DAGBOEK UIT KOSOVO

 

Dinsdag 26 juli 2005

 

02.15 u: ik ben pas ingeslapen als radio1 mijn slaapkamer binnendringt en mij tot de rauwe werkelijkheid brengt: straks vertrek ik voor enkele maanden naar Kosovo. Geen hanengekraai, geen klokkengebeier maar keiharde muziek houdt mij gezelschap wanneer ik de douche induik en de laatste slaapresten uit mijn ogen was, want ik moet fris voor de dag kunnen komen; er staat mij een opdracht te wachten, samen met en voor het Belgisch detachement dat BELUKOS19 tot een goed einde moet brengen.

 

“Belukos staat voor ‘België-LUxemburg-KOsovo’, een NATO-opdracht waaraan Belgische en Luxemburgse militairen deelnemen. Samen met Fransen, Engelsen, Grieken, Denen, Marokkanen, Duitsers, Italianen, Amerikanen, Tsjechen, Zwitsers en andere soldaten uit 35 Nato- en niet-Natolanden die in verschillende sectoren van de provincie Kosovo (deel van Servië-Montenegro - het vroegere Yoegoslavië) aanwezig zijn, zorgen onze jongens voor rust en orde in het noordelijkste deel van Kosovo dat aan Servië-Montenegro grenst. Bijna alle inwoners zijn Serven (christenen van de Servisch-Orthodoxe kerk). Waarschijnlijk is onze sector de rustigste van Kosovo, en er zijn dan ook nauwelijks moeilijkheden te verwachten, alhoewel met zekerheid zeggen dat er niets zal gebeuren kan niemand zeggen. Onze soldaten zijn dan ook op alles voorbereid en goed getraind om elke moeilijkheid de kop in te drukken. En zoals overal waar zij werkzaam zijn, genieten zij veel respect en sympathie van de lokale bevolking”.

Zovele gedachten zweven door de kamer wanneer ik de laatste spullen in mijn handbagage steek, en met rugzak en grote reistas de smalle trap naar beneden waag, ondertussen onderzoekend of ik toch niet iets vergeten ben. De reiskoffers waren reeds klaar gemaakt vóór 1 juli en zijn ondertussen aangekomen in Mitrovica, in kamp Belvédère. Deze namiddag of avond sleur ik ze wel naar mijn container.

Het is iets vóór 3 uur als ik nog even het huis door wandel, en ik voel mij een beetje zoals Paul van Ostaijens kleine Marc die ‘s morgens de dingen groet. Toch is dit weg-gaan anders dan anders: er is geen trouwe Nero die met vragende en niet-begrijpende blik achterblijft, geen levende ziel om te groeten op een paar planten na die mij reeds 40 jaar gezelschap houden. Toen mémé stierf op 3 juli 1965 stond een klein plantje op haar koerke. Ik heb er mij over ontfermd en het was mijn eerste gezelschap vol verhalen en herinneringen dat ik meenam toen ik filosofie begon in het Sint-Paulusseminarie te Drongen. Het volgde mij 4 jaar naar de Reep en was 17 jaar mijn kamergenoot in het Sint-Lievenscollege te Gent. Het gedijde prachtig en liet mij regelmatig van een heerlijke bloem genieten. Toen ik in 1988 naar Baarle verhuisde, was het nog mijn troetelkind, maar het was zo groot geworden, zeg maar volwassen, dat het zich liet delen en sindsdien voor twee telt. Naar Leopoldsburg was dan de laatste reis en met hun nieuwe licht-rijke plek naast mijn lievelingszetel voelen ze zich zeker thuis. Nu zullen mijn bromelia’s mijn gezelschap voor een tijd moeten missen, maar ik ben zeker dat Henri ze met evenveel zorg zal koesteren. Vaarwel lieve planten, en bewaar maar jullie bloem tot ik terug thuis ben.

Kort na drieën gooi ik de bagage in de wagen en rijd 150 m verder naar het kwartier van de Jagers waar een lichte vrachtwagen klaar staat om alle bagage naar Melsbroek te voeren. Eens de wagen terug in de garage geplaatst, wandel ik terug naar mijn buurregiment. Daar wachten nog tochtgenoten, sommigen vergezeld van familie en vrienden: er is koffie en broodjes, spek en eieren... allemaal om de inwendige mens te sterken.  Even voor vieren zet de autobus aan met bestemming Melsbroek. ‘Adieu, adieu mijn kleine gardeofficier’ flitst door mijn hoofd als ik tranen zie bij moeders, een lief, zelfs pa-lief heeft het lastig. Partir, c’ est mourir un peu!

De tijd op Melsbroek kruipt gestaag voorbij: bagage inchecken, koffie drinken, mensen groeten, een babbel met Guido van de Katholieke aalmoezeniersdienst die mij komt uitzwaaien, de stralingsmeter in ontvangst nemen, zus en schoonbroer zijn van Gent overgekomen en willen het vertrek niet missen, samen wat kletsen, een laatste foto nemen ... en mij reppen om als laatste op het vliegtuig te geraken omdat de ‘gate’ al gesloten was... en dan zijn we weg, het moet kort over zeven zijn geweest ... tot we feilloos landen op de militaire luchthaven van Pristina, de grootste stad van Kosovo.

Bij het uitstappen overvalt ons een loodzware hitte: dat belooft voor de komende tijd. In een loods krijgen we onze ID-kaart, en patronen en wapens voor de ‘echte soldaten’.

Tegen 12.20 uur komen we aan in Mitrovica, de grootste stad in het noorden, en rijden rechtstreeks naar kamp Belvédère, een plaats op de heuvel buiten de stad, een kamp dat zijn naam alle eer aan doet. Wij hebben een prachtig uitzicht op de brede vallei gelegen tussen beboste heuvels, en een vergezicht dat bijna reikt tot Pristina in het zuiden, en de hogere bergtoppen in het noorden. De ‘huisberg’ met de Turkenburcht van Zvecan herinnert mij aan een vroegere zending in 2002. Wij zijn toen met een 120 soldaten naar boven gewandeld, niet alleen voor het grandioze panorama, maar ook voor een stemmige openluchtviering. Het is  drie jaar geleden, maar nu lijkt het dat het pas gisteren was.

Op 1 2 3 is iedereen aan het sleuren met bagage, koffers worden opgehaald en leeggemaakt, containers ingericht met de nodige attributen voor een viermaands verblijf en zonder ik het weet is het tijd voor het ‘eerste avondmaal’. ‘Restaurant de France’ schijnt goed te zijn, zo vertellen ons de ingewijden die een paar dagen vroeger arriveerden en dus uit ‘ondervinding’ kunnen spreken. Ik ondervind het aan den lijve ... want het aanbod van voorgerecht, hoofdschotel en nagerecht overtreft mijn verwachting. Het restaurant is ruim en open, met de mogelijkheid buiten op een terras te eten. De airco kan het wel niet halen, zodat ik na een paar happen reeds kletsnat ben van het zweet, en ik heb dan nog geen werk verricht. Ik troost mij met de gedachte dat ik misschien zal wennen aan dagtemperaturen van 35° en meer.

Na het avondeten duik ik nog even mijn container in, ik probeer de internetverbinding uit die ‘dood’ is (ik zal morgen de specialist moeten raadplegen), en probeer verder een beetje orde te scheppen in de chaos. Na enkele uurtjes mag het resultaat gezien worden en ... Renaat zag dat het goed was!

De eerste nacht in het nieuwe bed begint zonder bedlectuur. Pas overmorgen zal ik mijn leeslampje uit de laatste kist kunnen halen die nu nog onderaan een seacontainer staat. Dan komen de laatste soldaten van ons detachement uit België aan, en dan worden alle containers leeggemaakt. Tevreden strek ik mij op mijn bed uit, de airco aan, mijn dekbed aan het voeteinde opgerold ... en na een lange dag vlei ik mij in de armen van Morpheus.

 

Woensdag 27 juli 2005

 

Ik word vroeg wakker, vóór vijf uur, en zie vanuit mijn raam de zon opgaan achter de oostelijke bergen. Het zachte licht sluipt mijn container in en stilaan komen de Köder-posters tot leven. Ongelooflijk hoe betoverend zo een zonsopgang kan zijn. Ik geniet er van ... en dank de Heer! Toch nog eventjes horizontaal mediteren tot het felle zonlicht heldere contrasten schept en ik mij klaar maak voor de nieuwe dag.

In ‘restaurant de France’ neem ik een croissantje, een glaasje sinaasappelsap, een natuuryoghourtje en een bol koffie. Dat zal het wel worden elke dag opnieuw, meer moet dat niet zijn.

Elke dag is er briefing om 8.30 uur. Alle belangrijke items komen aan bod, niet alleen voor de pelotons en de secties, maar voor iedereen van Belukos19. Na de briefing wil ik mijn Franse collega contacteren en ik ga op verkenning doorheen het kamp. Het paradeplein is zo wat het hart van het kamp, met de masten waaraan de nationale vlaggen hangen van Frankrijk, België en Luxemburg naast de Natovlag. Rechts ervan staat de kapel, toegewijd aan O.L.Vrouw van Belvédère. Dichtbij staat het stafblok van het Franse bataljon, en het ‘Restaurant de France’. Daaromheen liggen de woonblokken. Mijn woonblok paalt aan ‘Restaurant de France’, en ik verblijf in de tweede container zodat ik met één sprong van mijn “container-kamer” bij de bron zit. Prachtige locatie, vind je niet? Naast onze blok (8) staat blok 7 met de Franse en de Belgische infirmerie. Ons medisch detachement is daar gevestigd: dokter Vanneste en zijn 6 medewerkers. In onze woonblok die bestaat uit een gelijkvloers en 1 verdieping (uitsluitend wooncontainers) zijn er naast de fitnesszaal de Militaire Politie, de SecPers (sectie Personeel) en de aalmoezeniersdienst gevestigd. Verder zijn er toiletten, was- en douchecellen.

Even hoger op ligt ons stafblok (6) met de permanentie (de shift), het briefinglokaal, de burelen van kapitein Bruno en zijn medewerkers, en ook de lokalen van de CIS-groep: zij zorgen voor de communicatie met België en het functioneren van het netwerk. Hier moet ik vandaag zijn, maar het is er een drukte van je welste. Iedereen heeft ze wel iets te vragen, en als ik aan de beurt ben krijg ik de laptop van Acos-WB samen met het paswoord. Nu kan ik terugkeren en inloggen op het net. De telefoonverbinding is een groter probleem, maar luitenant Serge zoekt een oplossing. Ik heb geduld, dus kan ik wachten!

De dag schijnt weer voorbij te vliegen, en na het middagmaal en een korte siësta in mijn woonbox-met-airco kan ik mij een bezoekje aan het Franse cafetaria veroorloven: ik drink er een cappuccino en zittend op het terras met uitzicht op het weidse landschap verdiep ik mij in de laatste bladzijden van een spannende triller die ik in Zwitserland beginnen lezen ben. Met één van de lokale medewerkers (een Kosovaarse Serf) maak ik een afspraakje: hij zal mij een gsm-kaartje bezorgen voor het lokale netwerk. Zo zal ik altijd bereikbaar zijn voor wie mij van uit België wil oproepen.

Het heetste van de dag is nu voorbij en sportieve kerels (en meiden) lopen individueel of in groep hun rondjes over een hellingrijk parcours. Alhoewel het in de middagzon weer 35° was, en nu nog ruim 28° zal de avond verder warm blijven. Het is nog maar de tweede dag en ik zweet mij bijna dood. Voor mij mag het gerust iets minder zijn.

Het is een wonder hoe zacht de dag zich neerlegt en in korte tijd de dag met de avond, zeg maar nacht, wisselt. Ik zal er toch even moeten aan wennen dat het hier vlugger donkert dan bij ons. Ik vind in onze bar goed gezelschap en tussen ice-tea en pint wordt kennis aangeknoopt en vragen beantwoord. Mijn gesprekspartners zijn toffe gasten van het detachement logistiek, waarvan velen aan hun tweede, derde of vierde zending toe zijn.

Het wordt even over tienen als de bar sluit en de stilte valt over Belvédère. De Franse sergeant-van-wacht steekt nog even zijn hoofd binnen en kijkt nauwkeurig toe dat de huisregels gerespecteerd worden, maar dan is hij al weer weg, bij de Belgen valt niets verkeerds op te merken. Zo zijn wij toch, de Belgen, ... toffe gasten! De tweede dag is voorbij, morgen zijn wij voltallig, overmorgen begint onze zending voor goed!

 

Donderdag 28 juli

 

Reeds van voor vijf uur is er veel gestommel op de verdieping boven mij: de laatste groep van Belukos18 keert straks terug naar België met de zelfde airbus waarmee ‘onze mannen’ aankomen. En tegen zes uur is het hek van de dam want het is alsof alle duivels losgebroken zijn: het is een gesleur van je welste met reistassen, zware rugzakken en allerlei andere bagage. Ik doe als of ik het niet merk en geniet nog van de laatste ogenblikken van de nachtrust. Tegen zeven uur wip ik er uit, de douches zijn allen vrij, en ook in de gang is geen levende ziel te bespeuren. Iedereen van de vertrekkers is nu aan het ontbijt, en wanneer ik even later in het restaurant zit, kan ik nog juist een glimp opvangen van de voorbijrijdende autobussen: ik zie op de gezichten alleen voldoening, tevredenheid, fierheid ook omdat hun zending geslaagd is.  Zo mag het zijn, zo hoort het: zij hebben het dubbel en dik verdiend. Thuis wachten hun lievelingen op hun aankomst, vier maanden hebben lang genoeg geduurd!

Ik moet toch nog wachten tot rond 15 uur vooraleer ‘onze mannen’ aankomen. Alle seacontainers worden nu geopend, en weldra vind ik mijn overblijvende koffer tegen de gevel van blok 6. Met een bereidwillige ziel sleur ik de koffer naar mijn woonblok, en nat van het zweet maak ik hem leeg. Ik vind mijn vertrouwde spullen terug die ik extra meenam en mij een beetje gezelligheid en comfort verlenen, zoals het leeslampje dat ik aan mijn bed plaats. Ik voel mij gelukkig omdat ik nu voortaan mijn avondlijk leesuurtje krijg. Klaas Vaak zal mij wel regelmatig opzoeken, maar hij zal een grote zandzak moeten meebrengen, want ik heb niet minder dan 7 reuze-dikke spannende thrillers mee: ik begin met ‘ Dodenmantra’ van Eliot Pattison, een boek dat de Edgar-Allan-Poe-Award kreeg.

Nog voor het avondeten douch ik het zweet van mijn lichaam, mijn kleren zijn drijfnat, en verfrist kan ik aan tafel aanschuiven. De avond zelf gonst van de verhalen van aankomers en van diegenen die hier reeds een week zijn, en naarmate de sluitingstijd van de bar nadert worden de gesprekken geanimeerder en overgoten met helle lachbuien. De sfeer komt er in, morgen beginnen we aan onze opdracht! Het belooft!

 

Vrijdag 29 juli

 

Het gewone leven nestelt zich stilaan in structuren die geregeerd worden door ritme en tijd. Vandaag is zo een doodgewone dag: wakker worden met licht-oriëntaalse muziek, je realiseren dat je toch niet in je eigen bed thuis ligt, de gedachten aan opstaan, toilet maken en ontbijten nog even van je afduwen en wegsoezen in een zaligheid die een eeuwigheid schijnt te duren, ook al gaat het maar over enkele minuutjes. Dan toch routine-matig, met verstand nog op nul, aan het noodzakelijk ritueel beginnen dat eindigt met het bovenhalen van een plastickaart en je laten registreren voor het ontbijt in het restaurant. Met koffie en croissant je energie opladen en eens terug in je container-bureau inloggen op het net en je mail (zeg maar post) opvragen, lezen en kijken wat dringend moet beantwoord worden. Dan vlug naar de briefing lopen en beginnen met het aanhoren van de weerberichten tot en met de voorzorgsmaatregelen die onze doc inhamert in verband met de hitte, bescherming tegen de zon en watergebruik, en ondertussen een waaier van info slikken, eventueel met het noodzakelijk herkauwen van de info om die beter te kunnen verteren...

Na de briefing vraag ik aan de vervoersdienst (MT) een transportmiddel aan mèt chauffeur, want vandaag wil ik onze sector verkennen, kwestie van te weten wat er allemaal veranderd is sedert mijn laatste bezoek aan Kosovo in 2003. Ik spreek af om te vertrekken om 13.30 uur. Ondertussen bereid ik de viering voor van zaterdagavond: elke zaterdagavond om 19 uur zal ik voorgaan in de zondagsliturgie, in het Nederlands. Op zondagvoormiddag concelebreer ik samen met Bernard, mijn collega, in een Franstalige viering. Ik besteed veel tijd aan de voorbereiding, want het kan niet goed genoeg zijn voor onze mensen en ze mogen van mij als Padre verwachten dat ik er werk van maak zodat de teksten hen aanspreken en blijven nazinderen. Jammer dat ik zelf geen muziekinstrument bespeel of begaafd ben met een stem van engelen, maar deze gedachte zet ik van mij af; ik mag niet ondankbaar zijn tegenover de Schepper, want gaf Hij mij niet andere gaven en kwaliteiten?

Deze middag kies ik een vismenuutje en een fruitsalade als toetje. Om 13.30 uur staat Wendy klaar, met wapen, scherfwerend vest en helm, ik zelf beperk mij tot de laatste attributen aangezien dat ik ‘mans’ genoeg ben ‘zonder wapen’! En dan gaat het noordelijke richting.

Wij rijden over de ‘bull’, dit is de weg van Mitrovica tot aan ‘gate one’ (toegang tot Servië), naar Leposavic en verder door naar Lesak. Ik wil de pope (=priester in de Orthodoxe kerk) bezoeken die ik ken van 2003. Maar het is een andere figuur die verschijnt in het deurgat nadat ik aanklop. Wij gaan onder een lommerrijke boom zitten, koffie wordt aangebracht, en wij proberen elkaar te verstaan wat niet gemakkelijk is aangezien hij geen andere taal kent buiten het Servisch. Dan roept hij een jonge vrouw die prettig Engels spreekt en aan de uni studeert. Zo verloopt ons gesprek vlot en ik luister naar zijn verhaal dat geïllustreerd wordt met bijpassende foto’s: vorig jaar was hij nog priester in Pristina tot wanneer in maart 2004 een golf van geweld door de regio ging en zijn kerk en woning in de as werd gelegd. Niets kon gered worden uit de brandende kerk, en ook alle persoonlijke bezittingen gingen in de vlammen op. De foto’s vertellen het verhaal op eigen wijze. Hij was 21 jaar priester in Pristina voor een kleine groep Servisch-Orthodoxen. Samen met zijn vrouw en kinderen (in de Orthodoxe kerk kan een gehuwd man priester worden, zoals ook in de Melkitische kerk die verbonden is met Rome, dus katholiek) vluchtte hij naar de noordelijke regio waar zijn bisschop hem het kerkje van Lesak aanbood, met bijhorend huis. Hier vinden zij wat rust na alle emoties die zij meemaakten.

Dit simpele verhaal spreekt boekdelen over de wijze waarop Serven (Servisch-Orthodoxen) en Kosovaarse Albanezen (meestal moslims) samenleven. De Serven die een minderheid vormen in een regio die ooit overwegend Servisch was worden nu verdrongen en wel op zulke wijze dat geen terugkeer mogelijk is. Wat ga je ook zoeken in een platgebrande woning, of in een woning waaruit alle ramen en deuren zijn gehaald, zelfs de bakstenen van de buiten- en binnenmuren, zodat alleen troosteloze skeletten blijven staan. Wegtrekken, een nieuwe veilige plek zoeken, desnoods over de grens, een nieuw leven beginnen, zorgen dat de kinderen toekomst hebben en zonder haat en geweld kunnen leven... het is het lot van heel veel Serven.

Ik weet niet of er een rechtvaardige oplossing bestaat voor dit grote etnische vraagstuk want de basis van elke samenleving moet bestaan uit wederzijds respect, de aanvaarding van het anders-zijn van de anderen (religieus, politiek, etnisch, cultureel, sociaal-economisch...) en de wil om ondanks alle verschillen toch vooral te zien wat gemeenschappelijk is, waarin elke mens de zelfde is.

Na lang aandringen kan ik er niet buiten een slivovitsj te drinken waarmee het bezoek wordt afgerond. Voor Wendy was het een heel boeiende ervaring.

We keren nu terug en houden halt in Leposavic. Bij vorige opdrachten was hier de meerderheid van de Belgische soldaten gehuisvest in de compound van Center-City en in die van Nothing-Hill, maar beide plaatsen zijn nu gesloten en alles verhuisd naar Mitrovica. In onze compound werkten veel mensen uit Leposavic als tolk, als keukenhulp, voor het onderhoud, in de wasserij, als naaister voor herstellingen... en één van hen wil ik nu bezoeken. De vrouw was te werk gesteld in de keuken (afwas) en deed ook mijn persoonlijke was, waardoor ze een eurootje kon bijverdienen. Het gezin: vader, moeder, 5 kinderen en een bejaarde grootmoeder waren gevlucht uit de regio van Pec en hadden een onderkomen gevonden in Leposavic. Caritas had hen een tweekamerwoning ter beschikking gesteld, ongeveer 27m². In de grauwe woonblok huisden ook Roma-zigeuners, en armoe was er overal troef.

Maar ik heb geen geluk, na herhaald aankloppen blijft de deur gesloten en ik besluit later terug te keren.

In het voorbijrijden zie ik de nieuwe Orthodoxe kerk in al haar frisheid stralen, en ik hou er een goed gevoel aan over te weten dat ook wij met een stevige duit over de brug zijn gekomen waarmee de helft van de dakbedekking is betaald. Lieve Zuster uit O, en andere lieve schenkers, bedankt!

Tijdig terug voor het avondeten, een verkwikkende douche nemen en als een nieuwe mens aan tafel komen. Méér moet dat niet zijn! Maar deze avond is de Franse keuken dicht, dus geen avondmaal. Padre Bernard nodigt mij uit bij hem binnen te lopen en ik ontmoet er chief-chaplain Michel (de Franse aalmoezenier die de commandant van Kfor generaal de Kermabon adviseert). Wij spreken over de werkvergadering voor de aalmoezeniers op 8 augustus in Devic en over de pelgrimstocht naar Letnica op 15 augustus. Ik verlaat de beide collega’s rond 19.30 uur om met de doc en twee stafofficieren naar het restaurant te gaan in het “Elyzees paleis”, waar we gereserveerd hebben; het “Elyzees paleis” zo noem ik het gebouw waar de winkel van de Fransen is ingericht op de benedenverdieping, met er boven het cafetaria en een heus restaurant (uiteraard tegen contante betaling). De marmeren vloeren doen denken aan een weelderig paleis. Het wordt een gezellige rustige avond waarbij wij elkaar beter leren kennen. Even na 22 uur neemt een heerlijke stilte bezit van onze woonblok en de ‘dodenmantra’ doet mij alles vergeten, tot wanneer ik het licht uitknip en inslaap met alle lievelingen in gedachten en in gebed.

 

Zaterdag 30 juli

 

Een gewoon dagbegin met wat schrijfwerk en voorbereiding, met het lezen van de krant (ik heb een digitaal abonnement op de Standaard, zodat ik op de hoogte blijf van wat in eigen land en in het buitenland gebeurt), gesprekjes hier en daar, tot de doc mij kot ophalen: wij gaan bij de Marokkanen het verjaardagsfeest vieren van de koning. Tegen 11 zijn we er verwacht. Een loods is aangekleed bij de nationale vlaggen van de meeste naties, en boven een groot podium hangen de foto’s van de Marokkaanse koning tussen twee reuze Marokkaanse vlaggen. Een spreekgestoelte staat klaar. Rond het podium zijn rijen zetels voorbehouden voor hoge gasten, maar ook wij hebben beste plaatsen op de tweede rij. Als welkom wordt koffie aangeboden. Toch wordt het 11.45u vooraleer er leven in de brouwerij komt. Na enkele toespraken waarin de lof gezongen wordt van de Marokkaanse natie, zijn koning en de deelname van Marokkaanse soldaten aan Kfor, telkens vertaald door twee tolken, treedt een groep jonge Kosovaren op met traditionele dansen. Van dan af wordt het buffet ook geopend, en iedereen schuift aan voor een echte Marokkaanse schotel met koeskoes. Fruitsap en frisdrank is de ideale begeleider. De doc en ik vinden onze eigen gesprekspartners. Ik zelf geraak in het gezelschap van Marokkaanse officieren en soldaten, en ze vinden het tof dat ik hun taal leerde spreken en schrijven. In de late namiddag keren wij terug naar Belvédère. De warmte schakelt mij uit, zodat ik voor een uitgestelde siësta horizontaal ga liggen.

Tegen 17 uur ben ik weer fit. Een tas soep en een stuk fruit vormt mijn avondmaal.

De late avondzon zet de stemmige kapel in een oranje licht en nodigt uit tot gebed en vieren.

Vandaag is de bar open tot 23 uur, maar er is toch niet veel volk: de meeste van onze mensen zijn voor meerdere dagen op het terrein en voeren patrouilles en checkpoints uit vanuit Osterode (de noordoostelijke wijk van Mitrovica) of vanuit de omgeving van Leposavic.

Ik blijf in de bar hangen en word aangesproken door enkele mensen waarbij zich een diep gesprek ontwikkelt zodat wij uur en tijd vergeten, en het vlugger einde-bartijd is dan wij vermoeden. Vandaag blijft ‘dodenmantra’ dicht.

 

Zondag 31 juli

In het Franse kamp is het ’zondag’, dat wil zeggen dat het restaurant ‘s morgens later opengaat en pas sluit om 9.30 uur. Voor onze soldaten is het toch een gewone werkdag. Het briefingsuur is aangepast en is om 9 uur. Nadien blijft er voor mij niet veel tijd over, want het is vlug 10.30 uur en ik begeef mij naar de kapel. Na de viering, en een babbel met de aanwezigen op de weg voor de kapel, wacht ‘restaurant de France’ met een zondagsmenu en een glaasje wijn. ‘s Namiddags rijden we met een paar voertuigen naar Pristina, naar Film City, waar het hoofdkwartier van Kfor gevestigd is. Iedere soldaat op zending komt minstens eenmaal naar Film City omwille van de vele magazijntjes waar allerlei spullen bijna taksvrij verkocht worden. Wie op zoek is naar een digitaal fototoestel, een gps, of merk-sportkledij vindt zijn gading in de Amerikaanse, Franse, Italiaanse, Turkse of Deense PX. Ik zoek de Belgen op die werkzaam zijn in het hoofdkwartier, maar net als wij nemen zij de zondagnamiddag vrij om er eens uit te vliegen, én zij zijn op weg naar Mitrovica! Toch ontmoet ik er een majoor die mij uitnodigt de donderdagavond aanwezig te zijn, omdat die avond alle Belgen samenkomen voor een gemeenschappelijk etentje en een drink. Ik beloof donderdagavond present te zijn. Na het avondmaal keren we terug naar Mitrovica, sommigen gepakt en gezakt met een TV, een dvd-speler of een ander hebbeding.

Weerom was een dag voorbij en Renaat zag dat het goed was!

 

Maandag 1 augustus

 

Jacqueline en Ben: een gelukkige verjaardag!

De doc moet vandaag voor een vergadering naar Pristina en hij nodigt mij uit mee te rijden. In het terugkeren zouden we ook een bezoek brengen aan Plana. Ik hap natuurlijk snel toe want zo kom je wel eens waar je anders nooit komt. In Film City is voor mij niets te beleven. De tijd voor de vergadering dood ik met het lezen van de ‘dodenmantra’, en na een koffie of frisdrank keren we terug. In Plana maken we halt. Daar is een Frans detachement gelegerd, er is een helikopterbasis en een hospitaal. Met de doc lopen we het hospitaal binnen en laten ons uitvoerig inlichten over het reilen en zeilen. Vooral de lokale bevolking krijgt de kans zich hier te laten verzorgen, én voor ons Belgen is het hospitaal de tweede schakel in de geneeskundige verzorging: als onze doc met zijn ploeg ons niet meer kan helpen, biedt het hospitaal van Plana in tweede instantie hulp. Hopelijk komt er niemand van ons detachement hier terecht! Het is weer een boeiende dag geweest. Nu moet ik wel inhalen wat ik deze morgen niet volbracht: post checken, beantwoorden, naar het VTM-nieuws van gisteren kijken, de krant lezen...

Telkens ik in mijn container ben, werk ik met open deur, want iedereen is hier welkom; de eentonige cadans van veel te luide popmuziek (ik onderscheid niet alle genres) dringt uit de fitnesszaal door en ik voel de trillingen tot op mijn schrijftafel, maar ik heb er alle begrip voor dat jonge mensen zich moeten kunnen afreageren, eens hun opdracht voltooid.

 

Dinsdag 2 augustus

 

Vandaag moet de rustigste dag van de week worden. Er staat niets bijzonders op de agenda en dat blijft zo. Ik vermeld enkel dat ik ‘s namiddags met kapitein Bruno een bezoekje breng aan de logistieke zone, daar zijn alle werkplaatsen voor onderhoud aan rollend en vast materiaal, de schrijnwerkerij, het verdeelcentrum van onderdelen, de regeling van bijzondere transporten, en de financiële dienst die alle aankopen regelt: kortom, een onmisbare schakel in de keten die er voor zorgt dat alle soldaten op het terrein hun opdracht veilig en naar behoren kunnen uitvoeren.

 

Woensdag 3 augustus

 

De week is weer half weg. De dag opent niet met een stralende zon, maar verscholen achter een sluier van wolken wordt alles ondergedompeld in een zwoele atmosfeer. Er hangt onweer in de lucht!

Pas terug uit het restaurant voor het ontbijt drijven onweerswolken mijn ‘kamer’ binnen in de gestalte van een luitenant (pelotonscommandant) die een slechte melding heeft over een soldaat wiens lief, waarmee hij zeven jaar kennis heeft en samenwoont, met hem breekt. Even later valt de jonge vriend bij mij binnen, doet zíjn verhaal, en wil zo vlug mogelijk naar huis om te redden wat er te redden valt. Ik luister en probeer een juiste analyse te maken van de situatie, ondertussen de mogelijkheden overwegend die Defensie biedt. Maar dan moet ik naar de dagelijkse briefing. Na de bijeenkomst bespreken de kapitein, de luitenant en ik de situatie. Ik neem contact op met de RMO (raadgever mentale operationaliteit) te Leopoldsburg en stilaan komt een machientje op gang die een oplossing voor de betrokkene kan dichterbij brengen. Dan vertrek ik naar de luchthaven van Pristina want ik beloofde de commandant van 1JP te verwelkomen die gedurende zes maanden zal werken op het hoofdkwartier. Het is pas na vieren als wij terug zijn. Wie mij opwacht, is een radeloze kerel die zich machteloos voelt, zo ver van huis en lief. Gedurende meer dan twee uren luister ik naar al zijn emoties, zijn verdriet, zijn schuldgevoelens, ... Af en toe kan ik op hem inpraten, en wij gaan samen naar het restaurant voor het avondmaal. Hij kan nauwelijks een brok door zijn keel krijgen, en na een eerste slapeloze nacht komt er een tweede aanzetten, die een echte nachtmerrie belooft te worden. ‘s Avonds praat ik nog met zijn pelotonscommandant en ik ervaar dat zijn kamergenoten en de leden van zijn sectie hem proberen op te monteren, hem overeind helpen. Het zijn prachtige kerels, echte vrienden...

De dag ging open en toe, geen momentje rust was mij gegund, maar tevreden om wat ik wel mocht en kon doen ga ik slapen.

 

Donderdag 4 augustus

 

Even over twaalven begint het geweldig te onweren. Het water valt met bakken uit de hemel en bliksemflitsen doorbreken de geweldige lucht. Alle duivels schijnen nu ontketend en gaan een verwoed gevecht aan met alle positieve krachten. Is dit onweer voorteken van wat ons te wachten staat? Ik ben van geen duivel bang vervaard en zal de strijd aanbinden met het kwade tot het uiterste. Gelukkig is de deur van ons containerblok gesloten, maar dat belet niet dat het water onweerhoudbaar binnenstroomt en de gang voor mijn deur blank zet. Dat zal ik ‘s morgens merken als ik na een rusteloze nacht opsta en naar de wasruimte ga.

De eerste persoon die ik ontmoet is onze vriend die mij vraagt of er al een oplossing is om naar huis te gaan. Ik moet hem teleurstellen door te zeggen dat ik sinds gisterennacht niemand meer gesproken heb. Hij is de wanhoop nabij. Ik beloof hem alles te doen wat ik kan en ik zal met zijn regimentscommandant spreken die ik ‘s namiddags zie in Pristina.

Na het ordinaire van elke dag vertrek ik. Jos is mijn chauffeur en we mogen de C15 van de personeelsdienst gebruiken. Toen ik gisteren van de luchthaven kwam, zag ik een pijl naar een Don Bosco-centrum. Daar wil ik eerst heen. In het voorbijrijden van een computershop informeer ik naar een kleurencartridge voor mijn printer, maar er is geen in stock. Wij volgen de pijl naar Quendra Social-Edukative Don Bosco en komen aan een terrein met nieuwbouw, omgeven met een ferme afsluiting. Door een ingangspoortje kom ik aan een woonhuis achter het complex en dit is wel degelijk het gemeenschapshuis van de Salesianen. Een vriendelijke vrouw doet open en haalt de directeur van het centrum er bij, Don Javier Sanz, een Spanjaard. Ik stel mij voor en vertel hem dat ik met de groeten kom van Monseigneur Luc van Looy, bisschop van Gent én Salesiaan. Een brede glimlach verschijnt op zijn gezicht en hij noemt met een Spaans accent de naam: Luc van Loy, natuurlijk een vertrouwde naam in Salesiaanse middens, Luc Van Loy, eens de tweede man in Rome...

Frisdrank, koffie en koekjes maken de babbel en de kennismaking gemakkelijk, maar eerst laat hij ons heel de woning zien, tot en met de gastenkamers toe; Don Javier vertelt (in Engelse en Spaanse mix) over het centrum, de drie andere Salesianen die er wonen en werken: een Italiaan, een Kroaat en iemand uit Montenegro; hij belt een confrater die buiten de stad is (er is nu vakantie in Kosovo tot 1 september) en mij ook graag wil ontmoeten, dus ik zal binnenkort een afspraakje maken en er terugkeren. Wonder hoe ik steeds Don Bosco tegen het lijf loop en er overal gastvrijheid vind en vrienden maak. Er volgt nog een rondleiding door het centrum en wij zijn blij verrast van de uitrusting van het centrum en de mogelijkheden tot vorming die hier geboden worden aan jongvolwassenen tussen 16 en 25 jaar. De ene helft van het complex is klaar, de andere helft is in aanbouw en zal andere vormingsmogelijkheden en beroepsopleiding bieden voor alle etnische groepen van Pristina en omgeving. Ik vermoed dat in heel Kosovo geen tweede centrum bestaat als dit. Ondersteuning komt onder meer van de Duitse en Italiaanse regering. Zou België en Vlaanderen hier ook niet een handje kunnen toesteken? Bij het weggaan klinkt een hartelijk ‘tot weerziens’. Terugkeren zal ik, binnenkort! En wat onze bisschop Luc mij in een mailtje suggereerde, heb ik gedaan. Wie over dit project iets wil lezen vindt dit op het internet onder http://www.ime.pcn.net/PagesCase/case/pristina.htm én www.stiftung-von-werkstatt.de

Op weg naar Film City maken we nog een ommetje en vinden in een andere computershop de kleurencartridge tegen de helft van de Belgische prijs.

Als ik kolonel Delamalle zie, de commandant van 1JP, begint hij zelf over de problemen van onze jonge vriend, en ook hij vindt dat hij zo vlug mogelijk naar huis moet kunnen.

Terug in Belvédère verneem ik dat er reeds een vliegtuigticket geregeld is voor een vlucht morgennamiddag. Dat is goed nieuws en iedereen verheugt zich over de snelle afloop. Maar niemand weet wat het morgenavond wordt wanneer R. Zijn vriendin ontmoet. Zij is niet op de hoogte dat hij naar huis komt! Ik zal met hem contact houden en samen met de RMO in Leopoldsburg alle ondersteuning geven.

 

Vrijdag 5 augustus

 

Ik probeer er eens een doodgewone dag van te maken. Zal het mij lukken? De meeste tijd gaat naar de voorbereiding van de weekendliturgie en aangezien Bernard mij vroeg te preken vergt die voorbereiding veel tijd. Ik ben wel gelukkig dat het ‘mijn lezingen’ zijn: Elia die voor het aanschijn van de Heer treedt en Petrus die de nabijheid van de Heer Jezus ervaart in een reddende hand die uitgestoken wordt temidden van een chaotische toestand. Ik zet mij aan het werk en laat het internet mij inspireren;

In de namiddag keer ik terug naar Leposavic, naar het gezin Lalic, je weet wel: de familie die ik vorige week niet thuis vond. Ik heb geluk en als Micky, de jongste zoon van 10 de deur opent, roept hij onmiddellijk moeder die zich haast ons te begroeten met een hartelijke omhelzing. Vlug volgen frisdrank en koffie, en wij merken dat de blijdschap van de vrouw onmetelijk is. Zij blijft de Belgische soldaten dankbaar voor het werk dat haar geboden werd en voor de contacten die gebleven zijn. Zij zegt ‘the Belgian soldiers are my soldiers’ en zij meent het oprecht, met een traan in haar ogen. Ik weet dat het gezin pogingen onderneemt om de rechten op hun bezittingen te laten gelden, maar een eerste gesprek met de bewoners die in hun huis zijn getrokken en onderhandelingen om eventueel over een afkoopsom akkoord te geraken liepen op niets uit. Toch blijft de hoop dat er eens een redelijke en aanvaardbare oplossing gevonden wordt. Maandag bezoekt moeder Lalic en haar twee zonen (de oudste als chauffeur) haar zus in Kroatië. Zij zullen vier dagen onderweg zijn en een kleine week ter plaatse verblijven.

Ik moet zondagnamiddag terugkomen, dan zijn de anderen van het gezin ook thuis. Ik beloof het!

Op weg naar Mitrovica doen we Nothing Hill even aan. We treffen er twee secties aan waarvan één weggeroepen wordt voor een dringend checkpoint op de ‘Bull’. Met de anderen die de shift doen en van QRF zijn (quick reaction force, d.w.z.. dat ze binnen de kortste keren moeten klaar zijn om in actie te treden mocht dit nodig zijn!) babbelen we over koetjes en kalfjes. Ze vinden het tof dat de Padré hen even komt groeten!

Die avond neem ik voor mij: na het avondmaal blijf ik rustig werken en haal de ‘dodenmantra’ boven; ik lees dat de stukken er af vliegen en dat ontspant mij. Nog vóór 10 uur gaat het licht uit en met de klanken van de monniken en monialen van Abou Gosh (Israël) verzink ik in een verkwikkende en zaligmakende slaap.

 

Zaterdag 6 augustus

 

De zaterdagvoormiddag is er niet alleen ‘briefing’, ook bijeenkomst “welfare”: we willen nagaan wat er kan gedaan worden opdat iedereen zich goed in zijn vel zou voelen, en welke vormen van sport en spel daartoe kunnen bijdragen, naast natuurlijk de materiële implicaties. Ook vragen wij ons af hoe de link met het thuisfront nog beter kan, bijv. door korter in te spelen op de actualiteit in België en in de wereld: daarom zullen we tweemaal per week het ‘belvédeirken’ uitgeven met een aantal vaste rubrieken, en losse info.

De eerste vergadering is niet onmiddellijk vruchtbaar en actief, wat te verwachten was, maar er steekt muziek in voor de komende maanden. Wij doen voort!

De rest van de tijd besteed ik aan de voorbereiding van de viering, en aan het schrijven van mijn dagboek. Het resultaat is nu juist bij jou binnen gevallen. Ik wens je veel leesgenot en ik beloof je nu voortaan wekelijks op de hoogte te houden van onze belvédeirse toestanden.  Hartelijk gegroet en ... God zegene en beware jullie.

 

Zondag 7 augustus

 

De dag grauwt en belooft niets bijzonders, geen ‘zon’-dag! Ik denk er aan dat het restaurant later opengaat, en dat geeft mij een goed gevoel. Pa zou gezegd hebben: “het is geen weer om een hond door te jagen’, dus beslis ik om binnen-containers te blijven en mijn schrijfwerk op orde te stellen. Toch komt de zon even door de wolken piepen als ik mij tegen 10.30 uur naar de kapel begeef, alsof ze mij een hart onder de riem wil steken nu ik voorga in de liturgie voor de Fransen en dus ook in het Frans preek. Dit doet mij herinneren aan de zalige tijd bij de Rosary-sisters in Jeruzalem, toen ik er zes maanden verbleef en elke dag de eucharistie vierde in het Frans. De een na de andere komen ze binnen, vooral officieren, met de kolonels op kop. Iets over elven begin ik, na een intredelied dat uitbundig en krachtig wordt meegezongen. Ik benijd die mensen die zo spontaan en als vanzelfsprekend uit volle borst een gracieuze melodie toveren die de kapelruimte vult tot in de nok. Ik word er diep door ontroerd. Zulk een lied moet tot de hemel doordringen denk ik!

Even voor twaalven staan we terug buiten, een kort staande aperitiefgesprek bindt ons nog even aan elkaar en dan gaat ieder zijn eigen weg, naar zijn taak of opdracht.

Na het middagmaal rijd ik nog even naar Leopavic, naar de familie Lalic, zoals ik beloofd heb.

Wat ik deze morgen niet kon verwachten, gebeurt toch: het nijdige wolkendek heeft plaats gemaakt voor een lieftallige bescheiden zon die haar zachte stralenmantel open plooit en alles koestert en verwent. Ik denk terug aan Elia die aan de ingang van de grot de Heer ontmoet in het suizen van een zachte bries.

De hele familie wacht mij op en na de koffie en het onvermijdelijke glas cola, na het aanhoren van alle toekomstplannen is het tijd voor een foto: mama en papa Lalic, met beide zoons. Ik hoor dat papa tijdelijk werk gevonden heeft voor een Zwitserse firma die liften bouwt (S) in ... Irak. Mama vindt geen werk in Leoposavic: de werkloosheid is er zeer groot, en “aangezien het hemd nader is dan de rok”, is er voor vreemden in het dorp géén werk. Eigen volk eerst! Van waar kennen we dat? Ik neem afscheid van mama en beide zoons die een tijdje weg zullen zijn (naar Kroatië - bezoek aan haar zuster) en wens hen goede reis. Zou Gabriël hen ook willen vergezellen, nu ze zulk avontuur tegemoet gaan? Ik vraag het hem, en aangezien hij ook de schutsengel is van één van mijn petekinderen zal hij niet weigeren. Rafaël, ben jij ook onderweg? Jouw schoolvakantie is pas begonnen! Het moge je goed gaan!

 

Maandag 8 augustus

 

De dag van vandaag zal in de Kfor-annalen bekend blijven staan als de dag van de ‘barmhartige Samaritaan’. Dat zal wel niets bijzonders zijn, zie ik je al denken. En toch, hier vergis je je, want als de aalmoezeniers van Kfor de handen uit de mouwen steken wordt de wereldpers er bij geroepen en worden de werkzaamheden op digitale dragers vastgelegd en wie weet, eens thuis of in het redactielokaal, uitvergroot en van hun ware proporties ontdaan. Waarover gaat het nu: mijn franse collega Michel, tot nu maandag 15 augustus bij de genade van de Franse legerbisschop chief-chaplain in Pristina bij het Kfor-hoofdkwartier, nam samen met de andere collega’s de beslissing om een teken te stellen naar de bevolking van Kosovo, en heel specifiek naar de etnische en religieuzen groepen. De ‘padré’s’ zouden puin ruimen in een klooster van Servisch-Orthodoxe zusters in Devic dat vorig jaar in maart werd plat gebrand en bijna volledig verwoest werd. Ondertussen heeft een Frans bataljon de bewaking van het kloosterdomein op zich genomen, en werd het woonhuis van de zusters opnieuw opgebouwd. Waar de kloostergebouwen beginnen staat een bord in drie talen dat elke indringer met onmiddellijk neerschieten bedreigt. Bernard en ikzelf zijn er het eerst, aangezien Mitrovica het dichtst bij Devic ligt en ik verken het terrein, dat voor Bernard niet onbekend is. Ik heb de gelegenheid de toestand te fotograferen, zonder al te veel ‘volk’ op de foto’s. Ik gruwel bij het zien van de verwoesting. Waarvoor was dit nodig? Er is geen redelijk antwoord op deze vraag, alleen een emotioneel afreageren van opgekropte en opgeklopte haat door enkelingen die menen het vaderland daar mee een dienst te bewijzen. Hoe kunnen zeven overwegend bejaarde zusters die in de eenzaamheid leven, ver van de bewoonde wereld, en instaan voor hun levensonderhoud door het cultiveren van groenten en fruit, die zich toeleggen op handenarbeid en gebed... hoe kunnen zij een gevaar zijn voor de samenleving? Ik merk hoe moeilijk het blijft in Kosovo, na jaren van etnische spanning en geweld dat zich uit in het verdrijven van allen die niet tot ‘het volk’ behoren én het verwoesten van diens eigendom en bezit, de redelijkheid en het gezonde verstand te laten zegevieren, en dit zelfs na vele jaren aanwezigheid van Nato-troepen. Wat in Devic gebeurde, gebeurde bijna onder het toeziend oog van de Fransen, die niet mochten tussenbeide komen, omdat zij hiervoor geen mandaat hadden! Begrijpe wie het kan!

Tegen elf uur zijn de meesten aangekomen, en onmiddellijk roept Michel op tot het werk. In een minimum van tijd is ieder in de weer met schoppen en houwelen, met emmers en kuipen om het losgekapte steengruis en het puin van verbrande balken en meubilair af te voeren naar een klaarstaande vrachtwagen die regelmatig leeggemaakt wordt. Het is hard werken, en er komt schier geen einde aan het leegmaken van wat eens een keuken en een bergplaats was. Wie nu kapt en kuipen vult met schoppen zal straks afgelost worden door de dragers van emmers en manden, en de rollen worden omgekeerd. Het zweet loopt bij velen van de rug, en zonder handschoenen groeien de blaren op palmen en vingers, maar niemand versaagt. Er is lafenis als een vriendelijke jonge dame uit het klooster komt met kopjes Turkse koffie en glaasjes slivovitsj.

Weinigen van ons wisten dat de actie ‘barmhartige Samaritaan’ met bijzondere aandacht gevolgd werd door de commandant van Kfor (comkfor), generaal de Kermabon, die de pers hiervoor had uitgenodigd. Kfor probeert nu de bevolking te wijzen op het respect voor het culturele erfgoed van elke volksgemeenschap, op het belang dit erfgoed te bewaren voor de toekomst. Dit is niet evident in een land waar de menselijke verhoudingen tussen etnische groepen zoek zijn, en zelfs het voorbije jaar bewees dat vele kerken en kloosters niet ontzien worden. Respect voor het culturele erfgoed dat de weerspiegeling is van tradities, levenswijzen, expressie van de volksaard en de volksziel: het meest eigene wat iemand maakt tot wat hij of zij nu is, wordt door Kfor als basis vooropgesteld om tot een harmonieuze samen-leving te komen. Daarom dat de Kosovo-pers en -media massaal uitgenodigd is. En of ze filmen, interviewen, foto’s nemen... van padrés uit verschillende christelijke gemeenschappen: katholieken, protestanten, orthodoxen ... zelfs Marokkaanse moslimgeestelijken staan zij aan zij met hun christelijke ‘confraters’. Een nog nooit gezien gebeuren in een land waar de eenheid zoek is, en waar vaak religieuze motieven misbruikt worden om de ‘anderen’ te haten én alle misdaden tegen hen te rechtvaardigen.

We krijgen rond 13.30 uur een korte pauze: Franse soldaten hebben voor ons een heerlijke barbecue bereid, en tussen ons in schuift Moeder Overste en Comkfor gewoon aan. Met hernieuwde moed gaan we nadien aan het werk dat vandaag en morgen en overmorgen niet zal voltooid zijn. De Franse soldaten zullen echter verder de handen uit de mouwen steken, en met jong geweld (kracht) zal het puin ruimen wel vlugger gaan dan vandaag. Onze actie is symbolisch, de moeite waard.

Na een groepsfoto met de overste van de zustergemeenschap en een koffie mét slivovitsj rijden Bernard en ik terug naar Belvédère. We zullen het verder rustig houden, deze avond... als je begrijpt wat ik bedoel.

Een paar dagen later hoor ik van een Kosovaar die bij ons als tolk werkt, dat de kranten en ook de televisie uitvoerig verslag brengen van deze actie.

 

Dinsdag 9 augustus

 

Een doodgewone dagbegin, gevolgd door een rustige voormiddag met schrijfwerk allerhande, telefoontjes naar R. om te horen hoe het hem nu gaat en hoe de toekomst er voor hem uit ziet, hier en daar binnenlopen, een koffietje drinken bij de mannen van SecPers, tussen de lijnen lezen bij het aanhoren van wat verteld wordt, de gevoeligheden opsnuiven ... en herkennen dat er stilaan routine komt in het werk van de manschappen met als gevolg dat er al eens geklaagd wordt (meestal over futuliteiten)... de ‘witte broodsweken’ zijn voorbij!

In de namiddag rijd ik met Wendy (zeer blij dat ze met mij weer op stap kan) naar Bansjka en Ravna Gora. Eerst naar het klooster van Bansjka. Bansjka was een stichting van koning Milutin en de kerk, toegewijd aan de heilige aartsdiaken Stefaan, is gebouwd tussen 1312 en 1316 als begraafplaats voor de koning, vandaar dat de kerk uitzonderlijk versierd was. In de 13-de eeuw stond er een oudere kerk, een bisschopskerk, tijdens de regeerperiode van Milutins vader Koning Uros I. Koning Milutin bevorderde de kerk en zij werd de vierde belangrijkste tussen de Servische kloosters. In 1321 stierf Milutin en werd bijgezet in Bansjka. Later verhuisden monniken zijn relieken naar Trepca en Sofia in Bulgarije, waar ze nog zijn. Ook Thedora, de moeder van keizer Dushan, werd er begraven in de noordelijke kapel. In de 17-de eeuw werd de kerk een moskee. De grootste verwoestingen werden aangericht in 1689 toen de Turkse en Oostenrijkse legers het klooster gebruikten als versterking tijdens de Turks-Oostenrijkse oorlog. In de zelfde eeuw werd de bodem uitgegraven op zoek naar goud dat er ook gevonden werd. Aartsbisschop Danilo had er gewag van gemaakt. In 1915 werd een gouden en een zilveren ring gevonden in het graf van Thedora. De ringen worden nu beschouwd als de belangrijkste voorbeelden van Servische middeleeuwse juwelenkunst. De kerk werd in 1938 gerestaureerd; het voorportaal heeft twee koepels met klokken en is opgetrokken in 3-kleurige stenen. Het belangrijkste item van Bansjka is de ‘Theotokos met Christus’ (Maria als diegene die God draagt), een beeld dat zich nu in het nabijgelegen klooster van Sokolica bevindt.

Het klooster van Bansjka is sedert kort weer bewoond door Servische monniken en enkele novicen. Achteraan in de kerk waakt een bejaarde monnik over een boekenstalletje en wat Orthodoxe prullaria.

Wij vinden geen woorden om elkaar te verstaan; een volgende keer breng ik onze tolk mee.

Nu naar Ravna Gora. Hoog in de heuvels boven de Ibar-vallei is een relaispost opgesteld die voor de noodzakelijke verbindingen zorgt en vooral noodzakelijk was toen wij nog kampementen hadden in ‘White-Plains’ en ‘Nothing-Hill’. Nu wij alle operaties vanuit Mitrovica voeren, is de relaispost niet meer noodzakelijk. Hij zal dan ook ontmanteld worden en het Franse peloton soldaten met onze Belgische communicatiespecialisten worden teruggetrokken naar Belvédère. Ik wil een laatste bezoek brengen aan onze twee soldaten, hoog in de bergen. De tocht is avontuurlijk en voert over een stenig pad dat alleen per jeep wordt bereden; het pad slingert steil omhoog met haarspeldbochten en twee maal stoppen we aan de rand van de afgrond om te genieten van het prachtig uitzicht op de Ibarvallei die zich in noordelijke én zuidelijke richting uitstrekt.

We vinden onze twee soldaten (vrouwen) in het gezelschap van de Fransen en zij begroeten ons hartelijk. Sinds zij hier boven waren was er geen bezoek voor hen. Onmiddellijk is er koffie of frisdrank, en ik luister naar de ontmantelingsplannen voor Ravna Gora. Ik merk een zeker verdriet in haar verhaal, want deze uitzonderlijke plaats verlaten gebeurt met gemengde gevoelens. Tijdens de afdaling rijden wij onder een stralende zon het decor binnen dat zich voor ons opent. Hoe mooi is het hier en hoeveel mensen zouden niet kunnen genieten van de stilte, van de vergezichten, van de kracht en de aantrekking die uitgaan van dit landschap. Maar toeristen komen hier niet, er is geen enkele infrastructuur van hotellerie en wegen, geen uitzichttorens, geen skiliften in de winter of kabelbaantjes in de zomer... Moesten mensen uit het Westen kunnen investeren in dit onontgonnen paradijs, het zou de economische groei van de regio bevorderen, tewerkstelling bieden, mensen een inkomen bezorgen, de levenskwaliteit verbeteren, en misschien ook een einde maken aan de etnische spanningen omdat er ‘toekomst’ zou zijn voor iedereen. ... droom ik nu ? ...

 

Woensdag 10 augustus

 

Ik beschik vandaag de hele dag over een voertuig, én Wendy als chauffeur, en we rijden naar Pec, de patriarchenstad, gelegen in het noordwestelijk deel van Kosovo, gebouwd tegen de hoogste bergflanken van de regio. Toch kunnen we maar laat vertrekken door enkele misverstanden, zodat we voor de middag geen bezoek zullen kunnen brengen aan het zwaar bewaakte patriarchaat (zetel van de Servisch-Orthodoxe patriarchen). Bij het verlaten van Mitrovica gaat het eerst door een nauwe beboste kloof, dan kronkelend over nauwe haarspeldbochtrijke wegen tot een brede vallei zich opent die begrensd wordt door de westelijke bergketens met toppen van bijna 3000 m. Hoe dichter we Pec naderen, hoe meer ons de vernielde huizen opvallen en het wordt duidelijk: in deze regio heeft een echte burgeroorlog gewoed, die sporen nalaat in het straatbeeld én waarschijnlijk nog meer in de harten en de geesten van de bewoners van nu, maar méér nog in de harten en de geesten van de onfortuinlijken die op de vlucht moesten gaan, vaders en moeders met kinderen, bejaarde grootouders, alleenstaanden ook, wiens bezittingen verbeurd verklaard werden, die haveloos een onderdak hebben gezochten, bedelend om een stuk brood en het meest noodzakelijke om te overleven...

Het is een drukte van jewelste wanneer wij de stad binnenrijden, regelrechte files, voetje voor voetje vooruit; geblutste en kramakkelige voertuigen die nooit een keuring zouden doorstaan schuiven stinkend voor je uit, een hinderlijke rook achterlatend; voetgangers en fietsers die geen gevaar kennen en jongeren met snorfietsen die er doorheen krioelen maken de chaos compleet; bruine mannen met verweerde gezichten stoten steekkarren overvol met watermeloenen; kinderen met fel gekleurde kleertjes staan giechelend in trosjes bij elkaar langs de open riolen die vol liggen met vunzige viezigheid; vanuit een ‘eethuisje’ weerklinkt het eentonige ritme van een inheemse band en terrasjes zitten vol jonge mannen die de tijd doden met eindeloos babbelen en nieuwsgierig opkijken als een Kforvoertuig voorbijrijdt en de hand opsteken bij wijze van groet...

Het duurt een hele tijd, wel een uur, vooraleer we het Italiaanse kamp bereiken en kunnen genieten van de typisch Italiaanse pasta, begeleid met een glaasje wijn. Ik zie er padré Luigi terug, met wie ik maandag ‘koppel’ vormde in Devic en samen drinken we nog een espresso in de bar.

Wij willen nadien het patriarchaat bezoeken, maar vriendelijke Italiaanse soldaten die de omgeving controleren vragen ons morgen terug te keren, aangezien er hoog bezoek is aangemeld en de veiligheidsvoorschriften strikt dienen opgevolgd te worden. We maken er geen probleem van, en keren terug naar Mitrovica. Het valt ons iets gemakkelijker nu de stad te verlaten.

Onderweg vraag ik Wendy een paar keer te stoppen, omdat er prachtige bloemen staan, meestal van de distelfamilie, maar ik vind ze zo knap dat ik ze digitaal wil registreren. Ik hou nog meer dan ooit van ‘distels’ sinds de tekst van Manu Verhulst mij trof waarin hij een Palestijn laat bidden tot God. Ik wil jullie deze tekst niet onthouden, misschien delen wij na het lezen ervan de sympathie voor een bloemensoort die meestal niet geliefd is...

 

GEBED VAN EEN CHRISTEN PALESTIJN

Ik zoek U, God

Mijn handen zijn gewijd

door eenzaamheid.

Mijn mond,

als van een kind:

verwonderd,

ik versta U niet.

 

Ik zoek tevergeefs Uw spoor

in de geschiedenis

van mijn volk,

dat als een distel in het zand

door niemand wordt bewonderd,

door niemand wordt bemind.

Wij zijn een distel

in een droge grond

Wij kunnen dorst en pijn verdragen,

maar zouden gaarne vatten en verstaan

waarom

waarom wij een distel zijn.

 

Misschien hebt Gij het eerst

en lang voor ons

diezelfde vraag gesteld

Misschien waart gij die eerste distel

die in deze grond

ten dode toe

vertrapt werd

en vermorzeld.

 

Zijn wij misschien

uw kleine zaadjes,

gedragen door de Geest,

ontkiemd,

en onweerstaanbaar jong ?

Herleeft in onze ogen

iets van Uw pijn,

iets van Uw licht?

En mag ons hart,

- het midden van de distel -

Uw vrede verder dragen

in de wereld van vandaag?

                                                                                                                                            Manu Verhulst

 

Donderdag 11 - vrijdag 12 augustus

 

Tot zaterdagmorgen ga ik mee met een peloton dat naar Osterode trekt, een wijk van Mitrovica, om van daar uit patrouilles te doen, en checkpoints te organiseren. Na de briefing van 8.30 uur vertrek ik met onderluitenant Pieter die pelotonscommandant is. Een peloton bestaat uit drie of vier secties telkens van 7 tot 9 man. Aan het hoofd van een sectie staat een sectiecommandant, meestal een onderofficier.

De patrouilles die gelopen worden duren meestal twee uren, waarbij men te voet door de wijk wandelt, de mensen, de huizen, de wagens en de straten observeert; indien men iets opvallends opmerkt wordt de shift via de radio opgeroepen, en hoort men wat men eventueel te doen heeft; ook wagens met buitenlandse nummerplaten worden nagecheckt. In de wijk is er ook contact met de lokale bevolking, al was het maar omdat iemand een winkeltje binnenstapt om een frisdrank te kopen, of een broodje in een hamburgertent. De mensen ervaren het als zeer positief dat de Kforsoldaten zich niet beter wanen, dat ze hen niet vanuit de hoogte bekijken, maar met een vriendelijkheid en een groet naar de bevolking vertrouwen scheppen; dat zij er ook een beetje financieel beter door worden, dat zij ‘hun boterham’ mogen verdienen, wordt geapprecieerd. Bij een checkpoint neemt de sectie een strategische en veilige plaats in op de weg, waarbij iemand de te controleren wagen aanmaant om te stoppen. Anderen zullen de identiteitspapieren en eventueel de autopapieren nachecken, en de auto onderzoeken, vooral op aanwezigheid van wapens. Na de controle worden de inzittenden vriendelijk gegroet, bedankt voor de medewerking en hun documenten terug bezorgd. Dit alles gebeurd natuurlijk gewapend en met radioverbinding met de shift.

Het valt mij op hoe professioneel en hoe tactvol onze mensen dit doen, zonder agressiviteit, met de nodige zorg en voorzichtigheid, met veel aandacht voor de houding en de reacties van de inzittenden. Daarvoor hebben ze ook maanden lang getraind.

De secties wisselen met elkaar af voor de patrouilles buiten in de wijk, voor een parate aanwezigheid bij een dringende oproep, en voor sport, ontspanning en rust. Zo gaat het normaal 3 dagen rond.

In de namiddag komt T. mij opzoeken met een bijna gelijkaardig verzoek als R. Hij is duidelijk over zijn toeren, en een vriend staat hem bij. We nemen rustig de tijd om alles op een rijtje te zetten. Ik merk dat T. nu ook kalmer is. Hij keert terug naar zijn sectie, ergens te velde, maar ik voel aan dat de babbel hem deugd gedaan heeft. Zijn pelotonscommandant vertelt mij ‘s anderendaags dat T., na ons gesprek, besloten heeft hier te blijven. We blijven contact houden met hem en hem steunen waar nodig.

De tweede dag is de opdracht licht gewijzigd. Ik ga met een halve sectie op stap en wij zijn duidelijk aanwezig in het straatbeeld. Iets over 12.30 uur zetten we aan, tegen 17.00 uur zullen we terugkeren naar de basis. Op verschillende punten in de sector Klein-Bosnië blijven we staan, observeren van hier uit de straat of het pleintje, en we houden contact met de basis. Ondertussen heeft ieder van ons wel iets te vertellen, en voor mij is het weer boeiend om te luisteren ... en beter te begrijpen.

Ik ben blij als wij kort na 17 uur terug binnenrijden. Ik zal nog een paar uurtjes zoet zijn met ‘Dodenmantra’.

 

Zaterdag 13 augustus

 

Tegen 8.30 uur ben ik terug in Belvédère, tijdig voor de briefing. Nadien geniet ik van een heerlijke douche, en al kon ik mij in Osterode voldoende verzorgen, niets gaat boven ‘thuis’ zijn.

Overmorgen gaan we met 12 man naar Letnica om deel te nemen aan een bedevaart. Ik moet nog enkele zaken regelen met Bernard en steek daar toch een beetje tijd in. Nadien maak ik de foto’s klaar van de voorbije dagen, en zet ze op het net. En zoals elke zaterdag, ook vandaag voorbereiding van de wekelijkse eucharistieviering. De dag vliegt weer voorbij en voor ik het weet, is het avond en nacht. Ik heb afgesproken met de familie te telefoneren vanaf 20 uur, maar het netwerk is terug overbelast (ik had het moeten weten! iedereen die terug is van zijn driedaagse opdracht wil ook naar vrouw of liefken bellen), en ik blijf proberen tot ik na negenen zus Monique kan bereiken. Het is niet eenvoudig met haar te bellen. Ze is kloosterzuster in een huis waar de nieuwste technologie (gsm, internet, email...) niet geliefd wordt en waar bellen naar de familie bijna een luxeproduct is! Als de telefoon wordt aangenomen (ik weet niet door wie) en doorgeschakeld hoor ik een boodschap om te wachten. Het wordt mij gezegd in meerdere talen! Bitte, warten sie... Als ik een gehijg hoor, weet ik dat zuslief er is en waarschijnlijk gelopen heeft om zo vlug mogelijk bij één van de toestellen te komen. Waar was ze ook weer? In de keuken, in de kapel, op haar kamer... Waar heeft men haar gevonden? ... Allo, Monique?! ...

Toch nog even een pint drinken in de bar en morgen is het zondag, dus ....

 

Zondag 14 augustus

 

Een zondag die sterk lijkt op de andere sinds ik in Mitrovica verblijf. Maar vandaag blijf ik in mijn container werken. Ik probeer mijn dagboek klaar te krijgen, en ik heb nog een idee om de bedevaart morgen aantrekkelijker te maken: ik zal een blaadje opstellen met het volledige misformulier in het Nederlands zodat iedereen de dienst in het Albanees kan volgen en de inhoud van de viering begrijp. Dit kost mij wel enkele uurtjes extra werk, maar ik doe het graag. Ik denk ook nog aan een boekje met enkele zinvolle teksten en gebeden rond Maria. Tijdens de wandeling van anderhalf uur zijn vier stopplaatsen voorzien en per taalgroep kan dit vrij ingevuld worden, dus ... ik zet mij aan het werk ... tot ik uiteindelijk alles klaar heb tegen 20.15 uur. Nu nog een nationale driekleur en een stok vinden. De vlag zal meegedragen worden tijdens de wandeling en processie.

Ik ben blij dat ik mij rond 22.30 uur kan overgeven aan horizontale meditatie, maar Klaas Vaak is nog ver weg. Het zal de spanning zijn voor morgen die mij het slapen belet, en ik zie de wijzer over de plaat schuiven en tezelfdertijd komt het uur van opstaan nader: 00.15 uur, 00.30 uur...

 

Maandag 15 augustus

Na elkaar brult de radio een inheems lied door de kamer en hoor ik het gsm-alarm afgaan. Het is 04.40 uur.

Ik gun mijzelf vijf minuten op ‘wakker’ te worden, en tegen 05.00 uur ben ik paraat. Met de elf anderen die meegaan naar Letnica en de Franse deelnemers moeten wij aan het paradeplein zijn vóór 05.30 uur. Dan vertrekt de bus. Benny neemt de vlag voor zijn rekening en hij zal zich de ganse dag gewetensvol en met stijl kwijten van zijn taak.

Wij wachten ... maar de bus komt niet ... Het wordt 06.00 uur en de ... bus is er niet ...

Bernard en de Franse commandant beginnen nu ook hun geduld te verliezen, en juist als hij telefoneert komt de bus te voorschijn. Wij nestelen ons in de achterste zetels, en ... de meesten worden wakker als wij na ongeveer twee uur rijden Letnica naderen. Letnica is een katholiek dorp, op 2 km van de Macedonische grens (dus in het uiterste zuiden van Kosovo) waar sedert de Middeleeuwen een miraculeus houten Mariabeeld wordt vereerd (de Zwarte Madonna van Letnica). Telkens op 15 augustus komen duizenden en duizenden naar Letnica afgezakt om ter ere van Maria deel te nemen aan de viering en aan de processie met het miraculeuze beeld.

Het was in het bedevaartsoord van Letnica dat een vrouw, Agnes Gonxha Bojaxhiu, de latere Mother Theresa, haar roeping vond en besloot kloosterlinge te worden.

Hoe verdeeld Kosovo ook moge wezen, op 15 augustus vinden christenen en moslims van Albanese of Servische origine elkaar bij Maria in Letnica. Sedert 2002 komen ook soldaten van Kfor naar dit bedevaartsoord, en alle aanwezigen appreciëren ten zeerste hun aanwezigheid en hun gebed. De Kforsoldaten verzamelen op een plek op ongeveer 3 km van het dorp, en trekken dan per taalgroep door de bergen. Op vier plaatsen wordt halt gehouden om te zingen, te bidden, te luisteren naar de stilte, met elkaar te praten... Na de Italianen en de Hongaren zijn wij de derde groep die starten. Wij hebben twee uur de tijd om op de heuvel achter het dorp te verzamelen om vandaar als Kfor zingend naar Letnica te trekken. Mijn voorbereid tekstblaadje komt goed van pas. Bij onze eerste stop luisteren wij naar wat ieder over Maria denkt en waarom hij deelneemt aan deze pelgrimstocht. We ronden af met het ‘evangelie volgens Maria’!

Als we terug aanzetten, zijn de Hongaren uit het zicht verdwenen en we horen in de verte de Duitsers achter ons zingen. We vervolgen het pad langs een snelstromend bergriviertje dat een paar keren moet overgestoken worden, totdat we elk spoor bijster zijn. Hier zijn geen wit-rode markeringen om paden aan te duiden, en de organisator, mijn Franse collega Michel, moet wel gedacht hebben dat wij allen mans genoeg zijn om de weg te vinden. Ons verhaal gaat verder dat we ruim een half uur steil klimmen tot twee mensen ons op het juiste pad brengen: terug afdalen tot aan het riviertje, en aan de andere kant de helling op !!! Het kost ons extra zweet, maar het moet toch een echte pelgrimstocht zijn! En ja, daar zien we de plaats van verzameling. Comkfor is er, samen met de Italianen en de Hongaren, mensen van het ‘rechte pad’. Ook de Franse legerbisschop is er en komt ons begroeten. Patrick Le Gal is in veldkledij, zonder enig spoor van bisschoppelijke waardigheid. De Belgen met de Franse Generaal en Bisschop op de foto: de foto van de dag!

Rond 10.30 uur dalen we de heuvel af: zonder Fransen, Duitsers, Amerikanen, ... en al wie achter ons kwam. Reden: verloren gelopen! haha!

Het dorp gelijkt op een Vlaams dorp, vijftig jaar geleden, ter gelegenheid van de jaarmarkt: er is muziek, tentjes en standjes staan overal, mensen drummen zich een weg, families picknicken op een klein graspleintje tussen de huizen, een kermis van één zwiermolen is dé attractie voor klein en groot, er is gelach en gegiechel, ... en alles verstilt als iets over 11.00 uur de plechtige viering begint met de intrede van drie bisschoppen, en een 20-tal concelebrerende priesters. Tijdens de viering zullen telaatkomers-padrés (haha!) aansluiten. Ik herken salesiaan Don Javier Sanz en wissel een groet uit. Op het podium achter ons staat een jongerenkoor, geleid door een zuster. De president van Kosovo is er, en generaal de Kermabon. Militaire security-mensen zijn uiterst alert en houden de opeengepakte menigte goed in de gaten. Naar schatting zijn er tussen de 15.000 en 18.000 mensen komen opdagen, een 800 tal Kfor-soldaten. Elk plekje dat uitziet op het podium is goed genoeg om er een stoeltje, een tapijtje, een lege bak op neer te zetten of om te staan om vandaar uit alles te volgen. Ik zal het straks ondervinden als ik de communie uitdraag: met vereende krachten word ik boven op een dak getild om de Heer naar de aanwezigen te brengen.

De viering verloopt klassiek: een goede woorddienst, 2 veel te lange bisschoppelijke preken (ze zullen gedacht hebben: nu er zoveel mensen samen zijn, moeten we van de gelegenheid gebruik maken om heel het Katholiek geloof uit te leggen). Het  woord van de Franse legerbisschop is ter zake, en wordt simultaan vertaald, maar op dit moment ook ‘van het goede te veel’!

Het loopt tegen enen als er beweging komt in de mensenmassa, na de gezamenlijke zegen van drie gemijterde excellenties die één staf delen. Het oeroude houten beeld van de zwarte Madonna wordt op de schouders getild en gevolgd door de vlaggen van Kfor zet een indrukwekkende stoet mensen zich in beweging voor de processie rond het dorp. Een half uurtje later is het kerkelijk feest voorbij en zal iedereen zich overgeven aan de geneugten van het jaar: frisdrank en bier, hamburger en saucijs, muziek uit kraampjes en cafeetjes, rookwalmen van verbrand vet op gloeiende kolen in de barbecues en geuren van gesponnen suiker en gekruide specialiteiten vermengen zich, van de zwiermolen klinkt gegil en gelach, moeders roepen op hun kinderen en vaders roken een sigaar bij een biertje op een schamel geïmproviseerd terrasje; af en toe zoekt een auto een doorgang en ook Kfor forceert wel iets met loeiende sirene. Je ziet maar: als je er niet bij was, heb je niet ‘iets’, maar iets ‘unieks’ gemist!

We moeten verder, wij staan op uur, en na drie km stappen zijn we bij onze bus. Veel honger heb ik niet, we verorberen onze picknick, en beschutting zoekend tegen de felle zon vlei ik mij neer tegen het voorste van de bus. Iets over half drie zet de bus aan, bestemming Belvédère dat we bereiken kort voor vijven.

Mijn medepelgrims zijn opgetogen voor de kans die ik hen geboden heb: ze zullen velen jaloers maken met de verhalen van wat er allemaal te beleven viel!

Voor mij zit de hoogdag van Maria-ten-hemel-opgenomen er op. Straks na het avondeten zet ik de foto’s op het net en werk mijn dagboek af. Morgen wordt het jullie bezorgd met een late hoogdagsgroet.

Dag lievelingen, God zegene en beware jullie!

 

Dinsdag 16 - woensdag 17 augustus 2005

 

“06:50" lees ik rood en wazig op het display van mijn radiowekkertje als verre flarden van gesprekken mijn morgendromen kapot scheuren. Met half geopende ogen staar ik in het grauwgrijze niets tot ik mij realiseer dat er iets aan de hand moet zijn met het weer. Gewoonlijk staat een zonnenrechthoek op de zijkant van mijn kleerkastje en schuift met de dagen mee in de richting van een onvermijdelijke val in de leegte. Niet al te gehaast draai ik mij naar rechts en ik kan met mijn linkeroog de regendruppels op het glas achter elkaar zien hollen in een neerwaartse race, gevolgd door andere en andere, onophoudelijk, met de moed der wanhoop elkaar inhalend om te eindigen in een streepje witte plastiek. Het is dus zover: het Belgische regenweer zendt zijn ’zonen’ uit en wij delen in de brokken. Bedankt daar in mijn thuisland, maar dat cadeautje hoefde niet. Zou ik mij nog even van het raam afwenden en sluimerend genieten van de gezelligheid en de knusheid onder mijn dekbed? Vijf minuten maar, of misschien maar vier... Met een juist gemikte toetsdruk treedt de stilte weer binnen in al zijn zaligheid ... tot vijf minuten later de nieuwslezer in een onverstaanbaar gebrabbel droom en werkelijkheid vermengt. Ik hou het voor bekeken, ik sta op en begin aan het heilig morgenritueel dat samen met mij niet bijzonder veel om het lijf heeft. Ik bespaar jullie alle details die toch overbodig zijn en alleen bij jullie een gevoel zouden oproepen van ‘dat kennen we!’...

Met mijn smokevest tot over mijn oren duik ik het regengordijn in dat duidelijk maakt dat het nu stand zal houden en vechten zal voor zijn bestaan. Mij niet gelaten, denk ik, en wip het restaurant in voor een ovenwarm croissantje.

Nadien nestel ik mij in mijn werkkamer en ik heb uren te kort om mijn dagboek af te werken en de foto’s ‘netklaar’ te maken. Jammer, denk ik, dat onze mensen dat rotweer moeten trotseren op patrouilles en checkpoints en ik vind even dat de wereld niet rechtvaardig verdeeld is ...

De dag komt en gaat, lijnen worden vol getikt, bladzijde na bladzijde een weerspiegeling van mijn aller individueelste impressies en woordgeworden emoties ..., megapixelgrote foto’s worden op mensenmaat gesneden, tot thumbnails getoverd als kleine broertjes die aangeklikt hun grote evenknie zullen openen, en nadien toevertrouwd aan het wereldwijde web om met cybersnelheid de verste uithoeken van onze wereld te bereiken ... Ik gun mijzelf tot slot de laatste uren ‘dodenmantra’..

 

Donderdag 18 augustus 2005

 

De dag begint als een kopie van de vorige. Niets bijzonders, zal je zeggen, wij hebben de hele vakantie slechtere en betere kopieën en variaties gehad van wat de weergoden jullie nu bezorgen. Dit moge ons een troost zijn, meer nog, we beschouwen de regen als een weldaad die ons behoedt voor het ‘stof’-slikken. De keerzijde is natuurlijk dat de niet verharde wegen (bijna allemaal op de grote assen na) dan spekglad zijn en onze chauffeurs van jeeps en unimogs hun rijvaardigheid moeten tentoon spreiden op straffe van te belanden in het ‘decor’!

Ik weet niet of hier massaal eieren gebracht worden naar een lokale Clara, maar tegen de middag is de lucht opgeklaard en ‘Laura’ is weer van de partij.

Ik heb een tolk en een chauffeur met voertuig, dus rijden we onze sector in naar Leposavic. In 2002 werd de nieuwe kerk ingezegend door patriarch Artemije, en ik wil de pope (dorpspriester) groeten. Juist als wij aankomen wil iemand de kerk sluiten, maar we hebben geluk en ik zie met eigen ogen de prachtige iconostase die de koorruimte afsluit. De monniken van Decani bij Pec zijn de kunstenaars. Ik hoop hen morgen een bezoek te kunnen brengen. Na een korte babbel-met-tolk en enkele foto’s begeven we ons naar het huis van de pope, maar hij is er niet en zijn zoon verwijst ons naar Socanica. Daar zijn warmwaterbronnen met een geneeskundige kracht, goed tegen huidaandoeningen, en daar is hij heen.

Wij rijden dan ook naar Socanica en waar we de hoofdweg verlaten bemerk ik de ruïnes van een gebouwencomplex uit de Romeinse periode. Socanica moet in die tijd belangrijk zijn geweest, want de Romeinen (2-4de eeuw) bouwden niet zo maar overal een municipium, wel in de provinciecentra. Er stonden drie kerken en een gallische middeleeuwse versterking. Nu zijn er geen kerken meer in Socanica en de andere bouwwerken van weleer zijn verwoest.

We volgen de smalle weg die de tolk ons aanwijst, smaller en smaller wordt hij, weldra zonder verharding en kronkelend slingert het pad zich tussen povere bebouwing en primitieve akkertjes, hoger en hoger de heuvels in; grote plassen tussen het groen doen het pad wel vermoeden, maar onze chauffeur, een rallyrijder denk ik, is in zijn nopjes en drijft onze transporter genadeloos naar het doel: de oude baden.

Het is een idyllisch plekje met twee gecementeerd baden: enkele mensen genieten er blijkbaar van een deugddoend bad te midden van de bosrijke omgeving, onttrokken aan nieuwsgierige blikken (tot wij aankwamen!). Een warmwaterbron voorziet de badkuipen borrelend van warm, zuurstof- en zwavelrijk water dat via een opening in één van de baden wegvloeit naar de stortbeek. Ik denk terug aan een mogelijke toeristentoeloop mocht er de nodige accommodatie zijn... De pope hebben we niet gezien!

Even voor het avondmaal zijn we terug. Onderweg zien we de patrouilles van Griekse en van Belgische manschappen. Tegen 19 uur valt de duisternis in; de dag zit er op!

 

Vrijdag 19 augustus 2005

 

Even na 9 uur kunnen wij aanzetten naar Pec, Decani en Gracanica. Onze tolk rijdt mee en Sven is chauffeur. Zoals de vorige week gaat het over de pittoreske weg naar de oude patriarchenstad Pec. We schieten goed op, op enkele strekken na waar een langzaam voertuig en de slechte zichtbaarheid op de weg ons verplichten aan een slakkengangetje vooruit te komen. Sven rijdt doodkalm, laat zich niet van de wijs brengen en neemt geen risico’s. In tegenstelling met ons vorig bezoek aan Pec is er nu geen file om de stad in te rijden. Probleemloos bereiken we de beschermde enclave, op de grens met Montenegro. Italiaanse soldaten aan het checkpoint controleren onze ID’s en we volgen de weg stroomopwaarts tot aan de blinde muur van het vroegere patriarchaat. Op de parking staan een paar pantservoertuigen en een minibus. Naast de oude toegangspoort is een wachtlokaal opgebouwd; wapens moeten hier ontladen worden onder het waakzaam oog van de wachter. De binnentuin van het patriarchaat is een oase van rust en schoonheid: je hoort de stilte en de kleurenpracht van bloemperken en heesters en eeuwenoude moerbeibomen doen je wanen in het paradijs te zijn. Voor je liggen de ruïnes van een vroeger kloostercomplex, links staan de nieuwe gebouwen van het hedendaags nonnenklooster en het huis van de priester. Van achter de moerbeibomen steken de koepeltjes van de vier aaneen gebouwde kerken scherp af tegen de azuurblauwe hemel. Rechts staan enkele gebouwtjes voor de gasten. Met ons is een groepje Duitse militairen aanwezig, een reportageploeg uit Prizren, die hun soldaten willen informeren over Pec. Een zuster maakt de toegang tot de nartex open, en we betreden het heiligdom. In de geschiedenis van het patriarchaat lees ik dat “aan de oever van de Bistrica en waar de Rugovakloof begint, één van de belangrijkste monumenten uit het verleden van de Serven staat; honderden jaren lang stond hier de zetel van de Servische aartsbisschoppen en patriarchen. Sinds het ontstaan in de 13-de eeuw leefden hier geleerde theologen, uitstekende schrijvers en begaafde kunstenaars, en allen lieten getuigenissen na van hun bezigheden. Daarom is het patriarchaat niet alleen het centrum van de Servisch-Orthodoxe Kerk, maar ook het oord waar zijn kunstpatrimonium bewaard wordt”

Bisschop Arsenije I liet de Apostelkerk bouwen die rond 1250 met muurschilderijen werd opgesmukt.  Rond 1320 werd noordelijk ervan de Demetriuskerk gebouwd, 10 jaar later de zuidelijke Moeder Godskerk, en de kleine Sint-Niklaaskerk. Voor de drie hoofdkerken werd dan de monumentale nartex opgericht (voorhal). In de volgende eeuwen werden verdere verfraaiingen aangebracht, of belangrijke renovaties doorgevoerd. Van de 13-de tot de 17-de eeuw werden patriarchen en aartsbisschoppen hier begraven. De verdere geschiedenis van het patriarchaat is zeer sterk verweven met de algemene geschiedenis, o.a. van de Oostenrijks-Turkse oorlog (17-de en 18-de eeuw), de wereldoorlogen, enz. Na de eerste wereldoorlog en de hereniging van de Servische Kerk zijn alle Servische patriarchen hier gewijd.

We geraken niet uitgekeken op de pracht van de muurschilderingen en iconen, en ik voel mij een tikkeltje fier als de tolk mij vertelt dat hij noch nooit een voet mocht zetten in deze heiligdommen. Ik zal hem ook voor het eerst Decani en Gracanica laten zien, cultureel erfgoed van wereldformaat!

de Italianen zijn terug onze gastheren voor de lunch, en na een groet aan Don Gianluigi, mijn confrater, staat het klooster van Decani op ons programma. We rijden ongeveer een half uurtje en weer worden we aan een strenge controle onderworpen bij de zwaar bewapende toegang. De monniken zijn met een dertigtal, en zo waar zijn er jonge novicen bij. De kloosterkerk is een pareltje van bouwkunst uit de veertiende eeuw met tal van gebeeldhouwde ornamenten. De goed bewaarde fresco’s stellen een 1.000 tal figuren voor in 20 cycli en zijn de grootste bron van Byzantijnse iconografie, o.a. een serie met historische portretten en iconografie van de regerende dynastie. De kunstschat van Decani is de grootste van Servië en telt ongeveer 60 iconen uit de 14-de tot de 17-de eeuw, oude manuscripten en liturgische voorwerpen. Sinds 1994 staat het monument op de Unesco-lijst van Werelderfgoed.

Van de ene verwondering vallen we in de andere. Nu nog naar Gracanica.

De tocht duurt ongeveer twee uren, en een aantal keren ontsnappen we aan de ‘vernieldrift’ van de lokalen die er een rijstijl op na houden die aan kamikaze doet denken. Behouden bereiken we Pristina, en even zuidoostelijk van de stad ligt het christelijk dorp Gracanica. In het centrum ligt het kloostergoed; een pracht van een kerk uit de 14-de eeuw versierd door kunstenaars uit Salonica (1321) en gesticht door koning Milutin (zie Bansjka).  De kerkschat werd door vuur verwoest rond 1380, maar nu is er een betekenisvolle collectie iconen, waaronder de oudst bewaarde icoon van Christus de Barmhartige uit de 14-de eeuw, uniek in zijn afmetingen (269 cm x 139 cm).

De binnentuin is eerder verwaarloosd, maar mooi in zijn nonchalance. Hoe graag we nog langer willen blijven, de tijd dringt en we keren met een goed gevoel terug naar Belvédère. Een dag om van te snoepen is voorbij! Deo gratias.

Zaterdag 20 augustus 2005

 

Vandaag is mijn schoonbroer jarig. Deze avond zal de hele familie samen zijn - zonder Renaat. Ik zal hem telefoneren en geluk wensen. Proficiat Victor en nog vele gelukkige jaren met je vrouwtje Jacqueline!

Elke zaterdag en elke zondag lijken sterk op elkaar; het is een dag met vaste rubrieken, onder meer de voorbereiding van de weekendliturgie, die heel wat tijd in neemt, de welfare-vergadering, gesprekken met toevallige of niet-toevallige ‘bezoekers’, de vieringen zelf én tijd om even uit te blazen bij een tas koffie in het cafetaria met mijn trouwe metgezel: een boek!

Natuurlijk bel ik ‘s avonds zussen en broer op (ook andere telefoontjes naar ‘lievelingen’), kwestie om hen te laten horen dat ik nog leef. Ik merk dat velen er zo over denken, want de wachttijd om in het ‘net’ te komen loopt soms zeer hoog op, maar het verheugt mij te weten en te voelen dat iedereen van ons zijn contacten ‘soigneert’.

Als ik Victor bel, is iedereen er al, en ik hoor lachende stemmen die door elkaar naar de telefoon roepen en om beurten het apparaat ter hand nemen voor een privé-babbeltje. Wat een geluk te mogen behoren tot zo een familie!

 

Zondag 21 augustus 2005

 

Na de mis van elf uur groet ik de Co (korpscommandant) van de Jagers die ons vandaag bezoekt. Aangezien het restaurant gesloten is (maandelijkse hygiënische schoonmaakbeurt) nemen we een lichte maaltijd in Mitrovica. ‘s Avonds zijn wij allen verwacht in het Deense kwartier voor het avondeten. Ik rijd mee met Marc.

Een rustige zondagavond bekroont deze dag, een echte ‘zon’dag.

 

Maandag 22 augustus 2005

 

Al een paar dagen is het weer voor mij heerlijk: een 25°, meer moet dat niet zijn. Bij het ontbijt zie ik Bernard die mij uitnodigt voor een ontmoeting met de nieuwe chief-chaplain in Novo Selo, het kamp van onder meer Franse gevechtsgeniakken, maar ook het hoofdkwartier van de brigade Noord waartoe wij behoren. Rond elf uur rijden we er samen heen. De Franse aalmoezeniersdienst maakt werk van de kwartieren voor zijn aalmoezeniers, en een heuse ontmoetingsruimte met gemakkelijke zetels én bar is dé locatie. Als Gianluigi, mijn Italiaanse co-werker in Devic, binnenkomt is het hekken van de dam. (Ik zag hem vorige vrijdag nog in Pec). Hij begint aan een nieuwe periode, nu in Pristina, voor zes maanden als raadgever bij de Italiaanse generaal Mini, die Comkfor wordt vanaf 1 september 2005. We wensen hem proficiat en bij een borrel en een koekje overlopen we de komende maanden, en de wijze waarop de Kfor-aalmoezeniers naar de toekomst willen werken. Af en toe moet ik voor tolk spelen, want mijn Franse collega’s spreken alleen Frans, Gianluigi doet zijn best Engels te spreken, en Renaat is de go-between! Is het geen voorrecht in Vlaanderen geboren te zijn en zich verstaanbaar te kunnen maken in meerdere talen?

We lunchen in Novo Selo en na de koffie gaat het terug Mitrovica. Wij zien elkaar terug op 1 september bij de bevelsovergave van Comkfor, en nadien op de eerste aalmoezeniersvergadering op 12 september.

Gisteren had ik met de pelotonscommandant A6 een afspraak dat ik deze namiddag zou meegaan op patrouille. De mannen hebben staan wachten, en zijn tenslotte zonder mij vertrokken: ik was te laat terug uit Novo Selo. Maar ik zal deze avond meegaan: patrouille in Mitrovica vanaf 21 uur. De temperatuur is nog behaaglijk, en het is rustig in onze wijk. Geen incidenten. Ik geniet ervan om door de slapende straten te wandelen, de rust in te ademen, verre geluiden van een disco zweven in het ijle, een kat springt verschrikt van achter een struik, rent de straat over en verdwijnt in een voortuintje; een hond slaat aan het bassen als we naderen en houdt pas op als we de hoek van de straat omdraaien; vele winkeltjes zijn nog open en wachten op klanten als die ooit nog komen; tegen een schutting ligt een jongen van 14-15 jaar, overdosis alcohol: wankelend op zijn benen sleept hij zich verder de nacht in ...

 

Dinsdag 23 - woensdag 24 augustus 2005

 

Er is een zekere spanning merkbaar als het scenario doorgenomen wordt van het bezoek van minister Flahaut (MOD= Minister of Defence) morgen aan Mitrovica. Met hem komen een aantal generaals mee, medewerkers van zijn kabinet, vertegenwoordigers van de erkende syndicaten, de pers en enkele genodigden, een bont gezelschap. Het wordt een blitzbezoek van hooguit anderhalf uur. Ik voel aan dat niet iedereen opgezet is met dit bezoek en met de speciale avondregeling. Ik zelf geniet er van de hoge gasten en hun entourage te zien: hun aankomst, het handjes drukken, de vriendelijke woordjes die gesproken worden, de lachjes - al dan niet geforceerd, en het wordt een bijzondere maaltijd, een wandelbuffet met alles er op en er aan!

En dan ... is het zo ver. De Mod komt!

Iedereen is verwacht om 17 uur op het buitenterras aan het restaurant. De minister wordt rond dat uur ontvangen door de Franse kampcommandant en onze staf. Hij krijgt eerst nog een briefing over onze opdracht en wat wij er van maken, en dan komt hij naar ons toe.

Elke soldaat leert zich te haasten om te kunnen ‘wachten’. Zo ook onze manschappen. Wachten tot na 18 uur, vooraleer persmensen en andere genodigden aankomen (voor hen was er een ander programma), en nog meer geduld oefenen vooraleer de minister in hoogst eigen persoon arriveert. En zie, ginds komt hij, geflankeerd door generaal Pochet, commandant van de Landcomponent en kapitein Bruno, en omringd door de stafchef van de 1-ste brigade, en andere hoge gasten.

Aangekomen in het restaurant, doet minister Flahaut de ronde: zowel bij het Luxemburgs peloton, als bij de andere Belukossers neemt hij de tijd om de manschappen te groeten en een kort gesprek op te zetten. Hij ziet er opgewekt uit, ondanks dat de dag voor hem en zijn gezelschap niet licht kan uitvallen door het overvolle programma. Hij neemt nauwelijks de tijd om iets tussen de tanden te steken, terwijl iedereen toe tast en de lekkere schotels, de broodjes, de kaas, de nagerechten en de drank eer aan doet...

Met een groet aan de Franse kolonels en een half broodje haastig verorberend begeeft hij zich naar de uitgang: een laatste knik, een Flahaut-lachje, een uitgestoken hand ... en weg is hij, terug naar Pristina, terug naar België. Uren later staan de foto’s van het bezoek op het net.

Ik probeer Norbert te bellen, met wie ik bijna 30 jaar vriendschap deel en die vandaag jarig is. Ik krijg geen aansluiting, noch op zijn gsm, noch thuis. Bertjen, toch een zalige verjaardag toegewenst!

 

donderdag 25 augustus 2005

 

Ik heb een afspraak met de Belgen op het hoofdkwartier van de brigade in Novo Selo en in Pristina. Wendy is weer van de partij en na het middagmaal zetten we aan. We treffen er alleen commandant Wim die de anderen verontschuldigt wegens een dringende opdracht. Het zij zo. Na de koffie rijden wij door naar Pristina en wachten er in het ‘Belgisch huis’ op adjudant PsyOps. Hij zal ons inwijden in de geheimen van het werk van de psychologische cel die via allerlei media de onderlinge houding van de etnische groepen positief probeert te bevorderen. We zoeken hem zelf op als het uur van de afspraak ruim overschreden is, en als hij mij ziet herinnert hij zich zijn belofte, en hij zegt dat hij door de drukte van zijn werk de afspraak rats vergeten is. Onmiddellijk laat hij alles vallen en brengt ons in het containercomplex dat de internationale cel PsyOps herbergt. Hij vertelt over de activiteiten van de verschillende sectoren pers, radio, TV en een heuse rondleiding in de kantoren, montagestudio’s, en radiostation vervolledigt de mondelinge informatie. Wendy voelt zich bevoorrecht met de padré te kunnen meegaan, want zegt ze ‘dan zie je dingen die je anders niet te zien krijgt....’

Aangezien er deze avond geen bijeenkomst gepland is voor de Belgen rijden wij terug naar Mitrovica.

 

Vrijdag 26 augustus 2005

 

Woensdagavond is de meerderheid van onze pelotons vertrokken naar de Amerikaanse sector rond Bondsteel, en zij zullen er drie dagen patrouilles en checkpoints doen samen met de Grieken. Voor de manschappen is de ervaring te kunnen werken in een andere sector en de contacten met andere naties zeer belangrijk. Zij logeren in het reusachtige kamp van Bondsteel, een plaats waar alles op en top Amerikaans is: de ‘ biggest in the world’, een grote heuvel met een uitgebreid wegennet, een heli-haven, restaurants, wooncontainers voor eigen volk dat één jaar hier verblijft, gastencontainers, fitness-ruimtes, bars en winkeltjes op een pleintje met terrassen en parasols, een PX om ‘U’ tegen te zeggen, haarkapper, kleermaker, postkantoren, kapellen ... Zelfs een heuse gevangenis met uitkijktorens aan de rand van het kamp, een mortuarium met koelboxen, ... alles is er, of bijna alles!

De controle aan de toegang doet me denken aan de controles van de vroegere checkpoints bij de overgang van West- naar Oost-Duitsland. Een burgerfirma inspecteert de ID’s, de voertuigen (met spiegels), het ontladen van de wapens terwijl je onder schot gehouden wordt vanuit een uitkijkpost, en nadat je eerst de nodige wegversperringen en prikkeldraadafsluitingen gepasseerd bent. Eens binnen waan je je veilig, of realiseer je je dat je in een grote ‘jail’ beland bent: ik laat deze gevoelens over aan elk een die Bondsteel bezoekt!

Vandaag zijn wij in Bondsteel en ontmoeten onze manschappen die hun job er hebben op zitten, en die nu even uitrusten. Bij een cappuccino op het ‘dorpspleintje’ luister ik naar de verhalen, naar wat het verschil uitmaakt tussen hun gewone opdrachten in de noordelijke sector van Kosovo en hun ‘duty’ hier in het zuiden, in de stad Urosevac en op de noord-zuidas. Dan zijn we weer weg en we bezoeken een sectie die de wacht houdt aan de Orthodoxe kerk van Urosevac, waar een moskee met minaret tegen aan leunt. De contrasten zijn hier enorm. Het kerkdomein wordt permanent beschermd door Griekse Kforsoldaten, maar nu nemen Belgen en Luxemburgers de wacht over. Ik bezoek de kerk waarvan de zware eikenhouten buitendeur sporen vertoont van brand en verwoesting. Binnenin is het interieur kapot geslagen, de meeste iconen zijn verdwenen uit de iconostase en de lege ruimte bezorgt mij een bizar gevoel.  De eredienst kan hier niet meer uitgeoefend worden, en er zullen ook wel geen christenen zijn die de moed opbrengen het gevaar te trotseren om naar ‘hun kerk’ te komen. Buiten flaneren jonge meisjes in de zon, schaars gekleed; jonge mannen zitten op de terrasjes terwijl het drukke stadsverkeer voorbij dendert en een walm van uitlaatgassen zich vermengt met parfum die komt aanwaaien en de sterke kruidengeur van groentestalletjes. Onze soldaten zegden mij reeds meermaals dat er hier ‘schone vrouwen’ zijn, en je moet wel blind zijn om dat niet te zien. Wat mij verwondert is dat in een uitgesproken Islamcultuur de kledingsnormen niet gehaald worden, ook de eet- en drinkvoorschriften worden niet gerespecteerd en dat geeft mij de zekerheid dat de Islam hier ook aan een seculariseringsproces onderhevig is. De tolk vertelde mij dat de meerderheid van zijn leeftijdgenoten bekennen ‘moslim’ te zijn, maar zonder enige praktijk. Ik herken deze situatie in onze christelijke Westerse wereld.

Vanuit de kerktoren, door een hoge prikkeldraadafsluiting gescheiden van de minaret, kijk ik neer op de bedrijvigheid van de stad, waarin een kleine beschermde enclave rust uitstraalt, of moet ik eerder zeggen ‘doodsrust’. Ik groet onze Luxemburgse maten en na een korte babbel rijden we terug de stad uit.

In de late namiddag bereiken we Belvédère. Ons woonblok zonder de pelotons die nog tot morgen in Bondsteel vertoeven voelt een beetje leeg aan. Geen mannen die terug komen van patrouille, geen groepjes sigarettenrokers aan de ingangsdeur, geen gekuis van wapens of schoenengepoets, niemand die zich naar de douches begeeft na een uurtje lopen... Marc zegt: ‘nog even genieten van de rust, want morgenavond is iedereen terug en kennen we de normale bedrijvigheid.’

In de bar vraagt Andy mij een spelletje Yahtzee mee te spelen. Ik laat de dobbelstenen het spel bepalen, maar de drie medespelers hebben meer geluk (of kunnen ze de steentjes ‘manipuleren’?). Het wordt een gezellig uurtje tussen pot en pint en met de nodige babbel.

 

Zaterdag 27 augustus - zondag 28 augustus 2005

 

Zoals ik vroeger schreef gelijkt elke zaterdag op elke zaterdag en iedere zondag op iedere zondag. Ik werk dubbel en dik aan de voorbereiding van de vieringen: ééntje in het Nederlands en één in het Frans, met bijhorende preek. De lezingen van de zondag liggen mij erg: Jeremia die God zijn beklag doet, het niet ziet zitten, maar toch door een niet te blussen vuur wordt aangespoord verder te doen. Ik zou ook spreken zoals Jeremia, en wie van ons heeft soms niet de goesting om er het bijltje bij neer te leggen als de situatie te gortig wordt en men zelf de dupe dreigt te worden. Het evangelie van het ‘kruis opnemen en Jezus volgen’ wordt schitterend geïllustreerd door een schilderij van Sieger Köder dat mij het liefst is. Een reproductie ervan hangt bij het binnenkomen van mijn huis in Leopoldsburg en ontgaat geen enkele bezoeker; in mijn container hangt de poster boven mijn bed, dichtbij het raam, hier ook als blikvanger. De afbeelding stelt Jezus voor als kruisdrager, met naast hem en ook onder het kruis, een tweede man: Simon van Cyrene. Hij wordt, als passant, gedwongen het kruis te helpen dragen, vertelt het evangelie. Met één hand tilt Jezus de zware dwarsbalk en de andere arm zoekt steun achter de rug van Simon, of is het Jezus die Simon steunt? Ook Simon heeft één hand op de kruisbalk en de andere arm rond Jezus geslagen. Wie steunt wie? Wie draagt wie? Wie helpt wie dragen? De gedachten voor mijn predikatie haal ik uit de overweging bij dit tafereel. Zou ‘leerling van Jezus’ zijn en ‘kruis opnemen’ niet iets zijn voor alle mensen die vanuit hun grote bezorgdheid en liefde voor de andere mens zich zonder berekening inzetten? Is “kruisdrager-zijn” niet een erenaam, niet enkel voor christenen, maar voor ieder mens die het beste van zichzelf geeft voor het welzijn van een mens of een gemeenschap? Ik zie hier veel ‘kruisdragers’ rondom mij, en waar ik ook was en kwam ontmoette ik veel van zulke mensen. Het zijn de stille krachten die ongezien ‘goed’ doen, ‘goed’ spreken en je vindt ze overal, in onze gezinnen en families, in buurt en vereniging, in onze kerken en daar buiten... Kruisdrager zijn betekent niet dat je het lijden verheerlijkt, dat de last je teneer drukt, maar dat je zelf gedragen wordt door een liefde die je in staat stelt anderen te ‘dragen’. En dan denk ik terug aan de tijd toen we thuis woonden: boven de deur in de keuken (van living was nog geen sprake) ging een huwelijkscadeau van vader en moeder: een eenvoudige spreuk op koper geschilderd met de woorden :

“daar alleen kan liefde wonen,

daar alleen is ‘t leven zoet,

waar men stil en ongedwongen

alles voor elkander doet”.

Een kleine afbeelding op de spreuk van een in onze ogen breiende oude vrouw in een leunstoel was vaak oorzaak van commentaar, en wij konden als kinderen de spreuk in een heldere kadans te pas en te onpas aframmelen. Maar wat wij zegden, werd thuis beleefd, niet met grote woorden, maar wij zagen hoe pa en ma met elkaar omgingen, we hoorden ze s’ avonds op hun slaapkamer na een drukke dag fluisterend bijpraten, ze deelden wat ze hadden en in de na-oorlogse jaren was armoe troef thuis; menige keer gaf moeder haar part aan één van ons omdat we om meer vroegen... en nooit hadden we iets tekort!

‘Wie mijn leerling wil zijn ....’

Met deze laatste gedachten wil ik jullie groeten en voor deze keer afscheid nemen. Ik probeer Carola, de lieve vrouw van Norbert te bellen die vandaag jarig is. Wij zijn drie ‘maagden’ die wonderwel met elkaar kunnen opschieten en ondanks de ruimtelijke afstand altijd elkaar nabij zijn.

Aan jullie allen: het moge jullie goed gaan, waar jullie ook verblijven.

Ik groet al mijn lievelingen en tot het volgende dagboek .... en God zegene en beware jullie.

 

Maandag 29 augustus 2005

 

Ik ben vandaag heel vroeg uit de veren. Je kent dit gevoel wel: wakker worden en menen dat de hele wereld je toelacht, dat je beters te doen hebt dan in je bed te blijven liggen, dat je iets moet doen met alle energie die in je opbruist en dat je wonderen gaat verrichten... Een dag vol belofte!

Ik zou vandaag naar Skopje gaan, de hoofdstad van Macedonië. Elke week rijden onze mensen de grens over om aankopen te doen van dingen die in Kosovo niet te vinden zijn: onderdelen om voertuigen te herstellen, elektronisch materiaal, eventueel hoog gesofisticeerde apparatuur, enz... en Luitenant Dimitri nodigde mij uit hem en een medewerker te vergezellen. We zouden die avond in Skopje een iconenschilder bezoeken, en ’s anderendaags zou ik de stad kunnen verkennen terwijl zij hun zaken afhandelen.

Zou... want er komt een kink in de kabel: voor iemand onder ons is zaterdag een relationeel probleem opgedoken dat hem helemaal overrompelt, en sedert dat moment ben ik een beetje ‘Simon van Köder”. Ik zou het mijzelf niet vergeven nu naar Skopje te vertrekken, en het gevoel hebben iemand letterlijk en figuurlijk in de steek te laten...

Ik zie hem nog na het ontbijt, een stukje menselijke ellende ... en iedereen staat machteloos: zijn kameraden in zijn sectie en in zijn peloton proberen hem tevergeefs te helpen, en ik moet getuigen dat hun bezorgdheid en sympathie mij diep ontroert. Wie denkt dat alle soldaten macho’s zijn kent niets van de echte solidariteit en vriendschap die sectieleden aan elkaar bindt en een peloton een eigen gezicht geeft.

 

Op mijn vraag of ik vandaag met hen op ‘Toeareg’ trek, en zo aanspreekbaar ben, luidt het antwoord positief. Ik maak dan maar mijn spullen klaar om drie dagen de bergen in te trekken en deel te nemen aan patrouilles en andere opdrachten. Ik heb geen moment spijt van mijn keuze, ook al zal ik onze jonge vriend geen andere steun kunnen geven dan er gewoon ‘bij te zijn’, er te zijn ‘voor hem’. Die namiddag trek ik met de sectie op patrouille in één van de schitterendste locaties van het noordelijk bergland, maar alleen toegankelijk met Unimog of jeep. Onze mannen doen ‘hun job’ zoals het hoort, en zoeken contact met de eenzame bewoners van hooggelegen dorpjes of gehuchten van lemen huisjes. Met een hartelijke gastvrijheid heten zij ons welkom en iemand biedt aan een kopje koffie te maken, maar tot zijn spijt merkt hij dat er geen elektriciteit is. Hij vertelt ons dat zoiets dagelijks gebeurt: meerdere uren zonder stroom!

De dag verglijdt in een betoverend zachte avond en weldra staan ‘verre sterren alom’. De rust en de stilte doen deugd. Enkele secties rusten al een paar uurtjes, want straks doen zij een nachtelijke patrouille. Wie geen rust kent en ontroostbaar is, is ‘mijn vriend’. Toch heb ik het gevoel dat onze gesprekken ‘sporen nalaten’ en hem helpen de juiste beslissing te nemen. Overmorgen zal hij naar huis vertrekken. Iedereen zal hem node zien gaan, want hij is een bovenste beste kerel, maar zijn keuze verdient van allen respect.

Op deze dag die zo uitzonderlijk begonnen is, en als het ware seizoenen en leeftijden afsluit en nieuwe opent, krijg ik nog telefoontjes uit ons ‘vaderhuis’. Velen wensen ... het ga je goed ...!

 

Dinsdag 30 augustus - woensdag 31 augustus 2005

 

Om kwart voor zeven in de morgen keren we al terug naar Belvédère om tijdig bij de briefing te zijn. Straks keren we terug op Toeareg, met één iemand minder. De dokter zal zich over hem ontfermen.

Het is wonder hoe het niet aanwezig zijn van iemand als een gemis kan ervaren worden, en al schijnt de zon, die de mist in de dalen met haar warmte verdrijft, even heerlijk als gisteren, het is toch niet het zelfde...

... maar als ‘s avonds een schitterende sterrenhemel alles overwelft en een nieuwe dimensie geeft aan de werkelijkheid van de dag vind ik mij zelf terug in dat grandioze decor dat geen mensenhand heeft vervaardigd. Met de ogen van de ‘psalmist’ kijk en bid ik, verbonden met allen van ‘hierboven’ en van ‘beneden’ en ik verheug mij in het wonder van vallende sterren die lichtstrepen trekken en verdwijnen in het niet. Ik weet niet hoe lang ik buiten ben, maar een koude rilling zegt me dat ik nu beter slapen ga... en ik ga!

Vroeg, zoals gisteren rijden we naar de briefing. Ik heb nog tijd voor een douche. Aan de deur van mijn container hangt een briefomslag. Ik herken het geschrift niet, maar ik vermoed dat ... en mijn vermoeden is juist. Ik ben diep geraakt door de woorden die ik lees, een afscheidsbrief ... van een vriend. Ik lees hem opnieuw, woord voor woord, en ik bid...

In Gracanica vond ik een Maria-icoon. Ik herinner mij dat hij vertelde hoe een klein Mariabeeldje hem in zijn kinderjaren rust en vertroosting schonk. Moge deze icoon hem verder vergezellen in zijn jonge leven.

Na de briefing is er nog even tijd vooraleer het busje vertrekt naar de luchthaven; wij zijn er met velen: zijn pelotonscommandant, zijn sectiecommandant, vrienden van de medische dienst... en met een krachtige omhelzing nemen we afscheid en wensen goede reis.

Ook dokter Vanneste keert terug naar België. Zijn opvolger kwam gisteren aan. Ze zullen met vier geweest zijn, de docs, ieder één maand. Als het waar is dat de dokter ook een vertrouwenspersoon is, lijkt mij dit niet ideaal te zijn voor de manschappen, maar wie ben ik dat ik daarover mijn gedacht zou zeggen.

De rest van de dag besteed ik aan ‘de roos van Cimarron’, van James Lee Burke. Ik verslind het boek...

 

Donderdag 1 september 2005

 

In Filmcity, het hoofdkwartier van Kfor, heeft de bevelsovergave plaats. Generaal de Kermabon wordt na één jaar afgelost door de Italiaanse generaal Valotto. Ik kreeg een uitnodiging de plechtigheid bij te wonen en met een kleine Belgische delegatie zijn wij er present. De bevelsovergave wordt opgeluisterd door de kapel van het Franse Vreemdelingenlegioen, en uit elk deelnemend land aan Kfor is een detachement opgesteld, per brigade. Er zijn belangrijke hoge gasten onder wie admiraal Ulrich III, commandant van de Joint Force Command Naples, Soren Jesse-Petersen, de speciale afgevaardigde van de Uno-secretaris-generaal, Generaal Jones van de Shape in België, verder ministers, generaals, enz.

De parade met het schouwen van de troepen, speeches, uitreiking van eretekens en de eigenlijke bevelsovergave met de overdracht van de Kfor-standaard zijn de ingrediënten.

Nadien, tijdens een receptie met standing lunch, zijn er nog meerdere toespraken.

Al bij al een zeer voornaam en plechtig gebeuren, typisch gekruid met Franse en Italiaanse toetsen.

In de late namiddag zijn we terug in Belvédère en ik zet mij aan het werk om een honderd foto’s op mensenformaat te brengen. Ik ben er een hele tijd zoet mee.

 

Vrijdag 2 september 2005

 

Een gewone werkdag in Kosovo, ware het niet dat de keuken bij ons dicht is, en wij de gastvrijheid genieten om in het Deense Kamp de lunch te gebruiken. Voor alle Belukossers is dit een aangename plicht, want zeg nu zelf: verandering van spijs doet eten!

De wekelijkse vrijdagscross begint om 17 uur, en ik neem deel. Het parcours is een zevental kilometer lang, en na de start zie ik ze allen vooruit hollen, sommigen om een nieuw record te vestigen, anderen met e moed der wanhoop om er het beste van te maken. Ik behoor tot geen van beide categorieën, want ik wil van de tocht genieten. Aan een gezapig tempo dat mij eigen is wandel ik het parcours af. Over enkele heuvelruggen loopt het pad naar het dal, door een dorp, en klimt dan steil naar onze basis. Je stapt als het ware een reuze postkaart in, je ziet de vlakte die zich uitstrekt tussen de heuvels, je ziet de dorpen en de huisjes, de noordzuid-weg die vol vrachtverkeer gelijkt op een slingerend lint vol gestouwd met miniatuurautootjes, je ziet de kinderen die nieuwsgierig uit hun huisjes komen langs het parcours en iedereen aanmoedigen, je ziet de burcht van Zvecan als een arendsnest op de gelijknamige top, je ziet de resten van de fabrieksgebouwen uit de communistische periode met de reuzeschouw die honderden meter hoog de hemel inpriemt...

Ik ben niet de laatste die het kamp betreedt!

Nu wacht ons nog frieten met stoofvlees (Vlaamse carbonaden), door eigen volk klaargemaakt, een schitterend idee ... en sommigen dromen luidop: ‘mocht de Franse keuken maar elke week één avond dicht zijn...’

Een echte Vlaamse kermis!

 

Zaterdag 3 september - zondag 4 september 2005

 

De voorbije dagen hebben mij vaak aangezet tot nadenken. Er was stof genoeg voorhanden om slapeloze nachten te cultiveren, maar ik ben er nog niet aan toe deze gedachten op papier te zetten. Ik heb tijd nodig...

... en je hoort nog van mij!

Het weekend ziet er heel rustig uit, te rustig naar mijn goesting. Je weet wel, klassieke ingrediënten van briefing, welfarevergadering, voorbereiding vieringen, vieringen enz.

Op de welfarebijeenkomst staat er als item voor de bespreking “uitstappen”. Nu de eerste volle maand achter de rug is, en iedereen vertrouwd is met de routine van zijn eigen taak kan er al eens gedacht worden om er de riem af te leggen. De kapitein zal een order opstellen waarin de voorwaarden gestipuleerd worden. Een uitstap kan zijn: ‘eens in een streekrestaurantje iets gaan eten’ of ‘een cultureel bezoek aan een stad’ of ‘ een shoppingtrip naar Filmcity of Bondsteel’.

Veel concreets komt er niet uit de bus en ik voel mij geroepen om een aantal voorstellen te doen. Het wordt een culturele daguitstap naar Pec, Decani en Gracanica en een halve daguitstap naar Bansjka, Socolica en Lesak. Zo een job ligt mij natuurlijk en met de nodige foto’s en info maak ik aantrekkelijke folders. In de pelotons en secties kan men nu een betere keuze maken om het aangename te paren aan het nuttige en interessante.

Het is 14 uur. In Leuven treden Wim en Annemie in het huwelijk. Wim is één van de twee ‘lekenaalmoezeniers’ die werkzaam is in de KMS, de Koninklijke Militaire School. Op het ogenblik dat de dienst begint stuur ik hen een mailtje met gelukwensen. Ik voel dat er veel mensen, vooral vrienden, zullen zijn die er een echt feest van maken. Ik zal het relaas wel horen achteraf. Annemie en Wim, vanuit Kosovo ben ik bij jullie en voel mij ook zo verbonden in die band van vriendschap en gebed. Met Gods zegen ... een zegen zijn voor elkaar en voor onze aalmoezeniersdienst!

Op zondagavond rijd ik met een sectie naar ‘gate south’, waar een checkpoint’ opgesteld wordt. Niet alle voertuigen worden gecontroleerd, maar wel de ‘uitverkorenen’. Onze mensen gaan correct en professioneel te werk, en nergens is er sprake van enige agressie. Wapens of andere verboden tuigen vinden we niet, maar deze acties blijven belangrijk om te bewijzen dat Kfor niet is ingedommeld, én zeer alert de situatie op de voet volgt. Uren later zijn we terug. ‘De roos van Cimarron’ nadert zijn ontknoping!

 

Maandag 5 september 2005

 

Ik slaap iets langer maar ben tijdig op de dagbriefing. In deze dagen begint de rotatie voor de Franse soldaten van onze brigade, dat wil zeggen dat iedereen naar huis vertrekt en afgelost wordt door anderen. De rotatie zal een drietal weken duren en onze mensen van het support-detachement worden ingeschakeld voor het transport van mens en tuig. Daardoor zal het niet zo gemakkelijk zijn een voertuig aan te vragen mét chauffeur, want iedereen is bijna permanent van dienst. Toch geef ik mijn voorzichtige planning door aan de ‘chef’.

Deze namiddag zal ik met Jos een ‘recce’ doen naar het meer van Gazivode. Recce is in militaire termen synoniem voor ‘verkenning’. Voorbij Zubin Potok, in noordwestelijke richting van Mitrovica, ligt het grote stuwmeer van Gazivode. Het is een half uurtje rijden langs de Ibar, even stijgend tot boven het niveau van de stuwdam om nadien langs een bochtige tunnelrijke weg naar de Servische grens toe te gaan. Vóór de grens die wij niet voorbij kunnen (mogen) lokt een restaurantje aan de oever van het meer. Het is een zalige plek met ‘zicht-op-zee’ en de gastheer aan het fornuis. Specialiteit forel! Het restaurant met slaapgelegenheid is een grote blokhut, die uit aanbouwelementen bestaat, een soort Ikea-systeem voor ruimtes, en ook het meubilair is artisanaal vervaardigd, “wat-je-zelf-doet-doe-je-beter”! We drinken er Turkse koffie en bekijken het menu. Ik vermoed dat onze manschappen het hier tof zouden vinden. Aan het meer liggen twee boten die je kan huren. En de Fransen komen hier in de zomer graag zwemmen, lees ik op het internet!

Bij het terugkeren bezoek ik nog het klooster van Duboki Potok, aan de andere oever van de Ibar, tegenover Zubin Potok. Een monnik probeert mij met voorbeelden en citaten van een lokale heilige uit te leggen dat alleen de Orthodoxie ‘zalig’makend is. Ik wil hem volgen, figuurlijk dan, maar hij kan mij toch niet overtuigen.

Al met al is het programma van deze namiddag een waardig alternatief voor een halvedaguitstap. Ik maak er werk van en morgen zal de folder klaar zijn.

 

Dinsdag 6 september 2005

 

In ons kamp is alles rustig: vanaf deze avond of vanaf morgen vroeg zal iedereen op het terrein zijn en deel nemen aan een driedaagse actie van de brigade, samen met Grieken, Fransen, Denen en Amerikanen. De Marokkanen zullen de wacht houden aan Belvédère. Ik profiteer van de rust om wat te lezen én te studeren (ik heb mijn cursus Hebreeuws weer ter hand genomen en mijn woordenschat geraakt op peil), en ik zet mij buiten, in de schaduw. Hoeveel namiddagen zou ik zo niet doorgebracht hebben toen ik bij de Rosarietjes (Rosary-sisters) in Jeruzalem woonde? Ik denk terug aan die zalige tijd. Zal ik in december met een groep pelgrims naar ‘ons heilig Land’ kunnen vertrekken en er Kerstmis vieren in Bethlehem? ...

Marc komt ook buiten met zijn cursus Engels. Rond half vijf maak ik twee tassen (oplos)koffie klaar en Marc praat over zijn gezin, zijn vrouw, zijn zoon, de fietstochten die ze samen maken, zijn passie voor zijn motor...

Ik krijg een mailtje van Kris, mijn nichtje die haar eerste kindje verwacht. Het zal niet lang meer duren. Ik geef haar de gevraagde adressen van enkele familieleden door. Laat maar iets van je horen als de kleine Georgette er is! Tot binnenkort en geniet van deze dagen ...

Het is nu 20 uur en onze woonblok is in diepe stilte gehuld.  De ‘roos van Cimarron’ laat mij voor het laatst genieten van haar geheimen. Ik moet een nieuw boek ter hand nemen.

 

Woensdag 7 en donderdag 8 september 2005

 

Een tweede stilte valt in als het laatste Belgische voertuig tegen 6 uur ons kamp heeft verlaten, bestemming noordoost: actie Bulls’ eye is begonnen. De volksverhuizing was ingezet al van vóór vijf uur. De dagelijkse briefings vallen weg. Nu is alles geconcentreerd op de actie in de heuvels en bergen. Ik heb een jeep aan de haak geslagen mèt chauffeur en zal alles van dichtbij kunnen volgen: patrouilles, checkpoints, zoektochten naar wapens, ...

... security level: high, dus ... geen commentaar!

 

Vrijdag 9 september 2005

 

Twintig jaar geleden overleed moeder. Zij was wijkverantwoordelijke in de KAV van ‘t Heilig Herte (parochie van Sint-Amandsberg) en bij een verrassingsuitstap in de Leiestreek overleed ze plots. Wij hadden het er allen moeilijk mee geen afscheid te kunnen nemen, niets meer te kunnen zeggen om iets goed te maken, iemand te verliezen die ‘onvervangbaar’ is. Ik zal niet de enige zijn die haar vandaag in het bijzonder gedenkt. Toen ik in Baarle woonde, was deze dag voor de gehele familie heilige plicht om samen te komen, eucharistie te vieren, haar naam te noemen, verhalen en anekdotes te vertellen, herinneringen op te roepen en te genieten van elkanders nabijheid. Nu is Leopoldsburg te ver (om niet te spreken van Kosovo!) voor een familiegebeuren. Die tijd keert niet meer terug, tenzij ... ‘inch allah’ - als Luc het wil!

Even na 8 uur rijden Jos en ik naar het zuiden, bestemming Prizren. Voorbij de afslag naar Bondsteel (US-kamp) duiken we de bergen in die Kosovo afscheiden van Macedonië. Plots staan we in een stilstaande file en vermoeden dat er ofwel een checkpoint is ofwel een andere controle-actie. Ik stap uit (een Kfor-voertuig kan normaal doorrijden) en informeer bij een KPS’er (Kosovaarse politie) wat er gaande is. Hij verwijst mij naar een groepje waarin iemand de pers te woord staat en ik zie een gedeelte van de weg, afgesloten met rood-wit lint. Er is een UCK-monument vernield door een bom, en het onderzoek naar de daders wordt ingesteld. Op mijn vraag hoe lang alles kan duren, antwoordt hij ‘minstens twee tot drie uren’. Maar dan zie ik een ander Kfor-voertuig rond het gespannen lint rijden, en ik loop naar Jos die ook aanzet, en zonder te wachten kunnen we verder rijden. Voor Kfor wijkt alles, haha!

De weg doorkruist enkele drukbevolkte dorpen (is het marktdag?) en slingert zich naar een hoogte van 1600 m. Ik waan mij in de Zwitserse bergen en geniet van de grandioze uitzichten. Het gevaar loert echter om de hoek in de vorm van loslopende koeien die plots voor je opduiken bij het ingaan van een nieuwe bocht. De Jos is van geen kleintje vervaard en meestert alle situaties. Eens de bossen achter ons, groeien de almen voor en achter en dan ... staan we boven: een echte pashoogte met een ongelooflijk panorama van 360°, diepe valleien voor ons, aan de einder begrensd door hoge toppen; links een glooiende alm die uitnodigt hoger te wandelen naar een meer (zo vertelt de restauranthouder ons); rechts een slordige camping en een reuze parkeerplaats voor een nieuw complex: een hotelletje met restaurant. Wij genieten er van een tas koffie en van het schijnbaar eindeloze uitzicht. Ik informeer naar de kamers en de prijzen en ik duizel wanneer ik hoor dat een kamer (voor vier personen) met WC en douche 20 € kost per nacht, en de drie maaltijden per dag per persoon 10 € bedraagt. Het zou een goede vakantiebestemming kunnen zijn ... ware het ...

Iets over 12.30 uur zijn we in Prizren, en we lunchen in het hoofdkwartier van de brigade zuid-west. Ik ervaar het als zeer tof dat wij, Kfor-militairen, in gelijk welk kamp welkom zijn voor de maaltijden, en het gebeurt meermaals dat ik er collega’s Padré aantref, wat natuurlijk ‘tijd vergt’.

We keren terug naar de stad, parkeren op een bewaakte parking van de OSCE (Organisatie voor veiligheid en samenwerking in Europa) en wandelen naar de pittoreske binnenstad. De sporen van de oorlog zijn overal aanwezig. We treffen er de verwoeste en uitgebrande kathedraal aan, én kleine heiligdommen met zwartgeblakerde muren, zonder ramen, met rollen prikkeldraad waar eens de ingangsdeur stak, halfingezakte daken van privé-woningen over ruïnes van steen, volgestort met allerlei vuilnis en overwoekerd met onkruid en mos ... Daarnaast zie je de kleurige façaden van goud- en juwelenwinkeltjes, de koepel en de minaret van de oude moskee, fonteintjes en waterspuwers, terrassen met kleurige stoelen en parasols, en overal door elkaar krioelend: een kleurige massa van overwegend jeugdig publiek, heel westers gekleed, op weg van en naar het middaggebed, want het vrijdaggebed is voor vele moslims ‘heilig’. We vinden de open katholieke kerk en praten en lachen met een zuster die uit Prizren afkomstig is en noviciaat deed in Rome.

Een terrasje, even buiten de drukte, lacht ons toe en we genieten van een frisdrank, terwijl we iedereen observeren die voorbij komt, en ik kan het soms niet laten ‘commentaar’ te geven: dan zie ik de “kruisdraging” van Jeroen Bosch weer voor mij en herken alle types, alle karakters, alle figuren...

Ik maak van deze recce ook een dagprogramma voor onze mensen, en ze zullen er zeker deugd aan hebben!

Wij zijn tijdig in Belvédère om deel te nemen aan de vrijdagscross, en zoals vorige week doet het mij deugd mijn benen te kunnen uitslaan en een flinke mars af te leggen.

Na het avondeten maak ik de nieuwe folder voor de tweede daguitstap klaar en bewerk mijn foto’s. Deze nacht staan ze nog op de “common”, dit is de gemeenschappelijke werkplek op het net voor Belukos.

Aan de sms-jes zie ik hoe ze ‘thuis’ deze dag niet vergeten zijn!  Bedankt allemaal, en een dikke zoen van verre!

 

Zaterdag 10 september 2005

 

Jarigen zijn er natuurlijk elke dag, maar niet elke dag ken je iemand die jarig is. Ook al zit mijn neefje Emanuel in Zwitserland, en hoort noch ziet hij mij, toch wens ik hem van harte een gelukkige 21-ste verjaardag toe.

 

Zondag 11 september 2005

 

Vandaag gaat Bernard voor de laatste keer voor in de eucharistie. Hij vroeg mij om volgende zondag te preken en voor te gaan. Zijn dagen zijn hier geteld, en hij vertrekt op 20 september. De kolonel van het nieuwe Franse bataljon is aangekomen en is ook aanwezig. Er is veel volk vandaag, en de sfeer is goed. De liederen onderstrepen de teksten die gaan over mildheid en vergeven. Ik luister aandachtig naar Bernard die op een boeiende wijze deze fundamentele aspecten van christen-zijn voorlegt aan de aanwezige soldaten en officieren. Hij spreekt met gezag! Hij kan dat.

Na de viering drinken we samen een glas in het cafetaria. Bij het derde haak ik af en ga luchen.

Een korte middagsiësta verricht wonderen en aangezien het zondag is lees en studeer ik, buiten in de schaduw, met zicht op het schitterende decor van de omgeving. Als Marc er ook komt bij zitten, vergroot de ijver nog, en alleen koffie doorbreekt ons werkschema.

Tegen de avond begin ik dan met de wekelijkse telefoontjes. Ze komen allemaal aan de beurt, en jammer dat ik onze Wim nooit kan bereiken. Ik vermoed dat zijn telefoon defect is...

Vandaag is Herman ook jarig. 83 jaar geleden werd hij geboren en sedert 1965 houden wij contact: eerst was hij ‘de rector’ van het Sint-Paulusseminarie, dan de ‘superior’ van het Sint-Lievenscollege, later kwamen we elkaar tegen als ‘vrienden’, en ik hou er aan als ik thuis ben hem op zijn verjaardag op te zoeken. Nu telefoneer ik hem. Hij is blij verrast mij te horen, en heel verwonderd dat ik in Kosovo ben en hem niet vergeten ben. Ik zal hem nooit vergeten, want de tijd dat we samen optrokken roept bij mij alleen gevoelens op van dankbaarheid en grote erkentelijkheid. Ik heb hem bewonderd en ik bewonder hem nog om zijn scherpe geest, zijn ongelooflijk geheugen, zijn zin voor kunst en schoonheid, en voor wat we ook delen: de voorkeur van muziek en componisten. Herman, het ga je goed, en zodra ik thuis ben, kom ik je opzoeken!

 

Ik ga nu rusten.

‘De windhandel’ van David Liss zal mij vandaag en de komende nachten begeleiden.

Morgen is er aalmoezeniersvergadering. Zaterdag huwen Cindy en Jurgen, en ook morgen zal ons een ‘kleine Georgette’ geboren worden.

 

Aan jullie allen: het moge jullie goed gaan, waar jullie ook verblijven.

Ik groet al mijn lievelingen en tot het volgende dagboek .... en God zegene en beware jullie.

 

Renaat

 

Maandag 3 oktober 2005

 

Vandaag beginnen de jaarlijkse studiedagen voor legeraalmoezeniers in Blankenbergen. Ik vermoed dat al mijn collega’s er zullen zijn, Franstaligen en Nederlandstaligen, en er gedurende vier dagen zullen discuteren, plannen, doordenken, zich bezinnen ... en plezier zullen maken. Mocht ik een vlieg kunnen zijn en ... maar hier in Mitrovica staat ook een week voor de deur met spannende activiteiten: gedurende drie dagen zullen onze pelotons deelnemen aan grote CRC-oefeningen, samen met Portugezen en Italianen. Vandaag start de voorbereiding en iedereen is bezig met het onderhoud van zijn wapen, zijn gevechtsuitrusting, het vervoermateriaal .. en de fysieke conditie krijgt de nodige aandacht. Ik zelf ben de hele dag zoet met het schrijven en afwerken van mijn dagboek - deel 5 - dat jullie toegestuurd kregen.

 

Dinsdag 4 - woensdag 5 - donderdag 6 oktober 2005

 

Twee dagen zijn we te gast in het Hongaars kamp bij de luchthaven van Pristina, de derde dag bij de Fransen in het kamp Novo Selo. De eerste dag is er een algemene oefening met alle ingrediënten van CRC, dit wil zeggen, alle technieken en tactieken worden getraind en herhaald om bij een incident een gebouw te kunnen ontzetten dat belaagd wordt door boze demonstranten. De Kosovo-politie speelt haar eigen rol, terwijl Belgische en Portugese militairen het ‘grove werk’ doen. Deze training is zeer belangrijk, want elk leger heeft zo zijn eigen specifieke wijze van optreden, en samenspel vraagt enige coördinatie en een gezamenlijk commando, maar alles verloopt vlot.

‘s Anderendaags verlaten we heel vroeg onze basis, en begeven ons naar Pristina, het hoofdkwartier van Kfor, dat beschikt over een gloednieuwe helikopterhaven. En je raadt het we, acht helikopters zullen ons droppen boven de zone waar de ‘plastrons’ (Amerikaanse soldaten die demonstrant spelen) al geruime tijd een ‘UNO’ gebouw omsingelen, kreten scanderen, en dreigen het gebouw in te nemen. De politie heeft het gebouw omsingeld en versterking ingeroepen van Kfor. ‘And there, we come’. De tocht boven de bergen rond de hoofdstad bieden de gelegenheid uitzonderlijke foto’s te nemen, en ik dank de tweede commandant Jeroen die mij een plaats gaf in de helikopter, waar naast de bemanning nog zes personen konden meevliegen. De andere passagiers zijn twee Franse hondenmeesters met hun herdershond die getraind zijn in CRC. We zijn de gelukkigen die vliegen met open zijdeuren, zodat niets ons zicht belemmert. We vliegen als laatste in de rij en dat geeft van tijd tot tijd een schitterend gezicht op de andere heli’s. Als wij als laatste landen, zijn alle manschappen reeds uit de helikopters weg en ik zie ze rennen in de richting van de ‘opstandelingen’, gehinderd door de bijzondere beschermingskit, én met helm, schild en wapenstok. Hun opstelling gaat vliegensvlug, en zij zullen de Portugezen en de Italiaanse carabinieri versterken die ondertussen hun posities hebben ingenomen. Vanuit de heli kon ik de samenscholing zien, alsook de tribune waarop hooggeplaatste officieren en burgerlijke overheden hadden plaats genomen. Met traangas werden de demonstranten uiteengedreven, die Kfor bekogelden met flessen water en allerlei werpprojectielen. De ontzetting van de politie en het UNO-gebouw verliep vliegensvlug, en menige ‘plastron’ zal zich de confrontatie blijven herinneren met ‘the little Belgians’. Comkfor kwam, zag ...en stelde vast dat de Belgen, de Portugezen en Italianen het samen zeer goed deden. Zijn dankwoord was kort en krachtig, met een gemeend proficiat aan alle deelnemende eenheden die zich voor de tribune hadden opgesteld.

De middagpauze was eerder ruim, ruim genoeg om ons lunchpakket te verorberen, dat de meesten met ‘lange tanden’ opaten. Nadien was er een siëst in de zon. Maar nadien brak de hel weer los, toen terug een groep plastrons ten tonele verscheen. Onze manschappen hadden de bewaking van het administratief gebouw, dat ‘verboden zone’ was voor alle burgers, die bij het overschrijden van een afgebakend gebied na de juiste procedure onmiddellijk mochten neergeschoten worden. De Portugezen en de Carabinieri zouden het andere werk opknappen, en werden hierbij geruggesteund door gevechtshelikopters (luchtsteun) die op de massa toe vlogen en door de luchtverplaatsing van de schroeven de massa uiteen joeg. Het werd een beetje een spelletje-kat-en-muis, maar uiteindelijk werd de grote actie ingezet en alle demonstranten werden verdreven.

Tegen het avondeten waren we terug, en of de warme maaltijd smaakte!

De derde dag reden we vroeg naar Novo Selo (het scenario is vrij realistisch) waar helikopters manschappen afgezet hadden, die het voortouw namen bij de ontzetting van gevangengenomen gijzelaars; zij hadden ook heel wat versperringen opgezet, maar waren niet opgewassen tegen de slagvaardigheid van onze mensen. Door deze oefeningen worden de soldaten getraind om moeilijke situaties meester te blijven, en ik kan je verzekeren dat het niet alleen een fysische inspanning is, maar ook een enorme mentale en psychische geschiktheid veronderstelt, een koelbloedigheid, vastberadenheid, moed; ik ben blij en fier dat onze mensen hierbij schitterend werk leveren.

 

vrijdag 7 oktober 2005

 

Na drie dagen van inspanning en stress is het vandaag rustig. Alles wordt grondig geëvalueerd, zodat een eventuele bijsturing mogelijk is. Ook voor mij verloopt de dag rustig, en ‘s avonds telefoneer ik naar Lucas. Weerom een gelukskind dat er een jaartje bij mag tellen. Wij leerden elkaar kennen in 1965 in Drongen en studeerden alle twee filosofie. Ik leerde ook zijn ouders, zussen en broer kennen, goed volk uit het ‘zoete Waasland’. En ook bij ons thuis was Lucas gekend als ‘Lucas konijn’ of ‘keuntje’. Wij werkten een viertal jaren samen in het internaat van het Gentse Sint-Lievenscollege, tot Lucas zijn levenshorizon ruimer zag: een duo-baan leek hem heel geschikt om zich volledig te ontplooien, en samen met zijn partner zorgde hij voor ‘leven in het huishouden. Ik was getuige van zijn liefdeswoord en ik kon dit alleen maar beamen, want niets maakt mij meer gelukkiger dan gelukkige mensen. Elk ging zijn eigen weg, maar vaak raakten onze wegen elkaar, of ze kruisten elkaar, of we zochten en vonden een gelegenheid. Zo mocht ik Lucas vaak verwelkomen op onze Baarlese parochiemaaltijden. Lucas met je lieve Lieve en andere lievelingen, tot binnenkort, ik zoek je op zodra ik thuis ben. Pax et bonum!

 

Zaterdag 8 oktober - zondag 9 oktober 2005

 

Wat denk je van een Kosovaars weekend: de viering voorbereiden, uitgebreid lezen, meegaan op patrouille en genieten van de zalige zon en de prachtige natuur terwijl je verder stapt, een checkpoint meemaken en vragende kinderogen gelukkig maken met een snoepje, de zondag vieren met zang en gebed, zondagavonden met ‘funiculi’ en ‘vragen staat vrij’, en uitgebreid telefoneren naar mijn ‘lievelingen’? Meer moet dat niet zijn !

 

Maandag 10 oktober 2005

 

In kamp Novo Selo zijn de nieuwe Franse katholieke en protestantse aalmoezeniers aangekomen, en er is geen betere kennismaking mogelijk dat er samen op uit te trekken. Ik heb een voertuig, de collega’s van Novo Selo zijn met een voertuig, en samen gaan we het Servisch culturele erfgoed bezoeken, dus we rijden naar Pec. Het uur van afspraak is 10 uur, maar ‘ze’ komen eerst aan tegen 11.15 uur, dus als we anderhalf uur later Pec binnen rijden, is het hoogtijd voor de lunch bij de Italianen. Nadien rijden we naar Decani en overleven de controles zeer gemakkelijk: wie kan nu ‘gevaar’ zien in een vijftal padrés?

Wij vragen naar vader Hilarion, en een jonge monnik dompelt ons onder in de kunstschatten van de eeuwenoude kloosterkerk met prachtige muurschilderingen uit de eerste helft van de veertiende eeuw. In een prachtig Frans verhaalt hij ons de geschiedenis van de kerk, van zijn land en van de monniken. Ik heb vandaag veel mazzel want ik mag de kerk binnen en buiten fotograferen, weliswaar zonder flits, en mijn toestel doet meer dan zijn best om enkele behoorlijke binnenopnamen af te leveren, in omstandigheden waarin weinig of geen licht binnendringt. Nadien brengt hij ons naar een ander deel van het klooster waar de werkplaatsen ondergebracht zijn van de ‘schrijnwerker’ en de ‘iconenschilder’. Wij kijken onze ogen uit ons hoofd als we zien hoe de iconostase voor de nieuwe kerk van Mitrovica haar voltooing nadert: hier mag men van ‘monnikenwerk’ spreken bij het zien van het prachtig sculpteerwerk en de elegante gratie van het meesterwerk. Ook het atelier waar de iconen geschilderd worden is de moeite waard om te zien. Wij blijven er geruime tijd praten, en niet alleen over iconen en schilderen, want het gesprek boeit ons omdat de monnik iets te vertellen heeft. Wij bedanken hem uitgebreid bij het afscheid. Een goede tip: mocht je ooit het klooster van Decani (werelderfgoed UNESCO) willen bezoeken, vraag gerust naar vader Hilarion.

Tijdens de tocht is collega Jean-Luc uitgestapt omdat mijn voertuig eigenaardig doet. Hij neemt plaats in het ander voertuig. Jean-Louis van Belvédère heeft er geen moeite mee en vertrouwt erop dat ik hem veilig thuis breng. ‘s Anderendaags zullen de mekaniekers vaststellen dat de rubbers van de remmen dringend moeten vervangen worden. Een van de remmen blijft hangen en veroorzaakt het vervelend geluid.

 

Dinsdag 11 oktober 2005

 

Een dag zoals velen, ware het niet dat ik een paar mensen moet vernoemen: eerst en vooral Carola en Norbert die hun huwelijksverjaardag vieren (19 jaar gehuwd) en Toontje uit Laarne. Over Carola en Norbert schreef ik reeds eind augustus. Ik herinner mij dat we in het jaar na hun huwelijk naar Israël gingen, en aangekomen in de kerk van Kana waar de bijbelse bruiloft plaats vond, dit éénjarig jubileum moest gevierd worden met een mis: de franciscaan die het heiligdom bewaakte (Custodes!?!) was ons onderweg toevallig tegen het lijf gelopen, en pratend vertelden wij wie we waren en van waar wij kwamen. Ik zie die vriendelijke man nog voor mij, als twee druppels water gelijkend op Louis de Funès, en met een brede glimlach troonde hij ons mee naar zijn kerk en willen of niet, ik moest er celebreren voor Carola en Norbert. Nadien vergastte hij ons op een eenvoudige maar lekkere maaltijd, en na een verplichte siësta, konden we verder stappen. Het wonder van Kana had zich weer voltrokken, nu aan ons, in de overvloed van goedheid en gastvrijheid. Carola, Norbert, denken jullie nog aan die man? Is jullie huwelijk tot op vandaag werkelijk gezegend door het wonder van Kana? Ik ben ervan overtuigd. Van harte proficiat.

En dan Toon, de “homo viator”, de mens onderweg, el hombre peregrino. Toon is mijn oud-professor theologie, en als econoom was ik zijn rechterhand. Ik herinner mij nog hoe we met de studenten van toen ooit de seminariegangen afgewassen en geschilderd hebben. En Toon, jij was erbij toen ik priester gewijd werd en de dag erna mijn ‘eremis’ opdroeg in de kerk van het H. Hart te Sint-Amandsberg. Mijn zus Yvonne herinnert zich zeer goed jouw gezelschap. Toen je naar de CM verhuisde als nationaal proost waren de contacten onregelmatig maar veelvuldig. Ik was geëngageerd in Jeugd en Gezondheid Gent, en we troffen elkaar vaak op bijeenkomsten, vieringen, zelfs in Maloja trokken we samen op. Herinner je je nog de tocht naar de Fornohütte waar we de deelnemers aan de bergcursus vervoegden, én de daguitstap naar Muster.

Ik lees heel graag jouw vlot geschreven verhalen van jouw belevenissen, jouw ontmoetingen en ... als “homo viator” je wedervaren als internationale wandelaar voor wie Europa nog te klein blijkt te zijn. Toon, met deze nog eens proficiat en ... tot eens ergens ... onderweg.

 

Woensdag 12 oktober 2005                                                      

 

Het is nogal altijd uitzonderlijk goed weer, en voor onze manschappen die op Toeareg verblijven en slapen, of die nachtelijke patrouilles doen, valt de temperatuur formidabel mee. Regen en vochtigheid is er tot nu toe nauwelijks geweest, en al hoewel de herfst zijn intrede doet en met bonte penseeltrekken overbloedige kleurenen tovert aan blad, bloem en boom, waan je je nog in de zomer. De morgenlijke nevelslierten lossen spontaan op zodra de zon over de bergen kruipt en zich laat afglijden naar het dal waar mens en verkeer chaotisch door elkaar wriemelt. Voor één peloton is er vandaag RTM, dit wil zeggen Rust, Training en Maintenance (onderhoud van wapens en voertuigen). De meesten gaan shoppen naar Pristina, maar een kleine groep wil met mij naar de burchtruïne van Zvecan, de huisberg van Mitrovica. Het is een rustige tocht die een magnifiek zicht biedt op de stad en de wijde omgeving. Er is weinig te vinden over de geschiedenis van de burcht maar toch vond ik op het internet de volgende gegevens:

“De middeleeuwse stad Zvecan ligt in de omgeving van de monding van de Sitnica in de Ibar, dichtbij Kosovska Mitrovica, op de rotsige kegel, en domineerde de vallei waarin belangrijke karavaanroutes elkaar kruisten. Niermand weet wanneer de stad gebouwd werd, maar de eerste vermelding vinden we in de tijd van de grensconflicten tussen Serven en Byzantijnen op Kosovo Polje (betekent: veld) tussen 1091 en 1094. Er is een inscriptie met de tekst dat Stefan Nemanja, na de overwinning op de Byzantijnen in 1170, een gebed beveelt in de kerk van Sint Joris (St. Djorgje) te Zvecan voor het succesvolle resultaat van de veldslag.

Op het einde van de 14-de eeuw wisselen Servische regeerders herhaaldelijk in Zvecan. Vanaf het midden van de 15-de eeuw tot de 18-de eeuw bezette het Turkse leger Zvecan van tijd tot tijd; nadien was de versterking verlaten.

De basis van de burcht (het fort) van Zvecan was aangepast aan het terrein, en had een onregelmatige en uitgerekte vorm. Op het hoogste punt, dit is in de ‘bovenstad’ zijn de resten van de Sint-Joriskerk (St. Djordje) te vinden, van een waterput en de achthoekige hoofdtoren. In de ‘benedenstad’ zijn verschillende gebouwen waarvan de bestemming niet zo duidelijk is. De muren van dit gedeelte van het fort zijn versterkt met massieve torens en de hoofdingang naar de stad was op de westkant. Minder belangrijke archeologische opgravingen en instandhoudingswerken werden uitgevoerd n de periode 1957-1960.”

Boven op de rotsige hoogte, tussen de afgebrokkelde ringmuren, heroverd door de natuur met een afwisselende begroeiing, genieten we van het majestueuze uitzicht. En de ‘veroveraars’ worden digitaal vereeuwigd. In Zvecan zelf is er nog tijd voor een Turkse koffie en dan keren we terug naar Belvédère. Wat we gezien hebben is onbetaalbaar en niet te vinden in de taksvrije winkels van Kfor. We beleefden er deugd aan.

‘s Avonds is het verwachte bezoek aangekomen dat een recce uitvoert voor de volgende opdracht Belumokos 20, en ‘mo’ staat voor Mongolen want voor het eerst zal een peloton Mongolen deel uit maken van de Belgische compagnie. Ook Lut is mee. Zij is onze RMO in Leopoldsburg en zal 14 dagen bij ons verblijven om een evaluatie te maken van de mentale operationaliteit bij onze manschappen. Ik begroet haar hartelijk en zeg haar alle medewerking toe.

 

Donderdag 13 oktober 2005

Voor het bezoek is een programma uitgedokterd en vele diensten “laten in hun kaarten kijken” door hun opvolgers, en zo hoort het. Met Danny, commandant en verbindingsofficier met alle externe instanties, breng ik een bezoek aan de Stari Tregvallei. We willen het mijnmuseum bezoeken, maar dat geeft vandaag ‘gesloten’. We vervolgen onze weg tot waar hij ophoudt boven in de heuvels, en wij een uitzicht hebben op een andere brede vallei, begrensd door de bergen die Kosovo van Servië scheiden. Een indrukwekkend monument voor de UCK-strijders bekroont de top. Vele namen van mannen, vooral van jonge mensen, die amper volwassen waren en sneuvelden in een strijd die tot op de dag van vandaag geen winnaars heeft opgeleverd. Bij de terugkeer mijmeren wij over de toeristische troeven van de streek die niet uitgespeeld worden, over de armoede en de werkloosheid bij de mensen, en mocht dit ... of kon dat ... maar wie zijn wij dat wij luidop durven dromen van een toekomst voor de mensen hier...

Oktober is de oogstmaand van veel vruchtbare relaties, want het aantal verjaardagen dat ik niet mag vergeten is groot. Vandaag telefoneer ik naar Jef die 83 wordt, een kranige jongeling, zonder vrees, altijd bezig of onderweg, met een groot priesterhart voor zieken, minderbedeelden, en Palestijnse Christenen.

Hij komt uit een vermaarde Gentse familie en heeft veel broers en zussen. Michael is de bekende koorleider van de Aalsterse Schola Cantorum, maar niet alleen over hem, ook over de andere gezinsleden zou ik heel wat kunnen vertellen. Ik leerde Jef kennen toen ik weekendpriester was in Destelbergen-Eenbeekeinde en hij er in 1976 aangesteld werd tot pastoor. Tot eind 1988 nam ik er graag de diensten waar en ik voelde mij geruggensteund en bemoedigd door die hartelijke en diepgelovig man. Hij leerde mij de situatie kennen van de Christenen in Palestina-Israël en onder zijn leiding bracht ik een eerste bezoek aan het ‘heilig’ land. Was de ontgoocheling groot na dit bezoek, ik zou er terugkeren, én blijven terugkeren... en ik zou van het land en zijn mensen gaan houden zoals ik van mijn eigen land en volk hou. In alle omstandigheden bleef hij de eenvoud zelf, hij gaf niets om titels en promoties, hij was geen carrièrejager, maar eenvoudig ‘uitgaan om goed te doen’ en alles positief te duiden, zo zag ik hem en zie hem nog altijd zo. Hij is in Vlaanderen met Omer Tanghe en Herman Boon, beide priesters die reeds Gods glorie mogen aanschouwen, één van de grote verdedigers van de Christenen in de bezette gebieden. In de Melkitische kerk is hij archimandriet en grote vriend van bisschoppen en prelaten, onder wie Père Emiel Shoufani, de ‘pastoor van Nazareth’. En dan mag ik pater Jacob Willebrands en de monniken van de Netofa niet vergeten, of Adeline Peyskens in Nazareth, of Ben in Latroun...Het ‘Nieuws van Galilea’ is zijn tijdschrift waarvoor hij alle wegen van Vlaanderen doet om het te promoten en nieuwe lezers te vinden. Jef is zoals een ‘merkteken’ dat bij sacramenten hoort: het laat je niet meer los, je bent ervan doordrenkt, getekend, bezield... Bedankt Jef om alles wat je mij gegeven hebt, om de mens die je bent

 

Vrijdag 14 oktober - zaterdag 15 oktober 2005

 

Vandaag en morgen ben ik weer op stap met meerdere secties: patrouilles in Mitrovica. Het scenario ervan beschreef ik reeds.

 

Zondag 16 oktober 2005

 

Een half uurtje later aan tafel kunnen zijn maakt van deze dag een ‘zondag’. Anders is er geen verschil en merk je nauwelijks welke dag het is, want de gewone bezigheden en opdrachten veranderen niet omdat het zondag is. Bij de Fransen gaat het er ‘s zondags wel anders aan toe, en sommigen aperitieven uitgebreid. Zo heeft elk land zijn eigen cultuur en de Fransen weten wat het is ‘leven als God in Frankrijk’!

Na de gewone zondagmorgen en -lunch rijd ik met Lut naar Pristina. Zij wil de Belgische delegatie groeten. De weg erheen is uitzonderlijk rustig en kalm, geen of nauwelijks zwaar verkeer, en we bereiken zonder kleerscheuren Filmcity. Maar de Belgen geven ‘niet thuis’, zo rest er ons niets anders dan een koffie te drinken. Lut maakt van de buitenkans gebruik om de shops te bezoeken en enkele presentjes aan te schaffen voor haar twee kindjes en haar man. In de late namiddag zijn we terug in ‘ons kamp’ en elk gaat zijn weg. Een zalige zondagavond met ‘funiculi en radio2' staat mij te wachten, én natuurlijk de telefoontjes ...

 

Maandag 17 oktober 2005

 

Ik geraak deze morgen niet tijdig uit mijn bed, wat op zichzelf geen probleem is, maar gisteren sprong terug iets in mijn rug, zodat ik mij moeilijk kon rechten. In ons kamp nemen de meeste soldaten deel aan een reuze kampcross, waar ik toch niet zou aan deelnemen. Aangezien er geen briefing is voel ik mij ook niet schuldig als ik nog even binnen blijf. Maar tegen 9 uur ben ik al weer fit, een krakend ijzeren hekken gelijk. In de namiddag rijden Jean-Louis en ik naar Zvecan en bezoeken er een iconenshop: echte Servische iconen, niet geschilderd zoals de monniken die schilderen: in gebed en vol eerbied voor het goddelijke, maar toch geschilderd volgens de traditie. We kijken rond, maar geraken niet in gesprek met de dame die de winkel openhoudt, zodat we later zullen terugkeren met een tolk. Ik zie wel enkele mooie icoontjes staan en tegen een betaalbare prijs. Dit is al iets, en ons bezoek was niet echt tevergeefs. Nadien lopen we nog gelijk twee doorwinterde inkopers door een grootwarenhuis. De wanorde en de vele gelijke standjes hebben wel iets sympathieks, maar er is veel nep, dwz. nagemaakte en goedkoop geïmporteerde merkartikelen tegen een klein prijsje. Ik voel geen enkele reden hier iets te kopen, en we wandelen maar terug naar onze wagen. Een ander nieuw magazijn trekt onze aandacht, en hier wanen we ons in één van onze Westerse magazijnen met een enorme waaier producten van bij ons. Toch geen magazijn voor Jan-met-de-pet, denken we, wanneer we even de prijzen nakijken.

Jean-Louis slaat hier een voorraadje etenswaren in, want hij heeft nogal afwijkende eettrekjes: zo komt hij nooit ontbijten, en ‘s avonds bereid hij voor zichzelf liever een eigen maaltijd. Na een kop koffie in onze bar gaat elk zijn weg.

 

Dinsdag 18 oktober - woensdag 19 oktober 2005

 

Vandaag en morgen woensdag is er terug cross: wie gisteren niet kon deelnemen, kan vandaag of morgen nog aan de beurt komen. Ik ben van de partij, niet om te lopen, maar als sportfotograaf, en na de wedstrijd ben ik beide dagen vele uurtjes zoet met het verwerken van de foto’s en ze op het gemeenschappelijke net te zetten. De Belgen doet het niet zo slecht, maar ook niet goed en we blijven hangen bij de middenmoot. Wij hebben nochtans eersteklas lopers, maar niet het individueel klassement telt, wel dat van de groep.

In de namiddag rijden RMO Lut en ik in noordelijke richting om het peloton van de verkenners te bezoeken die ergens boven Lesak kamperen. Aangezien we niet de juiste locatie kennen, wordt het even zoeken. Wij rijden richting Belo Brdo en nemen een aantal zijwegen op zoek naar...

Ik zie dat Lut alle kleuren van de regenboog krijgt als we de ‘Jordaan’ (een beekje dat over de weg stroomt) oversteken, en ze slaat bijna tilt als voor ons de ‘Rode Zee’ opduikt (een waterplas). Mijn meesterlijke stuurkunst kan haar niet overtuigen, en ze panikeert als ze denkt dat we ook nog de weg kwijt zijn. Maar na enkele diep doorploegde niet verharde wegen, soms stijgend, dan weer dalend, komen we een boer tegen met tractor en ik zeg haar dat we nu echt de bewoonde wereld naderen. Ze blijft twijfelen, nu aan mijn oriëntatievermogen, tot we plots de bivakplaats voor ons zien leggen. En dan is ze niet meer te houden. Als de wind springt ze uit de auto om de manschappen in hun kamp te begroeten. We drinken er koffie en babbelen met enkele mensen die het kampvuur voor de avond aanleggen.

We willen voor donker thuis zijn, dus rijden we nu Lesak binnen. Lut herinnert zich het kerkhof nog waar ouders voor hun overleden zoon een echt huisje gebouwd hebben boven zijn begraafplaats. We vinden het gemakkelijk, maar de weg er heen is zeer steil, en bijna ‘te veel’ voor Lut. Op het graf staan verse bloemen, fruit, brood, groenten... Er is een toilettafel met scheergerief, zeep en tandborstel... en er brandt ‘s avonds licht. Voor de ouders is de zoon niet dood, maar ... even weg... en als hij terugkeert heeft hij alles wat hij nodig heeft!

In Leposavic bezoeken we nog even de familie Lalic, maar tijd om lang te blijven is er niet, en zo wordt het toch nog donker voor we Belvédère binnenrijden.

 

Donderdag 20 oktober 2005

 

Met de collega Jean-Louis gaan we naar Istok, op 20km van Pec, waar de aalmoezeniers van Kfor vandaag samenkomen. Het Spaanse kamp zie je van ver liggen, en we worden er vriendelijk begroet door onze confrater. Wij zijn de eersten! Na een uurtje zijn de meesten aangeland en begint het officiële gedeelte, maar ik geef toe dat de informele gesprekken minstens even belangrijk zijn als het officiële gedeelte. Onze Marokkaanse collega onderhoudt ons over de betekenis van de ramadan, de Islamitische vastentijd die begon begin oktober. Er worden heel wat vragen gesteld, en nadien zijn er twee bezoeken gepland aan de moskeeën van Istok. De imams wachten ons op en zijn niet weinig fier ons hun gebedshuis te kunnen tonen en ons rond te leiden. Dergelijke bezoeken moet je zien in het licht van de inspanningen die alle internationale instanties, zo ook Kfor doen, om de twee religieuze gemeenschappen van Kosovo met elkaar in gesprek te brengen, en eerbied te doen opbrengen voor elkanders cultuur en erfgoed.

Niet ver van de grote Moskee staat een nieuw reuze hotel, met aan de vlaggemasten Europa, de Navo, de USA, Kosovo en ook de Belgische vlag. Het spreekt vanzelf dat ik daardoor geprikkeld ben en er het fijne wil van weten. Terwijl iedereen zich opmaakt om naar de bus terug te keren, kan ik even wegglippen en aan de balie vragen: “Waarom een Belgische vlag”? Een vriendelijk man in keurig Engels vertelt mij dat de eigenaar een Belgische Albanees is, die meestal in België verblijft en fier is op zijn land. Ik krijg er de tranen van in mijn ogen (hm!).

‘s Avonds bel ik Bedette om haar een verjaardag te wensen. Zij is de partner van mijn broer. Voor de familie is het weer ‘bijeenkomst-zonder-Renaat’. Ik maak dit achteraf wel goed, als ik terug in België ben.

 

Vrijdag 21 oktober 2005

 

Na de briefing bezoeken we een gezin dat ooit naar België vluchtte en waar een kindje geboren is. Na de oorlog keerden ze terug naar hun land in de hoop een nieuw leven te kunnen opbouwen, maar in een land waar hoge werkloosheid is, en geen sociaal vangnet, en als je zelf niet bemiddeld bent, dan ben je tot armoede gedoemd. De man die bouwvakker is probeerde tevergeefs werk te vinden. We vinden het armoedige huisje in een deelgemeente van Klina. Het staat op een stuk grond dat een woestenij is. Wrakken van auto’s, allerlei rommel, vier muren met een open gebinte waarboven dakpannen liggen, een afdak voor de deuropening, waaronder de wasmachine staat en het speelgoed van de kinderen, een tapijtje voor de deur, aan de deur kinderschoentjes en een paar schoenen voor volwassenen. We treden binnen in een lege ruimte waarvan de bodem bedekt is met enkele tapijten. In de hoek staat een teevee op een kastje. Rondom tegen de muren kussens, waarop wij plaats nemen. Onze tolk stelt ‘onze vragen’ en vertaalt de antwoorden voor ons. Er staat weer een moeilijke winter voor de deur, met een tekort aan brandstof (hout), en hopelijk genoeg te eten voor de kinderen. De vrouw brengt ons gesuikerde thee en verdwijnt dan terug. De drie kinderen zitten zwijgzaam ons aan te staren, met een blik cola in hun kleine pollen dat ze kregen van één van onze mannen. Wij zijn onder de indruk van de mensonwaardige omstandigheden waarin dit gezin moet leven. We beseffen dat er zo talloze gezinnen zijn, en alleenstaanden in dit land, meestal bejaarden. Ik herinner mij een vorig bezoek bij een oud vrouwtje dat per maand 5 dollar uitkering kreeg. En toch leeft er hoop in de ogen van de mensen: de man vertelt dat zijn oudste zoontje behoorlijk goed presteert op school (tot 18 kunnen de kinderen bijna gratis studeren) en hij hoopt dat hij verder zal kunnen studeren. Een uitkering krijgt dat gezin niet, omdat het stuk land rondom hun (eigen) huisje juist te groot is om in aanmerking te komen voor een uitkering en de man is niet in staat het te bebouwen. We vragen hem of hij geen gedeelte kan verkopen, maar niemand wil de grond die, ver van de weg, achterin ligt. We komen terug.

Wij bereiken Pec voor het middagmaal bij de Italianen, en bezoeken nadien het klooster van Decani en het patriarchaat van Pec. Weerom mag ik de gids zijn en de geschiedenis vertellen van deze heilige plaatsen.

Danny, Sven, Marc en Jos zijn in de wolken van het bezoek. Zij hadden geen vermoeden dat Kosovo op cultureel en religieus gebied zo rijk was.

 

Zaterdag 22 oktober - zondag 23 oktober 2005

 

Gisterenavond had ik nog een gesprek met één van onze vrouwelijke soldaten. Wat ik hoorde kwam van heel diep en legde een pijn bloot van een oud verleden. Luisteren en spreken, begrip tonen en toch relativeren. Tijdens ons gesprek dacht ik aan een gedicht van Adriaan Roland Holst. Ik vertelde haar hierover en beloofde het uit te printen. Mijn eerste werk vandaag is ‘Zwerversliefde’ vinden. Ik deel met jou dit prachtig gedicht.

 

ZWERVERSLIEFDE

 

Laten wij zacht zijn voor elkander, kind -

want, o de maatlooze verlatenheden,

die over onze moegezworven leden

onder de sterren waaie' in de oude wind.

 

O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet

het trotsche hooge woord van liefde spreken,

want hoeveel harten moesten daarom breken

onder den wind in hulpeloos verdriet.

 

Wij zijn maar als de blaren in den wind

ritselend langs de zoom van oude wouden,

en alles is onzeker, en hoe zouden

wij weten wat alleen de wind weet, kind -

 

En laten wij omdat wij eenzaam zijn

nu onze hoofden bij elkander neigen,

en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen

binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.

 

Veel liefde ging verloren in den wind,

en wat de wind wil zullen wij nooit weten;

en daarom - voor we elkander weer vergeten -

laten wij zacht zijn voor elkander, kind.

 

Adriaan Roland Holst

 

Ik lees het gedicht nog een paar keer en geniet van de diepgang en de beeldkracht. Na de briefing zal het haar bezorgd worden.

 

En weer schuift een zaterdag en een zondag voorbij, de dertiende op rij, geluidloos en zacht, met de gewone buitengewone elementen van viering, lezen, gesprekken, Funiculi en Vragen staat vrij, telefoontjes...

“Zag God dat het goed was?” Wie zou ik zijn dat ik daaraan twijfel!

 

Maandag 24 oktober 2005

 

Het feest dat vandaag in de kerk gevierd wordt is mij niet zo goed bekend, maar na vandaag zal ik de heilige Johannes van Capestrano niet meer vergeten. Hij werd geboren op het einde van de 14-de eeuw, was een vredestichter en is nu de patroonheilige van de legeraalmoezeniers. Dat is voor chiefchaplain GHianluigi de gelegenheid om ons allen uit te nodigen op een plechtige viering met aansluitend lunch. Plaats van het gebeuren: het kamp van zijn thuisfront: Pec! Een gelegenheidskoortje van militairen en lokale burgers zorgden voor de muzikale omlijsting, en dat het eerder leek op een pontificale viering lag zeker niet alleen aan de wierook. Wij concelebreerden in een volle kapel, de Italiaanse kolonel en kampcommandant op de eerste rij. Na de maaltijd en de koffie was er tijd zat en mijn Franse collega’s wilden van de gelegenheid gebruik maken om het patriarchaat te bezoeken. Weer was ik de gids er naartoe. Aangekomen aan het klooster, na in achtname van alle veiligheidsprocedures, bezochten we het complex met de vier kerken uit de 13-de en 14-de eeuw. Nu hadden we heel veel geluk want Dromilla was er: een Servische vrouw, godgelovig, met een enorme kennis van geschiedenis, de bijbel, de Servisch-Orthodoxe liturgie. In een foutloos Frans voerde zij ons binnen in de geheimen van de kerken; zij vertelde verhalen bij de muurschilderingen en sprak zo boeiend dat wij tijd en uur vergaten. Waar ik dacht dat er geen verlichting was in de ruimtes, vond zij alle schakelaars, en liet ons zelfs zien wat geen sterveling vermag: een blik werpen achter de iconostase, in het Heilige der heiligen; En ik kon mijn oren niet geloven toen zij positief antwoordde op mijn vraag of ik een paar fotootjes mocht nemen, zelfs flashlicht mocht ik gebruiken. Zij vond zelf dat wij onvoldoende tijd hadden om de andere kerken te zien, en zij nodigde ons uit terug te komen. Nog konden we het patriarchaat niet verlaten zonder een kopje Turkse koffie en een glaasje Slivo. Ik zie haar nog staan bij het weggaan: sneeuwwitte haren boven een leuk gerimpeld gezicht dat straalt van vitaliteit, met kleine lachende oogjes die niets ontgaan en diep in je doordringen; is zij verwant met de Anna van weleer die in de tempel vertoefde en niet ophield God te loven en te danken? Zelden hoor je iemand uit de Orthodoxie die zo dicht staat bij de Katholieken en meer wijst op de punten die wij gemeen hebben, dan op de punten van verschil. Ik laat haar de data noteren waarop enkele pelotons het patriarchaat zullen bezoeken, en zij wil, uitermate blij, weer onze leidsvrouw zijn.

Een ontmoeting uit de duizend.

 

Dinsdag 25 oktober 2005

 

Ik ben een groot deel van de dag zoet met het invullen van een vragenlijst rond ‘mentale operationaliteit’. Wat ik neerpen, moet doordacht zijn, en ter zake. Ik werk eraan zonder opkijken.

Lut vertrekt morgen naar België en wil nog even de Belgen groeten in Pristina. Zij vraagt mij of ik haar wil voeren. De weg er naartoe is nu heel druk, veel verkeer. Het is dan ook de voornaamste as van Kosovo, de weg die van noord (Servië) naar zuid (Macedonië) loopt en waarop andere hoofdwegen geënt zijn.

We treffen er onze landgenoten en na het gezamenlijk avondmaal keren we terug.

Weer is een dag voorbij en Lut zal zalig slapen, want morgen ziet zij haar twee kindjes en lieve man terug. Ze zegt: “Als ik thuiskom, zullen ze wel slapen, maar ik zal niet kunnen nalaten ze een dikke knuffel te geven, en overmorgen zullen ze bij mij in bed kruipen als papa naar zijn werk gegaan is.”

 

Woensdag 26 oktober 2005

 

Onze derde dokter Gilbert keert overmorgen terug naar België en vandaag komt zijn plaatsvervanger aan, samen met bezoek categorie 2, dat zijn de korpscommandanten, en andere chefs van de deelnemende regimenten. Het bezoek wordt deze avond verwacht tegen 21 uur. Wij wachten af.

Er is weer een sportspektakel: een vétathlon: ploegen strijden om de titel met aflossing in lopen en fietsen. Ook neemt een Belgische delegatie deel. Zij wint glansrijk en afgetekend van de andere ploegen. Proficiat, mannen en vrouwen, België staat hier weer op de kaart!

Rond 16 uur wuif ik Lut uit. De bus zal het bezoek cat. 2 terug meebrengen.

Ik werk druk verder aan mijn dagboek. Het moest al verstuurd zijn.

 

Donderdag 27 oktober 2005

 

Ik krijg vandaag definitief bericht dat ik zal blijven tot 27 november 2005. Geen vervroegde terugkeer, wel ‘samen uit - samen thuis’ met de andere manschappen.

Het is een voormiddag pennen geworden om jullie een beetje nieuws te bezorgen uit Kosovo.

Tussendoor is er wel de één of de andere die iets komt vragen, zijn nieuw fototoestel laat zien en deskundige uitleg wil, een verjaardagskaart maken, een doos kleren brengen voor onze inzamelactie want met het bezoek is ook post en pakketjes meegekomen, enz.

Het eerste peloton heeft een oefening Medevac, en zij willen mij erbij. Om half twee vertrekken we naar het terrein waar de helikopter zal landen. Medevac houdt in dat een gewonde met een helikopter wordt afgevoerd en dat vraagt bijzondere kennis en vaardigheid. Ook hierin krijgen onze mensen training. Nadien wordt iedereen met de winch (lier, windas bovenaan de helikopter) opgetrokken tot bij de helikopter die op  een hoogte van een 25 à 30 m boven de grond blijft hangen. In het ijle hangen, bengelend aan een kabel is niet niets. Iedereen kijkt dan ook gespannen toe, sommigen hebben schrik, enkelen zeggen achteraf dat ze bang waren, maar je mag toch geen hoogtevrees hebben om dergelijke oefeningen uit te voeren. Ik bewonder onze mannen (en vrouwen) die zonder verpinken de lucht worden ingetrokken, en nadien weer veilig op de grond worden neergelaten. Ook de padré moet mee, en waarom niet, popelde mijn hart niet van vreugde ?...

Terug in mijn container werk ik mijn dagboek af. Het is nu 23.35 uur als ik deze laatste regels schrijf. Straks krijgen jullie mijn relaas bezorgd, maar de meesten van jullie zullen pas morgen of nog later mijn mail openen. In elk geval, ik groet jullie allen hartelijk.

Het moge jullie goed gaan, waar jullie ook verblijven.

Tot het volgende dagboek .... en God zegene en beware jullie.

 

Renaat