

Het feest van Sint-Elooi werd zondag gevierd door onze logistiekers met een ruime aanwezigheid in de kerk, en nadien brunch en vrij van dienst; volgende zondag vieren onze geniakken de H. Barbara, als patrones van ieder die een gevaarlijk beroep uitoefent, zoals brandweer, ontmijners, enz.

Maar vandaag staat een andere heilige centraal, gekend en bemind van het kleinste kind tot de oudste mens: Sint-Niklaas. Ik weet niet wat jij voor deze heilige man voelt, ik weet alleen dat hij niemand bij ons onberoerd laat. Gisteren waren we in de weer om hem een handje toe te steken in de hoop dat hij ons vandaag met een bezoekje vereert. En ja, tegen 10 uur doet hij zijn plechtige intrede. Met zijn gevolg van twee zwarte Pieten, Punkpiet en Walpiet, en een gelegenheidsfotograaf schrijdt hij in de richting van de stafmedewerkers, en zijn eerste bezoek geldt de kolonelssuite. Voor ieder heeft de heilige man een goed woord, en zijn Pieten delen  geschenkjes uit. Op weg naar andere detachementen, bezig in keuken en op werven, groet hij ook de Polen die maar al te graag met de Sint op de foto willen: een souveniertje voor het ‘thuisfront’. Overal stijgt gejuich op waar de bonte stoet zijn opwachting maakt, en het kind in elke mens komt to leven. Er wordt gezongen voor de Sint, het ene liedje met meer overtuiging dan het andere, en het gaat van ‘zie ginds komt de stoomboot’, over ‘Saint Nicolas patron des écoliers’, naar voor kinderoren te gevoelige versies... en zelfs de heilige man kan niet ernstig blijven als hij de creatieve new songs hoort. Tegen etenstijd zit zijn ronde er op. Alleen wie op het terrein aan het werk was zal de aanwezigheid van de Sint moeten missen, maar zijn geschenkje zal klaar staan bij zijn terugkeer. ‘Dag Sinterklaasje, da-ag, da-ag ... en tot volgend jaar!’

 

vrijdag 8 december 2006

In Harissa zal Maria gevierd worden. Wie zal haar nog gedenken? Kennen onze soldaten haar nog? Misschien onze Poolse collega’s?

Iets voor negen uur zijn mijn twee tentgenoten terug naar huis vertrokken. Deze avond komen hun vervangers aan. Zal ik het met hen kunnen stellen?

Terwijl niemand in de weg loopt, hang ik een slinger lichtjes in de tent, zodat er hier ook een beetje eindejaarssfeer hangt. Overdag halen we nog veel zonneschijn en een 20 graden, maar eens de zon weg valt de koude je op het lijf, alhoewel de temperatuur rond de 15 graden blijft.

Om 15 uur is iedereen van de staf uitgenodigd: onze commandant kolonel Herman is jarig en hij heeft taart besteld. Wij zingen op zijn welzijn!

 

zaterdag 9 december - zondag 10 december 2006

Ook onze Wim is vandaag jarig. Met een lang telefoontje wens ik hem proficiat. De laatste dag van december is ons Bini aan de beurt, en daarmee is het jaar weer eens rond. Maar zover zijn we nog niet. We verwachten nog hoog bezoek: op 22 december komt stadsgenoot en eerste-minister Verhofstadt, defensieminister Flahaut, kok Piet Huysentruyt en anderen naar Tibnine, een vroeg kerstbezoek; later volgen nog de CHOD (dat is de hoogste militair) en in zijn spoor andere officieren en medewerkers.

Op kerstavond 24 december van 17 tot 22 uur richten we een kerstmarkt in waarbij elk detachement instaat voor kraampjes en animatie; ik kreeg een koortje samen van een 25 zangers waarmee wij repeteren en de kerstnachtviering zullen verzorgen in de kerk van Tibnine om 23 uur; op Kerstdag zelf brunchen we, en de rest van de dag is er voor elk wat wils.

Oudejaarsdag start met een Silvestercross en ‘s avonds gaan we op restaurant eten. Met een fuif en een gezellig praatcafé wordt de overgang van oud naar nieuw gevierd; aftellen doen we samen in de feesttent.

Zoals je ziet wordt de soldaat-als-mens niet vergeten op buitenlandse zending, en toch ben ik zeker dat het voor velen emotioneel zware dagen zullen worden.

 

vrijdag 15 december 2006

De voorbije dagen doen mij niet denken aan de komende kerstdagen, tenzij dat een team van Radio2  groetjes kwam opnemen om ze in een kerstprogramma te verwerken. ‘s Morgens is de zon al op om 6.30 uur en haar weldoende warmte begeleidt ons tot ze ‘s avonds wegduikt in een heerlijk spetterend spel van vuur en strepen, dat bijna niemand opmerkt of er zich nauwelijks laat door aanspreken.

Waar de adventstijd mij van nature stil doet worden, zoals de natuur, en mij opmerkzamer maakt voor wat rondom mij gebeurt, en mij confronteert met de essentie van de dingen, zoek ik hier tevergeefs naar wat niet te vinden is: stilte.

Voor mij is het een lastige tijd: na meer dan twee maanden ben ik geobsedeerd door het alom aanwezige lawaai, en ik hunker naar stilte, ... Overal waar je staat, zit of ligt overweldigt je het dreunen van een of andere motor, een generator, het eentonig snerpend schrepen van een slijpschijf, vrachtwagens die ladingen stenen en rotsblokken storten voor het terras van de nieuwe keuken, maneuvrerende bulldozers, ... wat natuurlijk niet anders kan bij de opbouw van een compound. In je tent en in de mess is er de verwarmingsblazer die de vochtigheid en de kilte buiten houdt, maar daarvoor moet je een prijs betalen aan stilte; en als je eindelijk indommelt kan de ‘honey-car’ (beerkar) je een extra toemaatje oorverdovend ‘tumult’ bezorgen, want de sanitaire installaties liggen achter de tent...

 

Hello darkness, my old friend,
I’ve come to talk with you again,
Because a vision softly creeping,
Left it’s seeds while I was sleeping,
And the vision that was planted in my brain
Still remains
Within the sound of silence.

 

And in the naked light I saw

Ten thousand people, maybe more.

People talking without speaking,

People hearing without listening,

People writing songs that voices never share

And no one deared

Disturb the sound of silence.

Luister, duisternis mijn vriend, waaraan heb ik dat verdiend.
Dat ik telkens in mijn dromen dezelfde angst moet tegenkomen,
het visioen dat mij bedreigt en ik elke nacht weer verwacht.
Met het geluid van stilte.

 

En dan zie ik telkens weer, tienduizend mensen, misschien meer
zonder iets te zeggen fluisteren. Horen maar naar niemand luisteren.
Liedjes schrijven die geen sterveling zingen wil: het blijft stil.
Ik hoor alleen de stilte.

 

Met dit lied ‘the sound of silence’ van Paul Simon troost ik mij, en ik droom van een tocht naar de Hermon...

 

Deze namiddag is er een grote oefening ‘blue thunder’ waarbij de verschillende detachementen ingezet en getraind worden in een realistisch scenario; de evaluatie achteraf moet iedereen helpen de paraatheid te verhogen en coherenter op te treden. Ik rijd mee met de pandour-staf en leg alles vast op de gevoelige plaat. Ook het Libanese leger neemt deel aan de oefening, en er zijn waarnemers van andere Unifil-landen.

 

 

zaterdag 16 december 2006

Om 5.15 uur is het groot alarm: een andere oefening met een ander scenario waarbij vooral de medische component de hoofdrol speelt. Ik breng mij in veiligheid in bunker 12 en na de controle op noodrantsoen, water, helm en scherfvest wordt het wachten tot de oefening wordt afgeblazen. Uiteindelijk word ik nog naar het hospitaal geroepen om enkele ‘doden en zwaar gewonden’ bijstand te verlenen (dit was een oefening!); zo zie je maar dat de padré ook zijn rol te vervullen heeft, niets wordt aan het toeval overgelaten; iedereen moet op alles voorbereid zijn!

 

zondag 17 december 2006

Begrijpen jullie nu hoe belangrijk voor anderen en voor mij de wekelijkse tocht is naar de kerk? Je verlaat de compound, en na 200 m valt je in de ‘stilte’: een prachtig breed golvend landschap met betoverende dorpjes op de hellingen van waaruit de minaretten de hemel prikken; soms waait de gebedsoproep van de imam je in het gezicht, een lied dat verbondenheid schept met dezelfde Vader die jij tegemoet treedt en die je wil aanbidden in Geest en waarheid. De mensen van Tibnine lachen ons toe, wij behoren bij hen, wij zijn van hen... In de liturgie vieren wij de zevende adventszondag (de advent telt bij de Melkieten 8 zondagen en is een beetje te vergelijken met onze vastentijd). Abouna Maurice is verkouden en hij ziet er naar uit.

Na de viering zijn er een zestal jongeren die onze compound willen bezoeken. Ze springen een gat in de lucht als ik ze wil meenemen; maar eerst moet de wacht de toestemming geven. Het is een vrolijke en uitgelaten bende die Scorpion binnen valt: kreten en gejoel ten allen kant (maar liever deze klanken dan ...), de één wil dit zien, de andere dat; in de keuken krijgen ze een ijsje, we beklimmen de uitkijkpost, lopen de mensen van de federale politie tegen het lijf van wie ze snoep krijgen, we maken een groepsfoto, en onze tocht eindigt bij uitgang Noord via het heliplatform. Één had stiekem met zijn gsm foto’s gemaakt, die we moeten ‘deleten’ omdat nu eenmaal militaire installaties niet mogen gefotografeerd worden. “Mogen we volgende week terugkomen’, vragen ze?

 

In de voor- en namiddag is er een volley- en basketbaltornooi waaraan ook het Libanese leger, de Polen en de Italianen deel nemen. Tussen de pijnbossen ligt een sportinfrastructuur-in-aanbouw, maar voor onze sporten is alles o.k.; iedereen is bij ons te gast voor het middagmaal, en meermaals wordt de wens uitgedrukt om méér van die sportieve ontmoetingen te organiseren.

Tegen 15 uur staat een UN-bus klaar naar EnNaqoura. Het Italiaanse commando heeft een kerstconcert georganiseerd, maar reeds van voor de aanvang is het mij duidelijk dat ik mijn verwachtingen te hoog gesteld heb: geen zalig genieten van een klassiek ensemble, maar oorverdovende klanken in een rubhall, een feest vol lichteffecten en decibels (zouden de meeste soldaten de ‘stilte’ vrezen of zijn zij gewoon kinderen-van-hun-tijd?). Ik vlucht weg - ik wil niet van de regen-in-de-drop komen - en met Frank zoek ik een rustig plekje uit; met een glas wijn en een goede babbel ‘doden’ wij de tijd tot we terugkeren naar Tibnine.

 

maandag 18 december - woensdag 20 december 2006

“Een kerstmarkt zonder kerststal: dat kan niet”; ik ben er niet door verrast wanneer soldaten dit zeggen, maar hoe moeten wij in Gods naam hier een kerststal opbouwen?

Ik heb in Landskouter een prachtige beeldengroep, nog opgeborgen in metalen kisten, sedert mijn verhuis uit Leopoldsburg. Misschien krijg ik onze ‘heiligen’ nog op een C130.

Bruno, onze officier S4, verantwoordelijk voor het logistieke, zal contact opnemen met Berlaar van waaruit alle transport van materiaal en goederen gebeurt, en informeren of er nog plaats is op de vlucht van donderdag. Later krijg ik de bevestiging dat het kan: met het vliegtuig dat onze ministers brengt.

Een tweede stap is nu: zorgen dat de kisten in Berlaar geraken.

Daarvoor contacteer ik Nicole en Claudine, die zoals jullie ondertussen weten mijn geburen zijn en vraag hen of zij met de hulp van Alain de koffers kunnen klaar stellen. Een eenvoudige klus is het niet, want ze staan vrij ontoegankelijk. Zodra ik hoor dat alles klaar staat, mail ik mijn vrienden van EMI1 in Destelbergen en vraag hen of zij onze Belufil’ers een dienst willen bewijzen door voor transport te zorgen naar Berlaar, en ja, zegt Majoor Bart, dat doen wij graag. Je gelooft het bijna niet, maar vrijdagmorgen zal al het kerstmateriaal bij ons zijn.  Bedankt, lieve mensen in Landskouter, Destelbergen en Berlaar...

 

Sedert vorige week is de snoepactie ten voordele van het weeshuis goed op gang gekomen: enkele soldaten namen het initiatief omdat ze ‘te veel snoepgoed’ hadden, en de oogst is formidabel.

Wij kunnen beginnen alles in zakken te stoppen, en later op de week rijden wij naar het weeshuis.

 

donderdag 21 december 2006

Vandaag brengen wij het snoepgoed naar het weeshuis in Tibnine. Met de directeur Fawwaz en één van de opvoedsters drinken we koffie en wachten tot alle kinderen van de school zijn teruggekeerd. In een grotere ruimte, de tegels bedekt met tapijten, wachten de kinderen ons op. Ze hebben kerstliederen aangeleerd en ze zingen uit volle borst, ook de moslimmeisjes met hun hoofddoek.

Dan mag ik ze toespreken en ik vertel kort wie wij zijn en wat wij doen: mijnen opruimen, mensen helpen, mensen verzorgen in het hospitaal, en als ik sommigen zie knikken dan weet ik dat ze ook al op bezoek kwamen bij onze tandarts, of dat ze een basiscursus E.H.B.O. volgden.

De sectie Force Protection deelt dan aan ieder een zakje snoep uit, en zelfs de begeleidsters zijn blij dat ze niet vergeten worden.

Natuurlijk moet er een groepsfoto genomen worden.

Bij de terugkeer loop ik nog een papierzaak binnen en koop wat gekleurde linten om onze welfaretent in kerstsfeer te zetten. Morgen krijgen we ‘hoog bezoek’!

 

vrijdag 22 december 2006

Ik weet niet wat de weergoden bezielt om telkens uit te pakken met guur en beestig weer als hooggeplaatste en weledelgeboren personaliteiten onze compound bezoeken. Is dit een onmiskenbaar signaal van hemels ongenoegen ter bescherming van de kleine man en Jan Soldaat ? Of hebben de hoge omes te weinig eieren naar Clara gebracht? Het wordt een vast gegeven dat het weer in Tibnine omslaat en ronduit slecht wordt bij ministerieel bezoek. Zo ook vandaag. Als de helikopter met de eregasten landt op het platform waait er een enorme krachtige wind zodat ze moeten ‘vechten’ om tot het wachtend commando te komen. (...“Hoe sterk is de eenzame fietser die kromgebogen over zijn stuur tegen de wind zichzelf een weg baant ...”) De neerplenzende regen heeft opgehouden maar zwarte wolken aan de hemel voorspellen niet veel goeds. Toch moet het een feestdag worden voor onze soldaten! In de keuken is Piet Huisentruyt druk in de weer en zet onze koks aan het werk. Zal het zo lekker zijn als op andere dagen?

De Heren Verhofstadt en Flahaut, de ambassadeur, de generaals en vertegenwoordigers van de pers krijgen een klassiek menu voorgeschoteld: koffie, een briefing over ons kamp en onze missie (+ de stand van zaken), waarna een bezoek aan een terrein volgt waar onze ontmijners een demo geven. De meute persmensen gaat te keer of ze nog nooit een minister gezien heeft, voor de vertegenwoordigers van de Libanese pers staat er geen rem op, en meerdere keren word ik bijna onder de voet gelopen of weggedrumd. Terug in het kamp speelt zich een zelfde scenario af in de messtent waar elke handdruk van de premier aan een soldaat nijdig gedrum uitlokt om toch maar de beste foto te hebben; of plots duikt iemand op voor je eigen camera, zonder zich te generen, en hoeps, jouw foto mag je vergeten. Ik bespaar jullie verdere beschrijvingen van het tafelgebeuren; valt te onthouden dat er geen eretafel was, en geen bijzondere voorzieningen voor de gasten: een plastiek bord en beker en bestek zoals altijd.

Na de gebruikelijke toespraak waarbij wij er aan herinnerd worden hoe goed wij ons werk wel doen en hoe ons land met fierheid toekijkt op onze missie, en na het gebruikelijk cadeau - dit keer een mes/tang/schroevendraaier - zetten de hoge heren hun bezoek verder aan het hospitaal. Tegen 15.00 uur, en na paar interviews aan TV- en radioreporters reppen de heren zich naar de wachtende heli, nagestaard en uitgewuifd door ons commando.

De bussen met de andere genodigden waren al op weg naar Beiroet. Alleen Catherine en Kay Styles zouden ‘s avonds nog een nummertje ten beste geven. Piet H was er ondertussen in geslaagd van een pandoer een rijdend restaurant te maken, en daar zat hij dan, fier als een gieter, met helm en koksattrubuten, voor een ritje door de compound.

 

zaterdag 23 december - zondag 24 december 2006

Nu zijn de voorbereidingen voor de komende kerstdagen volop aan de gang. Deze namiddag brachten kinderen uit het weeshuis grote schalen met gebak, voor alle militairen. Het zijn heerlijke koekjes met vijgen gevuld, een echte delicatesse.

Aan de tentmuurtjes in de mess zijn tekeningen opgehangen en wensen op kerstkaarten: enkele scholen hebben het initiatief uitgewerkt om per klas onze militairen te bedenken met een wenskaart of tekening. Er zijn echte kunstwerkjes bij, en het doet deugd de eenvoudige zinnetjes te lezen die de kinderen er bij geschreven hebben. Zo zie je maar dat een ‘kleinigheid’ soms meer plezier bereidt dan grote ‘gestes’. Wij maken foto’s van deze versierde hoekjes en sturen die naar de respectievelijke scholen met onze dank.

Ik vermoed dat onze ministers, tijdens hun vlucht, nooit geweten hebben in welk heilig gezelschap ze verkeerden. Aan boord waren niet meer of minder de heilige Familie aanwezig, gesteund en geschraagd door enkele herders, en zelfs drie koningen maakten incognito de reis mee.

Zodra de heli van onze Premier en MOD (minister of defence) zich krap zette tegen de dreigende wolken en koers zette richting Beiroet, kwamen de verstekelingen te voorschijn. De hemel klaarde uit en het leek wel of de zon even goede dag wou zeggen. Je ziet maar...

Vandaag krijgen onze heiligen een ereplaats, dichtbij de versierde spar, onder een eenvoudig schuil van camouflagedoek en houten laten. Met een viertal kerstrozen - iemand zorgde voor een buitenkaars - en een spotlicht er bij mag onze kribbe gezien worden.

Kort na 17 uur opent kolonel Herman ‘de’ kerstmarkt van Tibnine. Het is al donker en de vuurpotten en kleurige guirlandes toveren het paradeplein in een onherkenbaar decor. Een zestal versierde tenten, allen om ter mooist, zijn gastvrije herbergen waar niemand uitgesloten wordt, en waar eten en drinken te vinden is, naar ieders kunnen. Zelfs het gelegenheidskoortje dat straks de nachtmis opluistert zorgt voor een vrolijke noot en kan op ieders bijval rekenen. Zijn niet alle Belufil-soldaten zingende engelen die - met het ontmijnen, en opbouwen van compounds en steun aan burgerinitiatieven, én met het hospitaal en dienstverlening in de dorpen - Gods lof verkondigen en vrede op een stukje aarde brengen dat Libanon heet?

Tegen 22.30 uur is de kerstmarkt gedaan, en wie wil spoedt zich naar de kerk voor de nachtmis.

Niemand weet hoeveel militairen zullen deelnemen, maar dan zie je ze komen, in kleine of grotere groepen, en tussenin Poolse soldaten, en burgers uit Tibnine. De kerk loopt vol en zelfs op het doksaal wordt elke stoel ingenomen. Jan speelt klarinet en in afwachting dat de viering begint, en door de stille ruimte klinkt de nasale klank van een fluit, een herderslied dat gedragen wordt door ieders aandacht, een lied vol goede wil.

Met de tonen van Adeste fideles begint voor ons de kerstnacht, eenieder verbonden met zijn geliefden thuis.

En als op het einde elk koorlid zijn of haar rode kerstmuts opzet, en zingend de kerk ingaat “I wish you a merry Christmas and a happy new year” worden handen geschud, zoenen gegeven, mensen omhelzen elkaar en lachende ogen, soms gevuld met tranen, spreken van ‘zalig kerstfeest’.

Niemand die er bij was zal ooit die kerstnacht in Tibnine vergeten!

 

maandag 25 december - dinsdag 26 december 2006

Kerstmisdag verglijdt sereen en waardig van de kalender: de viering in de kerk om 10 uur, de film ‘s namiddags na een heerlijke maaltijd, en ‘s avonds een bingospel met veel deelnemers zijn de ingrediënten.

In de nacht begint het weer te regenen. Eerst waren er een paar druppels, voorzichtig neergevallen op het tentzeil, die kregen het gezelschap van meer en meer, nadien dansten ze onstuimig en uitgelaten op volle kracht in een ambiance die niet te beschrijven is. Ik lig stil onder mijn dekbed, gelukkig omdat het tentzeil zijn werk doet en ongenode gasten (regendruppels) buiten houdt. Ik luister naar het grandioze spel vol afwisseling, en naarmate de wind de zeilen bolt, verandert het kleur en de stemming. Plots dringt het tot mij door dat het niet voor iedereen zo wel is: mijn heilige Familie, de herders en zelfs de koningen, zullen zich tevergeefs schrap gezet hebben tegen de neervallende watermassa; van armoede zullen zij het opgegeven een droge plek te zoeken, en ik zie ze in gedachten naar elkaar staan staren, kletsnat, met water dat van ieders gezicht drupt, dromend van drogere tijden.

Ik weet dat ik er niets meer kan aan veranderen, maar die dinsdagmorgen ben ik er het eerst uit, en in het schijnsel van de opkomende zon ontdoe ik ze allen van hun nat plunje. Daar staan ze dan in hun nakie, met verkrampte spieren die met een draai aan de vleugelmoeren soepeler worden. Met behulp van een paar piketters breng ik ze onder in bunker 11: daar liggen ze dan, zij aan zij, uitgestrekt op karton, de gezichten naar elkaar met een uitdrukking van herkenning en welbehagen. Hun kledij breng ik naar de wasserij, waar lieftallige dames zich over ontfermen en sorteren wat moet gewassen worden en wat alleen gedroogd.

Jammer dat dit heilig gezelschap ons niet langer kon verblijden: wij zijn toch ook maar mensen.

 

woensdag 27 december - donderdag 28 december 2006

Johannes en de onschuldige Kinderen toveren Tibnine en de weidse omgeving in een schitterend decor van pure zuiverheid en schoonheid: de eerste sneeuw is gevallen.

Het tempo in ons kamp vertraagt, zoals het verkeer op de wegen, en ieder zoekt een nieuw evenwicht. De verre einder gaat schakeringsloos over in de donkergrijze lucht; ook de zon is verdronken in de ijle sneeuwlucht, en doet zelfs geen wanhopige poging er onder uit te komen.

Ik zoek mijn ‘Hermon’, maar ik vind hem niet; ik loopt de straten en pleinen af en ik zie hem niet. (cfr. Hooglied). “Wachter aan de poort, heb jij de Hermon niet gezien ...”

 

vrijdag 29 december - zaterdag 30 december 2006

We zouden naar de markt gaan: Carlo die Kim opvolgt als RMO en ik.

Kolonel Walter vertelt ons dat er een accident gebeurd is waarbij twee ontmijners Franky en David gewond zijn. In het hospitaal heerst een koortsachtige sfeer, en ook daarbuiten wordt niet gelachen. Om 11.30 uur roept kolonel Herman alle manschappen samen, de mede-ontmijners in de welfaretent apart, en geeft toelichting bij het gebeuren. Één van de gekwetsten zal naar het hospitaal in Saida gebracht worden, terwijl de andere bij ons geopereerd wordt. Het thuisfront wordt verwittigd, medewerkers daar ontfermen zich over de families, terwijl wij hier, RMO, BSR en Padré als psycho-sociaal team de betrokkenen begeleiden en ondersteunen. Een accident blijft een accident: geen kwestie van ondoordacht handelen, van verwaarlozen van de regels bij het ontmijnen, van slordigheid of onachtzaamheid; wel: een gebeuren dat niet te voorzien was, een toeval, een “ongeluk”! Het worden lange spannende dagen; als er zo iets gebeurd merk je zelf hoe kwetsbaar elk een is, maar ook hoe de rangen gesloten worden en een grote ‘verbonden-heid’ bestaat.

Vandaag, zaterdag, wordt Franky gerepatrieerd naar België. We horen later dat de MOD en enkele generaals, samen met Familie, hem opwachten.

 

zondag 31 december 2006 - maandag 1 januari 2007

Tijdens de zondagsviering worden enkele voorbeden gelezen voor onze twee vrienden Frank en David. En Sinte Barbara wordt bedankt, want zegt een soldaat mij, “wij moesten met nog veel meer haar feest gevierd hebben begin december”. En inderdaad, naar mate de gezondheidsberichten verspreid worden, ziet het er naar uit dat het al bij al nog zal meevallen. De tijd heelt alle wonden, gelukkig zijn er geen ‘doden’.

‘s Middags telefoneer ik mijn zus Bini (Yvonne) die jarig is. Ik feliciteer haar hartelijk, ook al omdat ze eergisteren voor de tweede keer ‘grootmoeder’ is geworden.

Alles staat nu in het teken van het naderend jaareinde en van een nieuw jaar.

Wij krijgen terug bezoek van de hoogste generaal uit het Belgische leger, de CHOD, en in zijn gezelschap andere generaals en bezoekers. En wat verwacht je anders dan dat de hemelsluizen weer open staan?! Drie keer is scheepsrecht, en zo zal het bezoek van onze CHOD ook verlopen: in de regen!

Zijn komst is wat verlaat omdat hij op de weg naar ons toe eerst David wil bezoeken in het hospitaal van Saida. Hij arriveert iets na 17 uur, en na de gebruikelijke begroetingen en voorstelling van het kaderpersoneel, gaat hij naar het restaurant waar de eerste groep het feestmaal, een echte Libanese maaltijd, gebruiken. Met een korte speech groet hij iedereen en op zijn beurt bedankt hij elke speler in het theater voor zijn professionele aanpak en zijn niet-aflatend engagement. Ook kolonel Herman komt aan het woord en nodigt iedereen uit van de feestelijke avond te genieten, maar met respect voor alle veiligheidsmaatregelen.

Na een kort bezoek aan onze compound is de CHOD al weer op weg naar EnNaqoura, naar het hoofdkwartier van Unifil. De andere gasten genieten van de maaltijd of deinen mee met de jeugdigen op de tonen van een toffe muziekband, en dat er ambiance is: dat moet niet gezegd worden.

 

Voor wie het rustig ziet staat de welfaretent open, en met een lekker glas wijn wordt er gebabbeld tot iedereen kort voor twaalven in de messtent samen is. Nieuwjaar wordt ingezet met de hartelijkste wensen die met stevige omhelzingen, of vierdubbele zoenen (naar het schijnt de gewoonte in Zuid-België) gepaard gaan.

Na een warm stortbad in de eerste nieuwjaarsnacht duik ik mijn bed in. Nog eerst lees ik de eerste bladzijde van de scheurkalender van Kerk en Leven: een eerste gebed in het nieuwe jaar.

 

dinsdag 2 januari - woensdag 3 januari 2007

Reeds vroeg in de morgen troont de zon in een stralend blauwe hemel, en dat belooft: Pastoor François Kattoura van Safad-elBatikh nodigt mij uit voor een lunch, en een bezoek aan de christelijke dorpen in de regio. Ik mag enkel vrienden meevragen; Carlo en kolonel Vincent zijn er graag bij. Om 12 uur wacht abouna François ons op, samen met de beheerder van zijn parochie, en eerst rijden wij naar zijn kerk in Safad die door een Israëlisch bombardement met de grond gelijk gemaakt is. Wij klauteren over het puin, en zien de resten van het altaar, de torenspits die de gevel van de priesterwoning neerhaalde, de auto die onder het puin bedolven is, een echte ravage die niets meer overeind liet staan.

 

Ik las in het tijdschrift “Werk van het Oosten” een bijdrage over de Grieks-Katholieke kerk in Libanon, en een heel interessant artikel van  patriarch Gregorius III die ik persoonlijk ken van toen hij nog patriarchaal vicaris was in Jeruzalem. Ook was er een oproep tot de lezers om de Melkietische kerk te steunen met een gift, want door de laatste oorlog was veel schade toegebracht aan het kerkelijk patrimonium. In bijlage ziet je enkele foto’s van de totaal verwoeste

kerk van Safad elBatikh.

Na de lunch die op Libanese wijze rijkelijk en afgewisseld was, rijden we naar Barrachid. Deze gemeente lag tot 2000 in een gebied dat Israël bezette. Zijn hoge ligging was een uitstekende uitkijkpost over alle andere dorpen en beheerste de weidse omgeving. Abouna Fadi Ziadé liet ons zijn prachtig kerkje zien, nu gerestaureerd, een eerbiedwaardige plaats met een heel mooie  iconostase.

Van daar uit reden we in oostelijke richting, tot bij de Israëlische grens, naar het dorp Marun rRas. Een uitkijkpost van het Libanese leger en een UN-post zijn de laatste punten voor de grens die beneden in de vallei loopt.

Van Marun rRas gaat het verder naar Rmeisch, een ander christelijk dorp waar alleen Maronieten en Melkieten wonen.

Ondertussen horen we heel wat over de streek, over de verhouding christenen-moslims, over de invloed van Hezbollah, over de organisatie van de Grieks-Katholieke gemeenschap, de opleiding van haar priesters, enz.

het is voor mij één van de boeiendste dagen sinds mijn verblijf in Tibnine, en we maken een afspraak dat we volgende week vrijdag een bezoek zullen brengen aan de bisschop van Tyrus, Mgr. Bacouni Georges.

 

donderdag 4 januari - zondag 7 januari 2007

Bezoek aan het kasteel van Tibnine met een groepje dokters van het hospitaal, een marktbezoek dat letterlijk en figuurlijk in het water valt door overvloedige regen (er was geen enkel kraam!), een rustige zondag met als uitschieter de goddelijke liturgie in Tibnine’s kerkje en de padré als gastpredikant, én natuurlijk de nieuwjaarswensen aan alle zussen en broer (schoonbroers) die bij Yvonne samenkomen, enerzijds om haar verjaardag te vieren (31.12), de verjaardag van haar echtgenoot en schoonbroer Marc, de geboorte van Esmeralda die samen met mama Chris en papa Karel van de partij zijn, en natuurlijk omwille van het nieuwe jaar. Ze komen allen aan de telefoon, en de vraag die telkens weerkeert is: “hoe stel je het daar én wanneer kom je naar huis?”

Ik moet er geen tekeningske bij maken om te zeggen hoe graag ik er bij had willen zijn. Maar een opdracht moet voleindt worden, en eerlijk gezegd, ik ga er ook voor. De laatste weken van normaal werken komen er aan; op 17 januari is er de ‘medalparade’, dwz. dat iedereen een herdenkingsmedaille van de UN krijgt, en deze plechtigheid heeft plaats in het prachtig kader van het kasteel van Tibnine. Er is nog een ontmoetingsdag gepland met het commando van de 19-de Brigade van het Libanese leger, ook gestationeerd in Tibnine, en het allerlaatste bezoek van categorie 2, dat zijn de commandanten van detachementen die hier een missie uitvoeren.

In mijn laatste dagboek zal ik vertellen over de weken die nu nog komen. Nog niet met stellige zekerheid, maar naar alle waarschijnlijkheid keer ik terug op 6 februari. Ik houd jullie op de hoogte.

 

vrijdag 12 januari 2007

Na enkele doodgewone dagen, zonder kleur of verve, staat abouna François aan de wacht, met naast hem Gerios Touma, zijn rechterhand in Safad elBatikh, wiens huis ook volledig verwoest werd. Volgens afspraak zouden wij vandaag naar Tyrus rijden, en een bezoek brengen aan aartsbisschop Georges Bacouni.

Het is een stralende dag, met een wolkeloze azuurblauwe hemel zoals je die alleen in vakantiefolders vindt. Wij rijden in westelijke richting, doorheen Haddata en Harissa en dan noordwestelijk, via Saddiqine en Qâna.

Aan de rand van de weg en boven op de heuvels staan prachtige villa’s, waarvan sommigen niet moeten onderdoen voor het ‘Witte Huis’; het zijn pareltjes van architectuur: enorme bouwwerken met kasteelallures en tezelfdertijd gracieus, ingewikkelde dakconstructies met speelse torentjes; slanke gesculpteerde zuilen schragen het portiek van twee etages hoog, hoge muren omringen het geheel van waarachter een weelderige bomengroei laat vermoeden dat ‘het tuintje’ ook niet mis is; lange lanen van soms honderden meter lang met een snoer van bomen voeren naar een reusachtig hekwerk dat toegang verleent ... tot het paradijs? De meeste villa’s zijn niet permanent bewoond, slechts enkele maanden per jaar, want de eigenaars zijn handelaars en industriëlen die in Afrika of elders hun ‘boterhammeke’ verdienen.

Het contrast tussen de rijkdom die hier uitgestald wordt en het armzalige en primitieve dat ik zag in de kleine dorpen vergeet ik nooit.

 

Tyrus (soms gespeld Tiroes) of Sur is een oude havenstad met 117.000 inwoners en districtshoofdstad in het zuiden van Libanon, gelegen aan de Middellandse Zee. Ten noorden van de stad ligt Sidon. Tyrus ligt op minder dan twintig kilometer van de grens met Israël. De naam van de stad betekent 'rots'.

 

Geschiedenis

De eerste bewijzen voor het ontstaan van Tyrus dateren uit de 13e eeuw v. Chr. De Oud-Griekse historicus Herodotus verklaarde echter dat het gesticht werd in ongeveer 2700 v. Chr. Tyrus was toen een van de stadstaten van de Feniciërs.

Onder andere vanuit deze stad verkenden de Feniciërs met hun schepen de kusten van de Middellandse Zee. Zij stichtten her en der diverse koloniën. Wellicht de bekendste Tyrische kolonie is Carthago. De Tyriërs zaten zelfs tot in Rome, waar op het Forum Boarum (veemarkt) reeds in de 7e eeuw v. Chr. Feniciërs zich schijnen te hebben gevestigd.

Van 586 v. Chr. tot 573 v. Chr. werd Tyrus belegerd door de Babylonische koning Nebukadnezer, maar het lukte hem niet om Tyrus, dat toen nog een eiland was, in te nemen. Wel werd een compromis bereikt waarbij Tyrus toch schatting aan de Babyloniërs moest betalen.

Later kwam Tyrus, net als grote delen van het Midden-Oosten, in handen van de Perzische Achaemeniden.

Oorspronkelijk was Tyrus dus gelegen op een eiland, zo'n 800 m uit de kust. Toen Alexander de Grote in 333 v. Chr. met zijn leger de stad bereikte, weigerden de inwoners zich aan hem te onderwerpen. Ze gingen ervan uit dat Alexander geen maanden zou verspillen met het veroveren van een eilandje, en tevens dachten de Tyriërs dat hun machtige dochterstad Carthago hen wel te hulp zou snellen. Aanvankelijk probeerde Alexander de stad in handen te krijgen door ze aan te vallen met zijn vloot, maar de Feniciers waren heer en meester op zee. De Tyriërs waren voorbereid op een maandenlange belegering. Alexander besloot vervolgens een dam te maken die het eiland met het vasteland zou verbinden, om aldus Tyrus via 'het vaste land' te bestormen. De stad werd ingenomen, en de inwoners die niet naar Carthago konden vluchten werden gevangen genomen: de kinderen en vrouwen werden verkocht als slaven en de mannelijke inwoners werden allen gekruisigd. Het is dus aan Alexander te danken dat Tyrus tegenwoordig een schiereland is in plaats van een eiland.

In de Oudheid stond Tyrus bekend om de productie van een bijzondere kleur purper, Tyrisch purper. Het werd gewonnen uit de purperslak, een bepaalde zeeslak. De kleur bleef gereserveerd voor de koningen en keizers, waaronder de Romeinse keizer. Kort na de dood van de heilige Stefanus werd er in Tyrus een kerk gesticht. In 636 werd Tyrus door het Arabische Rijk veroverd.

In 1124 werd het veroverd door de kruisridders en ging het behoren tot het Koninkrijk Jeruzalem. Na de val van Jeruzalem aan Saladin verplaatste de zetel van het Koninkrijk Jeruzalem naar Akko, maar de kroningen van nieuwe koningen werden in Tyrus gehouden.

In 1291 veroverden de Mamelukken Tyrus. In 1516 werd het door het Ottomaanse Rijk veroverd.

Na de Eerste Wereldoorlog, toen troepen van het Franse vreemdelingenlegioen in Libanon landden om de Britten te assisteren, ging de stad bij het Franse mandaatgebied Libanon horen.

Tijdens de Israëlische-Libanese crisis van 2006 werd Tyrus zwaar getroffen door Israëlische bombardementen. (Wikipedia)

 

De ontmoeting met de Grieks-Katholieke aartsbisschop is zeer hartelijk; blijkbaar weet hij al welk vlees hij in de kuip heeft (Abouna Maurice zal hem wel over mij verteld hebben) en toch is hij sterk geïnteresseerd in wat onze Belgische soldaten doen. Met vers geperst fruitsap, zoetigheden en koffie én met zijn brede lach schenkt hij deugddoende gastvrijheid, zoals je die alleen in het Oosten kunt ervaren. Hij wordt heel ernstig als hij spreekt over het lijden van de christenen die in de regio een minderheid zijn; over de schade die ze opliepen aan huizen en kerken, over de ‘vlucht’ van christenen naar Beiroet of naar het buitenland, over de schijnbaar probleemloze samenleving met moslims, over kleine en grote pesterijen, ...

Hij laat mij een presentatie zien over de gevolgen van de juli-oorlog. Het is een triest document van vernieling en dood. Ik krijg een exemplaar mee, een getuigenis om in België te laten zien.

Nadien bezoeken we zijn kathedraal waar opgravingen onder het koor wijzen op resten uit de Byzantijnse periode.

Ik laat hem het nummer zien van ‘Werk voor het Oosten’ (een tijdschrift  met een Nederlands- en een Franstalige editie van een Belgische organisatie) waarin patriarch Gregorios III een bijdrage schreef, en waarin een oproep gedaan wordt om de bisschop te steunen bij de heropbouw van vernielde en beschadigde kerken, onder meer die van Safad alBatikh. Hij vraagt mij enkele Franstalige exemplaren. In augustus brengt de aartsbisschop een kort bezoek aan ons land, en hij zal mij op de hoogte houden van zijn komst.

Het zou natuurlijk fijn zijn mochten we hem bij deze gelegenheid een som kunnen overhandigen om de nood in zijn bisdom te helpen lenigen. Het is voor mij een uitdaging om in ons land, in samenwerking met het ‘Werk voor het Oosten’, én met jullie allen, de handen in elkaar te slaan ... en er werk van te maken. Ik geef jullie in elk geval het rekeningnummer mee: ‘Werk voor het Oosten’, Maria van Bourgondiëstraat 8, 1050 Brussel - 000-0340612-45 met vermelding “hulp voor de Melkitische kerk”. Vanaf 40 € krijg je een attest. Je hoort nog van mij!

 

 

class=WordSection3>

Abouna François, een geboren en getogen ‘Tyriër, neemt mij na het bezoek mee in de oude havenstad. Het is heerlijk de zeelijn te overschouwen richting Sidon, nog zo een bijbelse stad met een interessant verleden. De kleine pittoreske haven boeit mij: boten varen in en uit, enkele vissers zijn hun netten aan het herstellen, verderop de kade staat een groepje mannen, luidruchtig en met heftige gebaren te discussiëren terwijl een viertal anderen, rustig hun waterpijp rokend, zich niet storen aan het kabaal. In een primitief café, naast een kleine scheepswerf, spelen verwoede kaarters op leven en dood. In het midden van de havenkom, bereikbaar via een kleine pier, staat een Mariakapel. Voor velen is Zij nog de ‘Ster der Zee’, en niet alleen voor christenen.

De terugweg gaat over Qâna. Een Libanese traditie zegt dat de grot, die buiten Qâna, op de flank van een rotsige vallei ligt, de grot is van de geboorte van de Heer Jezus. Ook in Qâna, dat tijdens de laatste oorlog zwaar beschoten is en veel burger-slachtoffers telt, wordt een site bewaard met zes stenen kruiken; de toeristische dienst van het stadje wijst deze plaats aan als het bijbelse Kana van het wijnwonder. Je ziet maar... Ik hecht weinig waarde aan dit gegeven, omdat in het echte ‘Kana’ nog altijd wijn te koop is van de bruiloft van toen. Elk zegge het voort ...

De avond is boordevol zegening met de aankomst van de postcontainer. Ik krijg vier pakketten, waarvan één de post bevat van begin december. Eindelijk terecht. Na een eerste chinees klassement trek ik mij terug in mijn tent en geniet van kaartjes en attenties. Bedankt, lieve zussen en broer, bedankt lieve mensen...

 

zaterdag 13 januari - zondag 14 januari 2007

Vandaag is er een bataljonscross waaraan iedereen moet deelnemen, die geen andere dienstverplichtingen heeft. De afstand van ruim 5 km wordt door luitenant Steve afgelegd in 20:20, een schitterende tijd. Er waren 153 deelnemers. En de fotograaf van dienst zorgde voor schitterende plaatjes.

Het detachement 11Genie brengt een bezoek aan Tyrus. Terug echt ‘postkaartweer’. Om 13 uur zetten we aan, en tegen 14 uur slenteren wij al op de zeedijk richting Oude Stad. Ik zag gedurende de voorbije maanden zelden zo’n uitgelaten bende.

Niet zo ver van het oude centrum, en in de nabijheid van de christelijke wijk, liggen de opgravingen en restanten van een Romeins badhuis, van een rechthoekige arena (een zeldzaamheid), van een marmeren promenade met prachtige zuilen, versierd met Corinthische kapitelen, van de oude kathedraal, enfin een historische site om ‘u’ tegen te zeggen. Onder de aangrenzende woningen vermoedt men dat nog meer overblijfselen te vinden zijn, uit de verschillende bloeiperiodes van Tyrus. Een merkwaardigheid is dat de stad in 1984 door de UNESCO tot Werelderfgoed verklaard is.

Onze wandeling gaat ook naar de vissershaven, waar wij op een terrasje genieten van een koffie en het schouwspel rondom ons gadeslaan. In de soeks beginnen de winkeliers stilaan alles dicht te doen: het is hier winter, en rond deze tijd nauwelijks nog kijk- en kooplustigen, de Belgen niet meegerekend.

Met een rood-ondergaande zon aan onze zij en een rimpelloze zee, waarop enkele bootjes meewiegen, en met een schier onmerkbaar zeebriesje dat ons zacht in onze nek zoent, keren wij terug naar de bussen. We zullen nog eerst de Libanese keuken eer aan doen in een gezellig etablissement op de zeedijk. Een geslaagde uitstapdag!

 

dinsdag 16 januari 2007

Gerios maakt zijn opwachting bij de wacht, en na de gebruikelijke broederlijke omhelzing overhandigt hij mij een witte enveloppe, namens de aartsbisschop van Tyrus. Nieuwsgierig als ik ben maak ik hem vlug open, en ik zie een linnen doek met de afbeelding van de graflegging van Christus, en ik herken dit ‘heilig’ doek waarop in elke goddelijke liturgie brood en wijn geplaatst worden. Dit doek schenkt de patriarch aan al zijn priesters als teken van verbondenheid met elkaar in Christus. Ik ben er zeer dankbaar voor, en ik weet dat als ik celebreer, waar ook ter wereld, dit doek ‘verbondenheid’ schept met onze broeders en zusters van de Melkitische kerk.

 

woensdag 17 januari - donderdag 18 februari 2007

Vandaag is het kasteel van Tibnine een beetje het ‘centrum van de wereld’, althans voor de militairen van Belufil1. Het is gebruikelijk dat naar het einde van een UN-zending de force commander, dit is de bevelvoerende generaal - voor ons de Franse generaal Pelligrini, de UN-medaille uitreikt aan de manschappen. Reeds dagen van te voren zijn de voorbereidselen aan de gang, want niet alleen de Belgische militairen zullen er zijn, ook delegaties van alle andere naties, de ambassadeur en zijn gevolg, en heel wat personaliteiten uit Tibnine en omgeving.

In de avondschemering, bij het feeërieke licht dat het kasteel doet blozen en door onze mensen geplaatst, staan de detachementen opgesteld, broederlijk naast elkaar: het logistiek detachement, de ‘medical’, de genie en boven op het dakplatform, op één lange rij, de Force Protection.

Na de inplaatsstelling van de troepen en de komst van alle genodigden schouwt generaal Pelligrini de manschappen. Na enkele korte toespraken waarin de verdiensten van iedereen worden onderstreept en de professionaliteit geroemd, reikt de generaal de medailles uit aan de detachementscommandanten, en aan de Belgen die op het hoofdkwartier in Naqoura werken. Op hun beurt ‘decoreren’ de commandanten hun respectievelijke mensen. Buiten het kasteel en in het kamp staan soldaten op wacht of verrichten hun dienst.

Zij zullen op donderdagmorgen ‘vereremerkt’ worden in kamp ‘Scorpion’.

Na de parade is er een drink voor alle genodigden, en je kunt je wel voorstellen hoe iedereen die er bij kan zijn geniet van deze uurtjes. Ik verklap niet wanneer de laatste gasten het kasteel verlaten hebben, je zou het toch niet geloven!

 

zaterdag 20 januari - zondag 21 januari 2007

Uit Beiroet is een equipe van het Rock-café gekomen, en in de messtent zullen zij onze mensen vergasten op een spetterende avond boordevol ambiance, tenminste voor wie zich graag onderdompelt in overdonderende muziek, eentonige ritmes zonder einde, waarbij je de cadans drie dagen later nog voelt in je meetrillende ledematen. Ik steek even mijn hoofd binnen, zie mensen praten met woorden die verpletterd worden door het oergeweld van de boxen zonder te verstaan wat ze zeggen, groet hier en daar met een knikje of een knipoog, en schuif dan snel de tent uit; ik sluip naar mijn slaapvertrek en zal willens-nillens nog enkele uurtjes meesudderen op de eindeloze stroom uitgespuwde hightech-geluidsgolven...

... en ik zie de zondag beginnen met een troosteloze sluier regenwolken, voorafgegaan door hevige windstoten die het ritme van het Rock-café gretig hebben overgenomen. Het belooft niet voor de uitstap naar Tyrus van 4Genie. Hun commandant vroeg mij hen te vergezellen.

Als wij tegen 8.45 uur naar de kerk gaan heeft het opgehouden met regenen. In de vallei beneden breekt de zon door het wolkenscherm en laat een streep schitterend licht vallen in het anders eerder apocalyptische landschap. Wij blijven zelfs even staan om naar dit ontroerend mooi decor te kijken. Een mens heeft toch niet veel nodig om gelukkig te zijn!

Het programma voor het bezoek ziet er enigszins gelijk uit aan dat van de vorige zondag. Ik vind nu wel enkele geïnteresseerden om de historische sites prioritair te bezoeken, en zo staan wij na een twintig minuten wandelen aan de ingang van de Romeinse hippodroom.

“Het Romeinse hippodroom van Tyrus fungeerde als decor in een beroemde scene uit Ben Hur.

Een beroemde Tyrische was koningin Dido, die de stichteres was van de Tyrische kolonie Carthago. Zij werd verliefd op Aeneas, die levend ontsnapte uit het brandende Troje. De Romeinse dichter Vergilius vertelt hierover in de Aeneis” - Wikipedia.

 

 

 

Het bezoek loont meer dan de moeite én de toegangsprijs die wij graag betalen, maar waarvan we vermoeden dat de wachter er beter van wordt, want hij geeft ons drie tickets voor vijf man. De regen blijft weg, en af en toe steekt een glazige zon haar kop door de wolken. De wind blaast bij momenten uit volle kracht, maar is niet in staat de aloude Romeinse stadspoort in verlegenheid te brengen. Prachtig monument, je moet dat daar zien staan!

En dan de hippodroom: ‘s jonge, wat een ruimte, wat een decor, wat een lengte...

... ik sta op het punt waar de wagens keren en overschouw de tribunes; ik zie de juichende en joelende menigte, de naderende paarden met schuim op de lippen, opgehitst en voortgedreven; ik lik het stof van mijn lippen als de wagens uit de bocht verdwijnen, daar zie ik er één in het zand bijten, voorgetrokken door zijn op hol geslagen paard; daar veert het publiek recht om de winnaar met applaus en kreten van eerbetuiging te huldigen, nu hoor ik weer de bazuinen die een nieuwe kamp aankondigen, ...

Bij de andere site ontmoeten wij een oudere man die veel interessants te vertellen heeft en eigenlijk er op uit is om ook een Libanese pond of een dollar te verdienen door de verkoop van oude munten die volgens hem bij massa uit de zee te halen zijn: “omdat een gedeelte van de oude stad nu overspoeld is door de zee”, zegt hij.

Nu pas zien we ook hoe hevig de storm is: de aanrollende golven gebruiken de oude onderzeese havendam als springplank om de kustlijn te beuken en in een explosie van water, zeewier en schuim meters hoog te eindigen tegen de rotsen.

Nu geen romantische zonsondergang, maar een uniek wolkendek dat het zonlicht filtert in tientallen stralen die het bruisende zeewater kussen.

 

 

 

 

 

 

dinsdag 23 januari 2007

De dagen van Belufil1 rekken zich naar het einde. In elk detachement wordt uitgekeken naar ‘einde opdracht’, en zonder dat het werk erbij inboet, is de spanning aan het afnemen. Deze week is er al rotatie voor de dokters en voor ander personeel van de ‘medical’.

In Libanon ligt het openbare leven stil door een aangekondigde manifestatie van de oppositiepartijen. Ook bij ons is er verhoogde staat van paraatheid, en een aantal maatregelen zijn ingetrokken, onder meer de dagelijkse cross buiten het kamp kan niet doorgaan.

Wij wachten gespannen af wat de gevolgen zullen zijn. Er vallen doden en gewonden in het straatgeweld. In onze eigen omgeving zijn straatversperringen en wegblokkeringen gemeld. Hoe zal het morgen verder gaan?

 

donderdag 25 januari 2007

Kolonel Herman vraagt mij om mee te gaan naar de sites waar onze ontmijners aan het werk zijn. In de pandoer van de staf rijden we naar het terrein. Eens Kunin voorbij is de weg in de vallei niet verhard, en op sommige plaatsen liggen grote plassen water ten gevolge van gesprongen leidingen. Voor de pandoer is dit geen hindernis, maar de inzittenden riskeren een modderbad door het opspattende water, en de chauffeur is wel geneigd dit onderdeel van de rit niet te besparen aan zijn passagiers. Verschillende keren duik ik onder, bescherming zoekend voor mijn ‘Canon’.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Op de site aangekomen horen wij een deskundige uitleg over de technieken die de ploegen gebruiken om metaal op te sporen. Ik ben overweldigd door de bloemenpracht in de vallei: witte voorjaarsanemonen, lilablauwe en helderrode. Met de zon in tegenlicht worden de velden sprookjesachtige decors. Het hoog opschietend gras en andere gewassen onttrekken echter de verraderlijke aanwezigheid van clusters en niet ontploft materiaal aan het oog. Gevaarlijk is het hier wel! Rood-wit lint tekent de zones af die reeds vrijgegeven zijn. Er kunnen niet genoeg voorzorgsmaatregelen getroffen worden.

Wij bezoeken nog een tweede site in een dorp waar de oorlog in alle heftigheid gewoed heeft. de bevolking heeft ons gevraagd te zoeken naar een vliegtuigbom die ergens in de bodem verborgen zit. Een andere vliegtuigbom wordt ons aangewezen: hij ligt in een veld, bijna mansgroot is hij. Onze mensen zullen hem naar de vernietigingsplaats brengen; hij is reeds onschadelijk gemaakt!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

zondag 28 januari 2007

De weersvoorspelling voor vandaag belooft goed te zijn. De laatste dagen hadden we reeds wat meer neerslag, en vooral de wind kan heftig te keer gaan. Om 7 uur sta ik klaar om met de RSM en de korpskorporaal naar Naqoura te rijden. Generaal Hubert heeft er voor gezorgd dat wij de grenslijn tussen Libanon en Israël kunnen afrijden. Maar onderweg naar Naqoura hebben we pech: enerzijds is het voertuig door de vorige gebruiker niet bijgetankt, wat ons kostbare tijd doet verliezen, en anderzijds rijden we een band stuk: auto dus aan de kant, wat zoeken en sleutelen, en met een half uur vertraging bereiken we het hoofdkwartier. In het gezelschap van de generaal beginnen we aan onze tocht die ons op veel plaatsen letterlijk op de ‘blue line’ brengt.

In Ain Ebel drinken we koffie. Verder gaat het dan in noordoostelijk richting. Links zien we het kruisvaarderskasteel Beaufort liggen, maar dat laten we letterlijk links liggen omdat het doel van onze tocht ligt bij de Sheba-farms, een twistgebied tussen Israël, Libanon en Syrië.

Op de flank van het Hermongebergte, onder de sneeuwgrens, liggen de verspreide huizen van de gemeente Sheba. De betwiste gebieden zijn graaslanden waar de herders hun kudden weiden.

De Indische UN-post bezet een strategische positie en rapporteert over mogelijke conflicten. De Indische soldaten begroeten ons hartelijk, en geven vakkundig uitleg over de situatie. Een kop koffie doet deugd, want hier in het hooggebergte is nu geen sprake van zachte temperaturen.

De terugkeer naar Tibnine verloopt feilloos.

 

maandag 29 januari 2007

Deze dag is voor de familie en voor mij niet zonder betekenis: ons pa verjaarde vandaag, en het was tegelijk de jubileumdag van het huwelijk van onze ouders.

Maar deze dag is opnieuw een donkere dag voor Belufil1: Gino en Thierry, twee ervaren specialist-ontmijners worden gewond door een clusterontploffing. Het gehele team, aanwezig op het ontmijningsveld, treedt in actie, en na de eerste geneeskundige zorgen door één van onze dokters, worden de gewonden naar ons hospitaal gebracht, terwijl via communicatie de staf op de hoogte wordt gebracht van de feiten. Op zijn beurt neemt het commando de nodige maatregelen en zorgt voor een opvang van alle betrokkenen en een juiste info aan alle Belufil’ers. Ook het psychosociaal team zit niet stil en via gesprekken wordt gepeild naar de draagwijdte van de feiten bij de andere teamleden van de ontmijningsploeg, en er wordt hen deskundige hulp aangeboden.

In de namiddag vernemen we dat de gewonden morgen zullen gerepatrieerd worden naar België, en voor verdere behandeling in het militair hospitaal van Neder-over-Heembeek zullen verblijven.

Ik hoop en bid dat het even goed mag aflopen als bij het eerste accident.

 

Terwijl ik mijn dagboek voltooi resten mij nog amper enkele dagen Tibnine. Een zending van vier maanden zit er op. Dinsdagavond 6 februari, waarschijnlijk tegen 18.30 uur, arriveren wij met de eerste groep in Melsbroek.

Het zal een blij weerzien worden in de komende dagen en ik hoop velen van jullie te mogen ontmoeten.

Bedankt in elk geval voor de steun die jullie mij gegeven hebben bij het vervullen van deze opdracht, bedankt voor de kaartjes, de mailtjes, de telefoontjes, de attenties klein en groot; vooral bedankt voor jullie vriendschap en genegenheid, én voor jullie gebed.

 

Renaat, padre renaat@renaat.be