Maandag 3 november

 

Met radio1 ontwaak ik uit een korte slaap: het is 5.20 u. Vandaag staat het te gebeuren: het begin van een maandenlang verblijf in Kabul, mee met het Belgisch detachement dat de veiligheid en de bescherming van Kabul-International Airport (KAIA) zal verzekeren.

De voorbereiding verliep in de beste omstandigheden, de koffers waren al wekenlang verstuurd, niets aan het toeval overgelaten, niets vergeten of toch ...?! Door mijn hoofd gaan duizend gedachten: hoe zal het er zijn in Kabul, wordt de zending interessant, zullen onze vrouwen en mannen hun plooi vinden, een goed gevoel hebben bij hun opdracht, wat wordt Kabul in de winter, hoe vieren we de feestdagen ver van huis, ...

Ik ben plots klaar wakker, realiseer mij dat ik niet veel tijd heb om mijn gedachten te laten aan, vlug het bed uit, de douche in,( ...zal het water even lekker zijn in Kabul...), scheren en aankleden, met de laatste dingen die nog in de rugzak moeten naar beneden, goeie dag zeggen tegen Nero die onrustig rondloopt (..hij merkt al een paar dagen dat er iets aan de hand is... kon ik hem maar meenemen, we zouden er beiden content mee zijn...), nog even nachecken of de handbagage alles bevat voor de reis van 5700 km, en ... ring... daar staat Dany al aan de deur. Hij brengt mij naar de luchthaven van Melsbroek vanwaar we zullen opstijgen. Nog even Nero eens flink flodderen, een laatste ronde door bureau, woonkamer, keuken, en weg zijn wij! Voor 8 uur moeten we aankomen, dus geen risico’s nemen, en om 5.55 u rijden we de Michellaan af, richting Beringen, recht naar de autosnelweg.

De tocht voorloopt klassiek met een vlotte rit tussen Lummen en Herent, met de nodige file vanaf de in aanbouw zijnde rotonde op de Haachtsesteenweg, stapvoets verder, van overal links breken voertuigen door de langzame colonne... om uiteindelijk het laatste stuk in sneltempo af te leggen. Het is 8.02 u als wij het terrein oprijden. Oef, we zijn er en we zijn bijlange nog de laatste niet!

Rugzak, travelbag en scherfwerend vest+ helm worden aangenomen door bereidwillige handen, het inchecken na controle van de dienstpaspoort verloopt vlot en eenmaal boven in het cafetaria wordt het wachten geblazen. Één van de eerste lessen die ik kreeg bij defensie was: haast je, want je moet wachten. En daar zitten we dan: hier en daar goede dag zeggen, koffie drinken, nog koffie drinken en wachten ...! Ondertussen krijg ik een ‘afscheidsbezoek’ van een zus en een schoonbroer, van de adjunct Pierre van de aalmoezeniersdienst en samen met Dany ‘doden’ we de tijd. Rond 10.30 uur kunnen we eindelijk de trap afdalen en te voet naar het vliegtuig gaan. De airbus taxiet naar de startbaan en binnen de kortste keren hangen we in de lucht. Vaarwel Melsbroek, vaarwel België.. “Here we come, Kabul!”

 

De vijfurenvlucht verloopt vlot en even na 19.00 uur plaatselijke tijd landen we in Baku, de hoofdstad van Azerbijan. Bij het verlaten van de airbus worden we in twee groepen ingedeeld om met twee C-130's de tocht naar Kabul te wagen. Onze groep zal het laatste vertrekken, ongeveer 22.00 uur lokale tijd. Dus er zit niets anders op dan in de internationale zone te wachten ... Het nieuwe luchthavengebouw oogt modern en praktisch, met veel taxfree-shops en cafetaria die allemaal gesloten zijn. Wij vlijen ons neer op de zitbanken en slaan de talrijke officials gade die druk bezig zijn niets te doen, maar toch bewust van hun waardigheid, zich het gevoel aanmeten zeer belangrijk te zijn en onmisbaar werk te doen. Na aandringen wordt toch een coffee-bar geopend, zodat we weer de tijd kunnen ‘doden’ (is dit een typische bezigheid van militairen?!) met zinvol-wachten.

Als de klok naar ‘tienen’ gaat, krijgen we te horen dat we niet langer hoeven te wachten. Aangezien onze C-130 een nodige herstelling moet ondergaan, zullen we de nacht doorbrengen in een hotel in de stad Baku. Dit bericht verdrijft plots alle verveling, en we begeven ons naar de exit, maar dit is zonder de ‘officials’ gerekend: zij zullen ons en onze handbagage meermaals scannen en aan een grondig onderzoek onderwerpen, want om de luchthaven te verlaten mag niets aan het toeval overgelaten worden. Onze dienstpaspoorten worden netjes in de computer ingebracht, en ondanks de talrijke ‘officials’ moet alles gebeuren via één balie. ‘Nog even wachten, jongens, en we zijn zodra klaar! Eindelijk staan we buiten waar een zestal mini- en andere busjes ons opwachten. Zij brengen ons naar het Hyatt-Park, een vijf-sterrenhotel, waar wij in een luxueuze kamer de nacht zullen doorbrengen. Alleen al de badkamer heeft de grote van een normale single met ligbad en met douche, en wastafel en bidet, met reuze badhanddoeken, badmantels, shampoos en zepen. Het kan niet op!

Na een zalige verfrissing zoeken we nog even de bar op om samen een pint te drinken, en een uitgebreide hamburger met friet te verorberen. Moppen worden getapt, de sfeer is vrolijk en uitgelaten, er wordt kennisgemaakt, ... tot de één na de andere stilletjes verdwijnt en een prinselijke nacht tegemoet gaat. ...Jongens, militair zijn is toch een stukje van de wereld zien, een toffe job, ‘t er moesten meer jongeren zijn die voor een loopbaan bij defensie kiezen ...!

 

Dinsdag 4 november

De zon piept reeds vroeg door het raam en kleurt de kamer in een zacht licht: opstaan is nu niet moeilijk. De badkamer in ... en uit, netjes aankleden en naar het restaurant voor een ontbijt ‘grand luxe’. Vriendelijk personeel verwent ons met wat ons hartje wenst, zelfs roze zalm en andere vissoorten staan klaar, maar ik hou het bij een vruchtensap, koffie, een lekker broodje met kaas en salami, yoghurt en fruit.

De voormiddag brengen we door, hoe dacht je anders, dan wachtend... tot 12.15 uur. Graag was ik even de stad ingegaan, maar met je militair plunje aan wordt dit niet toegestaan, dus ... eventjes de ‘tijd doden’!

Rond 12.30 uur vertrekken we met de identieke busjes naar Baku-Airport en omdat we er zo gevaarlijk uitzien zullen de ‘officials’ ons een gezonde bezigheidstherapie bezorgen: paspoortcontrole aan één balie met inbrengen van alle gegevens in de computer (uit-boeken heet dat!), en een drievoudige check van persoon en handbagage met scannerpoort, handscanner en fouilleren.

Bij de C-130 trekken we ons scherfwerend vest aan, nemen helm en handbagage mee en zoeken een plaatsje om de vierurenvlucht zo comfortabel mogelijk mee te maken. Er zijn broodjes en flessen water om de hongerigen en de dorstigen te laven. Kort voor twee stijgen we op.

Na vier uur vliegen naderen we Kabul-Airport en in cirkelende bewegingen wordt de landing ingezet, zonder lichten aan, als een zwarte vogel die blind de weg naar zijn nest vindt. Een zucht van opluchting en duimen in de hoogte drukken de vreugde uit om de geslaagde landing. Dank je wel, piloten van de luchtmacht, jullie krijgen een pluim van ons allen.

Wanneer we uitstappen woedt een zandstorm over de landingspiste en gooit onze wijdgeopende ogen die de donkere avond proberen te doorschouwen (het is hier al pik donker!) vol fijn zand. Het ontvangstcomité verwelkomt ons allen hartelijk en onmiddellijk weet iedereen waar naar toe.

Ik zelf wordt naar de bar van de Belgen gebracht waar onze mensen friet hebben gebakken met barbecueworsten. En of dat dit smaakt!

Na het eten begint de zoektocht in de doolhof van containers, loodsen en tenten naar een eigen slaapplaats, naar de reeds verzonden kisten met persoonlijke bagage, hier en daar handen drukken, een babbeltje slaan, terug naar de bar om een pintje te drinken, zich proberen te oriënteren, sanitaire installaties lokaliseren,.. Om uiteindelijk na een vlugge wasbeurt het bed in te duiken. Alles bij elkaar was het toch een vermoeiende dag!

 

Woensdag 5 november

Na een verzorgde ontbijttafel volgen de eerste instructies en briefings, het wordt een verkenningstocht van het terrein dat enkele maanden het werkterrein van de Belgen zal zijn. Onderweg ontmoeten we Fransen, Duitsers, Canadezen, Noren, Spanjaarden en we ontdekken de NBC-ploeg, de meteo, het stafgebouw van waaruit de operaties op KAIA (Kabul International Airport) en omstreken worden geleid, we vinden onze medische dienst naast het hospitaal van de Noren, ik loop mijn Franse collega-padré tegen het lijf die mij enthousiast begroet en mij wegwijs maakt in een aantal aangelegenheden. Het is middag voor ik er erg in heb, en de gouden regel die hier altijd moet toegepast worden is: voor elke maaltijd je handen was met zeep en nadien ontsmetten met een anti-bacteriemiddel.

De eerste eintopf smaakt mij goed en ik heb het door dat we hier geen honger zullen lijden, maar aanpassen aan de Duitse keuken wordt toch de boodschap voor de meesten onder ons!

In de namiddag zet ik mijn ontdekkingstocht verder, ik vind de kapel in het kamp van de Fransen, kom voorbij een aantal bars die alleen ‘s avonds open zijn tot 22.00 uur, loop de meteo binnen en wordt er vakkundig geïnformeerd over de wijze van werken, kom ondertussen veel van onze soldaten tegen die reeds hun stelling hebben ingenomen en voor wie het gewone werk van controle, observatie en wacht lopen begonnen is

Om 16.30 uur is de eerste vergadering van de staf van ons detachement en we krijgen er de actuele info, verder gaat het over het op punt stellen van alle activiteiten voor de komende dagen en weken, want de start loopt niet altijd als een treintje. Onze voorgangers hielden er blijkbaar een andere stijl op na, waardoor het voor ons toch hard zwoegen zal zijn om alles te regelen zoals wij gewoon zijn te werken.

Na het avondeten wordt het voor mij een rustige avond met een babbel tussen pot en pint in onze bar. En niet heel laat kruip ik die avond onder mijn dekbed dat ik in één van mijn koffers heb gevonden. Mijn container zal ik wel een van de volgende dagen onderhanden nemen en een beetje inrichten zodat ik mij er thuis kan voelen.

 

Donderdag 6 november

De tweede commandant van KAIA is de Belgische Luchtmachtkolonel Miel Van Hamme. Ik had hem reeds ontmoet toen we anderhalve maand geleden een bezoek hadden gebracht aan Kosovo. Hij stelde mij voor om zijn kantoor te delen en van daaruit onze website te verzorgen, aangezien alle aansluitingen daar voor handen waren. Ik was natuurlijk in mijn nopjes, maar er was eerst werk aan de winkel: zijn lokaal moest dringend opnieuw ingericht worden zodat wij elkaar niet voor de voet zouden lopen. Waarmee begin je dan? Natuurlijk met een grondige poetsbeurt: ramen van binnen en van buitenzemen, het meubilair aan één kant samen zetten en de vloer een beurt geven, nadien alles van plaats verwisselen en het andere gedeelte schuren en dweilen, om tenslotte alles een goede plaats te geven aan meubilair en alle apparatuur weer aan te sluiten op het netwerk. Met Aldi-reinigingsdoekjes worden telefoons, pc-schermenen klavieren onder handen genomen en zien er als nieuw uit. Het moet gezegd: ons lokaal is ‘het’ pareltje tussen een aantal bureelhokken. Ons voorbeeld wordt weldra nagevolgd door de andere Belgen die ook proper willen werken.

Na het middagmaal werken we verder tot het uur van onze stafvergadering, en het is al donker als we stoppen. De weg naar het restaurant wordt routine, evenals de hygiënische handenwas

Na het avondmaal stap ik nogmaals naar de verschillende posten van waarop onze mannen hun job uitoefenen. Het is wonder hoe vlug we in gesprek kunnen komen, en met allerlei vragen die vanuit een diepe afgrond naar boven komen, vragen in verband met hun al dan niet gelovig zijn, maar ook over hun problemen, hun relaties, de opdracht, hun werk... Het komt er op aan vooral veel te luisteren, hen te laten aanvoelen dat je er bent voor hen, dat je niets anders beoogt dan dat ze zich goed voelen in hun vel, dan hun taak, hoe bescheiden en saai soms, toch belangrijk is in het grote geheel van onze zending.

Vandaag is Ronny jarig, dus dit is een goed moment om telefonisch te feliciteren. De verwachte gasten zijn er nog niet, omwille te vroeg: bij ons is het reeds 3,5 uur later in tijd.

Tegen 0.30 uur ga ik naar de landingsbaan, want het derde deel van ons detachement is deze morgen uit Melsbroek vertrokkenen komt aan rond deze tijd. Plots duikt de C-130 op uit het niets en zet zich gratievol neer op de tarmac, bolt even uit en komt dan tot stilstand op een 100 m van ons.

Het duurt niet lang vooraleer de reusachtige staartklep open gaat en de eerste mannen van tussen de vastgesjorde bagage komt, scherfwerend vest en helm op, zoals wij enkele dagen terug.

We begroeten de nieuwkomers die onmiddellijk worden begeleid naar hun containers. Rond 2.00 uur wordt de tweede C-130 verwacht, maar zolang zal ik niet wakker blijven. Het is vroeg vandaag wanneer ik mijn container binnenkom, maar ik voel mij de koning te rijk. Het wordt een korte nacht.

 

Vrijdag 7 november

Vandaag zijn er geen Afghaanse arbeiders in het kamp: het is de ‘zondag’ voor de moslims. Normaal zijn er heel wat arbeiders tewerkgesteld bij de bouwwerken, in de keuken, voor het onderhoud van de gebouwen en als tolk of chauffeur. Wij begroeten ze altijd hartelijk en merken dat ze heel vriendelijk van aard zijn. Sommigen onder ons hebben reeds goede contacten want de taal (Engels, frans of Duits) is voor velen die hier werken niet zo een groot probleem. Zelfs universitair gevormden zijn blij dat ze werk in de keuken of in de onderhoudsdienst vinden. Hieraan merk je wel dat de Afghaanse economie in een diep gat zit en dat armoede troef is bij een groot deel van de bevolking. De jarenlange onderdrukking door de Russen en de oorlogen van de laatste tijd hebben de levensstandaard niet verbeterd, integendeel. Toch lijkt het, volgens waarnemers, dat een licht herstel van bedrijvigheid te merken is. Meer en meer primitieve winkeltjes en ‘shop’-kes openen hun deuren en proberen een graantje mee te pikken van de economische heropleving, en dragen daartoe ook bescheiden bij. Er is meer stabiliteit gekomen en meer hoop door de aanwezigheid van de Internationale troepenmacht in Kabul. Hoe het er op andere plaatsen aan toe gaat, daar hebben wij (nog) geen zicht op. De straatbeelden die jullie ontvingen brengen jullie een beetje in de sfeer van het dagelijkse leen in de stad met een enorme wanorde in het verkeer, je moet je laten meedrijven met de stroom van allerlei voertuigen, waartussen de fietsers krioelen en de voetgangers van elk gaatje gebruik maken om de weg over te steken, op zich bijna een wanhoopsdaad! Maar wonder boven wonder, midden de chaos ervaar je een orde, want er gebeuren geen accidenten, tenzij met onvoorzichtige chauffeurs van militaire voertuigen. De arrogantie van sommigen in het verkeer tart elke verbeelding en doet je denken aan de hoogmoed van overwinnaars, die voortdurend duidelijk maken dat zij de baas zijn en voor niets of niemand uit de weg gaan. Een goede lezer begrijpt onmiddellijk over welke militairen ik het heb.

Nu ons continent volledig is, en de laatsten van ISAF IV/1 vertrokken zijn, kunnen wij beginnen met het normale werk. De Compagnie Protectie (Cie Prot), dat zijn onze soldaten die de bescherming van de luchthaven als opdracht hebben, verdeeld in pelotons en secties, draaien 24 uur op 24 uur, met afwisselend enkele uren om te slapen, zicht te wassen, te eten, te mailen, te telefoneren en terug op stelling te gaan. Op dit moment is de werkdruk voor de meesten zeer hoog, en iedereen hoopt dat de inloopperiode vlug voorbij zal zijn, en eens de routine het werk vergemakkelijkt, er ook meer tijd zal zijn om te leven. Ondertussen doen de mensen van de logistiek eenheid alles qua bevoorrading, herstelling van voertuigen en het onderhoud ervan, het leveren van extra steun bij allerlei activiteiten,  het opzetten en verbeteren van observatieposten, en nog duizend en één andere zaken. En dan zijn er nog de mensen van de medische dienst, aangevoerd door dokter An; de meteo-isten; de specialisten van de NBC, de nucleaire en biologische beschermgroep; de militairen die de communicatie intern en extern verzorgen; de hondenmeester en zijn Duitse herdershond die gespecialiseerd is in het opspeuren van explosieven, en enkele losse elementen die typische luchthavenactiviteiten verzorgen zoals het laden en ontladen van vliegtuigen...

211 Belgen (waaronder een Luxemburgs detachement)  en niemand kan hier gemist worden...

211 mensen de het beste van zichzelf willen geven om de zending te doen slagen...

Wie zag ooit zoveel goede mensen samen voor een opdracht die niet zonder risico’s is!

Deze avond ga ik vroeg slapen: om 21 uur ben ik al in bed, lees nog wat, iets wat ik zeer graag doe, en als het zandmannetje voorbij komt vindt hij mij beslist al ingeslapen...

 

Zaterdag 8 november

Voor acht uur moeten wij in de eetzaal zijn of er is geen ontbijt meer. De Duitsers zijn op dit punt zeer strikt: de openingsuren zijn de openingsuren, daar wordt niet aan getornd. Nog voor het ontbijt heb ik genoten van een heerlijk warme douche, en ik voel mij enorm fit vandaag. Deze voormiddag kan ik met de pandour van de Medic (de medische dienst) mee naar het KMNB in Kabul. Een pandour is een pantservoertuig op wielen, veel efficiënter dan een rupsvoertuig. Elk vervoer naar de stad wordt met de grootste beveiliging uitgevoerd. Daarom ook zit een gewapend man boven in het voertuig, ook de chauffeur is gewapend. Ik zelf draag geen wapen, tenzij mijn camera die altijd schietens klaar is. Ook ik zit boven in het voertuig, met helm, scherfwerend vest en stofbril beschermd, en kan onderweg enkele sfeerbeelden vastleggen. Het doel van onze tocht is op ziekenbezoek gaan: iemand van onze jongens is met hoge koorts opgenomen in het ziekenhuis van KMNB, wat staat voor Kabul Multi-Nationale Brigade. Als wij hem begroeten voelt hij zich al veel beter. Hij kan reeds wat eten to zich nemen, maar is nog zwak. Binnen enkele dagen zal hij wel weer de oude zijn, en hij snakt er al naar zijn kameraden ui de sectie te vervoegen. ‘Ik kan ze toch het werk niet alleen laten doen’, zegt hij.

Op de terugweg leg ik nog enkele situaties vast op de gevoelige plaat (heeft een digitale camera ook een gevoelige plaat?!) en we moeten ons zeer haasten om het middagmaal te halen.

Na het middagmaal begin ik aan de voorbereiding van de viering voor deze avond, ik maak er een volgboekje van, en werk er aan tot de dagelijkse stafbijeenkomst. Na het avondeten en de viering is het voor mij ‘Feierabend’, dwz. dat ik in de kantine een pintje pak...

 

Zondag 9 november

Aangezien ons detachement uit Nederlandstaligen (130) en Franstaligen (80) bestaat, is er deze morgen een viering voor de Franstaligen om 9 uur in de kapel van de Fransen. Mijn Franse collega gaat voor, en het valt mij op hoe goed er gezongen wordt. Daar kunnen wij Vlamingen wel een puntje aan zuigen!

Na de viering verval ik in mijn dagelijkse bezigheden: bezoek aan onze mensen in de verschillende werkplaatsen en op de nabijgelegen stellingen. Bij onze Medic krijg ik een croissant aangeboden, die ze zelf kado kregen van de Fransen. Het klikt enorm, tussen ons, mensen, die op één of andere manier ‘verzorgend’ ten dienste staan van allen.

Het is zondag of niet, dus rustdag, en dat betekent voor mij dat ik een middagdutje doe.

Het doet deugd en na de siësta ga ik met de hondenmeester naar de markt. Afghaanse kooplui komen op zaterdag en zondag naar een terrein tje van de luchthaven en proberen hun koopwaar aan de man (vrouw) te brengen: het is een kleurrijk gewemel, een soek-in-openlucht waar marchanderen de boodschap is. Ik geef een goede raad aan wie het horen wil dat je best afdingt en maximum de helft van de vraagprijs geeft. Dit schijnt ook de regel te zijn, het spel dat de Afghanen spelen, alleen voor ‘muziekceedees’ en ‘deeveedees’ gelden vaste prijzen: 1€ en 3€. Je kunt er de allerlaatste films op DVD krijgen die bij ons met moeite reeds in de bioscopen gedraaid worden. Verder vind je er boerka’s, je weet wel, dat kleed dat vrouwen dragen en hen bedekt van kop tot teen, met een patrijspoort van fijne gaatjes als zicht op de wereld, tapijten in alle formaten en kleuren, handgeweven stoffen, sieraden, uurwerken, koper- en houtwerk, ... Ik geniet van het kleurrijk schouwspel en waan mij een moment in de bazaar van Damascus. Volgende week keer ik er terug, om ‘kiekjes’ te maken, mensen en kinderen in hun doening gade te slaan, ... als het niet zal regenen, want de voorspellingen zien in de toekomst neerslag. Dat zou aangename gevolgen hebben voor de mensen hier die tot nu toe weinig neerslag hadden, voor hun simpele tuingewassen, voor hun waterputten... en voor ons zou het stof verdwijnen dat wij dagelijks met ‘kilo’s’ inademen en onze zwart blinkend gepoetste bottienen in enkele ogenblikken bedekt met een laag wit!

Afwachten maar, misschien vertel ik er volgende week meer over!

Deze namiddag kwam iemand van de Comcen-groep om de aansluiting te maken van mijn laptop met het netwerk. Vanaf nu kan ik e-mails schrijven en ontvangen, en onze webstek www.kaboul.be verzorgen. De verdere zondagavond laat zich voorspellen: zoals altijd na het avondeten verder werken aan de website, en na een drankje in de kantine en een groet aan de manschappen bij de main-gate, na een poging alle zussen en broer te telefoneren, mij terugtrekken in de stilte van mijn container en genieten van een mooi muziekcd-tje en wachten op het bezoek van Klaas Vaak.

 

Maandag 10 november

Vandaag heb ik een afspraak met de Franse padrés om 9.30u. Ze zijn met z’n tweeën, een katholieke en een protestantse aalmoezenier. We zullen met het voertuig van de Franse kolonel naar ‘ Camp Warehouse’ rijden, midden in Kabu, naar de wekelijkse bijeenkomst van de legeraalmoezeniers. In Camp Warehouse is de KMNB gevestigd, je weet wel de Kabul Multi-National Brigade. Onze gastvrouw is een Canadese domina, die ons uitlegt dat wij met pandours naar het ministerie van Religieuze Zaken zullen gebracht worden waar een rendez-vous is gepland met de minister en met een aantal Mullah’s. Een mullah is een moslimgeestelijke, een wijze, die in de moslimgemeenschappen een zeer belangrijke rol speelt.

We zijn met z’n twaalven. Onze gastvrouw zal niet deelnemen aan de bijeenkomst omdat in de moslimwereld geen plaats is, noch voor vrouwen in het leger, noch voor ‘vrouwelijke geestelijken’. Met extra bewapende soldaten op de pandours rijden we in colonne naar het ministerie, in het hartje van de stad, wijzelf met scherfwerend vest en helm. Het is er druk, gaande en komende mannen in typische Afghaanse klederdracht: veel ouderen met lange witte baarden en hoofddoeken; jongeren met lichtbruine petten: een kleurrijk schouwspel. Als wij de vergaderzaal binnenkomen zijn onze plaatsen vooraan voorbehouden, met het gezicht naar een driedubbele rij patriarchenfiguren die ons nauwlettend opnemen en aan een vraagloos onderzoek onderwerpen. Links vooraan is een zetel voorbehouden achter een grote tafel die dienst doet als bureel, met de onafscheidelijke nietjesmachine, een pennenbak en een rol kleefband. De gehele vergadering staat op als de minister binnenkomt en aan iedereen van ons de hand drukt. Hij begroet de verzamelde mullah’s en neemt plaats in de zetel achter het bureau. Een tolk zal ons de boodschap van de minister overbrengen.

De minister is vrij jong, met zwart haar en baard, Hij spreekt rustig en met klare stem. Zijn woorden worden door de tolk omgezet, maar bij mij leeft het vermoeden dat hij maar gedeeltelijk weergeeft wat de minister zegt. Daarbij richt hij zich voortdurend naar onze Zweedse collega en spreekt zo onduidelijk dat niet alleen hardhorenden (!?!) moeite hebben hem te verstaan. De minister (ik ben zijn naam vergeten) vertelt over de geschiedenis van zijn volk, hoe ze uitgebuit werden onder de Russen, hoe de oorlog verder de aftakeling van de sociale en economische structuren in de hand werkte. ‘Wij delen in de grote Moslimgemeenschap’, zei hij, ’maar wij zijn geen fundamentalisten. Wij willen met alle mensen die leven van hun geloof in respect en verdraagzaamheid samen leven. Wij steken de hand uit naar jullie die in jullie militaire gemeenschappen de vertegenwoordigers zijn van het geloof waarvoor jullie staan, het geloof waarin jullie zijn opgegroeid en in welke cultuur jullie geworteld zijn’. Zijn woorden doen ons deugd en wij geloven dat hij rechtuit spreekt. De sfeer is warm en vriendschappelijk.

Dan is het de beurt aan ieder van ons; iedereen stelt zichzelf voor, vertelt vanwaar we zijn en wat onze militairen hier als zending hebben. De minister hoort aandachtig toe, neemt af en toe nota, kijkt de sprekers recht in de ogen en knikt goedkeurend. Als de ronde ten einde is, kunnen vrij vragen gesteld worden. De aanwezige mullah’s laten het woord aan één van de jongsten uit het gezelschap die met heel veel vuur antwoordt en op instemming van de groep kan rekenen. Bij het einde van de samenkomst herhaalt de minister dat ieder van ons hier ten allen tijde welkom is, en altijd op steun en medewerking zal mogen rekenen.

Wanneer wij het ministerie verlaten, een gebouw dat niet de allures heeft van een westers ministerie, maar zeer bescheiden oogt, zijn we dankbaar voor deze ontmoeting. Ook de mullah’s die het gebouw verlaten haasten zich om ons nog de hand te drukken, na eerst de hand op het hart te hebben gelegd. Buiten staat een groepje kinderen dat zich graag laat fotograferen met een paar padrés. Ze glunderen en zullen straks hun verhaal wel doen aan hun vriendjes.

Met de pandours gaat het terug richting Camp Warehouse waar we bij de Canadezen het middagmaal gebruiken. Om 13.00 uur wacht onze chauffeur, een Afghaan, ons terug op en als een kamikazepiloot werpt hij zich in het verkeer. Met veel getoeter en gewring volgt hij de files op deze drukke weg, en korte tijd later we staan we bij het checkpoint aan de ingang van KAIA. Padrés hebben geen wapen bij, dus die moeten ook niet ontladen worden, waardoor de veiligheidsprocedure tot een minimum wordt herleid. Bedankt chauffeur, bedankt collega’s, tot binnenkort!

Maar deze avond rond 21.30 uur beginnen de sirenes te loeien: dit betekent ‘algemeen alarm’. Iedereen moet zich in de kortste tijd, met scherfwerend vest en helm, naar de aangeduide bunker begeven. Het duurt wel even voor aleer iedereen op de plaats van afspraak is en de telling van de manschappen kan beginnen. Een alarm wordt gegeven als KAIA bedreigt wordt door mortieren of andere projectielen die vanuit de bergen op ons afgevuurd kunnen worden. Dan gaat iedereen de beschermingsbunkers in, uitgezonderd de wachtposten en de soldaten die van ‘qrf’ zijn, dat betekent ‘quick reaction force’: dat zijn zij die niet onmiddellijk een opdracht hebben, maar onmiddellijk kunnen ingezet worden voor alles wat buiten het gewone valt.  Via radioverbinding worden de aantallen aan de ‘shift’ doorgegeven zodat de staf een duidelijk overzicht heeft wie zich waar bevindt. De ‘Shift’ zelf is een permanentie waar een officier en een andere militair alle bewegingen noteert van voertuigen en personen die KAIA verlaten of binnenkomen, die permanent contact houden met alle posten en voertuigen, en in geval van alarm onmiddellijk kan oproepen tot actie.

Na een half uurtje wordt het alarm afgeblazen. Er was natuurlijk geen gevaar maar het was een test om de paraatheid te zien van de nieuw aangekomen manschappen, wij dus, de Belgen. Alles bij elkaar verliep de oefening goed, maar iedereen zal toch even moeten evalueren om te zien wat nog beter moet.

Na de alarm-test probeer ik nog een paar mensen te bellen die ik gisteren niet thuis vond, maar ja, als ik hier telefoneer om 23.30 uur is het in België pas 20 uur. Ik heb deze keer veel geluk. ‘ Hou je goed, en God zegene en beware je’ klinkt het aan beide kanten.

 

dinsdag 11 november

De dag begint gewoon voor mij: opstaan om 7 uur, toilet verzorgen, een blik door het raam naar ons kamp dat reeds baadt in de zon. Alhoewel het bijna half november is zijn de temperaturen overdag aangenaam warm, tot 24 graden, maar ‘s nachts koelt alles af en krijgen we temperaturen rond het vriespunt. Vandaag ga ik niet ontbijten bij de Duitsers, maar Miel, de kolonel, de RSM en ik zijn aanwezig bij de elf-novemberparade bij de Fransen om 8.30 uur. De overleden soldaten uit de ‘Grote Oorlog’ worden herdacht, en alle geallieerden van die tijd, waaronder de Canadezen zijn hier met een vertegenwoordiging. Na de Last Post krijgen enkele Franse militairen een ereteken uitgereikt, en na de ‘Marseillaise’ die uitbundig wordt meegezongen in strak cadans, eindigt de parade. De kolonel nodigt ons uit in de bar van de officieren voor een Frans ontbijt met croissant en toebehoren, en wie vervoegt ons gezelschap, mijn Franse collega natuurlijk, die blijkbaar een boontje heeft voor ons Belgen.

In België is het een vrije dag voor iedereen. Hier bij ons een doodgewone ‘werkdag’, met de routine-activiteiten die iedereen 100% opeist. Het zijn ook lange dagen voor onze mensen: van 8 uur ‘s morgens tot 20 of 22.00 uur. Voor de Compagnie Protection is het ritme nog ‘anstrengender’, met soms nauwelijks vier uur rusttijd per dag. Ik vertelde er vrijdag nog over. Sommigen zeggen: ‘het is goed dat we zoveel werk hebben, dan gaat de tijd snel voorbij, en voor we het weten zijn de vier maanden om’.

 

Woensdag 12 november

In Gent wordt het feest van Sint Lieven gevierd, de patroon van de stad en van een gelijknamig college dat mij nog altijd lief is. In sommige kalenders wordt het feest van de heilige Renatus aangegeven. Ik vind dat het voor mij dan ook maar een feestdag mag zijn, en zal proberen daar ook van te genieten. Het wordt echter een doodgewone dag zonder vermeldenswaardige dingen!

 

Donderdag 13 november

Mijn collega Michel, de Franse padré, vraagt me om deze namiddag met hem mee te gaan naar de Kleine Zusters van Charles de Foucauld, hier in Kabul. dat sla ik natuurlijk niet af en ik maak me dan ook klaar, na mijn morgenpost gelezen te hebben, de krant ’De Standaard’-online te hebben uitgeprint voor in de kantine, contact te hebben opgenomen met mijn spaarbank want ik kan niet online bankieren (na tussenkomst gaat alles weer prima; bedankt lieve spaarbank VDK), mijn wasgoed te hebben weggebracht (alleen op maandag en donderdag- ‘s anderendaags terug!), iedereen goeie dag gezegd te hebben, ... Bij de Kleine Zusters vieren we de wekelijkse eucharistie (op donderdag) en drinken nadien thee, en eten van de heerlijke cake die ze gebakken hebben. De specialiste van het plaatselijk ziekenhuis valt ook met de deur in huis, we leggen contacten... en de bekendenkring in Kabul groeit zienderogen. Als we terug zijn is het te laat voor de stafvergadering, maar ik zal wel niets gemist hebben dat kan opwegen tegen het bezoek aan de Zusters. Met Michel bezoek ik nog de kantine van de Fransen die morgen zal leeggemaakt worden en overgebracht naar een nieuwe locatie. In deze ruimte zal onze nieuwe kapel komen: een stenen gebouw, waarvan de muren met hout zijn beslagen, en waarin een goede verwarming zit. Dus beter dan de tent die we tot nu toe gebruiken. Hij doet op mijn creativiteit een beroep voor de inrichting (waar heb ik dat nog gedaan ?!?). Ik zie wel wat we ervan terecht brengen. De zevenarm die ik in Kosovo liet maken en het houten Taizé-kruis zullen een ereplaats krijgen. Je hoort er nog van!

 

Vrijdag 14 november

Mijne agenda zegt me dat ik vandaag één van mijn zussen Batch-la-bieze niet mag vergeten. Met een knoop in mijn zakdoek loopt alles gesmeerd. In de voormiddag ben ik druk bezig de laatste hand te leggen aan een modern ‘te Deum’ voor het koningsfeest dat wij op 16 november zullen vieren. Het begint hier te regenen en de temperaturen zijn nog maximum 16°. Het stof maakt plaats voor modder, waardoor je nu met elke stap die je zet, groet wordt. Kleine mensen zouden nu naar het moeten komen, een groeizame regen die hen vlug een normale hoogte laat bereiken, zij het dan met kilo’s modder onder de zolen van hun schoenen. Ik maak gebruik van het miezerige weertje om mijn schrijfverplichtingen na te komen, en mijn eerste dagboek gaat er uit. Hopelijk heb je er wat aan als je het leest. Tussendoor komen enkele mensen vragen om hun foto’s op cd-rom te plaatsen, en ik zet ze ook klaar voor het internet. Morgenvoormiddag, wanneer iedereen in België nog inbed ligt en uitslaapt, zal ik de foto’s op het net plaatsen.

In de vooravond, Belgische tijd, bel ik naar mijn zus om haar proficiat te wensen. Nadien ga ik slapen, ik voel me niet zo lekker en al mijn spieren doen mij pijn. waarschijnlijk het begin van een griep. Ik neem een zwaar anti-griepmiddel en kruip in bed. Maar veel slapen doe ik niet, tot ik toch na 24 uur indommel.

 

Zaterdag 15 november

Prinsjesdag in België, zei men vroeger. Nu noemt het ‘het feest van de Koning’. Ik sta op tegen 8.30 uur en voel mij eigenlijk uitgeslapen. De moeie pijn is verdwenen, en ik geloof dat ik er weer door ben. Ontbijten doe ik niet, daarvoor ben ik te laat in het restaurant, maar ik zet water op en drink wel vier tassen cappuccino. Ondertussen zet ik alle foto’s op het militaire net, en stuur ze ook door naar de Paola, naar de SCV van Bevrijding, naar Sandy voor onze eigen website... Nu begin ik aan de voorbereiding van de zaterdagavondviering voor de Nederlandstaligen, voor het laatst in de tentkapel van de Fransen. Ik vermoed dat het er vochtig en ongezellig zal zijn, maar geen nood, ‘t is toch de laatste keer daar!

Na het middageten werk ik de foto’s af voor een Cd-rom die zal meegenomen worden door iemand die kort naar België met terugkeren. Deze foto’s zullen dienen voor de familiedagen in Bevrijding en in de Paola. Ik drink nog een thee in Airforce 1, de kantine van de Duitsers, maak de laatste voorbereiding voor het ‘te Deum’ van morgen, ga naar de stafvergadering en na het avondmaal is het tijd voor de weekendviering. Veel volk komt niet opdagen, maar morgen om 9 uur is er nog een viering met de Franstaligen. Ook de Vlamingen zijn welkom!

Dan duurt het nog tot 22 uur eer ik klaar ben met de allerlaatste foto’s te reduceren tot een lagere resolutie en ze verzendingsklaar te maken. Het geeft me een goed gevoel als ik zie en hoor hoevelen appreciëren dat we een eigen website hebben. Vandaag hebben meer dan 300 mensen de site bezocht. De moeite waard. Ook komen er reacties van ouders die ons mailen om ons te bedanken. Het is toch nog na 24 uur als ik het licht uitdoe, want ik heb genoten van anderhalf uurtje bedlectuur. Morgen is het zondag, we kunnen iets later ontbijten, en ik weet ‘so wie so’ dat onze Medic’ers van de Fransen croissantjes zullen krijgen en ze staan er op dat ik bij hen kom eten. Plicht roep ... morgen !!

 

Zondag 16 november

Deze morgen, zondagmorgen, een ontbijt met warme broodjes, brioches, en allerlei drankjes als koffie, thee, sinaassap, en de nodige charcuterie en kaas als toespijs. We blijven lang aan tafel en genieten van onze babbel. Tegen 9 uur ben ik in de kapel voor de viering. Er wordt weer gezongen, goed gezongen, om de kilte te verdrijven, en wij laveren tussen de druppels door in de tent. Na de mis drinken we nog een koffie in de bar van de Franse officieren, begroeten enkele bekenden en zakken dan weer af naar onze eigen werkruimtes. In het voorbijgaan groet ik iedereen en wens een zalige zondag toe. Meestal is de reactie ‘verwondering’ want de meesten zijn hier het gevoel van tijd dag al vergeten. elke dag is hier ook gelijk aan elke andere dag.

Michel heeft mij gevraagd of ik deze avond mee ga naar het kamp van de Amerikanen. Elke zondag leest hij er de mis, maar hij zou graag eens afwisselen met mij, dus dat belooft een nieuwe kennismaking.

Na het middagmaal verloopt alles in een stroomversnelling: de laatste details regelen voor de ‘koningsviering’, nachecken of alles in orde is en op zijn plaats; in Airforce 1, waar de viering doorgaat, zijn de voorbereidingen volop bezig. Enkele mensen zullen nog het Taizé-kruis halen en de zevenarm, want de plechtigheid begint met een religieus moment. Onze minister zal dat wel niet fijn vinden, maar hier is iedereen er voor! Dan nog even bij de Medic binnen, ze hebben voor mij koffie gemaakt en bieden me een ‘ronde suisse’ aan, die ik graag verorber. En daar staat Michel met de jeep en 2 gewapende soldaten al te wachten om ons naar het Amerikaans kamp te brengen. Ik haal vlug mijn scherfwerend vest en helm, zeg dat ik tegen 19 uur terug ben, en verlaat KAIA.

Het Amerikaans kamp komt men niet zo gemakkelijk in als het onze: de toegangsweg is een echte zigzag tussen betonnen hindernissen, niet één of twee, maar wel 12 bochten om uiteindelijk bij de wacht te komen. We zien er ongevaarlijk uit, zijn aangemeld, dus verwacht! Het valt op hoe het ganse kamp in diepe duisternis ligt; geen enkel licht brandt op de wegen, en alle vensterramen zijn zo dichtgemaakt dat er geen spierke licht doorkomt. De Amerikanen zijn natuurlijk ook het eerste doelwit van mogelijke ‘terroristen’. Ik zou hier niet graag verblijven, alsof je altijd schrik moet hebben voor wat ‘kan’ gebeuren. In de viering zijn ook een zestal Franse soldaten: een detachement leidt samen met de Amerikanen de Afghaanse officieren op. Ze zijn blij ons te zien en blijven lang napraten.

Maar wij moeten terug: te 20.30 uur zijn de genodigden verwacht, de Belgische consul uit Islamabad (Pakistan) die ook voor Afghanistan verantwoordelijk is, en zijn lokale vertegenwoordiger, verder de kolonels van de Fransen, de Duitsers, gezanten van de Spanjaarden en andere naties.

Wij zijn tijdig terug en het ontvangstcomité staat al klaar. De ruimte is stemmig ingericht, de tafels in een grote rechthoek geplaatst, tafelkleed, bestek en alles wat er op en er bij hoort, aan de wand de Belgische driekleur waartegen een foto van het koningspaar, daarnaast het Taizé-kruis en de zevenarmige kandelaar.

Iets over 20.30 uur verwelkomt kolonel Miel de genodigden, en dan is er de viering. De brandende kaarsen aan de menora benadrukken het religieuze karakter van dit eerste gedeelte, de teksten in vier talen worden in grote stilte aanhoort en een streepje muziek brengt veel sfeer. Aan het einde leest de jongste officier een boodschap voor die aan de koning werd gestuurd, waarna het volkslied weerklinkt. Iedereen brengt de nodige eer en nadien wordt de toast uitgesproken op de koning. ‘Leve de Koning - vive le Roi’. De schuimwijn smaakt heerlijk!

Lekkere frietjes en vol-au-vent, en een chocolade éclair, vergezeld van witte en rode wijn vervolledigen het feest en doen de tongen los komen. Aan de eretafel zitten de genodigden. Ik krijg het gezelschap van Michel, van de Spaanse officier, van de Belgische vertegenwoordiger in Kabul, van de consul uit Pakistan en diens echtgenote, die zo blijkt, uit Leopoldsburg afkomstig te zijn.

Ik zorg weer voor de nodige foto’s, maar ook de consul fotografeert, en het duurt niet lang of we wisselen onze emailadressen uit en het is bijna 23 uur voor de laatste gasten weg zijn.

Voor mij zit de dag er nog niet op: ik moet nog twee zussen bellen en mijn broer, die weer niet thuis geeft, en mijn dagboek afronden.

Het is nu juist 01.00 uur als ik stop. Ik stuur je nog alles door en ga dan vlug naar bed.

Ik wens jullie allen een fijne week toe, en groet jullie allen hartelijk uit Kabul.

Wie nog een emailadres heeft van iemand die interesse heeft voor mijn schrijverij, stuur het mij maar op, dan komt hij of zij ook op de lijst. En mocht je zelf goesting hebben om eens in je pen te kruipen om mij iets te laten weten, ... het doet echt deugd!

 

 

Maandag 17 november

Vandaag is het padrés-dag in Camp Julien bij de Canadezen, maar met Michel ga ik er niet naar toe omdat hij vandaag alles uit de tent-kapel zou willen overbrengen naar de nieuwe ruimte die we als kapel zullen inrichten. 9 uur is het tijdstip van de afspraak. Ik heb dus nog even tijd om na het morgenmaal mijn post (mails) te checken en eventueel te beantwoorden.

Als ik tegen 9 uur naar buiten kom, staat mijn Franse protestantse collega al klaar om naar de Canadezen te vertrekken. Hij is verwonderd dat ik niet mee ga, blijkbaar is hij niet op de hoogte van de verhuis vandaag, ofwel wil Michel hem sparen en vroeg hij hem niet m te helpen. Ik twijfel nu toch even, of ik zelf niet mis ben, maar dan stap ik op naar het gebouw waar de nieuwe kapel komt. Er is een grote bedrijvigheid: Franse geniesoldaten zijn druk in de weer tenten te verplaatsen, bulldozers en heftuigen rijden over en weer, het stof waait meters hoog op en zet zich verder weer neer. Amaai, wat gebeurt hier allemaal. De zijwand van de nieuwe kapel is voor een stuk weggenomen, het dak wordt op verschillende plaatsen gestut, maar wie ik niet vind en die ik zoek is padré Michel.

Ik ga hem opzoeken in zijn container in het kamp van de Fransen. Als ik klop, roept hij luid:”Entrez”. Binnen zit hij aan zijn laptop te werken; hij groet mij vriendelijk met een waterval van woorden, en op mijn vraag of we vandaag niet zouden verhuizen, antwoordt hij mij wat ik ondertussen al gezien had, dat er namelijk nog werken bezig zijn, en we vandaag niets kunnen doen.

Ik ben een beetje boos op hem omdat hij mij niet eerder inlichtte, maar ik laat niets merken. Ik heb een kans laten gaan om naar de ontmoeting te gaan met de andere padrés. Maar niet getreurd, ik weet wel hoe ik mijn dag zal doorbrengen: er is aan bezigheid en werk niet te kort!

Ik wandel nu maar de stellingen af waar onze vrouwen en mannen zitten, tijd voor een babbeltje, een foto, een nieuwe mop, ... Bij de meesten zit de sfeer er goed in, en ze zijn allen verheugd dat ik voorbij kom; ‘Padré, weet gij uw dag door te brengen’‘ vraagt iemand. ‘Natuurlijk, maat, ik weet niet wat ik eerst moet doen, maar waar ik vandaag niet gedaan krijg, loopt morgen niet weg!’. Onwillekeurig denk ik hierbij aan ons ma en pa die ook vaak deze uitdrukking gebruikten. ‘ dat loopt niet weg, kind, morgen komt ook nog voorbij!

Een dag gaat hier open en toe. Je vraagt je af: waar is de tijd nu weer naar toe? Middag en avond volgen kort op elkaar, en ‘t zal weer vlug ‘laat’ zijn en ‘morgenvroeg’. En elke dag lijkt hier ‘gelijk’. Deze week staat er geen buitengewone dingen op de agenda. We naderen wel het einde van de Ramadan, en voorzichtigheid zal de boodschap zijn. Niet dat onze Afghaanse werkers, de kinderen en ouderen die in de buurt van de luchthaven wonen gevaarlijk zijn, maar toch wordt waakzaamheid geboden omdat terroristische aanslagen niet ondenkbaar zijn, daarom niet op KAIA, maar op andere doelwitten in Kabul en in het land. In dit land is niets uit te sluiten. Toch is er bij niemand van ons een verhoogde spanning of angst te bemerken. Wij zijn goed voorbereid. Wij wachten rustig af... en mocht het ‘stormen’, dan zal die ‘storm’ ook wel voorbijgaan.

 

Dinsdag 18 november

Het bezoek van Bush aan Londen schijnt veel tegenwind te krijgen; het heeft er de schijn van dat hij geen victory-onthaal zal krijgen. De situatie in Irak schijnt hopeloos vast te zitten. Zit er verbetering in voor de situatie van miljoenen Irakezen nu Saddam letterlijk en figuurlijk van zijn sokkel gehaald is? De aanslagen van kleine groepen (zijn het allemaal aanhangers van Bin Laden of van Saddam?) op Amerikaanse en andere doelwitten worden frequenter. Zal dit geweld nog toenemen en overslaan naar andere landen? Zal het geweld ook bij ons in Afghanistan meer en meer de kop opsteken en slachtoffers maken, waardoor niet alleen enkelingen maar ook groepen geviseerd worden? Geen enkel land is vrij van deze aanslagen. Soms denk ik dat onze situatie veiliger is dan die van jullie, omdat wij alert en gewapend kunnen reageren, terwijl een aanslag in een stad, neemt nu Istanboel, onschuldige en niets vermoedende mensen treft. Zal dit geweld zich uitbreiden naar onze Westerse steden of blijft het verschijnsel beperkt tot die landen waar de Amerikaanse invloedssfeer (én macht, gebaseerd op wapens en soldaten én economische overheersing) mogelijks een einde maakt aan het tijdperk van corruptie, van drugsbaronnen en lokale veldheren die de koek verdelen en de bevolking arm en machteloos houden. Is de wereld van morgen aan de fundamentalisten van één of andere religieuze strekking die met een soort guerrilla-oorlog de stabiliteit en de wereldorde onderuit halen? Veel vragen bij het begin van een nieuwe dag... en zonder antwoorden als ik slapen ga!

 

Woensdag 19 november

Vandaag staat er in de krant DS een reportage over de armoede in Amerika. Met de lectuur ervan begint mijn nieuwe dag. De inhoud contrasteert met het beeld dat dit cyclopenland ophoudt en verspreidt: schijnbaar het welvarendste land ter wereld, met een spitstechnologie op elke terrein van wetenschap en techniek, met een schare vorsers die de mysteries van mens en heelal proberen te ontraadselen, een land met een onuitputtelijke rijkdom, met een visie en een uitzicht op de wereld ...maar een cycloop is een reus met één oog die geen dimensies kan onderscheiden, geen dieptezicht heeft,..

Weer zit ik van bij het begin van deze met meer vragen dan antwoorden...

Deze morgen bezoek ik te voet de stellingen in de omgeving. ‘s Nachts is het bijtend koud, en pas in de loop van de voormiddag als de zon voldoende warmte geeft, ontdooit een mens. Iedereen is druk bezig te onderzoeken op welke manier ook ‘s nachts voor een voldoende warmte kan gezorgd worden in de sea-containers en in de bunkers van waaruit de omgeving van het vliegveld wordt geobserveerd. Alle reten en kieren dichten is één zaak, een bron van verwarming installeren een andere zaak. De ‘dutsen’ zijn natuurlijk de mensen die in de nachtelijke uren buiten op wacht staan. Maar met een beetje goede wil kan er per sectie voor voldoende aflossing gezorgd worden. Ik sprak er enkelen aan en vroeg hen hoe lang ze buitengestaan hadden. ze zegden me: “Padre, wij lossen om de vier uur af, we zijn gisteren om 14 uur de dienst opgegaan tot vandaag 14 uur. Ook ‘s nachts blijven we vier uren op wacht buiten, waardoor een deel van onze sectie tenminste enkel uren na elkaar kan uitrusten of slapen”. Voor zulke mensen duim ik! En dat is ook hun kracht om hier in Kabul te overleven: aan één zeel trekken en voor elkaar door een vuur gaan, bedacht zijn op elkaars welzijn en elkaar rust gunnen, ook al moet je zelf daarvoor de vriesnacht in voor vier uren...

In de namiddag bezoek ik per jeep, samen met de kapitein, de overige wachtposten. Aan de ‘crashgate’ verlaat juist een konvooi Spanjaarden het vliegveld. Na het sluiten van het grote hekken blijft de toegang dicht. Buiten staren kinderen door de afsluitingsdraad naar binnen en af en toe roept er eentje iets naar één van de wachtposten. Buiten de afsluitdraad, naast de weg is het één groot mijnenveld. Die tuigen liggen onzichtbaar in het dorre struikgewas. Vorige week liep een ezel op zo een mijn: het dier werd hoog de lucht in geslingerd, met opengereten buik, en met afgerukte achterste poten. Kort nadien kwamen dorpelingen het restant van het dier versnijden en voerden alles weg. Die avond, na zonsondergang, zou er vlees gegeten worden in enkele gezinnen...

Elke dag weer komen de kinderen naar het hekken, in de hoop iets te krijgen: wat snoep, een stylo, een stuk brood,... ‘Wat jammer dat wij niet meer kunnen helpen’, zegt Tine, een vrouwelijke soldaat, die gewapend de wacht optrekt en de poort opent bij de komst van een konvooi. Zij vertelt me dat alleen het oudste kind van een gezin in de voormiddag naar school gaat, en ‘s namiddags aan de andere kinderen van het gezin ‘les’ geeft.

Als ik het hekken nader, komt er een spontane lach op het gezicht van de kinderen, in hun ogen straalt weer wat hoop: zullen we iets krijgen? Ik heb niet veel bij, wat ik kan missen maar mijn ‘bic’ doet wonderen. Ik leg enkele kinderen digitaal vast ... beelden die zo veelzeggend zijn!

Van de ‘crashgate’ gaat het verder naar OS. Hiervoor nemen we de bocht rond het begin van de landingspiste en rijden op een smalle aarden weg. Waarschuwingsborden maken duidelijk dat het verlaten van de weg de ‘dood’ tot gevolg heeft: dit zijn mijnenvelden. Beetje bij beetje worden de mijnen blootgelegd en onschadelijk gemaakt door gespecialiseerde ploegen. Toch valt er af en toe een slachtoffer te betreuren. Bij dit ‘monnikenwerk’ mag niets worden overgelaten aan het toeval, men kan niet voorzichtig genoeg zijn

Buiten de omheiningsdraad, achter het mijnenveld, ligt het wrak van een neergestort vliegtuig. In dit gedeelte houden de Afghaanse soldaten, de Tadzjieken, de wacht.

Bij de observatiepost komen de mannen ons tegemoet. Stijn heeft in de shop bij de Duitsers een digitaal fototoestel gekocht. Ik schijn een specialist ter zake te zijn, want iedereen komt mij raad vragen. Ook Stijn help ik met de eerste instructies en maak hem wegwijs in het gebruik van het toestel. Op de terugweg, die gedeeltelijk naast de landingsbaan loopt, op ongeveer 20 m, valt een reusachtige Russische cargo bijna op ons, van zo dicht zag ik nog nooit dergelijke ‘vogel’ neerstrijken. Een heel bijzondere ervaring!

Als ik terug ben krijg ik van verschillende mensen digitale foto’s ‘om ze op het internet’ te zetten. Dat zal niet meer voor vandaag zijn, want het is al avond, maar morgenvroeg wordt dit mijn eerste werk, als jullie thuis nog in bed liggen.

Toch zit de dag er nog niet op: tegen 18 uur komt een groepje van zes naar mij toe. Ze vroegen me om met hun zessen de mis te kunnen bijwonen. Ik was natuurlijk blij verrast, vroeg onmiddellijk wanneer het voor hen paste, en de afspraak was voor deze avond 18 uur. Aangezien de kapel nog niet ingericht is, ik wacht nog op nadere gegevens van Michel om er aan te beginnen, heb ik ze uitgenodigd in mijn container. Enkele lampen zorgen voor een stemmig licht, op de achtergrond hoor je een hoboconcert van Mozart, bij de Maria-icoon brandt een kaarsje. De plaatsen zijn niet breed, maar iedereen kan er bij, en even na 18 uur zetten we de viering in met een lied. De teksten worden afwisselend door iedereen gelezen, brood wordt gebroken en uitgedeeld, de beker gaat rond van mond tot mond, ... “waar twee of meer in Mijn naam samen zijn...”

 

Donderdag 20 november

Ik wil Rose-Marie vandaag feliciteren. Zij verjaart. Heb ik haar emailadres? Ik zoek het op, maar in de rush van het vertrek moet ik het kaartje met haar gegevens toch laten liggen hebben op mijn bureau. Ik zal proberen haar te bereiken via ‘Bini’.

De voormiddag is doodgewoon, geen bijzondere dingen te vertellen.

In de namiddag is er een parade bij de Duitsers ter gelegenheid van de bevelsovergave. Een detachement Belgen zal ook aanwezig zijn. En ik, ik ben van de partij want er moet toch iemand de gebeurtenis vastleggen op de gevoelige plaat. Als de genodigden aangekomen zijn en plaats genomen hebben op de tribune (een plekje met stoelen op de tarmac), begint de eigenlijke parade met het schouwen van de troepen door de aanwezige generaal. De vertrekkende kolonel dankt alle soldaten (ook de Belgen) voor hun inzet en onder het spelen van ‘Alte Kamereaden’ neemt hij afscheid. De plechtigheid voor de inplaatsstelling van de nieuwe bevelhebber op KAIA verloopt eerder kort, en weldra zijn alle genodigden in de ‘Airforce One’, de bar van de Duitsers voor de gelegenheidsdrink en het bijhorend hapje (roze zalm, en scampies, en andere lekkernijen...).

Ik maak toch van de gelegenheid gebruik om op het dak onze snipers in actie te zien die de aankomst van VVIP’s (very very important person) beschermen. Ook hier zijn ze beginnen bouwen aan een ‘winterverblijf’... “morgennamiddag doen we verder, Padré...”

Morgen schrijf ik ook verder aan mijn dagboek!

 

Vrijdag 21 november

Geen Afghaanse werkers vandaag, geen eten in het restaurant bij de Duitsers, behalve het ontbijt, want elke vrijdag wordt de keuken grondig gereinigd en gedesinfecteerd. Geen probleem voor ons? Belgen, want vandaag bereiden ‘onze koks’ de maaltijden: ‘s middags vers frans brood met kaas en charcuterie, en ‘s avonds staat er heerlijke paella op het menu. maar er is ook soep, echte kippensoep met stukjes kip. Wie zegt dat dit niet smaakt wanneer het buiten vriest, die kent er niets van.

Vrijdag is voor mij ook kuisdag: met emmer, water, dweil en trekker maak ik mijn container weer fris. Het ontsmettingsproduct ‘Dettol’ in het water verspreidt een aangename geur. Niet dat het bezoek van woensdagavond zulke sporen naliet, maar we zijn ‘propere’ mensen...

In de namiddag bevestigt Michel mij dat we morgen de kapel in orde zullen maken. We zullen zien!

Tegen 21 uur loop ik nog even de kantine binnen. Ik ontmoet er twee Franse soldaten die trouwe klanten zijn bij ons, zij houden van de sfeer bij ons. Één is bakker (van de heerlijke stokbroden en de zondagse croissants), en hij zal voor mij morgenvroeg een plat broodje bakken, zonder gist noch vet, voor de eucharistieviering.

Als iedereen de kantine verlaten heeft zullen Mieke, kapitein en chef van het bataljon logistiek, twee andere helpers en ik naar alle observatieposten rijden om de resterende hete soep en paella te bedelen. We worden overal met open armen ontvangen, en via de smalle ijzeren ladder met de hoge spurten wordt het vaak acrobatenwerk om de bekers warme soep boven te krijgen. Nog een foto van de ‘nachtwachten’, en verder naar de volgende post. Het is al vroeg wanneer we terug aan onze kantine aankomen. Alles wordt uitgeladen en dan zijn ook wij toe aan het laatste bekertje soep. Het smaakt heerlijk. Buiten twinkelen duizenden sterren aan het donkerblauwe firmament. Hier is geen lichtvervuiling zoals bij ons. In de verte tekenen de bergtoppen zich zwart af. Het is ijskoud. Dit is nog maar het begin van de winter!

 

Zaterdag 22 november

De grote dag is eindelijk aangebroken. De kapel is zover klaar dat we kunnen beginnen poetsen, en alles inrichten. Michel is om 9 uur al in de weer, als een echte chef, die de leiding goed in handen neemt. Eerst als ik vraag waarmee wij beginnen zoekt hij de spullen bij elkaar: een veegborstel, een schuurborstel, een dweil, een emmer met water en wat reinigingsproduct. We zetten alle banken en het altaar aan de ene kant en fluks begint hij de ruimte uit te vegen, twee , en dan overhandigt hij mij de borstel en verdwijnt in het onbekende. Als hij later terugkeert is de ene helft gedaan. Maar het moet gezegd, het dweilen neemt hij voor zijn rekening, en op zijn frans, met de dweil over de schuurborstel, legt hij de ruimte drijfnat. Ondertussen ontdoe ik de zevenarm, het Taizékruis en andere voorwerpen van stof en vuilnis. Dan moeten we poseren. Even later zijn we terug aan de slag: aangezien de vinyl nog niet helemaal droog is, zetten we de ene helft van de kapel al op zijn plaats: altaar en banken. Ik wou de banken eerst proper maken, maar dat ‘zouden we later wel doen!’

De tweede helft was klaar tegen het middagmaal en ik word uitgenodigd om met hem mee te eten bij de Fransen. De Franse officieren eten niet samen met de anderen, maar hebben een eigen mess. Ik krijg een aperitief aangeboden, word door de kolonel en de andere officieren begroet die druppelsgewijs binnenkomen, en op teken van de kolonel gaan we aan tafel. Deze maaltijd heeft iets plechtigs: op teken gaat iedereen zitten, de schotels worden opgediend, en als eregast van de kolonel moet ik recht tegenover hem plaats nemen. Ik mag mij als eerste bedienen en ondertussen worden vragen gesteld naar het werk in de kapel, naar het functioneren als aalmoezenier in het Belgisch leger en wordt dit vergeleken met de situatie in het Franse leger. Het valt mij op dat ik de meeste officieren herken van de zondagsviering in de tent-kapel. Zij staan heel positief tegen het inrichten van de nieuwe kapel en de kolonel belooft zelfs een nieuw tapijt aan te kopen.

Rond 14 uur zouden we verder werken, maar mijn eigen kolonel wint mijn raad in bij de aankoop van een DVD voor zijn dochter. Ik trek met hem naar de wekelijkse markt buiten onze poort, en wanneer ik terugkom in de kapel is het bijna 14.30 uur. Michel zal mij nu verlaten want hij gaat de mis lezen bij de zusters en zal eerder laat terug zijn. Ik vlieg er in en beetje bij beetje wordt de ruimte een echte kapel. Meermaals loop ik naar mijn container om uit één van de kisten nog iets te halen dat ik meegenomen heb voor het geval dat...  En dat geval doet zich voor: een kapel inrichten!

Het is ongeveer 17.30 uur als ik de laatste hand leg: het plaatsen van een godslamp op het kleine tabernakel dat in een hoek van de kapel zijn plaats heeft gekregen. Met de stemmige verlichting aan, de kaarsen brandend op het altaar met het frisgewassen altaarkleed, de zevenarm ontstoken, en een achtergrond van orgel en panfluit neem ik de eerste foto’s. Onze kapel mag gezien worden!

Je ziet ze nauwelijks in de kapel tijdens een viering, de soldaten, maar tijdens het inrichten van de kapel is iedereen nieuwsgierig, steekt zijn hoofd binnen en looft het initiatief. In de klokkentoren naast de ingang hangt de kleine klok. Deze avond zal ze voor het eerst weer luiden bij het begin van onze viering om 19 uur. Wij Belgen zullen de nieuwe kapel ‘inzegenen’! En dat doen we dan ook, met een vrolijke maar aandachtige groep zingen we en luisteren we en vieren de ‘maaltijd van de Heer’.

Wanneer ik om 22 uur naar mijn container ga, na de mannen aan de hoofdingang goede nacht gewenst te hebben, voel ik mijn gelukkig. Een dag met veel werk, een groot werk, is tot een goed einde gebracht.

Buiten is alle verlichting uit, zelfs aan de poort. Er moet dichtbij het kamp van de Canadezen een projectiel neergekomen zijn, en de alarmfase is overal verhoogd. Komen er nog meer aanslagen en waar? Nu valt de sterrenhemel nog beter op. Een immense rust gaat uit van het slapende land onder het koesterend sterrendak. Één ster valt door de nacht en verdwijnt in het niets. Ik mag een wens doen... Wat zou jij wensen?!

 

Zondag 23 november

Ik slaap iets langer vandaag, want voor het ontbijt kunnen we terecht tot 9 uur. Maar om 8.45 u groet ik Michel in de kapel. De verwarming is al aan, de kaarsen en de muziek nodigen uit om binnen te komen, en daar zijn ze dan: Fransen, Belgen, enkele Spanjaarden, ... Iedereen drukt zijn bewondering uit voor de stemmige en sfeervolle ruimte en of er goed gezongen wordt!

Na de viering, bij het doornemen van mijn mails, komen de vrienden van de medische dienst mij uitnodigen een koffiekoek te eten, wat ik niet afsla. Ook de kolonel is afgekomen en bij die lachende troep die altijd wel iets guitigs in petto hebben is het tof te vertoeven. Alleen al daarvoor zou je ziek worden of verzorging nodig hebben.

‘s Middags zijn we met enkele Belgen uitgenodigd om paella te eten bij de Spanjaarden. Ook Patrick, de Luxemburgse luitenant gaat mee. Als geschenk hebben wij een fles Beaujolais-nouveau mee. Die arriveerde gisteren bij de Fransen.

Maar na de maaltijd word ik weggeroepen: de moeder van één van onze soldaten is deze morgen dood aangetroffen thuis en de boodschap moet meegedeeld worden aan de betrokkene. Van de ene situatie val ik in de andere. Het zijn harde noten die moeten gekraakt worden, vooral voor Jurgen. Wat er verder volgde wil ik niet beschrijven. Ik vraag jullie alleen : gedenk deze moeder (weduwe), gedenk Jurgen (enige zoon), gedenk zijn meisje en allen die hem lief zijn. Bidt om kracht en sterkte voor hem!

Morgen keert hij terug naar huis. Zolang hij hier is wordt hij goed omringd en opgevangen.

God, maak hem sterk, wees een mantel om hem heen geslagen..

Het is nu kwart voor elf, bij jullie kwart over zeven.

Het ga jullie allen goed!

 

Maandag 24 november

Deze morgen is Dave, verward en helemaal van streek naar Warehouse (KMNB) gebracht voor onderzoek door een psychiater. Ik hoor het bericht tegen de middag van dokter An die hem vergezelde. Deze namiddag keert ze terug en vraagt mij of ik haar wil vergezellen. De rest van de voormiddag verloopt zonder noemenswaardigheden. De nieuwe week ziet er heel rustig uit, zonder hoogtepunten, maar dat kan natuurlijk op elk moment wijzigen: we leven met een ‘dynamiek van het voorlopige’, dit wil zeggen dat we ons geen grote zorgen maken over wat komt, geen grootse plannen hebben, maar we zijn op onze ‘qui-vive’: wat er ook gebeurt: wij staan klaar om op elke situatie een passend antwoord te geven. Zo zijn onze mannen en vrouwen ook getraind, en het verheugt me hoe iedereen, staf en soldaten, soepel inspeelt op een nieuwe situatie die zich voordoet of een nieuwe opdracht, zoals het observeren van het terrein, het escorteren en bewaken van aangekomen VVIP’s.

Ik stel ook een enorm verantwoordelijkheidsbesef vast van onze ‘chefs’ waar het gaat om de veiligheid van onze mensen, en het uitvoeren van de eigen ISAF-opdracht; ‘mijn mensen gaan voor alles’ hoor ik de kapitein zeggen, en ik geloof dat hij dit voor meer dan 100% meent. Ook de commandant van de Protectiecompagnie deelt dezelfde zorg.

Ik werk nog wat aan de fotobestanden die ik van overal bezorgd krijg, maar het is soms werken voor het ‘zothuis’ want van slechte en onscherpe beelden kan ik geen pareltjes toveren voor onze website. Ondertussen is er reeds heel wat ge-email-d tussen Kabul en Sint-Maria-Oudenhove waar Sandy de website www.kaboul.be verzorgd. Zijn server kan het aantal bezoekers per dag niet meer aan, en daarom is hij in onderhandeling om een nieuwe server te vinden die een grotere capaciteit heeft en tegen een hogere snelheid de webpagina’s thuisbrengt. Hij zegt me dat het een hele investering wordt om de server aan te kopen.  Wat moet ik doen? Het internet en zijn activiteiten zijn een groot stuk van zijn leven geworden, en het internet geeft hem ‘ogen’ om de wereld in te gaan en te ontdekken (Sandy is een blinde jongen). Ik beloof hem te helpen en de last te dragen. De uren die Sandy reeds besteedde aan onze Kaboulwebsite zijn niet te tellen. Ik dank hem er voor van harte.

Als ik ‘s namiddags in het ziekenhuis (tentendorp) van Warehouse kom, vind ik een slapende Dave. Even later is hij wakker en zegt me dat hij zich veel beter voelt. Maar de artsen oordelen er toch ander over en Dave moet de nacht doorbrengen in het ziekenhuis. Woensdag zal hij op een vliegtuig naar België gezet worden. Wanneer dokter An en haar medewerkers met de rode-kruispandour terug naar Kaia rijden, blijf ik bij Dave. Straks zal Peter (medic) teruggebracht worden, nadat hij zijn slaap- en toiletgerief heeft opgehaald, en ondertussen blijf ik bij Dave. Wij hebben een zeer goede babbel en het doet hem echt deugd. Ik geloof dat hij zich in de voorbije weken te erg heeft ingespannen, te weinig geslapen heeft en daardoor er onder uit gegaan is. Maar ik ben natuurlijk geen psychiater, en ik denk dat een goed onderzoek thuis nodig is. Ik hoop dat hij nadien terug kan keren naar Kabul.

We eten samen aan een kleine tafel, gezeten op een stoeltje waardoor wij nauwelijks boven de tafel uit komen. Dave heeft vlug genoeg en wil gaan douchen, maar kort daarop is hij terug: alleen koud water! Ondertussen heeft hij al een paar sigaretten opgerookt; toch schijnen ze hem niet tot rust te brengen. Dan kleedt hij zich uit en kruipt in bed: de grote witte tent overkoepelt een achttal bedden, maar hij zal hier vannacht alleen met Peter verblijven. Hij draait en keert en uiteindelijk komt hij terug overeind. We beginnen opnieuw te praten en nu heeft hij het over zijn moeder die hij nabij voelt, over zijn thuis over wat voorbij is, over zijn plannen, over zijn fototoestel dat hij n Kabul kocht... en wanneer hij het opdiept uit zijn travelbag, kan ik hem helpen met de eerste instructies. Hij kan mij niet genoeg bedanken... tot de verpleegster van dienst hem zijn medicatie bezorgt. Dave wordt nu echt moe, en valt uiteindelijk in slaap. Mijn wacht begint!

Even voor 23 uur is Peter er terug. de escorte die de pandour begeleidde wacht in het cafetaria en ik ga de mannen goede avond zeggen. Het is rond half twaalf als we terug in onze compound zijn. Ik voel mij ook echt moe en ga onmiddellijk slapen.

 

Dinsdag 25 november

Een verkwikkende douche verricht ‘s morgens wonderen. Een nieuwe dag beginnen met alle vragen die gisteren onbeantwoord bleven: hoe zou het gesteld zijn met Dave? Zou Jurgen al thuis zijn en hoe zal hij de zaken aanpakken? Krijgt hij steun van iemand? Ik zal vandaag contact opnemen met de Paola en deze vragen bespreken met de verantwoordelijken. Het centrum Paola in Leopoldsburg is de plaats waar de familie van militairen in buitenlandse opdracht informatie kunnen inwinnen over hun ‘soldaat’, waar ze kunnen in contact komen (telefonisch of via mail), waar de laatste foto’s getoond worden, waar opvang is voor de kinderen op woensdagnamiddag en tijdens de weekends, waar partners van militairen elkaar kunnen ontmoeten, steun vinden bij elkaar, waar de RMO (raadgever mentale operationaliteit- een officier, gevormd psycholoog) de mensen met raad en daad kan bijstaan, dit alles in nauw contact met de Sociale Dienst van het Leger te Leopoldsburg, en met de Aalmoezeniersdiensten.

Ik zal ook padré Harry contacteren om Jurgen bij te staan en alle hulp aan te bieden.

Deze voormiddag weet ik waarmee ik zoet zal zijn.

De namiddag zal bestaan in het up-to-date houden van onze websites: ik zal de nieuwe foto’s tot en met gisteren doormailen naar mil.be, en naar alle andere bestemmelingen.

‘s Avonds is er een bericht van Kurt uit Augsburg. Hij meldt mij dat Tante Maria overleden is. Ik zag haar voor het laatst in februari toen ik afgevaardigde was van de Katholieke Aalmoezeniersdienst op een driedaagse in Beilngries, georganiseerd door de 10-de Pantserbrigade van Duitsland (Baden-Württemberg en Bayern) en de Duitse Aalmoezeniersdiensten. Op de terugreis bezocht ik haar in een instelling waar ze voor verzorging was opgenomen. Ze was geheel verrast mij daar te zien, en dan nog in Belgisch militair uniform. Ze kon haar ogen niet geloven, maar ze straalde geluk uit. Ik beloofde haar in de herfst haar terug op te zoeken, maar de zending naar Kabul stak er een stokje voor. Ik heb nooit gedacht dat ik haar niet meer zou terugzien. Met de dood van Tante Maria wordt een bladzijde omgedraaid in onze familiegeschiedenis. Zij was nog de enige tante aan moeders zijde. Rosmarie, en Franz en Kurt zijn de laatste fijne draden die ons aan deze geschiedenis herinneren. We moeten ze in ‘ere’ houden, ze koesteren, want ze geven een eigen kleur aan onze familiegeschiedenis van morgen.

 

Woensdag 26 november

Vandaag gaat Dave naar België. Kristof, een van onze Medic’ers zal hem vergezellen en overmorgen terug naar Kabul komen. Ik ben te laat om hem goede reis toe te wensen, hij is al ingecheckt. Toch wens ik hem van harte een goede opvang in het Militair Ziekenhuis van Neder-over-Heembeek, voldoende rust, een menselijke ‘begeleiding’ en een spoedig herstel; Zien we hem nog terug in Kabul? Ik hoop het. Ook in zijn sectie wacht iedereen gespannen af.

Vandaag is er hoog bezoek op de luchthaven van Kabul. Alle veiligheidsvoorschriften worden in acht genomen, niemand zal zonder een VVIP-pasje de wachtposten kunnen passeren. Hillary Clinton, de vrouw van oud-president Bill Clinton en senator brengt een bezoek aan Kabul. Een paar dagen later zal de Amerikaanse minister van Defensie Rumsfeld ook een bezoek brengen.

Het bezoek en het uur van aankomst van Hillary wordt zorgvuldig geheim gehouden om alle risico’s te vermijden. De kolonel vraagt mij om het bezoek in beeld te brengen, waarvoor ik onmiddellijk gereed ben. Na lang wachten komt de lange kolonne aangereden, een escorte van zwaarbewapende Amerikaanse soldaten voor en na de VIP-wagen. Het is een stralende Hillary die de tarmac komt opgestapt, vergezeld van haar adviseurs, Zij neemt rustig de tijd voor een fotosessie met de mensen die haar begeleidden, en ze drukt de handen van alle belangrijke mensen op Kaia. Wij vergezellen haar naar een helikopter die een eind op de tarmac wacht, en ook hier weer foto’s nemen met de bemanning. Kolonel Miel is de laatste die haar namens de Belgen groet en haar goede reis toewenst. Zij apprecieert het blijkbaar dat de ‘little Belgians’ ook hier aanwezig zijn in het grote Isaf-gebeuren.

Dezelfde avond rijden we naar het hoofdkwartier van Isaf in Kabul.. Kolonel Roger Housen, de commandant van de Cie Bevrijding-5-de Linie, wacht ons op voor een niet onbelangrijk gesprek. Ondertussen proeven we van de keuken van het hoofdkwartier, maar eerlijk gezegd: we kunnen ons niet verbeteren! Geëscorteerd door een sectie van onze soldaten keren we terug naar KAIA. Weerom is een dag voorbij!

Vandaag is een vliegtuig uit België aangekomen. Iedereen heeft er naar uitgekeken, en ook al is het middernacht, vele handen helpen om de post te sorteren, de brieven en de pakjes, en waar het kan worden ze nog dezelfde nacht ‘aan huis’ besteld. Voor mij is er ook één en ander mij, dwz. materiaal dat ons moet helpen in de kerststemming te komen. Ik kan wachten tot morgen om mijn post op te halen.

 

Donderdag 27 november

Onze soldaten zouden graag kaarten met Kerst- en Nieuwjaarsgroeten vanuit Kabul versturen, en aangezien ik de fotograaf-van-dienst ben, wordt het mij opgedragen enkel goede motieven uit te zoeken. Eerst vroegen de mannen mij om kaarten van de sectie te laten drukken, en sommigen hadden al geposeerd met en zonder kerstman-mutsen. Maar dit verzoek was eerder onrealistisch, enerzijds omdat de mogelijkheden iets te laten drukken niet dezelfde zijn als in een Westers land, ook de druktechnieken die bij ons toegepast worden zijn hier onbekend, en een klein aantal van één kaart komt altijd duur uit.

Morgen gaan we enkele drukkerijen bezoeken, onze Afghaanse tolk weet de weg en kan bemiddelen.

Dan zal duidelijk worden wat jullie thuis aan kaarten kunnen verwachten.

In ons kamp bereidt men de winter voor, dwz. dat alle OP’s (observatieposten) grondig worden nagekeken, om onze mensen ook in de winter een minimum aan comfort te bieden zodat ze hun opdracht graag en goed kunnen uitvoeren. Er zullen kleine en grotere structuurwerken moeten uitgevoerd worden, verwarming geplaatst en bescherming aangebracht tegen koude en tocht, zonder een maximum aan zicht te verliezen. Het is een hele opgave voor onze mannen en vrouwen, want de middelen zijn beperkt, en aan genie-werkkracht ontbreekt het ons ook. Maar alles zal picobello in orde gebracht worden, morgen zullen ook de eerste aankopen daarvoor gedaan worden. Ook aan diegenen die buiten op wacht staan wordt gedacht: ook zij hebben een minimum aan verwarming nodig.

De C130 bracht voor mij wel het meeste mee: een reuzedoos met een kerstboom: die hebben we onmiddellijk in elkaar gestoken, de lampjes erin aangebracht, we hebben hem versierd met de honderden paarse ballen en slingers, en vol gespoten met sneeuw. Hij staat nu in onze kantine, bijna 3m hoog, en hij krijgt de aandacht van iedereen die binnenkomt. Welkom, dennenboom!

Één kartonnen doos blijft voorlopig gesloten. Rara, wat kan daar inzitten?!

 

Vrijdag 28 november

Vandaag wordt tante Maria begraven. Rosmarie en Myriam zijn met de trein afgereisd naar Augsburg. Ik reis mee in gedachten en voel mij met hen allen verbonden.

Om 8.15 staan we klaar om de stad in te trekken: een jeep waarin Kapitein Mieke (commandant van de Logistiek) heeft plaats genomen, Patrick VDV, technisch raadgever bij de aankopen, samen met enkele soldaten die voor de beveiliging meerijden en ikzelf. Daarnaast rijden nog twee Unimogs mee, met daarop een sectie goedgetrainde soldaten, als bescherming voor de escorte.

Eerst gaat het naar een ‘drukker’, die over niet meer beschikt dan een pc en een printer. Hij laat ons enkele foto’s in verschillende formaten zien, maar dat is het echt niet wat we zoeken. Foto’s uitprinten kunnen we zelf ook! Dan de ‘drukkerij’ er naast binnen. Idem. Een pc en een printer blijkt hier toch een ‘drukkerij’ te zijn. Maar de derde keer hebben we meer geluk. Door een openstaande poort komen we in een trapzaal, en op de eerste verdieping is een heus bureel ingericht. Een bibliotheekkast en een bureau getuigen dat we aan het juiste adres zijn. Op een tafel liggen stapels bestelde adreskaartjes te wachten tot ze afgehaald worden.

De verantwoordelijke spreekt zeer goed Engels zodat de tolk geen werk heeft. Ik leg hem uit wat we nodig hebben, welk aantal en welk formaat, en hij laat ons enkele modellen zien. We komen akkoord over de kostprijs, dit wil zeggen dat ik afding op zijn prijs terwijl ik zijn verhaal aanhoor hoe duur alles  is omdat papier en inkt en machines moeten ingevoerd worden uit de Westerse wereld. Met een handslag is het akkoord beklonken en dinsdag zullen de digitale fotoversies bij hem worden afgeleverd door onze tolk.

Nadien rijden we in escorte naar de straat waar de ene metaalhandel naast de andere gevestigd is: een open box die al dan niet kan afgesloten worden toont de koopwaar: metalen latten en profielen allerhande, buizen en ijzerdraad. Een soldaat van de escorte vergezelt de kapitein en Patrick. De anderen hebben de doorgang van de rijweg met hun unimogs versmald zodat alle verkeer als het ware door een te controleren vak moet. Gewapend houden een achttal mannen toezicht. Het zelfde scenario was er ook bij de drukker: een man mee naar boven, een soldaat houdt de wacht bij de ingangspoort en de anderen observeren alles.

Eens de aankopen bij de ijzerhandelaar, na prijzenvergelijk bij concurrenten, achter de rug, stappen we een eind verder, onmiddellijk en op de voet gevolgd door onze ‘beschermers’. Hier op straat zitten kinderen als knechtje bij loodgieters: met een hamer plooien ze stukken zink over een vorm, een routinewerk waarin ze zeer bedreven zijn. In de zon is het natuurlijk heerlijk om aan de slag te gaan, maar ik vraag mij af in welke omstandigheden zij dit werk moeten doen, eens het echt ‘winter’ is. De straat is één grote werkplaats waarin de kooplustigen zich een weg banen en gemakkelijk vinden wat ze zoeken. Hier geen dure etalages, geen prijzen op de artikels, geen reclameslogans, maar puur vraag en aanbod. En er gaat een gezelligheid uit van de drukte die hier heerst, een sympathieke omgeving waar mensen elkaar ontmoeten

Dan rijd ik met een unimog mee, helm aan en scherfwerend vest, om vanuit het voertuig ‘kiekjes’ te maken. Ik vermoed dat jullie niet alleen geïnteresseerd zijn in de ontplooiing van militaire activiteiten, maar ook en vooral in de mensen van Kabul, in hun levenssituaties, hun bezigheden, Ik zit op de eerste rij om het straatleven vast te leggen, en ik blijf mij verwonderen over de manier waarop voetgangers, fietsers, de enkele motorfietsers, de paarden- en ezelspannen, de auto’s en de stadsbussen zich bewegen in de smeltkroes van getoeter, lawaai, stank...

Even later zijn we in de wijk waar de ‘houtmarchands’ hun waren aan de man brengen. Vrouwen zijn nauwelijks in het straatbeeld op te merken. Terwijl er onderhandeld wordt over houtsoorten, volumes en prijzen kijk ik in de buurt rond en leg het volkse leven in digitale grootheden vast. Morgen heb ik weer materiaal om toe te vertrouwen aan het “www”, het wereld-wijde-web.

In KAIA zijn we tijdig om een hapje te verorberen, uiteraard na een hygiënische handenwas.

Voor mij wordt het nu tijd om mijn jaarlijkse kerst- en nieuwjaarskaart samen te stellen, want die wil ik ook in de Afghaanse drukkerij toevertrouwen, kwestie om de mensen hier ook een Euro te laten verdienen. Een meisje dat ik deze morgen kon fotograferen zal mij aanzetten mijn wensen vorm te geen, te vertrekken van de Kabulese realiteit.

Ik voel mij niet zo lekker, dus ga ik deze avond vroeg slapen. Zou er griep op komst zijn?

 

Zaterdag 29 november

Tegen 8.30 uur ben ik verwacht bij de franse Padré in de kapel. Hij nodigde alle medewerkers aan de kapel uit voor een ontbijt. Na een groet aan iedereen, zegt hij dat in de Middeleeuwen de mensen niet alleen in de kerken en kathedralen baden, maar er ook sliepen en aten. In die geest en goede traditie nodigt hij iedereen uit te eten en te drinken van wat klaar staat: Frans en Duits brood, ganzenleverpastei, magret de canard,  Beaujolais nouveau, koffie, fruitsap, adventsgebak, ... Ondertussen worden nieuwe contacten gelegd, afspraken gemaakt, moppen getapt... Een kerk (ecclesia) of kapel is echt een plaats van ‘ontmoeting’.

In de voormiddag worden de laatste foto’s klaargezet en via Outlook getransporteerd naar alle bestemmelingen. In de namiddag wil ik verder schrijven aan mijn dagboek en de viering voor straks voorbereiden. Maar het gaat mij niet. Geen inspiratie, en nog minder lust om te schrijven. Ik heb het gevoel dat op alle spieren van mijn lichaam druk wordt uitgeoefend. Ik heb koppijn, niet van de Franse wijn want ik drink ‘s morgens nooit wijn, wel koffie; de koppijn is voor mij het signaal dat er iets op komst is. Dan toch griep?

De viering verloopt stemming. Een eenvoudige adventskrans met vier kaarsen wordt aangestoken, achter in de hoek staan Maria en Jozef, levensgrote figuren, die blijkbaar onderweg zijn naar Bethlehem. Volgende zaterdag zullen ze al een stuk weg afgelegd hebben. Ik hoop dat ze tegen Kerstmis op hun bestemming zijn!

Na de viering komen we nog even met de staf samen om na te genieten van alle goeds dat mijn Franse collega mij meegaf na het morgenmaal. Zelf zorgen we voor enkele flessen wijn, en we maken de ganzenlever de magret ‘soldaat’.

Daarna nog even naar de ‘kiek-inn’, “één van de 27 bars en kantientjes die KAIA rijk is. Stel je geen luxueuze paleizen voor, maar een tent die al dan niet gezellig opgesmukt is, waar je recht staande een pintje drinkt uit blik, of een smirnov-limonade uit flesje. De ‘kiek-inn’ is pas weer geopend en het is er overvol. Ik blijf er niet lang, alhoewel mijn hart zegt: ‘blijf toch nog even’, maar mijn lichaam gebiedt mij te gaan. Die nacht slaap ik heel slecht, en voel pijn in alle spieren. Verkoudheid! Griep!

 

Zondag 30 november

Geen warme douche, noch een hete kom chocolademelk kan mij er bovenop helpen. Om 9 uur concelebreer ik met padré Michel. Ik voel dat het voor de rest van de dag niets wordt. Mijn dagboek zal niet tijdig verschijnen, maar je zult er niet wakker van liggen, of wel toch?

Dokter An bezorgt mij de nodige medicatie.

Het wordt een rustdag over de hele lijn, met als uitzondering de familietelefoons ‘s avonds.

‘Verzorg je goed’, geven ze me als raad mee. Ik ga slapen tegen 21 uur. Hopelijk ben ik morgen weer fit.

 

Maandag 1 december

De laatste maand van het jaar geeft je telkens terug het gevoel dat de tijd op hol geslagen is.

Bijna is weer een jaar voorbij! Waar is de tijd naar toe?

Ondanks alles heb ik het gevoel dat het jaar goed gevuld was (tot nu toe) en voor mij veel zinvolle momenten bevatte, veel kansen, veel dingen om aan te werken, ...

Ik besef ook dat het niet voor iedereen zo was: rondom mij zijn er veel mensen die vooral de harde kant van het leven zagen, en botsten en nog botsen op muren van hulpeloosheid, van niet weten waarom-en-hoe, van zware slagen onder de gordel omdat onze instellingen niet in staat zijn iedereen tot zijn ‘recht’ te laten komen, ... en als ik hier de mensen zie, en de kinderen, dan vraag ik mij af: wat moet er van hen geworden? Ik las gisteren een artikel in de Knack waarbij iemand stelde dat de armoede en de honger, het niet tot zijn ‘recht’ kunnen komen, geen toegang krijgen tot...  de wortels zijn van alle kwaad, dus ook van het terrorisme. Dit is een wereldwijde verantwoordelijkheid die niet kan ongedaan gemaakt worden door immense militaire kracht en overheersing, maar alleen door de lat gelijk te leggen voor wie dan ook op deze aarde! En geen supermensen en geen supervolk dat zich alles kan en mag permitteren!

De dagen zijn hier nog altijd schitterend: van ‘s morgens zeven uur schijnt de zon en staat aan een staalblauwe hemel tot rond vier ‘s namiddags. de temperaturen overdag zijn heerlijk, je loopt in je hemd buiten, maar dan duikt de temperatuur tot onder het vriespunt ‘s nachts. Volhouden, weertje!

Ik mailde een paar collega’s om te weten hoe het zit met de vergadering van de ‘chaplains’. Ik kreeg van niemand antwoord, en ook mijn Franse collega’s: zij weten het niet. Dus vandaag niet “buiten”.

Geen nood, ik heb werk genoeg: een glasraam maken voor de kapel, de Maria- en Jozeffiguur afwerken, mijn dagboek schrijven, de laatste hand leggen aan mijn kerstkaart, mensen opzoeken, stilaan de kerstvieringen voorbereiden, en een solidariteitsviering klaar maken voor morgen: op het tijdstip dat Jurgens’ moeder in Peer begraven wordt (10.30 uur), willen ook wij hier samenkomen (14 uur) en ons in gebed verbonden weten. De hele sectie zal er zijn, maar ook iedereen die zich vrij kan maken komt naar de kapel.

‘Nicht raisonnieren’, dus begin ik er aan en voor ik het weet zit de dag er op! Wat heb ik eigenlijk afgewerkt vandaag?

 

Dinsdag 2 december

In de voormiddag, na de cd-rom gebrand te hebben met de foto’s voor de wenskaarten, kopieer ik de teksten van de solidariteitsviering. Dan gaat het van hier naar daar, want ik moet terug mensen opzoeken waarvan de familie vindt dat ze te weinig in beeld komen. Ondertussen zeg ik overal goeie dag, luister naar de nieuwtjes, drink in de kantine een beker koffie, wordt aangesproken door een sectie die graag deze avond naar de mis komt, ...

Het middagmaal is meer een gelegenheid om weer andere mensen te zien. Ik ben gehaast, want ik wil tijdig de kapel klaar maken voor het solidariteitsmoment.

Muisstil wachten ze buiten, bijna onwezenlijk voor jonge mensen, en muisstil komen ze binnen, schuiven de banken in en de kapel geraakt goed gevuld.

De lezingen worden met aandacht beluisterd, ontroering klinkt in de stem van iemand die zijn tekst uit het hart zegt, tijdens de muziek hoor je ze ademen, en zacht schuifelen ze naar buiten als het slotgebed gezegd is. ‘Bedankt, padré, voor dit deugddoende moment.’

Nu haal ik mijn helm en scherfwerend vest, en onder escorte van een unimog rijden we naar de drukker. We komen maar langzaam vooruit, want het is spitsuur in Kabul.

Hetzelfde scenario speelt zich hier af: bij de ingangspoort stoppen de voertuigen, de soldaten nemen hun stelling in, één houdt de wacht aan de poort, een tweede komt mee naar boven.

De cd-rom met de foto’s wordt bekeken, de drukker probeert de schikking uit, voegt de tekst in, en na een laatste correctie zet ik het licht op groen. De kaarten kunnen gedrukt worden.

‘Volgende week dinsdag zal alles klaar zijn’, voorspelt de drukker.

Van de prijs heb ik nog iets kunnen afpingelen. Als je 6.000 kaarten laat drukken, mag dat wel!

 

Woensdag 3 december

De dokter vroeg mij om mee te gaan naar een kindercrèche, in één van de naburige dorpen. We reden er naar toe, zoals altijd onder escorte. Daar aangekomen bleek het om een verkeerd adres te gaan: de verantwoordelijk en enkele medewerkers woonden er wel, en we spraken af om op een ander moment naar de crèche te gaan.

Zodra wij arriveerden stroomden de kinderen naar ons toe, ze bleven maar komen: eerst waren er het enkelen, dan een tiental, dan tientallen en tientallen. Sommige meisjes droegen een baby op de arm of een uk van een kind, Een jongen had een grote jutezak bij zich, en was onderweg. Verlegen bleven sommigen staan en gluurden van achter een hoek naar ons, naar de pandour, naar de jeep en naar de unimog.  Dan werden ze stouter en waagden zich achter de rug van anderen: hun nieuwsgierigheid werd groter dan hun angst.

De pret begon eerst toe de doc haar fototoestel boven haalde en de kinderen fotografeerde. Ze liet hen nadien kijken naar het beeldschermpje, waarop ze zich zelf herkenden, en luid proestend wegliepen om het aan anderen te vertellen. Wie ook maar een fototoestel bij had, werd als het ware aangevallen met smekende oogjes om toch maar geportretteerd te worden. De spel kwam tot een hoogtepunt toen snoep werd uitgedeeld. Dit ging zo maar niet: het werd een drummen en verdringen en onder de voet lopen. Dat was dan voor ons te veel van het goede. Dan maar proberen wie het vlugst was: Kristof kroop op de pandour met snoep in de hand en wenkte de kinderen het gevaarte te beklimmen. Eerst was er niemand, dan één die zijn stoute schoenen aantrok, weldra gevolgd door een tweede en een derde. De kleinsten stonden beteuterd te kijken, de pandour was een onoverkomelijke hindernis om ook maar aan een snoepje te geraken. Dit hadden we vlug door en iemand anders bezorgde onopgemerkt snoep aan de kleinsten. Dan werd de bekende sinterklaastactiek gehanteerd: snoep werd in de lucht gegooid, nu eens naar links, dan weer naar rechts, zodat de kleurrijke bende halsoverkop van het ene punt naar het andere liep in de hoop iets te kunnen bemachtigen.

We keren er nog terug, met meer suikergoed, en misschien vinden we nog het één en ander om uit te delen: stylo’s, potloden, gommen, ...weet je, soldaten hebben een heel klein hartje wanneer ze met kinderen te doen hebben; het liefst van al zouden velen niets liever wensen dan in hun opdracht dicht bij de mensen te kunnen staan en te helpen met alle mogelijke middelen. Ook dat is een facet van ‘humanitaire opdracht’!

 

Donderdag 4 december

De leden van de Koksijdse muziekgroep zijn gearriveerd. Bijna allen zijn het luchtmachters en zij hebben een programma klaar voor onze soldaten. Morgenavond zullen zij optreden in de ‘Airforce 1', die van de Duitsers is gevraagd. Zij zullen niet alleen optreden voor onze mensen; ook de Fransen, en Spanjaarden en Duitsers en Letten en Noren zijn uitgenodigd. Het belooft zeer goed te worden.

Lieve is de zangeres van de groep en werkt als onderluitenant bij de dienst Public relations van Defensie.

Deze dag staat ook in het teken van het bezoek van de Amerikaanse defensieminister Rumsfeld. Onze snipers (scherpschutters) hebben hun posities ingenomen en zorgen mee voor een optimale beveiliging. In de namiddag zal hij terug vertrekken met een machine van het Amerikaanse leger. Als er één man is die mij liever verloren is dan gevonden, dan is het deze minister. Hij ligt mee aan de basis van de uitzichtloze oorlog tegen Irak. Als een aasgier die zijn vleugels uitspreidt om zich op zijn prooi te werpen, en met scherpe blik de einder afspeurt naar nog meer en nieuwe prooien, zo typeer ik hem. Ik vraag mij af wie of wat hij dient: het belang en het welzijn van alle mensen, of alleen de drift naar tomeloze macht, de Amerikaanse economie die moet gediend worden, en de onverzadigbare geldhonger van individuen? Sorry, Heer, als ik zo over een mens schrijf, en hem niet liefheb, maar ik ben ook maar een mens’!

 

Vrijdag 5 december

Nog altijd is mijn voorgenomen programma niet afgewerkt. Het lijkt wel of ik alleen maar beloftes doe aan mezelf maar niet in staat ben ze te realiseren. het moet gezegd worden, ik krijg weinig of geen kans om ‘mijn werk’ af te maken. Altijd is er wel iets dat naar mijn aanvoelen belangrijker is, iemand die voorrang moet krijgen, een situatie die ik kan helpen verbeteren, ... het is nu zo: ik voel mij er zeer goed bij als mensen op mij een beroep doen, en als ik onmiddellijk kan reageren.

Mijn werk zal wel eens afgeraken, is het vandaag niet, dan morgen. Weet je nog wat Pa altijd zei over ‘morgen’?

Wat ik wel eerst en vooral aanpak is mijn kamer een grondige poetsbeurt geven. Jullie hebben er geen idee van hoeveel stof hier in de lucht hangt en zich overal neerzet. En je kunt toch het raam in je kamer niet altijd gesloten houden, en ook niet met een stofdoen staan wachten om het neervallend stof telkens voor te zijn. Eerst met borstel, handborstel en veegblik de kamer (container!) uitgekeerd, nadien met een emmer water en een flinke scheut dettol gedweild, en ik kan je verzekeren dat het een aangenaam gevoel heeft nu binnen te komen. Alles is terug aan de kant, een nieuw huis...!

Vandaag krijgen de plannen gestalte die we bekokstoofd hebben: morgen is het het feest van Sinterklaas, en wij schreven hem een brief om bij ons voor bij te komen. Kan je nu al raden wat in die ene kartonnen doos steekt die tot nu toe gesloten bleef?

Hier en daar wordt gefluisterd, en gezwegen als iemand plots binnen stuikt. Morgen, morgen, kinderen, is de grote dag!

Vanavond is er het eerste optreden van onze muziek- en zanggroep. Tegen acht uur loopt de “Airforce 1" vol. Voor de gelegenheid is de zaal uitgebreid door de tussenschotten te verwijderen. Een heus podium is opgesteld en ‘vol verwachting klopt ons hart’. Met een paar stevige nummers wordt de beuk erin gezet, en het duurt niet lang of de ‘ambiance’ is er. Hier en daar wordt zelfs een dansje gewaagd en de gelukzaligen van de avond zijn natuurlijk de dames die in gering aantal zijn, en juist daardoor zo gegeerd.

Na het optreden werk ik verder aan onze website. Ik zal deze nacht meegaan met kapitein Gert die al zijn mannen en vrouwen een bezoek brengt op hun respectievelijke observatieposten. We maakten een afspraak om te vertrekken om 01.00 uur. Het werk schiet op en ik hoop dat het resultaat jullie allen zal bevallen. om 0.45 ga ik nog even naar mijn container, haal zaklamp en scherfvest en stipt om 01.00 uur ben ik in het kantoortje van Gert. We doen alle posten aan, blijven hier of daar wel iets langer hangen, ik informeer naar de werkomstandigheden, ‘rust je wel genoeg?’, ‘wanneer ben je aan de beurt voor de nachtelijke uren?’,... Morgenvoormiddag zal ik ze allen terugzien!

Als we terug zijn en ik naar mijn container ga is het iets voor drie uur. De maan staat bijna volledig bol en overgiet het landschap met een toverachtig licht. Spontaan neurie ik: zie de maan schijnt door de bomen, makkers staakt uw wild geraas;;;!

 

Zaterdag 6 december

Ik heb te weinig geslapen, ik voel het. Hopelijk wreekt zich dat niet vandaag. Om 10.30 uur is de geheime afspraak van de samenzweerders in de ‘infirmerie’. Daarvoor heb ik nog de tijd om de laatste hand te leggen aan de viering voorn de tweede adventszondag. De Duitse ‘Presse-offizier, met wie ik gisterenmorgen ook al een afspraak had, komt informeren of ik meewerk aan de uitgave van een persoverzicht, aangevuld met actuele KAIA-feiten. Hij toont mij een verslag dat hij maakte over het muziekgebeuren van gisterenavond. Hij vond het een grandioos optreden. Ik moet hem een beetje ontgoochelen door te zeggen dat het niet voor vandaag zal zijn, want mijn dagplanning laat niets meer toe.

Even na 10.30 u ben ik in de infirmerie. Ik zie er toffe gasten die bijna uit de bol gaan wanneer ze zich zwart schminken en kleurrijke kledij aantrekken, soms met duidelijke camouflagetrekjes. Voor mezelf hangt er een bisschopspak klaar, en zonder enige ambitie voor deze stiel, verander ook ik van uitzicht. Baard en pruik en mijter geven mij een buitenaards gevoel. Ik zal vanaf nu toch niet veel met beide voeten op de grond mogen staan, want buiten staat de pandour te wachten, met een stoel bovenop vastgemaakt, en een ladder om de stalen ezel te beklimmen. De zwarte pieten, en zelfs een zwarte miet, (of is het Mietje), zijn nu ook buitengekomen en nadat alle cadeaus in de buik van het monster verdwenen zijn, steken we van wal (term eigen aan de Zeemacht - ere wie ere toekomt!).

We doen terug alle observatieposten aan, halen de geschenken boven, verdelen het snoepgoed, versterken het gelegenheidskoor dat voor ons een heus Sinterklaaslied ten beste geeft, zegenen onderweg de voorbijgangers die deemoedig blijven staan en soms van de bonte stoet een eeuwige digitale herinnering willen bewaren.

De sint en zijn trawanten zijn zo vol van het hartverwarmend werk dat zij uur noch tijd kennen, en niemand mag vergeten worden. Het is na drie uur als we uiteindelijk kunnen uitblazen in de kantine en een beker koffie doet deugd! Hoeveel kinderhart(jes)en hebben we vandaag niet gelukkig gemaakt?

Het avondmaal is voor mij de eerste maaltijd van de dag. De Linseneintopf smaakt mij heerlijk. Straks is er nog de viering, en nadien ‘Feierabend’, dwz. dat ik niet lang op zal zijn.

Rond 21.30 uur drinkt ik voor het eerst een ‘Leffe’ in onze kanrtine. Om 22.00 uur maak ik mijn nachttoilet. Doodop kruip ik onder mijn dekbed, maar met een overheerlijk goed gevoel. Het was al lang geleden dat ik de Heilige Man in hoogsteigen persoon mocht overdoen. Slaapwel.

 

Zondag 7 december

Wie zegt nu ook weer dat elke dag op KAIA gelijkt op elke andere dag? Ik vind de zondag anders dan anders, omdat we een uurtje langer kunnen slapen en niet voor 8 uur moeten ontbijten. Ik geniet dan ook van elke minuut die mij extra gegund wordt, ook al doe ik geen oog meer dicht. De voorbije weken komen mij voor de geest, als een film die begon met de vraagstelling vanuit de Aalmoezeniersdienst in de tweede week van augustus (12 augustus 2003) om naar Kabul te vertrekken. Adjunct Paul vroeg mij om in september te vertrekken, mee met Bevrijding, maar ik wist uit goede bron dat ze ten vroegste eind oktober zouden gaan. Hij liet dit controleren en bevestigde me telefonisch (ik was toen in Maloja-Zwitserland als centrumaalmoezenier van de CM-Jeugdkampen) dat het eerste bericht fout was. Ik realiseerde me toen dat de voorbereidingstijd toch kort zou zijn: een heel dossier in orde maken, medisch onderzoek naar geschiktheid, inentingen, afhalen van alle materiaal, deelnemen aan cohesiekamp en syntheseweek, klaarmaken van koffers, ... dus keerde ik vroeger uit Maloja terug.

Ik was van einde juli 2002 tot 30 november 2002 in Kosovo geweest, en had gehoopt dit jaar geen zending te moeten doen. Maar als ‘mijn mensen’ gaan ga ik mee, heb ik altijd gezegd. Dus, eens thuis trok in naar ‘Bevrijding’ en informeerde mij over de opdracht. De eerste data-gegevens werden genoteerd en op de vraag van de kolonel hoelang ik zou blijven zei ik naïef-weg: ‘natuurlijk, de vier maanden’. Het leek mij en het lijkt mij nog altijd evident dat een padré , zoals de soldaten, zolang blijft als de zending loopt. Hoe kan je tenslotte een vertrouwenspersoon zijn, wanneer je na twee maanden terugkeert, al je contacten en gesprekken met de soldaten verbreekt, en weet dat juist nu, na die twee maanden, de meeste mensen op jou een beroep zullen doen, omdat nu eenmaal de derde maand de zwaarste maand van de zending is, met de meeste menselijke en spirituele problemen, spanningen in relaties en gezin, afwezigheid van thuis die door weegt, de eentonigheid van de opdracht, de onderlinge verhoudingen in de sectie en in het peloton, het fysisch en psychisch moe worden,... Als je dan een luisterend oor hebt, dag en nacht toegankelijk bent, dan kan je soms wonderen verrichten.

Tot nu toe is de regel in de Katholieke Aalmoezeniersdienst dat je als padré 2 maand meegaat (vroeger was dit wel degelijk anders), wat volgens mij eerder de uitzondering zou moeten zijn. Naar mijn mening die gedeeld wordt door andere aalmoezeniers zou je als padré de hele zending moeten blijven, je vertrekt met de soldaten, je keert met hen terug naar huis. Dit zou de regel moeten zijn. Dit is ook de overtuiging van officieren en soldaten, die niet nalaten het vertrek na twee maanden als een vlucht te beschouwen. Gelukkig weten zij dat niet de ‘padré’ hierover beslist!

Tussen dromen en wakker-zijn kwamen deze gedachten bij mij op, omdat ze mij voortdurend bezig houden. Een sec bericht van de aalmoezeniersdienst aan de Kolonel van Bevrijding en ter info aan mij zegt dat:

“1. Voor de periode november 2003 -eerste week van januari 2004 ISAF IV/2 is de aalm.

De Paepe aangeduid.

2. De tweede periode, eerste week van januari 2004 tot einde ISAF IV/2, wordt de aalm.

Geert Dewulf aangeduid.

3.De twee padré's zullen elkaar in Kabul gedurende enkele dagen ontmoeten om de

overgang optimaal te laten verlopen.”

Ik zal dus begin januari terug naar huis komen en ik zal mij verheugen jullie allen terug te zien. Maar het zal niet mijn keuze zijn, omdat ik weet dat mijn plaats in Kabul is, bij ‘mijn’ mensen. Ik word verplicht mijn eigen visie op padré-zijn-op zending te verloochenen, niet omdat mijn visie niet gefundeerd zou zijn, of niet gemotiveerd is, maar omdat één iemand zegt dat het zo is en niet anders. Ik heb het er zeer moeilijk mee en ik weet niet of ik mij nog langer kan engageren voor een buitenlandse opdracht, zonder mijn eigen geloofwaardigheid op het spel te zetten.

 

De rest van de zondag, na het gewone gedeelte van de morgenviering om 9 uur bij de Fransen, en bezoekjes allerhande, is voorbehouden om mijn dagboek in orde te brengen. Het wordt een hele karwei, maar ik ben gelukkig als ik ‘s avonds dagboek 4 en 5 naar jullie kan doormailen.

 

Maandag 8 december

Feest van O.L.Vrouw Onbevlekt Ontvangen. Maria zelf zou aan Bernadette gezegd hebben dat Zij, zoals wij zingen in het Lourdeslied, de ‘Onbevlekte en zuivere Maagd is’, ‘gans vrij van de zonden heb ik God behaagd’. Deze avond is er een plechtige viering in onze kapel.

Om 10 uur ben ik op de plaats van de afspraak: buiten het stafgebouw, aan de infirmerie. Michel, mijn Franse collega, wacht me op en we rijden samen met twee gewapende soldaten naar Camp Phenix, één van de Amerikaanse bases. Het is maandag, dus Padrésdag. Het ziet er niet naar uit dat er vandaag veel volk zal afkomen, en na de verwelkoming en de koffie zijn we juist met zes. Het is een mager gedoe, zonder programma, alleen maar wat babbelen; ik verwacht meer van de Amerikanen. Rond 11.15 uur gaan we naar de px, dat is een soort taksvrije winkel. Het aanbod is klein, in vergelijking met de Amerikaanse px’en in Kosovo. American food, wat kledij en souveniers, enkele cd’s en dvd’s, toiletgerief en een beetje electronica. Je kan er alleen met dollar betalen (typisch Amerikaans), en geen briefjes van 100 $. Na onze ‘kerstshopping’ gaat het naar het restaurant. Ook hier is de sfeer typisch en gekend door alle liefhebbers van ‘fastfood’. Overal staan tv’s open en spuwen hun programma’s met de warmte van de hete-lucht-blazers in je gezicht. Gezellig kan je het er niet noemen. Velen zitten moederziel alleen hun ‘foodfast naar binnen te werken, terwijl ze niet aflaten alles op tv te volgen. Met cola worden alle gaatjes gevuld. Mens, wat heb je toch Amerikaanse militairen met ‘een maatje meer’! Zou de eetstijl daar iets mee te maken hebben.

Het voedsel heeft nog niet zijn weg naar de maag gevonden, of we stappen al op.

Om uiteindelijk niets anders te doen dan ‘goodbye’ te zeggen en tot de volgende week in Baghram.

De Franse soldaten die ons komen ophalen hebben blijkbaar wel van hun eten genoten, want ze komen met een half uur vertraging toe. In rodeo-stijl vliegen we door het drukke verkeer terug naar KAIA. Ik geraak er maar niet aangewend met welke agressiviteit onze militairen hun ‘ding’ doen in de straten van Kabul. Ik ben blij als we terug ‘thuis’ zijn.

Deze avond stormt het geweldig en de regen klettert tegen de containerwanden. Het is geen weer om er een hond door te jagen ... en dit vijf minuten voordat de Mariaviering begint. Toch komen ze af, met opstaande kragen, regenjassen en -broeken aan, de muts tot over de oren getrokken: de Franse militaire Politie wiens patroonsfeest in de h. Geneviève (Genoveva) gevierd wordt, en de anderen, een kapel vol. De stemming is goed en na de viering is er een receptie voor de leden van de MP. De voltallige Franse legerstaf is er ... en een Belgische padré. Santé!

 

Dinsdag 9 december.

Vandaag is het een gouden feestdag voor onze Wim. Ik word wakker en denk aan hem. Waarschijnlijk is hij nu bij zijn internen en slaapt nog. In België is het vier uur ‘s morgens. Ik wens hem een aangename dag toe. Deze avond zal ik hem bellen, zoals afgesproken.

Na de morgenpost en een overzicht van de krant gaan kolonel Miel, Patrick de Luxemburgse luitenant, een chauffeur-wacht en ik zelf naar een schooltje, niet zo ver van KAIA. Een enorm groot terrein is ommuurd. Tegen de langste zijde staan een aantal muren recht, bij sommigen ligt er iets op dat misschien wel een dak zou kunnen zijn, nergens hangt een deur aan. Wat verder staat een stenen gebouw waaruit Afghanen stapels boeken en schriften brengen naar een serie witte tenten. Bij de eerste tent staat buiten een schoolbankje, stijl 1930. Na even wachten komt een man naar ons toe, en door middel van onze tolk maken wij ons verstaanbaar. Wij vertellen hem dat onze defensieminister die ons rond Kerstmis bezoekt, geschenken zal uitdelen aan de leerlingen van de school. Ik lees ondertussen op de tenten dat zij aan het Duitse leger toebehoren. Met een tweede man die naar ons toestapte, de directeur van de school, betreden wij de eerste tent. Een twintigtal schoolbankjes staan zo opgesteld dat je je er met een schoentrekker moet inwringen. Voor ons zitten een zestal leerkrachten, op de hoogte van ons bezoek. Via de tolk komen we één en ander te weten over de school. 2400 kinderen worden hier dagelijks opgevangen in twee shiften: ‘s morgens komen de meisjes, ‘s namiddags de jongens. Er wordt onderricht gegeven te beginnen met de zevenjarigen, en tot de 13-de klas kan je hier les volgens. Het onderwijs is kosteloos. De leerkrachten verdienen maandelijks tussen de 40$ en 50 $, maar het gebeurt vaak dat ze tot zes maand moeten wachten vooraleer ze een cent zien. De directeur zegt zelf dat hij 45$ per maand verdient.   

In het schoolregister toont men ons de meer dan 2400 ingeschreven leerlingen. Ook de handboeken en de werkschriften worden ons getoond. De leraar Engels is fier dat hij ons ‘zijn’ werkboek kan laten zien, maar vlot ter tale is hij niet om ons te woord te staan. Dan is er de thee en de koekjes die met een grote gastvrijheid worden aangeboden. Maar dit ritueel kondigt ook het einde aan van het gesprek. Over de hobbelige zandweg, en door moerassige gedeeltes waar waterplassen de ware aard en structuur van de grond laten zien, schuiven we naar KAIA.

De namiddag belooft. Ik kreeg een uitnodiging om mee te vliegen met een Duitse helicopter, een HR53. Om 13.00 uur sta ik gepakt en gezakt, dwz. met helm, kogelvrij vest, en rugzak. In de rugzak natuurlijk mijn fototoestel, maar ook mijn handschoenen en een warme fleece, want wij vliegen met open achterklep.

Tegen 13.30 uur gaan we naar de helicopterbasis en nemen de eerste foto’s. Wij vliegen met twee helicopters, reusachtige tuigen die gemakkelijk aan 40 mensen plaats bieden. In onze heli vliegen 10 passagiers mee. Vooraan links en rechts, achter de piloten, hebben twee scherpschutters plaats genomen die vanuit een open raam de omgeving in het oog zullen houden. Achteraan is de laadklep open, en ook daar zal een soldaat zijn vaste stek hebben, en beurtelings met een makker afwisselen.

De rotorbladen draaien op volle snelheid, maar er komt geen beweging in de heli. Integendeel, de rotorbladen vallen terug stil, en we moeten er allen uit. Er is overleg met de crew en dan blijkt dat er even gevaar was voor ‘missiles’. Na een 10-tal minuten kunnen we terug onze plaatsen innemen, de motoren starten en ... weg zijn we. We taxiën naar de startbaan, en zonder dat je het merkt

hangen we in de lucht. Het wordt een tocht van ruim anderhalf uur. We volgen een rijweg, komen in het bergland, stijgen over kammen, dalen in kloven, wentelen en keren in de lucht, landen even op een nauwe plaats met loodrechte wand van een ravijn naast ons, springen terug de lucht in om even later weer naar beneden te duikelen, we vliegen midden een besneeuwd landschap, zien toch hier en daar nog herders met hun kudden die naar ons wuiven, scheren over huizen van kleine bergdorpjes, stijgen hoger en hoger - komt er dan geen einde aan- we kunnen als het ware de hellingen met onze handen aanraken, en dan opent zich voor ons het hoogplateau waarop Kabul ligt. Zo heb ik de stad nog niet gezien: welke ravage heeft de oorlog hier niet verricht! Je geraakt niet uitgekeken op de ellende, de poverheid, de vernieling... en toch zijn overal mensen op de been, ze sleuren met primitieve middelen armzalige materialen aan, ezelskarren vol knoestige houtblokken of met een scheefhangende laadbak gevuld met zand... Het lijkt of er aan het geduld en de creativiteit van de Afghaan geen einde komt. Plots vliegen lichtkogels rondom ons, de waarnemers kijken scherp toe, ik zie de kleur op het gezicht van Elke wegtrekken, ik vermoed wat ze nu denkt, en ook de anderen schijnen er niet gerust in te zijn... maar ginds komt KAIA al in zicht, nog enkele minuten vliegen en we voelen weer vaste grond onder onze voeten...

Met een zucht van verlichting en de duim in de lucht wensen wij elkaar proficiat. Voor onze piloten was het een routinevlucht. Voor ons: een ervaring om nooit te vergeten!

 

Er is nog heel wat werk te verrichten aan de website www.kaboul.be. Ik laat geen minuut verloren gaan, en wanneer ik rond 23 uur naar onze Wim bel, is de klus nog niet geklaard. Van harte gefeliciteerd, Peetjen, je bent halfweg! Onze babbel wordt tweemaal onderbroken door de grillen van het telecomnetwek, maar telkens opnieuw zetten wij door. Ook deze avond zal heel de familie samenzijn en drinken op broers gezondheid. Maar ik zal er ook een beetje zijn in de kleine verrassing die ik voor iedereen uit Kabul liet bezorgen. J’adore...

 

Woensdag 10 december

De voormiddag is er één zoals je er twaalf hebt in een dozijn. Niet om over naar huis te schrijven.

Ik heb een afspraak met de drukker tegen 11 uur. Hij zal ons de postkaarten en de enveloppen. Het wordt toch nog 12.15 uur vooraleer de ‘maingate’ mij oproept voor ‘bezoek’. Ik ijl er heen, en na enkele formaliteiten mag de drukker binnen. Met een paar wachters dragen we de zware pakken naar een kantoortje. De kaarten zien er voortreffelijk uit, maar over de prijs geraken we niet akkoord. Alhoewel we een stukprijs afgesproken hadden maakt de drukker moeilijkheden. Nu eens is het zijn papier dat zo kostelijk is, dan weer de verschillende clichés die hij moest maken... na anderhalf uur palaveren, over en weer lopen, getuigen er bij halen, gaat hij toch akkoord. Tegen 15 uur zal hij terugkomen met de enveloppen die hij vergat, en met een juiste rekening. Als hij wegstapt naar de maingate zie ik het middagmaal aan mijn neus voorbij gaan. De keuken sluit om 13.30 uur. Ik sterf niet van de honger!

Nu is hij er stipt om 15 uur, met drie zakken vol kartonnen doosjes (enveloppen) en de rekening. Met een glimlach aanvaardt hij de Dollar en de Euro die ik hem betaal en wenst mij salaam toe.

Onze mensen kunnen beginnen schrijven aan hun kerstkaarten. Hopelijk krijgt iedereen ze tijdig in de bus.

Donderdag 11 december - Vrijdag 12 december - Zaterdag 13 december

Er gaat geen dag voor bij of enkele mensen spreken mij aan. Het zijn vertrouwelijke gesprekken en soms neem ik de mensen mee naar mijn container waar we ongestoord kunnen praten. Ik voel aan dat er heel wat spanning in de lucht hangt. We zijn de zesde week ingegaan, vermoeidheid laat zich voelen, mensen stellen vragen naar hun opdracht en naar de wijze waarop bevel wordt uitgeoefend. Sommigen storen zich echt aan de kleine kanten van anderen, die dan weer geen kleine kanten blijken te zijn, maar onhebbelijkheden waar moet op gereageerd worden. De draagkracht van sommigen nadert het peil van ‘nu kan ik niet meer’. Het is niet gemakkelijk om een groep mensen, die uit verschillende eenheden komen, met elk zijn eigen cultuur, te laten samen-leven en -werken. Komt daarbij dat de groep ook uit twee taalgroepen bestaat. Een verwijt dat ik vaak hoor is: ‘wij zijn van geen tel, wij zijn geen infanteristen’ of met minachting wordt gesproken over ‘de blauwe mutsen’ (logistiek). Dan weer zijn het de mensen van de luchtmacht die niet deugen,... Wat mij opvalt is dat elkeen zich enorm inspant om zich eigen taak naar behoren te volbrengen, maar dat het mank loopt met het appreciëren van elkaars werk. Er zijn ‘chefs’ die nooit een goed woord hebben voor de mechaniekers, of voor één of andere categorie die achter ‘de schermen’ werken, die instaan dat elkeen zijn opdracht ‘kan’ vervullen. Geef de mensen een pluimpje, zegt Bond zonder Naam, en de mensen krijgen vleugels.

Als je alleen door de bril kijkt van je eigen vorming, van je eigen opleiding, ziet je het kleurenpalet niet van al het andere dat daarbuiten ligt. En dat kleurenpalet kunnen zien en waarderen, de schakeringen en de wisselende tinten, geven een extra dimensie aan het leven. Noch het leven, noch een opdracht kan je bekijken door een wit-zwarte bril, zo niet ben je ziende ‘blind’.

Een goede chef moet het beste in een mens weten boven te halen: zijn mensen zijn de garantie dat zijn opdracht niet kan mislukken. Als Jan Soldaat zich aangesproken voelt, weet dat hij meetelt, dat zijn taak - hoe klein ook - belangrijk is in het geheel, wanneer hij mag meespreken in zijn sectie en voor volwaardig wordt aanzien, wanneer niet voortdurend gewezen wordt op de fouten die hij maakt, maar wanneer hij voelt dat zijn ‘meerdere - in jaren, in ervaring, in kennis’ hem laat delen in die ervaring en hem niet laat knotsen, wanneer elke fout wordt aangegrepen om hem nog beter te vormen, zodat hij kan groeien ook uit de fouten die hij maakt, (en welke mens heeft nooit fouten gemaakt en maakt niet nog altijd fouten?!), wanneer ‘mildheid’ en ’geduld’ menselijke deugden mogen zijn ook in een militair milieu, wanneer Jan Soldaat ervaart dat zijn ‘chef’ een hart voor hem heeft, dan zal hij voor die ‘chef’ door een vuur gaan. Geen opdracht zal te zwaar zijn want hij wordt gedragen door de groep, zijn sectie, en door zijn chefs. Jan Soldaat verdraagt niet, evenmin als jij en ik, dat je wordt afgeblaft, dat je niet meetelt, dat je bedreigt wordt met sanctie en rapport omdat je je mening eerbiedig en openlijk zegt; Jan Soldaat begrijpt niet dat de mensen in wie hij vertrouwen moet kunnen hebben, hem niet zien staan, dat zijn ‘chefs’ onder één hoedje spelen; hij voelt zich de ‘kleine  man’ die altijd wel het ’kooltje-zal-blazen’ (om het met een Gentse uitdrukking te zeggen).

Uit vele gesprekken meen ik een angst waar te nemen, een schrik voor de ‘almacht’ van de chef. Iemand zei mij, en het werd door anderen bevestigd, dat niemand nog zijn mond durft open te doen omdat er een zekere terreur (mijn woord) heerst; wie spreekt krijgt altijd het deksel op zijn neus. Blijkbaar wordt de boodschapper geviseerd, en begrijpt men niets van de boodschap die gebracht wordt.

Er is veel ongenoegen, niet over het werk, niet over de opdracht, alhoewel de last hiervan niet te onderschatten valt en ik de indruk krijg dat sommige dagen ‘menselijk’ zijn, en andere dagen weer niet door de aanhoudende paraatheid, bezigheid, de weinig rust, de weinige tijd voor zichzelf -mailen, telefoneren, ...

Er is veel ongenoegen omdat de sfeer waarin men moet werken en de wijze waarop, jonge mensen (zij, de chefs, zijn de sterksten en de meest ervarenen) elk perspectief ontneemt om een leven als Jan Soldaat uit te bouwen. Ik vrees dat er heel wat zullen aftekenen eens ze terug thuis zijn. Eigenlijk zou een buitenlandse opdracht de springplank kunnen zijn voor een militaire loopbaan, omdat men de smaak van het ‘soldaat’ zijn te pakken heeft gekregen, omdat men kan worden wie men zou willen zijn.

...

Donderdagnacht en vrijdagnacht schrok ik er van wakker. Ik kon niet verder slapen. Het leek me een nachtmerrie te zijn, en tussen waken en slapen overwoog ik alle stappen die zouden kunnen gezet worden om het ongenoegen op een positieve manier te doen keren. Ik weet het echt niet wat er kan gebeuren, te meer omdat ik overtuigd ben van de grote inzet van heel wat mensen (ook van de chefs) en van hun zorg voor hun ondergeschikten. Ik vraag me af in hoever ze zich bewust zijn van het pijnlijke in de huidige situatie en in hoever ze zouden kunnen meedenken en stappen zetten die het tij doen keren.

Ben ik laf als ik hierover zwijg, of moei ik mij met dingen die mij niet aangaan? Als padré wil ik op de eerste plaats ‘pastor’ zijn, herder. Dit houdt ook in dat ik op de laatste plaats ga staan en weet dat ik geen gezag kan laten gelden. Toch zien heel wat mensen in mij meer dan een priester die de mis leest. Zij schenken mij hun vertrouwen, zij rekenen op mij. Naar iedereen wil ik luisteren, ik poog hen te begrijpen, ik probeer mij in te leven in ‘hun’ situatie, ik wil hen helpen relativeren (in relatie brengen), de feiten en de omstandigheden niet bekijken in wit-zwartverhoudingen, en zoeken naar concrete oplossingen die in hun eigen mogelijkheden liggen...

 

Zondag 14 december

Onze website www.kaboul.be is in orde. Het heeft veel zweet gekost, en ik kan Sandy niet genoeg bedanken voor elke inspanning en elk pogen om de fouten te verbeteren, om de website te ‘upgraden’, om ze voor elke bezoeker interessant, gemakkelijk en aangenaam te maken. Sandy, wanneer je dit leest, hoop ik dat je ook een beetje de dankbaarheid voelt van heel veel families en vrienden van onze militairen in Kabul, die met de foto’s op de hoogte blijven van wat hier gebeurt. Ook hoop ook dat het voor jou een duwtje in de rug is om verder de wegen van de tele-informatica te gaan en er een toekomst in uit te bouwen.

Vandaag vernemen we dat Saddam Hussein gevat is. Er moet geen loflied gezongen worden, daarvoor moeten we wachten tot elke dictator, elke tiran van zijn sokkel is gehaald, en tot elke mens kan leven in een wereldgemeenschap waarin broederlijkheid, gelijkheid en vrijheid bestaat; een wereldgemeenschap van mensen waarin niemand iets te kort heeft of zich te kort gedaan weet, een wereldgemeenschap als een ‘nieuw Jeruzalem’ waarover de profeten het hebben. Het hart van die wereldgemeenschap zal God zijn, gesymboliseerd in de liefde van man en vrouw. Maar die God moet nog geboren worden, en daarom moet het elk jaar weer opnieuw Kerstmis worden.

Een zalige adventstijd en tot volgende week!

 

Maandag 15 december

Ik voel me nog altijd niet kiplekker: waarschijnlijk zorgen de sterke temperatuurverschillen tussen dag en nacht én het alom tegenwoordige stof dat helemaal niet ‘kosjer’ is voor de nodige ongemakken en vormen een vertraging in het genezingsproces.

Ondanks hoest en kopvalling ga ik vandaag mee met mijn twee Franse collega’s naar Bagram, ten noorden van Kabul, en juist buiten de sector van ISAF. Baghram is een belangrijke stad waar één van de grootste Amerikaanse kampen ligt. daar is het vandaag te doen: de wekelijkse vergadering van de ‘chaplains’. We vertrekken rond 8.45 uur met twee jeeps, en zitten geflankeerd tussen Franse soldaten. De achterklep van de jeeps zijn geopend, zodat we iets van het landschap kunnen zien dat wij doorkruisen. De eerste kilometers, buiten KAIA, rijden we langs reusachtige terreinen die bezaaid zijn met brokstukken van neergehaalde gevechtsvliegtuigen en ontplofte burgervoertuigen. Nog nooit zag ik zo een chaos van roest ijzer en verwrongen staal. De oorlog moet hier heel hevig geweest zijn, het juist aantal doden zal wel niet bekend zijn. Na heel wat bochtenwerk verlaten we de zandpiste en komen via een checkpoint, gecontroleerd door Tadzjieken, op de openbare weg. (De Tadzjieken vormen 25% van de Afghaanse bevolking en zijn oorspronkelijk van Iraanse oorsprong. De nieuwe militaire macht in Afghanistan bestaat voor een groot deel uit Tadzjieken. Zij voeren bewakingsopdrachten uit, o.m. in en rond de burgerluchthaven van Kabul). We rijden in noordelijke richting, ongeveer anderhalf uur lang, op een geasfalteerde weg, op sommige plaatsen erg beschadigd, een weg die zich door valleien heen slingert. De dorpen langs de weg vertonen allen de sporen van oorlog en geweld, sommigen zijn zo toegetakeld dat ze op spooksteden lijken, geen levende ziel is er te bespeuren. In andere dorpen wonen de mensen in en tussen het puin, een rechtopstaande muur is vaak voldoende om met bricolagewerk een ‘woonplaats’ te creëren. Op de kruispunten van de wegen zijn meestal armtierige stalletjes opgesteld waar nijverige zakenlui proberen hun goedje aan de man te brengen. Armoe is troef - overal - voor zover je kunt kijken; armoe in de huizen, armoe en miserie op straat, armoe in de winkeltjes en kraampjes, stukgeschoten huizen waarvan enkele muren recht zijn blijven staan, geen ramen erin, geen deuren erin, maar wel mensen die er in en uitgaan, vensteropeningen afgedicht met doek of plastic, karren met houten wielen vol takkenbossen worden voortgetrokken door oude bebaarde mannen, kleine kinderen in gescheurde en verkleurd kleren met peuters op de arm staan wachtend aan de waterpompen. Straks is het hun beurt om het kostelijke water in een plastic jerrycan te pompen en naar huis te brengen. Soms zie je een armpje de lucht ingaan om ons een groet toe te werpen, een lach verschijnt als we terugzwaaien maar we zijn al te ver weg om de smekende blik in hun ogen nog te zien: ‘heb je chocolade voor ons?’

De hele weg is ieder van ons heel stil, abnormaal stil. Voelt ieder van ons aan dat wat wij hier zien van het ergste is dat mensen en kinderen kan overkomen? Waar hebben zij dat verdiend? Ik heb weer het gevoel dat alle armoede en het uitzichtloze van deze na-oorlogse situatie onrechtvaardig en onjuist is. Waar hebben mensen dat verdiend? En wat doen wij, overrijke burgers uit onze westerse wereld die een onverzadigbare honger hebben naar nog meer en nog meer en nog meer...

De dagelijkse TV-beelden van deze miserie die onze huiskamers binnenkomen zijn voor ons zo gewoon geworden, zo doodgewoon, ze hebben ons onverschillig gemaakt, murw geslagen, en terwijl we chips en chocolade sneukelen uit verveling merken we het appel niet meer dat van deze beelden uitgaat en dat ons oproept hart en middelen in te zetten om dit leed uit de wereld te helpen, om een beetje solidariteit aan de dag te leggen: ‘dat is het werk van de ‘politiekers’, hoor ik vaak zeggen, ‘zij hebben ons geld en de middelen, zij moeten maar stappen zetten om ginder iets te veranderen.’

Dooreengeschokt van de rit in de oncomfortabele jeep rijden we Bagram binnen. Een gedeelte van de stad is afgesloten en omgevormd tot het Amerikaans kamp. De hoofdwegen van de stad zijn nog bestaande en vormen de hoofdassen van het kamp. In de straat naar de toegang zijn heel wat winkeltjes gevestigd, een caleidoscoop van kleuren en geuren, van bewegende, lopende, strompelende en zichzelf voortslepende mensen, tussen de uitlaatgassen van aanschuivende vrachtwagens, beschilderd met de meest romantische tafereeltjes; fietsers wriemelen over al doorheen, komen uit het niet te voorschijn, twee, drie jongens of mannen in Afghaanse tenue met brede katoenen broek waarboven een vest-kleed dat tot onder de knieën reikt zitten zijdelings voor en achter de ‘driver’ en springen van de fiets op hun plaats van bestemming; voor legervoertuigen is een speciale toegangsroute: we moeten dus niet aanschuiven om onze beurt aan het check-point af te wachten. De controle van ons voertuig is onbestaande. In de eerste jeep toont de chauffeur de uitnodiging voor de padresdag aan de wacht die iets onverstaanbaars mompelt en ons teken doet verder te rijden. We verwachten ons verder, na het zigzaggen tussen betonblokken, aan een identiteitscontrole en controle van het voertuig, maar niets is minder waar. Met een hoffelijk gebaar worden we welkom geheten en mogen verder doorrijden. Patrick zegt me dat dit al telkens zo was met de Franse legervoertuigen. Blijkbaar rekenen de Amerikanen er op dat de Fransen ‘mans’ genoeg zijn om voor de veiligheid van hun voertuigen in te staan. Het doet mij deugd dat dit vertrouwen er is. Zijn wij, soldaten van Amerikaansen en Europese detachementen, niet broederlijk verantwoordelijk voor veiligheid en welzijn in onze compounds? Waarom zouden wij de anderen geen vertrouwen geven in plaats van met de grootste achterdocht (= slechte raadgever voor reacties met gezond verstand) elk voertuig aan een zogezegd veiligheidsonderzoek te onderwerpen.

Het duurt nog even voor aleer wij in het immense kamp onze plaats van afspraak gevonden hebben. En als we er uiteindelijk arriveren, is de zitting al begonnen. Op het programma, in de voormiddag en in de namiddag, staat een uiteenzetting door een Amerikaans majoor, professor aan de universiteit van Kabul. Vertrekkende van de politieke geschiedenis van de huidige regio Afghanistan gaat hij dieper in op wat de geschiedenis zegt, en op wat de bijbel zegt. Dit vroegere Perzische rijk, heeft een belangrijke rol gespeeld in de Joodse geschiedenis, in de ballingschap en de periode erna, in de eeuwen waarin de Hellenistische cultuur dit deel van Azië overheerste, de figuur van Alexander de Grote die zijn vrouw vond in een van de dorpen niet zo ver van Bagram, en dit gebied in zijn hart droeg, ... Het is duidelijk geworden dat de geschiedenis die in de bijbelboeken wordt aangebracht veel raakvlakken heeft met het huidige Afghanistan en zijn verleden. De geschiedenis die hier geschreven is, is voor een stuk ook onze geschiedenis van ‘geloof’.

Ik vond deze dag uitzonderlijk boeiend, niet alleen omdat de majoor een welbespraakt man was, maar omdat hij ons met zoveel meesterschap en kunde een stukje onbekende geschiedenis openbaarde.

We keren zoals de ‘wijzen’ langs een andere weg terug naar Kabul, wat een veiligheidsmaatregel is.

 

class=WordSection2>

We naderen de stad uit westelijke richting. De ondergaande zon werpt scherpe schaduwen af en kleurt de gevels van de huizen oranje-rood. In de overdrukke straten, niet geplaveid, warrelt een enorme stofwolk op en blijft hangen als een mistlaag die geen zin heeft op te trekken. Het zonlicht wordt er bij wijlen door verduistert en een apocalyptische sfeer is het resultaat. Bewegende figuren duiken uit het stof op dat ons het ademen moeilijk maakt, als schichtige spoken, die even kleur en conrast krijgen om dan weer in het niet te verdwijnen. Het is een hallucinant verschijnsel. Onze chauffeur maneuvreert handig tussen alle kuilen en modderplassen in, maar af en toe komen we met een harde klap tegen het dakzeil van de jeep terecht, of schuren onze armen tegen een ijzeren staaf in de hoop wat houvast te vinden. Ik zit achterin de jeep, mijn gevechtsjas hoog dichtgetrokken, de col van mijn sweater tot boven toe geritst, neus en mond bedekkend, en met mijn fototoestel in aanslag om enkele foto’s te maken. Het is een zware karwei om een toestel, waar vlug een laagje stof op zit, bewegingloos te houden terwijl de jeep over de zandpiste tuimelt. Enkele foto’s zullen de sfeer beter weergeven dan mijn geschrijf. Hier en daar steken kinderen en jongeren de hand naar ons op, lopend wuivend achter de jeeps aan, roepend iets onverstaanbaars, maken eetbewegingen met hun handen: duidelijk een vraag naar ‘tsjoclat’; niet altijd zijn hun gebaren, het spel van hun duimen en vingers, tekenen van vriendschap en vrede, niet altijd doen de grimassen op hun gezichtjes ons lachen, want ze zijn eerder vijandig, en het geroep aan ons adres en het gooien met stenen laat aan duidelijkheid van hun bedoelingen niets te wensen over. Deze kinderen vertolken wat thuis in de schamele woonkamers wordt verteld door de ouderen, en we beseffen maar al te goed: niet alle Afghanen zijn opgezet met de aanwezigheid van vreemde troepen in hun land. Maar we blijven naar hen lachen, geen boze trekken om onze monden, geen angst in onze ogen, maar een uitgestoken duimen een gebaar van: ‘wij willen jullie helpen’, ‘wij zijn vrienden voor jullie volk’!

Deze avond heb ik heel wat stof om over na te denken: enerzijds over het letterlijke stof dat alles doordringt en permanent aanwezig is, stof dat wel eens schadelijk zou kunnen zijn voor onze gezondheid, omdat het drager is van heel wat bacteriën en ziektekiemen, stof dat overal opwaait van vuilnisbelten en open riolen, van rottende plantaardige en menselijke afvalstoffen... je mag er niet bij stilstaan! Anderzijds stof om na te denken over de menselijke situatie waarin de bevolking verkeert, over hun onwetendheid en armoede, ook over hun creatieve manier om met de situatie om te gaan, en er schijnbaar het beste van te maken. Mijn bedenking: als de wereldgemeenschap met de inzet van soldaten probeert een stabiele situatie voor het volk en het land te scheppen, moet dan niet naast de militaire middelen meer humanitaire hulp worden geboden in de vorm van ondersteuning aan het onderwijs, de verzorgingssector, de infrastructuur van het land, de wegen, de straten, ... Ligt er hier niet een taak voor ons ministerie voor ontwikkelingssamenwerking en onze nationale ngo’s? Zouden de inspanningen van de militairen niet geloofwaardiger overkomen als ze mede zouden ondersteund worden door massale hulpverlening aan de armsten en de meest kwetsbaren van dit land? Onze soldaten zouden niets liever willen doen dan zich in te zetten met en voor de mensen van ter plaatse. Ze zouden er meer deugd aan hebben dan aan hun strikt militaire opdracht.

 

Dinsdag 16 december

Ik wacht tevergeefs op mijn Duitse collega’s die vandaag met mij de voorbereiding zouden maken van het komend Kerstfeest. Gisteren hadden we dit afgesproken. Ik zie ze niet. Zijn ze de weg kwijt geraakt, het noorden verloren, ik gis... en zet me zelf aan het werk. Mijn Franse collega Michel vergeet mij in elk geval niet, hij komt aandraven met een diskette met daarop Franse kerstliedjes en een schema voor de kerstviering. We zullen dit jaar op kerstavond twee vieringen hebben: de eerste om 15 uur voor de Duitse soldaten met al wie graag aansluit, en de tweede om 18 uur voor de Fransen. Ook hierbij kunnen de Belgen aansluiten en Michel vraagt mij of ik eventueel Nederlandse vertalingen vind van de kerstliedjes. Ik beloof hem mijn best te doen. Nog een goede week en het is zover, dus vlug aan de slag.

Ik werk een groot stuk van de dag achter mijn peeceetje, vind de Nederlandse tegenhangers van de Franse kerstliedjes op het net en in eigen tekstbestanden, giet alles in de juiste vorm om als boekje te laten uitprinten en tegen de avond ben ik klaar met model I.

De niet aflatende druipneus en het gehoest af en toe geeft mij een onaangenaam gevoel. Ik zal toch niet ziek worden tegen de kerstdagen? Ik verweer mij er tegen met alle middelen, en krijg van de dokter naast hoestsiroop ook koortswerende tabletten en pijnstillers. Ik kruip deze avond vlug onder mijn dekbed.

 

Woensdag 17 december

Ik ben nog maar pas in het lokaal dat ik maandag omgeruild heb met het stukje bureautafel dat ik deelde met de kolonel, (ik kan nu alleen werken in een aangename ruimte met zicht op heel het kamp) of Michel staat er weer. Ben je al klaar, Père, met het boekje. Wanneer kan ik het laten drukken? Hij is blij verrast wanneer ik hem het modelexemplaar toon, hij leest het grondig door, verbetert nog een fout die hij zelf in de Franse tekst had laten staan, en springt een gat in de lucht als ik hem de kleurrijke kerstomslagen toon die ik bij Bergmoser Verlag in Aachen gekocht heb, ik heb er voldoende voor ‘zijn’ viering. Hij neemt de verbeterde drukkopij mee en weg... is hij. Ook voor onze mannen en vrouwen wil ik de kerstviering voorbereiden. Op 25 december is er voor hen om 9 uur en om 18 uur een gezongen viering, in beide landstalen. Er is nog veel werk aan de winkel.

Deze middag moet ik ook klaar zijn met het schrijven van mijn kerstkaarten. Vanavond vertrekt een vliegtuig met onze post, dus ik werk eerst mijn kerstpost af. Dit werkje duurt wel een paar uren en met stijf geschreven vingers plak ik de laatste enveloppe dicht. Ondertussen speelt mijn mp3-ding stemmige kerstmuziek. Een slinger met witte lichtjes en enkele roodglazen kerstballen zorgen voor de nodige sfeer. Ik heb het naderen van Kerstmis nog nooit op zo een intensieve manier beleefd, anders dan anders, en ik geniet van elke kerstmelodie die dag in dag uit mijn containertje met ‘Sehnsucht’ en romantiek vult.

Ik ben nieuwsgierig of het vliegtuig al het materiaal mee heeft dat Dany en Hilde verzamelden: flessen Glühwein, muziekboxen, een dvd-speler, kaarsen en kaarsjes... We moeten toch aan de voorbereiding kunnen beginnen van de kerstdagen.

In onze compound draait alles zijn normale gangetje, ware het niet dat hier en daar kerstbomen zijn aangebracht met kaarslichtjes. Hoe zal het kerstfeest verlopen voor onze manschappen? De Duitsers hebben op Kerstavond om 15 uur de viering, en aansluitend is er een grote kerstbrunch waaraan ook onze mensen zullen plaats nemen. ‘s Avonds komt een Belgische muziekgroep uit Leopoldsburg voor de nodige stemming zorgen in de ‘Airforce One’. Maar tezelfdertijd brengt ook de defensieminister Flahaut een bezoek aan KAIA, in het gezelschap van een veertigtal persmensen, militairen, en vakbondsafgevaardigden. Voor onze mensen wordt kerstavond zeker géén vrije avond, maar ik vermoed dat er extra werk zal zijn met escorteren en beschermen van VVIP’s, naast de gewone observatieopdrachten op de onderscheiden stellingen. Een sectie vroeg me om te middernacht een viering te houden aan de ‘maingate’, want 24 uur zijn ze van dienst daar, van ‘s namiddags 14 uur tot 14 uur op 25 december. Ze kunnen niet deelnemen aan welke viering hoe dan ook. ‘Padré, als het gaat, hier bij ons voor de mis, dan voelen we ons niet zo ver van huis...

Het voorstel werd door de commandant en de kapitein van de hand gewezen: ‘anders zou de ‘maingate’ moeten gesloten worden, en dat kan onmogelijk!’

In bed kan ik de slaap niet vatten. Ik tol rond en rond... is het door de slijmvorming in mijn luchtwegen zoekt de griep zich door te zetten? Is het zoveel ongenoegen en onbegrip dat me slapeloos maakt? Het moet half drie geweest zijn vooraleer ik in slaap verzeil. Maar om vier uur ben ik weer klaar wakker. De hoest is onweerstaanbaar, en zelfs de hoestsiroop heeft niet de minste uitwerking. Rechtop in bed gaat het beter; dan maar een beetje lezen totdat het ‘zandmannetje’ toch zijn intrede doet en mij meeneemt naar het land der dromen...

 

Donderdag 18 december

Ik blijf liggen tot 8 uur. geen ontbijt voor mij, ik heb niet de minste trek. Douchen en toilet maken verricht ik met de automatische piloot ingeschakeld. Mijn gedachten zijn er nog helemaal niet bij. Wat zal het vandaag weer worden? Ik zie voor mij een stapel werk: de kerstvieringen afwerken, de zondagsviering voorbereiden, de kerstkaarten met de vertaalde tekst over een ‘kind in de straten van Kabul’ uitprinten, stuk voor stuk, en schrijven naar mijn kennissen en vrienden in Duitsland en Israël... Ik ben er een hele dag zoet mee, die ongemerkt wegsluipt en in de avondlijke schemering de koude kwistig uitstrooit: het wordt een koude nacht, ijskoud zelfs!

 

Vrijdag 19 december

Na een nacht van zweten en ijskoude rillingen sta ik op, zonder stem, met geweldige koppijn en een keel als schuurpapier. Ik moet toegeven dat ik mij niet goed voel, maar zo rap plooien wij nog niet. Weet je nog, op de kaarten van de Gentse stadstram stond en staat onze leuze: ‘nie pleuje’!

Ik kan alleen een kop hete chocolademelk door mijn keel krijgen, geen brood, geen toespijs... Ik sleep mij voort naar mijn werklokaaltje, zoek mijn mails op en beantwoordt er enkele, kijk nog even naar de ‘Standaard-online’, ik print de laatste kerstkaarten in Duits, Frans en Engels af (bedankt  Norbert, Michel en Hilde voor de vertalingen), ik wil ze naar de Duitse Feldpost brengen, maar het kantoortje is gesloten vandaag. Morgen zal ik opnieuw proberen, want via de Duitse Post zal alles vlugger ter bestemming zijn). De voormiddag is voorbij en ik heb nog zoveel te doen!

Na het middagmaal in onze eigen kantine, een schotel met ravioli, ga ik een beetje op bed liggen. Ik moet toegeven dat het mij niet gaat. Als ik wakker wordt is het 15.30 uur. Om 16 uur is er de dagelijkse briefing, en die wil ik niet missen: het zal weer gaan rond het bezoek van onze Mod (Minister of Defence). Na de briefing stap ik de infirmerie binnen, en vraag een probaat middel om mijn toestand te verbeteren. Een tas hete thee doet deugd, en met de nodige medicatie ga ik naar onze kantine voor het avondmaal. Ik ril van de kou, krijg het beurtelings warm en koud, al mijn spieren staan stijf en voelen pijnlijk aan... zal ik dan toch ziek worden? Ik hou mij vast aan het laatste grashalmpje, ik wil mij niet geven... maar om 20 uur lig ik al in bed.

 

Zaterdag 20 december - zondag 21 december

Platte rust in bed met bezoek van de dokter, van de verplegers die mij thee, broodjes en toespijs brengen... ik slaap uren en uren, dan weer ben ik klaar wakker maar niet in staat mijn ogen open te houden, mijn stem heeft voor goed de pijp aan Maarten gegeven, alleen een licht gefluister is de enige manier van communiceren, onderbroken door een rauwe hoestbui die mij koppijn bezorgd en mij dwingt in bed te blijven... Morgen zal het beter zijn!

 

Maandag 22 december

Ik voel mij stukken beter, ik denk: ik ben genezen, en moedig spring ik onder de douche en kleedt mij aan, tot een hoestbui en een snotterende neus mij duidelijk maken dat ik van illusies hou. Toch ga ik vandaag naar mijn kantoortje, want dit wordt een cruciale week tijdens deze zendingsperiode. In het restaurant bots ik op mijn Duitse collega die zich verontschuldigt dat hij vorige week verstek gaf. Hij trekt met mij mee naar mijn bureau, en wij overleggen welke liederen wij zingen en welke Nederlandse vertalingen erbij horen. Hij schat dat er een 15 Duitse soldaten zullen deelnemen. Aangezien hij zeer goed kan zingen neemt hij de plechtige ‘Weihnachtsankündiging’ voor zijn rekening, het evangelie zal hij reciteren en de prefatie zingen. Morgen komt hij terug. Ondertussen zal padré Renaat wel al het nodige gedaan hebben om tekst en lied op te zoeken en de viering volledig voor te bereiden, en alles drukklaar te maken. ‘Bis morgen’, zegt hij terwijl hij breedlachend weggaat.

Ik kan niets anders doen dan in gang schieten, en via internet, Gotteslob en een aantal Duitse liturgieboeken steek ik de volledige viering in elkaar. Eigenlijk doe ik dit wel graag, ik mocht het een twaalf jaar doen in Baarle en ik denk vaak aan onze kerstvieringen in Baarle, met of zonder levende kerststal, met onze Leiezangertjes, La Fogata, de Scola Gregoriana of met het Sint-Martinuskoor. Sedert ik in Baarle weg ben heb ik er nooit meer bij stil gestaan, maar hier voel ik duidelijk aan dat die schone tijd nooit meer weer komt. Ik herlees de vertalingen van vreemde kerstliederen die Maurice Marechal schreef onder het pseudoniem van M. Oudewal. Ik hoorde van Hilde dat hij zeer ernstig ziek is, en waarschijnlijk niet lang meer zal leven. Ik heb zeer veel sympathie gehad, en ik heb die nog, voor Maurice die een mens van principes is, van diep geloof zonder franjes, een mens met uitzonderlijke kwaliteiten en met een karakter dat niet altijd als ‘gemakkelijk’ te omschrijven valt. Zijn inzet voor Baarle-aan-de-Leie, zijn visie om Baarle’s natuurlijke en menselijke bronnen aan te boren en ver buiten de dorpsgrenzen bekend te maken, zijn ijzeren wil om vooruit te geraken en niet te blijven steken in het alledaagse kenmerken en sieren hem. Maurice, vanuit Kabul, nog eens bedankt voor jouw inzet voor Baarle en voor alle vriendschap die je mij toedroeg! Het ga je goed - Inshallah, als God het wil!

 

Dinsdag 23 december

Alles staat in het teken van het bezoek dat minister Flahaut vandaag brengt. In de voormiddag is er een koortsachtige drukte, want rond 14 uur zal hij en zijn gezelschap aankomen op de luchthaven van Kabul. Zoals voor alle VVIP’s (very very important person) zullen speciale eenheden van het protectieteam ingezet worden om de luchthaven te beveiligen. Niemand zal op de tarmac komen die geen nieuwe veiligheidsbadge draagt. Het is duidelijk: de voormiddag is om vooraleer je het beseft en de spanning stijgt en de adrenaline naarmate het tijdstip van aankomst nadert.

De minister zal bij aankomst worden opgewacht door de Duitse Kommodore, onze kolonels Housen en Van Hamme, de Belgische vertegenwoordiger in Kabul en de ambassadeur uit Islamabad, Pakistan, ook ambassadeur voor Afghanistan. Als gerenommeerd fotograaf zal ik alles op de gevoelige plaat vastleggen en bevoorrecht getuige zijn van alles wat gebeurt (alleen morgen moet ik verstek geven omwille van de kerstvieringen). Het aftellen is begonnen, de personaliteiten in plaats gesteld, de snipers hebben hun posities ingenomen, en niet gezien, goed verborgen en verstopt, zitten onze soldaten overal langs de landingsbaan en de grenzen van het vliegveld en garanderen een onberispelijke aankomst. Ondertussen wordt gemeld dat het vliegtuig 40 minuten vertraging heeft.

Maar dan stipt, op het voorziene uur, 40 minuten later, zet de C130 Hercules zich feilloos aan de grond. Het opwachtcomité begeeft zich naar het taxiënd vliegtuig en het duurt nog even na de volledige stilstand, vooraleer de minister als eerste uitstapt. De begroeting is hartelijk en met zijn gekende lach vanonder zijn snorretje schudt hij de handen van al wie zich belangrijk weet. De veiligheidssecties zijn in de hoogste vorm van paraatheid en hebben alles onder controle. Onder begeleiding van soldaten met kogelvrij vest en het geweer in aanslag begeeft de selecte groep zich naar de Europazaal waar een drink en een versnapering wordt aangeboden. Plots is de minister weg, en enkel andere personaliteiten, want ook de minister is maar een mens en hij is op zoek naar een sanitaire plaats. De kapitein heeft met dit scenario geen rekening gehouden, en is even voor schut gezet. Nog meer en meer mensen zoeken een weg naar de toiletten en het duurt even vooraleer iedereen terug in de ontvangstzaal is. Ik geniet van de pratende, koffieslurpende, koekjesetende excellenties, van de drukdoenerij van de begeleidende persmensen, ik zie onze brigadecommandant kolonel De Vos, de generaals Van Dingen en Poquet, de RSM van Bevrijding-5-de Linie, ik groet hier en daar enkele bekenden en zodra de briefing begint, hou ik mij bewust op de achtergrond, hier en daar een foto trekkend van een reporter die het moeilijk heeft niet in te slapen, van Nabela Benaïssa die als kabinetsmedewerker achteraan in haar reistas scharrelt, ...

De Belgische vertegenwoordiger in Kabul, die de politieke situatie moet omschrijven valt in ‘Ohnmacht’ en de ambassadeur, een sterke struise man, neemt graag deze opdracht over. Ook kolonel Housen is aan het woord en belicht verschillende facetten van de situatie waarin onze mensen hun zending volbrengen. Het duurt ongeveer tot 16 uur, en aansluitend vertrekken de sterk bewapende een geëscorteerde wagens naar het hoofdkwartier van ISAF, voor het volgend gedeelte van het programma.

Op KAIA keert de rust terug, even ... tot morgen ... dan volgt het tweede deel van het programma met onze minister op KAIA

 

Woensdag 24 december

Vooravond van Kerstdag, Heiliger Abend...

Mijn stem is zowat teruggekeerd, maar van een echte genezing is nog geen sprake. Hoofdpijn, slijmvorming, hoesten... daar moet ik mee leren leven. De voormiddag is gevuld met het klaarmaken van een gedeelte van de ’Airforce One’, de kinozaal, voor de kerstviering straks om 15 uur en later om 18 uur. De Fransen hebben de stoelen al geschikt; de altaaraankleding en de versiering, de benodigdheden voor de mis, de geluidsinstallatie plaatsen, de volledige teksten uitprinten in het Duits en in het Frans, en ze laten inbinden, dit is het werk voor de Belgische padré. Wie zei ook weer dat je ‘werkpaarden’ hebt, en ‘luxepaarden’? Gelukkig zijn deze morgen de geluidsboxen, de cd-speler, de kaarsen en het hostiebrood toegekomen. We kunnen aan het werk. Maar het wordt tot een ren tegen de tijd, en gelukkig vind ik bereidwillige Belgische vrienden die de handen uit de mouwen steken en voor de padré alles willen doen. Het middagmaal is zeer sober: een tas groentesoep die nauwelijks te drinken is... Maar niet getreurd, en zagen doen we ook niet, want deze avond staat ons een schitterende brunch te wachten. Tegen 14.30 uur ben ik in de zaal voor de viering en wacht mijn Duitse collega op. Hij arriveert om 15.15 uur, een kwartier te laat, maar hij heeft een goede reden: de weg van Warehouse naar KAIA was afgesloten wegens het bezoek van Karzai, de voorlopige president, aan Kabul. Mijn collega was 75 minuten onderweg om een afstand van enkele km te overbruggen. Maar de viering was goed, met veel sfeer, en in aanwezigheid van een aantal Belgische soldaten.

Ondertussen waren heel veel mensen van ons naar het schooltje gereden waar de minister geschenken zou uitdelen aan de kinderen. Meer dan 2.000 jongens en meisjes kwamen aan de beurt, sommigen probeerden een tweede keer aan te schuiven, en onze soldaten hadden hun handen vol om enige orde te scheppen en de leerkrachten ... zij keken toe en moedigden hier en daar kinderen aan een tweede beurt te nemen.

Iedereen genoot van de geschenkpartij: de minister glunderde, andere excellenties stonden alles begrijpend en goedkeurend gade te slaan, onze soldaten genoten van het werk en van de blije lach op de gezichtjes van vele kinderen en de leerkrachten ... zij keken toe en bewaarden alles in hun hart.

Toen ik na de kerstviering met de Fransen, waar ik voor kandelaar had gespeeld naast de pauselijke vertegenwoordiger - ook al had ik de viering volledig voorbereid - naar ons restaurant ging, was de brunch al volop aan de gang, liep eigenlijk al een beetje naar zijn einde. Ik had niet zoveel trek maar genoot toch van een vispasteitje en een stukje kerstgebak.

Om 20 uur zou de minister in onze kantine aan elke soldaat een geschenk uit delen, en dus moest iedereen die kon, er ook zijn. Ik miste nu wel mijn fototoestel om de speech van de minister en de kado-uitdeling te vereeuwigen. Voor iedereen was er een polsuurwerk en een bic, en een beker die door generaal Van Dingen werd uitgedeeld. Als één van de laatsten schoof ik ook aan, bescheiden als ik ben - hm!. De minister begroette mij hartelijk, vroeg mij naar mijn werk en was sterk geïnteresseerd in wat ik hem vertelde. Het was goed dat ik één van de laatste was, want hij had voor mij veel tijd over, en hij zei dat hij mijn werk sterk waardeerde. ‘Padrés zijn zeer belangrijk, onmisbaar op buitenlandse zendingen’ zei hij. Ik zou die avond nog enkele gesprekken met hem hebben in de ‘Airforce One’ waar de Limburgse groep voor ambiance zorgde.

Er was een vrolijke stemming en sommige soldaten gingen een beetje uit de bol, dansten en swingden, en ook ons vrouwelijk personeel bleef niet ten achter. Aan de toog werd enthousiast gekletst, terwijl menig pintje de dorst laafde van soldaat, onderofficier, officier, generaal en minister. Deze laatste stond er op met mij gefotografeerd te worden en het was de taak van generaal Poquet om dit uit te voeren. Ook met de burgemeester van Leopoldsburg, de garnizoensstad van Bevrijding, én met de minister moest ik op de foto.

Kerstavond was anders dan anders, maar niet slecht; niet intiem en omringd van lievelingen, maar niet eenzaam, hier mens tussen mensen, vele mensen van goede wil. Hoorden we in die nacht geen engelen zingen?

 

Donderdag 25 december

Hoogfeest van Kerstmis.

Met de herders was ik vroeg uit de veren, ondanks de veel te korte nacht. I begaf mij niet naar de kribbe maar naar het restaurant waar om zes uur het ontbijt werd genut door de vertrekkende minister en zijn gezelschap. Ik ontmoette hem toen ik aanschoof en hij zijn tas koffie bij vulde. Hij trok een knipoog en zei: ‘goede dag, padré’.

Even later werd het gezelschap naar de tarmac geleid, dit maal niet omringd door zwaarbewapende soldaten, allen op de plaats van vertrek keken de snipers waakzaam toe.

Het duurde toch nog een tijdje vooraleer iedereen de C130 kon instappen, de ontsmettingsprocedure moest toegepast worden en iedereen stapte met zijn schoenen in een speciaal bad dat infecties van mond- en klauwzeer moest vermijden.

Wij wuifden de vertrekkers uit, en waren opgelucht toen de zware machine de startbaan koos en even later de lucht in ging. Vaart wel, bezoekers, en wel thuis.

Tegen 8.30 uur was ik in de kapel en genoot van de rustige kerstmuziek die de viering vooraf ging. Veel soldaten kwamen niet opdagen, maar iedereen - herder of koning of engel- voelde zich verbonden met zijn of haar mensen thuis en biddend en zingend werd de geboorte van de ‘nieuwe mens’ gevierd - Christus de Heer.

De rest van de dag heb ik genikst tot het 18 uur was en ik terug voorging in de kerstviering. Weerom geen overvolle herberg, maar een rustig bezinnen en bidden, het mysterie van Kerstdag waardig. ‘s Avonds drink ik nog een Glühwein op de Duitse kerstmarkt en de warme drank fleurt mij op. Maar lang blijf ik niet op, ik ben weer een gelukkig man die onder het dons duikt ware het niet dat in de nacht wakker word van een hevige hoestbui die anderhalf uur duurt en mij afmat. Ik denk dat ik mijn luchtpijptakken ga uithoesten en geen siroop helpt. Rechtzittende dommel ik in.

 

Vrijdag 26 december

Het normale leven herneemt zijn gang. Alle sporen van de kerstmarkt zijn verdwenen en men bereidt al het volgende feest voor: de overgang van oud naar nieuw. Maar voor ons Belgen is er nog iets anders op til. We krijgen terug bezoek: de CHOD, generaal Vandaele, enkele kolonels, de opper-aalmoezeniers van de erkende godsdiensten en enkele anderen zullen nog ons een hart onder de riem komen steken. Het bezoek wordt minutieus gepland, en dit keer zal ik ook deel hebben aan de werderwaardigheden, omdat mijn ‘baas’ er ook bij is. Don Castelein vervangt zijn baas die ziek is. Ik kijk uit naar zijn bezoek, het zal deugd doen.

Enkele soldaten zoeken mij op en ik luister naar hun verhaal, naar hun passies, hun problemen en luisterend - woordje voor woordje - probeer ik wat troost te brengen en de last mee te tillen op mijn schouders. Ze zijn dankbaar als ze weer weg gaan. Wie heeft soms geen nood om uit te schreeuwen of uit te huilen wat op zijn hart ligt. Weer is een zware dag achter de rug. Ik hoop dat ik nu beter zal slapen, zonder hoestbuien. Ik vroeg de dokter antibiotica en hoop dat ik daarmee het kwaad kan bezweren.

 

Zaterdag 27 december

Vandaag heb ik veel werk, vervolg van gisteren. Ik zette gisteren 130 foto’s op het internet, en terug heb ik een 60 foto’s klaar om door te sturen. Het moeilijkste werk is altijd de resolutie van de foto’s te verkleinen zodat het fotobestand niet te groot is: groot genoeg om een goede foto te zijn, en niet te groot om te kunnen versturen. Ik weet dat ik er een hele tijd zoet mee zal zijn, maar de reacties van ouders en partners in België bevestigen mij dat ik verder moet doen. Zij hebben er zeer veel aan, en voelen zo dat de afstand naar Kabul niet zo groot is.

Maar eerst wil ik de zondagsviering voorbereiden: telkens maak ik een dubbele viering, Nederlands en Frans, volledig uitgetikt, in twee kolommen naast elkaar, zodat we in de viering al onze landgenoten kunnen aanspreken in hun eigen taal. Michel, mijn Franse collega, zou ze ook kunnen gebruiken, maar hij doet het niet. Met een veelheid van boekjes en blaadjes die los op het altaar liggen zoekt hij zich een weg door de liturgie. Waarom het gemakkelijk maken als het moeilijk ook gaat!

Na de viering heb ik nog enkele afspraken met militairen die mij ‘in vertrouwen’ willen spreken. Ik garandeer je dat het geen gemakkelijke gesprekken zijn, noch om te beluisteren, nog om schoorvoetend een aanzet van antwoorden te formuleren, maar het is het werk van een ‘pastor’, die luistert naar elk van zijn schapen en alleen het beste voor zijn schapen op het oog heeft. De schapen zijn er niet voor de ‘pastor’, de ’pastor’ is er voor de schapen. Het is weer laat als ik mijn container binnenschuif.

 

Zondag 28 december

Zondag na Kerstmis: in de Kerk wordt het feest gevierd van de heilige Familie.

“Drie mensenkinderen die samen en ieder afzonderlijk een heel eigen roeping hadden om Gods Liefde tastbaar te maken en daarvan te getuigen.

Zij staan in die lange geschiedenis van God met ons mensen, van Abraham en Sara tot ons toe.

Telkens was en is er Gods roeping om in liefde mee te bouwen aan een wereld, waarin mensen zich leden voelen van een grote familie.

In welk verband we ook leven, het gezin uit Nazareth kan ons daarbij inspireren.”

Zo probeerde ik gisterenavond het feest in te leiden bij het begin van onze viering. Vandaag houd ik de homilie in de Franse viering. Mijn vertrekpunt is dat het Kind dat geboren is , een Mensenkind is zoals alle mensenkinderen, en toch drager van een immens mysterie: een Kind waarin Gods Geest en Kracht voelbaar en tastbaar tussen en met ons mensen aanwezig is.

Ik stel me Maria voor als de bezorgde moeder die doorheen de kinderjaren van Jezus van hem de man gemaakt heeft die Hij is. Als baby, jonge snaak, puber en adolescent heeft Hij van zijn moeder gekregen wat elk kind van zijn moeder krijgt: de glimlach van het leven, een voorbeeld van plichtsbewustzijn, het delicate in het alledaagse leren onderscheiden, het gestalte geven aan Gods Woord doorheen de gebaren en de houding van een gelovige vrouw. En Jozef, is hij niet de man die met liefde en respect en grote zorg het kind adopteert en het leert wat geduld is en verantwoordelijkheidszin als timmerman, die met nauwkeurigheid en zin voor precisie de werktuigen leert hanteren, zodat wat hij maakt schoon en nuttig is. Heeft hij het kind niet leren praten met mensen, luisteren naar de wensen van de opdrachtgever, discussiëren over de prijs van het werk, leren omgaan met het ongeduld van de klant, kortom: leerde Jozef hem niet de zin van het leven tussen andere mensen?

En zitten ze ‘s avonds niet samen in gezinsverband, met nichten en kozijns, pratend en lachend, en soms delend in het verdriet als iemand van hen gestorven was? Jezus deelde het leven van Maria en Jozef, en zo ook het leven van zijn familie en omgeving.

Voor mij zat Jezus niet gevangen in een beschermende cocon, hij leefde met hart en ziel in het Nazareth waarvan niet veel goeds te verwachten viel, en ik hoor in de parabels die hij vertelt hoe zijn buurvrouw zich verheugde als zij een verloren geldstuk terug vindt, dank zij haar zin voor orde; en zag hij niet hoe Maria het deeg kneedde en er drie maten gist aan toevoegde en met geduld wachtte tot het deeg gerezen was? Ik ben zeker dat hij met de jongeren op het dorpsplein gebabbeld en gezongen heeft, en kattenkwaad uithaalde... Jezus, een kind van zijn volk, een kind van zijn tijd, maar boordevol Gods geest, want Maria en Jozef en anderen zien, doorheen zijn eenvoudige gestes en menselijke gebaren dat hij is wie Hij is: een Mens naar het hart van God, Gods Zoon!

Ik denk terug aan ons gezin, misschien niet helemaal een ‘heilige familie’, maar een gezin met een vader en een moeder die zichzelf wegcijferen, die het eten uit hun mond sparen opdat wij ‘genoeg’ zouden hebben, die de moeilijke oorlogs- en na-oorlogsjaren aan den lijve ondervinden en weten dat je als je geen geld hebt, je ook niet meetelt, zelfs niet in een familie met rijke nonkels en tantes. Kregen wij van ons ma ook niet de ‘glimlach van het leven’ mee, leerde zij ons niet hoe we bedachtzaam met mensen moeten omgaan, zagen wij haar niet als de altijd bezige vrouw die waste en plaste, en tussendoor onze kleren herstelde of nieuw voor ons naaide, en was haar werk niet vaak begeleidt door een lied dat ze vanuit haar hart zong. Was dat niet haar ‘magnificat’?

En was ons pa niet altijd in de weer opdat wij het goed zouden hebben? Hoeveel gefantaseerde verhalen wist hij ons niet te vertellen, en kwamen Meere Persijn, Pieternelle Petoaterschelle en andere figuren niet tot leven in onze verbeelding? Hoe kon hij zich afsloven om voor ons ‘villa lachen is gezond’ uit de grond te toveren, en waren de familiebijeenkomsten onder tentzeil, met lampionnekes en meezingmuziek niet de weerkerende hoogtepunten? En leerde hij ons niet wat fierheid betekent wanneer je je eigen taak met zorg en afwerking voltooide? Was ons pa ook voor ons niet de ‘grote leermeester’ van het leven?

Ik ben vandaag enorm dankbaar voor de ouders uit wie wij geboren zijn, voor de familie die wij mochten zijn en nog mogen zijn, geen ‘heilige familie’, maar toch een familie naar het hart van God, dat geloof ik vast! Bedankt ma en pa, bedankt zussen en broer, bedankt God!

Hoe zit het met de gezinnen in Afghanistan? Wat krijgen de kinderen mee van hun ouders, hoe ziet hun levensverwachting er uit? Zijn er hier ook ‘heilige families’?

De laatste cijfers van 18 december geven ons een realistisch beeld:

bijna 42% van de bevolking is jonger dan 14 jaar, de gemiddelde leeftijd is 18,9 jaar en de gemiddelde levensverwachting bij de geboorte bedraagt 47 jaar. De kindersterfte ligt vrij hoog: bijna 143 kinderen sterven op 1000 geboortes. Het aantal kinderen per vrouw is 5,6. Wanneer je weet dat Afghanistan een extreem arm land is, ingesloten, afhankelijk van buitenlandse hulp; met een zeer laag inkomen, gevolg van grote werkloosheid en geen investeringen gedurende meer dan 20 jaar; met een bevolking die gedurende de 10-jaar Russische bezetting met één derde verminderd is - er zijn ca 4 tot 6 miljoen vluchtelingen in Iran en in Pakistan - als een grote meerderheid van de gezinnen voortdurend te lijden heeft door onvoldoende voeding, kleding, huisvesting en medische zorgen, en een schaarste aan jobs: problemen veroorzaakt door politieke instabiliteit en een algemene wetteloosheid, dan ziet het plaatje van een doorsnee familie er niet rooskleurig uit. Heilige families zijn hier in overvloed ... moeders, vaders die de eindjes aan elkaar proberen te knopen en voor hun kinderen hopen op een betere toekomst, die hun kinderen verhalen vertellen over een nieuw land dat zal geboren worden uit het puin van het verleden, ... kinderen die samen optrekken op zoek naar avontuur en in de zon een zandlandschap creëren waarin hun gekleurde steentjes om ter snelst de eindmeet moeten bereiken of gewoon tegen een afgebrokkelde muur, beschut tegen de wind, eindeloos palaveren of dromend voor zich staren...

 

Maandag 29 december

Het wordt vandaag een lange dag, want wij krijgen hoog bezoek dat laat arriveert: de Chod, (Chief of defence) generaal August Van Daele, generaal-majoor Michel Audir, de commandant van de luchtcomponent (vroegere benaming Luchtmacht) in het gezelschap van de opperaalmoezenier, enkele kolonels en andere vip’s. Ik moet dringend mijn container opruimen, het tweede bed opmaken en nadien de vloer met een geurig product zuiver maken en ontsmetten: mijn gast is de opperaalmoezenier Roger Vandenberghe die twee nachten mijn nederige woonst zal delen. Ik hoop dat hij er zich een beetje thuis zal voelen en tot rust kan komen. Een eenvoudige lichtkrans schept een aangename kerstsfeer. Na deze karwei, die ik toch geregeld op mijn programma zet want ik hou van een nette omgeving, zijn er de gewone dagdagelijkse bezigheden: post (lees mail) beantwoorden, mensen opzoeken, afspraakjes maken, was binnen dragen, en met de briefing de laatste details van het bezoek grondig doorpraten.

De dag vliegt voorbij en eer ik het merk is het 23 uur en zet de c130 zich neer op KAIA. Het ontvangstcomité wacht de bezoekers op, terwijl de veiligheidsprocedure voor VVIP’s onberispelijk verloopt: niemand die er niet moet zijn, komt er niet bij. Na het traditionele handjes-schudden is het selecte gezelschap in de Europazaal verwacht voor een drankje en een hapje, en de onvermijdelijke briefing met als onderwerp de veiligheidsmaatregelen die iedereen in acht moet nemen. In groep wordt onze compound verkent zodat e’s morgens iedereen de weg vindt naar wasplaats en mess. De bagage is ondertussen naar de slaapcontainers gebracht en ik zie veel gelukkige mensen zich haasten om tussen de lakens te kruipen. Een vermoeiende dag voor bezoekers en gastheren zit er op!

 

Dinsdag 30 december

Mijn kamergenoot heeft geslapen als een roos en wipt monter het bed uit. Ik blijf nog even liggen, kwestie om de eer te geven aan wie eer toekomt, maar ik ben uiteindelijk nog voor Roger in het restaurant (mess) voor het ontbijt. Om 8.45 uur is het gezelschap terug in de Europazaal verwacht: met een powerpointpresentatie wordt de structuur van onze battlegroep voorgesteld, de taken die onze manschappen verrichten, de andere deelnemers aan dit NATO-gebeuren, en iedere spreker legt zijn gewicht in de schaal om zijn item duidelijk en klaar naar voor te brengen. Buiten staan de voertuigen te wachten op de ‘hoogwaardigheidsbekleders’ want ze zullen alle observatieposten met hun bezoek vereren. Ik mag mee in de transit met het summum van de geestelijkheid (De opperaalmoezenier Roger, Don Castelein die de protestantse opper vervangt, Eric, chef van de morele consulenten) en enkele vakbondsmensen. De ‘toer’ van KAIA wordt afgelegd, alle o.p.’s worden aangedaan, mensen voorgesteld, nord- en maingate krijgen de nodige belangstelling, en iedere bezoeker stelt zijn eigen vragen en vormt zich een beeld van de activiteiten op KAIA en van het dagelijkse leven van onze soldaten. Sommigen trekken grote ogen open als ze horen wat het van onze mensen kost om 24 op 24 uur operationeel te zijn, professioneel te kunnen werken, en dit alles te combineren met de aandacht voor en het contact met de thuisblijvers, de nodige hygiënische zorg, de voldoende nachtrust en de noodzakelijke tijd voor ont-spanning en ont-haasting. Hier en daar kan je tussen de antwoorden en de commentaren meer horen dan wat gezegd wordt. Tegen de middag is de ronde beëindigd en hebben de bezoekers tijd om even op ‘adem’ te komen. Om 14.15 uur wordt het programma verder gezet met een bezoek aan het hoofdkwartier van ISAF en aan de Belgen die daar werken. Ik kan deze tussentijd nuttig gebruiken om mijn eigen werkzaamheden te verrichten en mij klaar te houden voor het avondprogramma: onze gasten zullen terug zijn tegen 17 uur en dan wordt weer de ‘automatische piloot’ ingeschakeld. De late namiddag en de avond zitten voor mij vol verrassingen. Ik leer nieuwe mensen kennen en tussen pot en Leffe deel ik ervaringen met Eric en Don, luister ik naar hun bevindingen, naar wat hen aangegrepen heeft in de gesprekken met onze mensen, mag ik vertellen over mijn werk, mijn zorgen en mijn vreugde, mijn visie op de taak van ‘welzijnswerker’ die wij als protestantse of katholieke aalmoezenier en als lekenconsulent moeten en mogen zijn... Wij vinden elkaar zeer vaak in het verwoorden van wat ons bezig houdt en wat ons van elkaar onderscheidt of waar wij elkaar kunnen aanvullen.  Dit gesprek doet mij deugd en ik merk dat mijn gesprekspartners dit ook zo aanvoelen. Hier wordt iets nieuws geboren... en het mag... want we zijn toch in de kersttijd. Is dit nu ook mens-wording? Ik ben ervan overtuigd. Elke brug naar een ander is een godsgeschenk.

Plots verschiet ik mij een breuk. Iemand komt vragen of hij er mag bij zitten. Voor mij staat generaal Van Daele. Hij wenst met de padré kennis te maken en ik zie aan zijn lachende ogen dat hij als  ‘gezonden’ komt. Dat blijkt later uit zijn woorden. Na de maaltijd heeft hij gesprekken aangeknoopt met soldaten en onderofficieren, en blijkbaar hoorde hij dat niet alles op KAIA smetteloos verloopt, en dat er dus wel dingen zijn die mensen voor al dan niet grote problemen stellen. Tussen de regels door moet hij duidelijk aangevoeld hebben, ook tijdens zijn bezoek in de voormiddag, dat één en ander moet herzien worden. Ik ben ervan overtuigd dat hij een zeer genuanceerd beeld heeft gekregen van onze opdracht en de wijze waarop ze uitgevoerd wordt; van de belasting voor onze mensen en van de zorgen die ze met zich dragen. Hij luistert met volle aandacht, stelt af en toe een vraag ter verduidelijking, vraagt mijn mening over een aantal vertrouwelijke onderwerpen; mijn gesprekspartners brengen hun steentje bij, vervolledigen, nuanceren, vullen aan... en dat gedurende ruim anderhalf uur. Kleur ik even rood wanneer hij vertelt over zijn gesprek met de minister die na zijn bezoek aan KAIA positief over mij sprak? Ja, even blozen maar met een goed gevoel!

Naast mij zit geen generaal, maar een man die met zijn hart bij zijn mensen is, die zijn verantwoordelijkheid niet uit de weg gaat, iemand die niet uit de hoogte spreekt maar door zijn manier-van-zijn ‘vertrouwen’ schenkt en ‘vertrouwen’ krijgt. Ik vraag mij af of dit bezoek geen bezoek van de ‘wijzen’ is, van mensen die overtuigd zijn dat op weg gaan en mensen opzoeken  nieuwe inzichten kan schenken, nieuwe horizonten kan openen om nadien andere wegen in te slaan. Ook al valt ‘Driekoningen’ pas volgende week dinsdag, ik weet zeker dat ze zich niet vergist hebben en geen week te vroeg zijn aangekomen, maar juist op tijd, op het gepaste moment. Wat is ook een week voor een ‘wijze’?

Wanneer ik later in mijn container kom, is Roger reeds in dromenland. Ik bracht nog een bezoek aan de mensen aan de maingate. Wanneer de stilte over Kaia is gekomen, en het knetterend hout in de lege olieton zijn weldoende warmte afgeeft aan zij die niet slapen, maar waken, en voor onze veiligheid zorgen, dan brengt het ene woord het andere mee, zacht uitgesproken, soms gefluisterd, hier en daar geladen met weemoed, met stil verdriet, soms is het bezield en krachtig, dan weer aarzelend of er klinkt angst in door, soms opstandig, dan weer berustend... Je luistert, je bent er voor hen, en je kent uur noch tijd... totdat het weer laat is om te gaan slapen. Ik zag Roger deze avond ook luisteren naar wat mensen hem wilden vertellen, naar wat kolonel Miel met hem wou bespreken, ... Zoals hij nu rust en slaapt moeten deze gesprekken hem ook deugd gedaan hebben. “Geniet van je rust en slaap, Roger. Morgenvroeg is het weer inpakken en optrekken...”

 

Woensdag 31 december

Even voor zes uur klinkt een rustig Afghaans deuntje uit mijn wekkerradio en brengt mij tot de werkelijkheid dat de laatste dag van het jaar is aangebroken. 31 december: een feestdag in de familie, samenkomen en gezellig samenzijn rond mijn zus Bini die jarig is. Het is misschien niet dé dag om te verjaren, maar die dag is het haar verjaardag, en een dag vol tradities en eigen-aardigheden die ik hier niet zal beschrijven. En vandaag wordt een traditie gebroken door mijn afwezigheid, een traditie van nauwelijks geen 50 jaar. Lieve zus, ook al ben ik er vandaag niet bij, naar jou gaan mijn gedachten en wat je vandaag niet krijgt wordt goedgemaakt zodra ik weer thuis kom. God zegene en beware je, en moge het komende levensjaar minder zorgenrijk zijn dat het jaar dat nu stilaan achter de hoek verdwijnt.

De andere werkelijkheid zie ik ook onder ogen: ons bezoek vertrekt straks en mijn kamergenoot moet ik uitwuiven. Dus spring ik fluks uit bed en maak mijn toilet vooraleer Roger de slapers uit zijn ogen wrijft. Weer vliegt de tijd voorbij, en dra staan we op de tarmac en wensen goede reis aan de vertrekkers. Na een algemene repetitie kan de C130 toch opstijgen want ondertussen is de mist opgetrokken. ‘Doe ze de groeten in Kosovo’ en ‘Wel thuis’ en ‘tot ziens’...

De rest van de dag is vol mijmering en herinnering. Een jaar vliegt door mij geest en tekent scherpe accenten van niet te vergeten feiten, van mensen en woorden, van vreugde en ontroering, van diep verdriet en stille onmacht...

Ik werk aan de foto’s van het bezoek van de Chod, en stuur alles door naar de websites. Morgen, volgend jaar, kunnen familie en vrienden meekijken naar wat hier gebeurt!

De laatste avond van het jaar brengen we door in onze Belgische kantine. Er is veel sfeer en het doet deugd samen af te tellen en op het nieuwe jaar te klinken. We delen met elkaar onze beste wensen en we duimen voor de tijd die komt. Een zalig en gelukkig 2004, boordevol gezondheid en levensvreugde. Leef en geniet er van, en moge Hij die ons liefheeft ons toelachen en zegenen!

Het is 1.15 uur wanneer ik ook nog de vrienden aan de maingate opzoek... en de rest is zonder woorden!

 

Donderdag 1 januari

Een nieuwjaarsmorgen roept bij mij altijd het beeld op van iets nieuws, een onmetelijke nieuwe ruimte van tijd en duur waarin we mogen onderduiken, waarin we ons laten drijven en waarvan alles onbekend is. Vast staat dat er weer een lente zal komen, hopelijk veel zomerse dagen, een prachtige herfst en een nieuwe winter als voorbode van een ‘volgend nieuw jaar’. Anderzijds weet je dat het nieuwe jaar niet anders zal zijn dan de andere jaren, een aaneenschakeling van termijnen, afspraken, taken, van zorgen en lasten, van pijn en verdriet, af en toe gekleurd door een sprankeltje hoop, door een vreugdevol moment, door één of ander feit dat je leven tot een feest maakt; je probeert de goede dingen te bewaren en de slechte te vergeten, je verlangt naar wat je zal vervullen, je kijkt er naar uit en zo kan elke dag de moeite waard worden; je hebt geleerd je geen begoochelingen meer te maken, alles realistisch onder ogen te zien en er met de gepaste nuchterheid op te reageren. Nu begrijp ik wat ik als kind niet kon begrijpen: hoe tantes en nonkels op nieuwjaarsdag niet het enthousiasme van ons, kinderen, deelden, maar de film van hun alledaagse zorgen en ongemakken afspeelden voor wie op bezoek kwam, en deze met de nodige druppels en likeurtjes begeleidden in een poging alles te verdringen (door te ver-drinken) en te vergeten en even een euforie te beleven van ‘zich goed voelen’ en de ‘plezante’ te zijn.

Met kolonel Miel bezoek ik in de voormiddag alle observatieposten om nieuwjaar te wensen aan al onze mensen en te luisteren hoe zij de overgang van oud naar nieuw hebben gevierd. In de namiddag trekken we naar het hoofdkwartier van ISAF om ook daar onze Belgische landgenoten alle goeds toe te wensen, maar we vinden er maar een klein aantal. In het HQ is het rustdag, en God weet waar ze allemaal uithangen en waar mee ze bezig zijn.

Eens terug op KAIA is het tijd om de familie telefonisch te contacteren en het duurt wel even voor ik iedereen aan de lijn heb gekregen en geïnformeerd heb naar de laatste nieuwtjes. Je merkt dat 5600 km afstand geen probleem is om mensen nabij te zijn, en ik beleef deugd aan deze eerste babbels van een nieuw jaar.

Het zal voor mij geen lange avond worden, na de drukte van de voorbije dagen en de korte nachten zoek ik de rust op van mijn container en ik geniet van de stilte en het alleen zijn. In enkele psalmen vind ik wat ik zelf niet verwoorden kan en ik voel mij gedragen door eeuwenoud gebed. De ‘Witte Leeuwin’ bezorgt mij nog spannende momenten en ik weet niet meer hoe laat het is als ik mijn leeslampje uitschakel.

Dit was de eerste dag en Renaat zag dat het goed was ...!

 

Vrijdag 2 januari

Het nieuwe van gisteren is er al goed af, en de opdracht verloopt verder alsof er niets gebeurd is.

Ik heb extra werk te doen, want zondag zal ik voorgaan in de viering bij de Amerikanen in Camp Phoenix. Het feest van de Openbaring wil ik dan ook voorbereiden in het Nederlands, in het Frans en in het Engels. Ik ben nu wel gewoon om een viering goed voor te bereiden maar een viering-in-triplo is geen alledaags gebeuren. Ik moet er rustig de tijd voor nemen, er aan beginnen is de boodschap.

De rest van de dag verloopt zonder noemenswaardige meldingen. Alleen het avondmaal vind ik schitterend: heerlijke eendenborst met kroketjes, fruit en een lekkere saus: een feestmenu op een doodgewone vrijdagavond. bedankt, lieve koks voor de verrassing! De dag besluit ik met een glühwein in onze kantine en een vrolijke babbel met enkele tooghangers.

 

Zaterdag 3 januari

Ik kan vandaag mee boodschappen doen in de stad, een uitstekende gelegenheid om mensen te observeren en ze vast te leggen op de gevoelige plaat. Een eventuele conversatie met toevallige voorbijgangers beperkt zich tot gebarentaal en grimassen, die vaak aan duidelijkheid niets te wensen over laat. Waar ons konvooi stopt zijn de kinderen er heel vlug bij en laten zich graag fotograferen. De verkeersdrukte is op sommige plaatsen enorm en moet niet onderdoen voor het verkeer in onze centra, alleen het soort van voertuigen en de wijze waarop mensen deel nemen aan het verkeer is helemaal anders. Het liefst zo ik mij als voetganger of fietser in de chaos willen werpen... een droom die wel nooit zal mogelijk zijn!

De zaterdagnamiddag verschilt in niets met de andere zaterdagen: de laatste voorbereiding van de vieringen, alles uitprinten, ordenen, de dagelijks briefing van 16 uur, aansluitend het avondmaal en de schikkingen in de kapel. Na de viering werk ik nog even aan mijn dagboek; morgen wil ik het klaar hebben. En na een vluchtig bezoek aan onze kantine waar ik nog enkele mensen wil zien, en een hete douche begint voor mij een zalige zaterdagavond.

Zondag 4 januari

De winter doet stilaan zijn intrede. Een grijze wolkenlucht onttrekt de besneeuwde bergtoppen aan het oog en ook geen zonnestraaltje begroet mij in bed. Blijf ik nog even liggen, of waag ik mij toch op pad? Ik kies voor het laatste, want om 9 uur ben ik in de kapel verwacht voor de viering met de Fransen. Het feest van de Openbaring, in de volksmond ‘Driekoningendag’ verhaalt over een Licht dat is opgegaan over alle volkeren. De weergoden zijn het feest niet welgezind en laten de duisternis overheersen. Er hangt sneeuw in de lucht. We zien wel wat het vandaag wordt.

Van zodra de viering ten einde is, en de laatste ‘wijze’ vertrokken is, ga ik naar het paleis van Herodes, naar het stafblok, om mijn dagboek af te werken. Er zijn zo van die dagen dat alles gesmeerd loopt en dat de inspiratie alomtegenwoordig is, maar vandaag is het zo niet. Wat ik neerschrijf, herlees en herschrijf krijgen jullie binnenkort onder ogen. Het lijkt alsof vandaag mij alles tegen zit. Op weg naar de kantine voor het middagmaal valt het mij te binnen dat er geen ‘eten’ is, we moesten deze morgen ons voorzien voor middag- en avondmaal. Ik geloof sterk in de goddelijke Voorzienigheid maar die bezorgt mij geen eten. Dan maar even op de Afghaanse markt buiten de maingate rondkuieren. Ik vind een film over Kandahar, die op het filmfestival van Cannes in 2001 de prijs van de Jury kreeg. Het verhaal gaat over een Canadese journaliste, geboren in Afghanistan, die naar haar thuisland terugkeert in een wanhopige poging haar zuster te vinden. Ze geraakt gewond door een landmijn, en wanhopig door de systematische onderdrukking van de vrouwen door de Taliban overweegt ze zelfmoord te plegen tijdens de zonsverduistering, drie dagen later. Gekleed in de traditionele burka, zich gedragend als een onderdanige vrouw, begint ze haar Odyssee dwars door de woestijn, en ontmoet er op haar weg bandieten, lijkenrovers, zwervende stammen, groepen van landmijn-slachtoffers en uiteindelijk ziet ze een huwelijksstoet en staat ze oog in oog met Kandahar, de stad in het zuiden, het doel van haar zwerftocht. Ik aarzel niet hem aan te kopen: een menselijke film tussen zoveel rotzooi.

Tegen 17.30 uur zal een Frans escorte mij begeleiden naar het Amerikaanse kamp. Ik neem kelk en schaal en brood en wijn mee, samen met de teksten van mijn voorbereiding, en een 20-tal Engelstalige kerstkaarten ‘a child in the streets of Kabul’. De viering verloopt beurtelings in het Engels en in het Frans omwille van de aanwezigheid van enkele Franse soldaten, die hier samen met de Amerikanen, instaan voor de opleiding van Afghaanse militairen. Kort na 18.30 uur sta ik buiten, op de plaats van afspraak, maar geen Franse jeep te bespeuren. Ik wandel naar de poort van Camp Phoenix, en wacht en wacht, een half uur, een uur, anderhalf uur; de koude dringt doorheen al mijn kleren en ik ijsbeer in het rond. Op mijn vraag aan de wacht om mij met de Fransen in verbinding te stellen, krijg ik een negatief antwoord. Ze weten niet hoe het moet. Ook het Belgisch detachement in KAIA kunnen ze niet telefonisch bereiken. Het is reeds na 20.45 uur als een Amerikaans voertuig mij terugbrengt naar hun veiligheidsofficier en op mijn vraag mij naar de Franse compound brengt. Tegen 21 uur kan ik mee met een Franse jeep die mij even later ’thuis’ afzet. Te laat om nog iets te vinden voor het avondmaal, dus maak ik in mijn kantoortje een kop chocolademelk klaar met oplospoeder en eet een suikerwafel. Ik zal het wel overleven, ik ben niet onmiddellijk uitgemergeld en het vel over de benen.

Tegen 22 uur kan ik verder aan mijn dagboek werken, maar ik geef er de brui aan om 00.15 u. Ik moet het morgen voltooien. Als ik nog even de shift binnenloop, hoor ik het verhaal van een vechtpartij in een container. Ik ken de mensen van die sectie en spreek verzoenende taal. Zo een feit kan natuurlijk niet ongestraft blijven, maar welke straf is de beste, voor de ‘daders’, voor het ‘slachtoffer’, en voor de ‘omstanders... Ik probeer de luitenant te overtuigen nu geen beslissing te nemen, maar te wachten tot morgen: rust brengt raad, stress is een slechte raadgever. Het moet al na één uur zijn als ik in mij container kom: ik kijk meestal niet meer op mijn uurwerk, en na een tandenpoetsbeurt neem ik de ‘Witte Leeuwin’ ter hand en lees en lees... Morgen straks zien we wel verder!

 

Maandag 5 januari

Voor de doc, onze An, zit de zending er bijna op. Na haar komt een dokter voor één maand, en dan nog een andere om de zending rond te maken. Dat we ondertussen de helft van de zending achter ons hebben, kan je hier dagelijks en van meerdere mensen horen. Er zit een bijklank in van ‘tevredenheid’, van ‘oef’ - we tellen af, van nog zoveel dagen; sommigen zeggen mij: ‘Padré, voor ons is hier nog niets veranderd (lees: verbeterd!), maar we zullen onze ‘job’ doen, wij leggen ons neer bij wat het is, en wij kijken uit naar het einde, binnen afzienbare tijd zijn we thuis en dan zijn we er van af!”

Met onze doc vertrekt ook Jan, één van de koks, én Alex, de hondenmeester. Oorspronkelijk zou ik ook op woensdag 7 januari naar België terugkeren, maar na gesprekken met de kolonel en ander sleutelpersoneel stond de opperaalmoezenier toe dat ik langer blijf, zeker tot 24 januari.

Het doet wel raar aan te bedenken dat een paar mensen, met wie je een band van vertrouwen opbouwde, er straks niet meer zullen bijzijn. Ze krijgen natuurlijk ‘opvolgers’, en het zullen wel weer de ’besten’ zijn die er zijn, maar zoals nu wordt het nooit meer. Dit proces van komen en gaan speelt zich duizendmaal af in het leven van elke mens, en zeker in het militair milieu waar officieren twee, maximaal drie jaar op hun post blijven.

Hoeveel mensen zijn er niet die op één of andere manier je leven gedeeld hebben, mee ‘vorm’ gegeven hebben, op jou grote aantrekkingskracht uitoefenden, je op een belangrijke wijze beïnvloed hebben met hun ideeën, hun manier-van-zijn, aan wie je je opgetrokken hebt en die soms ‘vriend’ geworden zijn, een stuk-van-jezelf! En ze verdwijnen, sommigen zonder een spoor na te laten, letterlijk en figuurlijk. Van anderen maakte je bij het afscheid een echt rouwproces door, je hart ‘huilde’ omdat er iets stuk brak bij het afscheid, iets dat je koesterde en dat je voor geen geld van de wereld zoudt willen prijsgeven én je had tijd nodig om nadien weer orde te brengen in je gevoelsleven, in je denken en zijn, en te leren de werkelijkheid onder ogen te zien die onomkeerbaar is, tenzij... je hoopte de ander later weer te ontmoeten op één of andere plaats, op één of ander moment. En wie kent niet die ontgoochelende werkelijkheid van die ‘dwaze droom’ omdat een latere ontmoeting geen herstel is van wat was, omdat ‘diegene die we zo node misten, ons nog nauwelijks zien staan. “Partir - c’est mourir un peu” zeggen de Fransen, maar de werkelijkheid overtreft vaak

die kerngedachte. Zou de kunst van het leven er kunnen in bestaan om elk moment weer afscheid te nemen van alles wat ons bezig houdt en van wat ons dierbaar is? En moet die ‘levenskunst’ dan niet van kleins af aan geleerd en begeleid worden? Moeten we ook leren afscheid te nemen van het beetje leven dat we moeizaam voor onszelf verworven hebben? Wordt ons niet zo gaandeweg de zin van het bestaan geopenbaard als een tocht naar die ultieme ontmoeting met Iemand van wie we nooit afscheid moeten nemen, Iemand die op de uitkijk staat naar ons om ons in een grenzenloze vriendschap te omarmen en te behouden voor altijd? ‘Partir c’est mouri un peu wordt dan ‘partir pour rencontrer et vivre sans fin’.

Deze avond wordt de ‘kiek-in’ van de Duitse vrienden de place-to-be. Geen groot afscheidsmaal maar gezelligheid en vriendschap vieren met een beetje kaas, wat foie gras, hesp, brood en wijn, en aangezien de medische ploeg voltallig aanwezig is zal er gelachen worden. Je hebt het misschien tot in België gehoord!

 

Dinsdag 6 januari: driekoningendag.

Ik heb soms het gevoel dat de wijzen, die langs een andere weg terugkeerden, een grote bocht om Kabul hebben gemaakt. Voor sommige chefs zou het wel goed geweest zijn te kunnen delen in de inzichten van andere ‘ wijzen’ en er voor open te staan. Ik merk soms dat een goedbedoelde gedachte, een ander argument, een logische redenering, een relativering van sommige ‘absolute’ items het omgekeerd effect heeft die hun doet verharden in hun houding. Militairen zijn en blijven natuurlijk mensen zoals jij en ik, maar bij sommigen is de opleiding die ze genoten hebben, niet alleen het leren hanteren van eigen begrippen en afkortingen, de vaardigheid om met wapens en gevaarlijk materiaal om te gaan, maar ook de dril en de slogantaal, het klakkeloos uitvoeren van bevelen krijgen en bevelen geven, geen garantie dat ze een situatie rustig en nuchter kunnen inschatten, en op een adequate wijze kunnen reageren wanneer zich iets voor doet wat niet te voorzien is.

Ik heb moeite met de manier waarop enkele ‘chefs’ - noem ze sergeant, sectie-commandant, pelotonscommandant, luitenant, kapitein of commandant omgaan met hun mensen. Discipline, orde en tucht zijn onontbeerlijk, en een bevel is een bevel. Even belangrijk als een klaar en duidelijk geformuleerd bevel is de manier waarop het naar de mensen wordt gebracht, én hoe je omgaat met mensen die blijkbaar hun best niet doen. Deze vaardigheden liggen naar mijn aanvoelen eerder op het terrein van de psychologie (inzicht in hoe mensen zijn, hoe ze zich gedragen, wat je van hen moogt verwachten, hoe gedraag je jezelf, is wat voor een ander geldt ook voor jou geldig...), van de pedagogie (wat wil je bereiken met wat je vraagt, hoe breng je een boodschap over, hoe reageer je als die boodschap niet gehoord wordt, hoe probeer je het gedrag van mensen gunstig te beïnvloeden, wat is een sanctie, welk is het doel ervan, welke maat en gewicht hanteer je, wat met je voorbeeldfunctie als ‘leider’, ... ) dan op het terrein van de militaire strategie, wetenschap en techniek.

Ik hoor mijn prof pedagogie nog altijd zeggen: “als leider (chef) wordt je geboren, je hebt dat of je hebt dat niet”.

Je kunt je bekwamen in het bestuderen van menselijke gedragingen, je kunt de psychè van een mens proberen te doorgronden, je kunt allerlei kneepjes en tegeltjes toepassen (en die zijn ook nodig!), maar dat garandeert nog niet dat je een goede leider (chef) bent; je kunt als soldaat een prima opleiding krijgen, vaardig zijn in alle gevechtstechnieken, ze kunnen beschrijven en aan anderen aanleren, je kunt een onberispelijk gedrag hebben, elk bevel minutieus opvolgend, maar dat garandeert nog niet dat je een goede chef bent. Een prima soldaat in een sectie is een deel van de keten die een perfecte uitvoering van de opdracht garandeert, maar een chef heeft meer nodig: zich kunnen inleven in de anderen (empathie), kunnen luisteren en achter wat niet gezegd wordt toch méér verstaan, je moet geduldig zijn en liever met kleine stappen voortgaan in het begeleiden van je mensen dan er met de grove borstel van door te gaan, eerder een extra inspanning of een prestatie van een ondergeschikte ‘belonen’ met een waarderend woord, dan voortdurend op fouten te hameren en de ‘dader’ op te zadelen met het gevoel van ‘ik ben een mislukkeling, ik kan het niet, voor mij hoeft het niet meer’. Zo verliest elkeen zijn motivatie en wordt de opdracht een nachtmerrie, zowel voor de chef als voor de ‘ondergeschikten’.

Ik schreef reeds dat een slechte communicatie voor ‘problemen’ zorgt. Het moet gezegd dat, naar mijn aanvoelen en naar mijn persoonlijke inzichten, de communicatie van boven naar onder en van onder naar boven mank loopt, en soms niet bestaande is. Het communicatieverloop wordt gehinderd door een aantal filters die men, bewust of onbewust, inbouwt of die het gevolg zijn van een toestand van wantrouwen waardoor er niet meer gecommuniceerd kan worden. Er zijn ‘filters’ op de informatieweg van wat gebrieft is op stafniveau naar het laatste echelon: dat van Jan Soldaat. Deze filters laten sommige delen van informatie weg. Een pelotons- of sectiecommandant vindt dit of dat item niet belangrijk om te vermelden. Soms is er sprake van een kleurenfilter: de boodschap wordt niet ‘sec’ doorgegeven, maar vanuit een zekere appreciatie of misprijzen.

Anderzijds kan Jan Soldaat met zijn vraag, zijn mening, zijn visie en zijn overtuiging niet altijd terecht bij zijn onmiddellijke chef, laat staan dat hij de hoge drempel moet nemen naar de pelotonscommandant of de compagniecommandant. Elke mens wil ‘gehoord’ worden, ook Jan Soldaat, en dit vraagt een leadership dat kan omgaan met vragen en bemerkingen van onderuit, een leadership dat niet alles chinees klasseert wat van onder uit komt, maar een eerlijk en passend antwoord geeft, vanuit een fundamenteel respect voor de overtuiging van elk ander, gewetensvol verantwoord binnen de grenzen van de militaire ethiek, discipline, strategie en de duidelijk afgelijnde opdracht. Zo een antwoord stimuleert en motiveert Jan Soldaat om zijn eigen kleine taak naar behoren in te vullen, en er genoegen aan te beleven: hij weet dat ‘zijn’ chef een mens is die met hem begaan is, een chef die niet alleen oog heeft voor de opdracht, een chef die begrijpt dat de opdracht niet kan slagen als hij niet te doen heeft met 100% gemotiveerde en geëngageerde soldaten.

Ik wil verder nadenken over andere aspecten die zorgen voor een minder goed functioneren van mensen, bijvoorbeeld over dreiging met sancties en eventueel gebruik van (fysiek of verbaal) geweld. Ik wil mijn gedachten met jullie delen in een volgend dagboek.

 

Woensdag 7 januari

Mijn eerste gedachten vandaag zijn weer bij mijn familie: mijn schoonbroer Marc is jarig: hij opent traditioneel het verjaardagsjaar. Deze avond zullen ze wel allemaal weer samen zijn, zussen en broer, schoonbroers en dito-zusters. Bij een volgend verjaardagsfeestje zal ook ik er bij zijn. Proficiat, Marc, ... ik bel je deze avond wel!

Vanmorgen gaan we nog even tot aan het schooltje dat ook onze minister bezocht: we hebben nog wat schoolmeubilair dat uit België overkwam, en we willen dit aan het schoolbestuur overhandigen. Ik maak de bedenking: ‘mochten alle scholen uit hun niet gebruikte reserve (wij zijn veeleisend in België- wij willen alleen ergonomisch verantwoord meubilair) dat goede en degelijke materiaal (dat voor ons geen dienst meer doet) ter beschikking stellen van de scholen in Afghanistan, mocht elke school in ons land het ‘peterschap’ willen aanvaarden van een Afghaanse school, mocht elk schoolbestuur, elke directie, leerkrachten en leerlingen willen focussen op een ander land dat voor ons onbekend is, en een andere cultuur heeft, zou dit zeker bijdragen tot een mondiale opvoeding en inzichten bijbrengen over de gelijkwaardigheid van mensen, ook al hebben ze andere tradities, spreken ze een andere taal, zijn ze anders-gelovig... Maar is het haalbaar en realistisch onze scholen te betrekken in een humanitaire zending van Belgische militairen?

Deze namiddag is er een accident gebeurd met onze pandur-medic. Een kindje is voor het voertuig de straat overgelopen en is in aanraking gekomen met dat logge ijzeren monster. Dokter An en de medische ploeg hebben onmiddellijk het kind voor verzorging naar het hospitaal in Warehouse gebracht waar een gespecialiseerd team het kind onderzochten en de beenfracturen fixeerden.

Willy, de chauffeur van de pandur, is er onderste boven van. Wie hem kent weet dat hij, ondank zijn ruig uiterlijk, een zachtaardig man is, voorzichtig als geen één en dat hem dat juist nu moet overkomen.

Terwijl de spanning en de emoties omwille van het accident in de lucht hangen, verwelkomen we onze nieuwe dokter en Johan, onze RMO, die een maand zullen blijven, én onze nieuwe kok en enkele andere vervangers. Het is weer zeer laat als ik de dag kan afsluiten, zonder Willy te hebben gezien, en zijn verhaal kan horen. Morgen zoek ik hem op!

 

Donderdag 8 januari

De kersttijd is voorbij, zaterdag is er in onze kantine een ‘fuif’, er wordt veel volk verwacht, dus de kerstboom moet afgebroken worden. Ik zoek een paar mensen samen die de handen uit de mouwen willen steken, en het duurt amper een uurtje vooraleer de boom gepluimd is, van zijn takken ontdaan, de kerstballen en de lichtsnoeren in hun oorspronkelijke verpakking gestoken, en alles zorgvuldig in een reuzekist geborgen waarmee het transport naar België zal gebeuren.

De rest van de dag gaat mijn aandacht naar de toestand van het meisje in het hospitaal, naar de mensen van de medische dienst, ... en ik heb veel werk om foto’s klaar te maken om op het net te zetten.

 

Vrijdag 9 januari

Er komen ons allerlei geruchten ter ore over de wijze waarop verslag uitgebracht wordt door de Belgische media van het accident met het meisje. Sommige bronnen zeggen dat het kind al een been verloren heeft en dat ook het ander geamputeerd moet worden, er wordt gezegd en geschreven dat de chauffeur van het voertuig in dronken toestand zou geweest zijn, ...

Wij ergeren ons mateloos aan de wijze waarop de verslaggeving gebeurd. Ten eerste is er hier geen enkele verslaggever en dus geen getuige van het accident, ten tweede nam en neemt niemand met ons contact op om de ware toedracht te kennen en de juiste informatie in te winnen nopens de toestand van het meisje, ten derde worden zo maar berichten verspreid die kant noch wal raken en niet eens gecheckt zijn op hun juistheid en waarheidswaarde, maar het ergste is dat een mens gekraakt wordt door valse berichtgeving, die zich niet eens kan verantwoorden omdat hij niet ter plaatse is daar waar de berichten circuleren. Naar mijn aanvoelen is hier sprake van een ongeoorloofde manipulatie van feiten, feiten die niet gegrond zijn en op hun juistheid gecontroleerd, die alleen maar de bedoeling kunnen hebben een organisatie en mensen te schaden.

Iedereen die naar het thuisfront belt of mailt krijgt steeds als eerste vraag: ‘wat steken jullie daar uit? Hoe gaat dat daar bij jullie aan toe? Was de chauffeur onder invloed?”...

Ik kan mij inleven in de gemoedsgesteltenis van Willy, een respectabel vader en echtgenoot, iemand die geen druppel alcohol aanraakt, en die juist hier op gepakt wordt, in zijn eergevoel ten diepste gekrenkt en zonder mogelijkheid tot verweer wegens de afstand.

Ik kan je verzekeren dat de stemming bij ons boos is, agressief zelfs naar die ‘onbekende’ leugenverkoper(s) die niet aarzelen, omwille van sensatie, de goede naam van mensen te besmeuren, die munt (en publiciteit) pogen te slaan uit een pijnlijk accident waarbij niemand zich schuldig mag voelen of de schuld aan iemand kan geven: een kind kan ook bij ons de straat plotseling en onvoorzichtig overlopen, zelfs aan de hand van moeder of vader en voor hun ogen verongelukken. Je kunt proberen in te schatten wat een kind aan de straatrand gaat doen, je kunt je snelheid aanpassen, je reactievermogen op het hoogste peil brengen, maar zeggen dat jou zo iets nooit kan overkomen... wie durft dit te verklaren?!

Vanuit verschillende hoeken worden stappen gezet, redacties gebeld, mails gestuurd, meningen aan forums toevertrouwd, maar wat baat het nog als onheil geschied is!

In de namiddag ben ik er bij als de vader van het meisje, in het gezelschap van een tolk, van de dokter, een Afghaanse politieman en enkele officieren in de luchthaven aankomt. Een speciaal interventievliegtuig zal het meisje en haar vader naar Neder-over-Heembeek brengen om de spiertransplantatie, nodig voor het herstel van het kind, uit te kunnen voeren. In Afghanistan zijn zulke operaties onmogelijk bij gebrek aan infrastructuur en hoogtechnologisch materiaal. Normaal zal iemand bij zulke ongevallen beide benen verliezen, en misschien nog sterven door infecties, opgelopen door gebrekkige hygiënische omstandigheden na de operatie.

Voor het meisje en haar familie is alle hoop gesteld op de ingreep die bij ons zal uitgevoerd worden.

Ik ben ontroerd als ik de vader van het meisje daar zie staan: met zijn sjofele Afghaanse kledij, in zijn hand een meermaals gebruikte plastic zak met daarin misschien wat reservekleren... Naar onze normen van op reis gaan zouden we ons voorzien van alles wat we misschien nodig zouden kunnen hebben, maar hier staat iemand - die voor hem bij wijze van spreken naar het andere einde van de wereld gaat - met niets anders dan een plastic-zakje... Ik vraag me af als hij KAIA en ons ziet, wat er in hem omgaat?

Een tocht naar het onbekende maakt onzeker, misschien angstig...

Wat zullen zijn ervaringen zijn als hij in Brussel aankomt, het militair hospitaal ziet, de mensen die hij niet kent en wiens taal hij niet verstaat, en weten dat hij zo ver van huis is, ver van zijn gezin... alleen bij zijn dochtertje dat onder narcose wordt gehouden totdat de omstandigheden optimaal zijn om de operaties te kunnen uitvoeren...

Iemand geeft hem nog een tweede zakje waarin wat reisproviand is klaargemaakt. Hij knikt dankbaar en blijft dan weer gedachteloos staan tussen ons in. De piloot zegt dat het nog enkele minuten duurt vooraleer wij ons naar het vliegtuig kunnen begeven. Ik heb dus nog tijd om naar mijn container te hollen en hem mijn kleine reiszak mee te geven, waarin hij alles kan bergen. Even komt er iets van een twinkeling in zijn ogen en zijn mond verraadt een stille lach. Hij fluistert iets wat ik niet begrijp, maar het zal wel een woord van dank zijn. Kort daarop verlaten we het luchthavengebouw. Alleen de dokter, kolonel Miel en ikzelf begeleiden hem en onze tolk Khalil.

Het meisje is ondertussen overgebracht, en aangesloten op alle medische apparatuur die haar toestand zullen controleren tijdens de vlucht. Ook de vader wordt op een ziekbed gelegd, en een kalmeermiddel zal hem helpen de tocht rustig mee te maken.

Het Duitse militaire vliegtuig is ingericht als een klein hospitaal waarin een achttal personen kunnen gevolgd en verzorgd worden. Een team van een tiental dokters en verpleegkundigen maakt de reis mee. Dit vliegtuig zou een unicum in zijn soort zijn, en weinig naties beschikken er over. Er is niets op tegen dat ik enkele foto’s maak van het kind en van het vliegtuig, maar er is verbod het vliegtuig van buitenaf te fotograferen. Dit is een veiligheidsmaatregel waar strikt de hand wordt aangehouden.

Nog even en de motoren gaan aan het draaien, en langzaam schuift het toestel naar de startbaan. Vaart wel en komt wel thuis... inch’Allah!

 

Zaterdag 10 januari

De mannen van klas-III (brandstoffen) wachten mij op. Ik zal vandaag met hen meegaan, van post naar post waar ze de brandstof afleveren. Het is een dagelijkse routine-klus waar niemand over spreekt, een klein onderdeel in het grote raderwerk van de kamporganisatie, maar even noodzakelijk als vele andere werkzaamheden. Ze sleuren met volle en lege jerrycans, gieten brandstaf over, vullen lege vaten: op de verschillende OP’s mogen ze gerust zijn: de stroomvoorziening is hiermee

gegarandeerd. Ik leg hun werkzaamheden vast, en bij de volgende fotoreeks op het net staan ze er ook bij. Er zullen weer gelukkige mensen zijn in België.

Nu ik terug ben aan mijn werktafel is er voor mij de wekelijkse voorbereiding van de weekendviering.

Ik lees nogmaals aandachtig de teksten door van de lezingen en mijn gedachten gaan naar Baarle. Hoe lief zijn de lezingen van deze zondag: vooral Jesaja 40 en het evangelie over de doop van Jezus. Kan er iets mooiers over een mens gezegd worden dan dat hij of zij een mens is ‘naar het hart van God’? Dat op zo een mens de Geest van God rust, in hem of haar woont!

Nu ik dit zit te schrijven en voor mij uit door het raam staar, zie ik boven mij een donker wolkendek dat zich van links naar rechts verplaatst, en voortschrijdende verschijnt een deel van de bergen in het helle zonlicht. Daar is de hemel opengebroken, daar overheerst het licht. Boven mij verdringen de grijze wolken het licht, maar ik weet, straks zal ook boven ons het licht weer heersen en zullen de wolken verdwenen zijn aan de horizon. Ik hoop dat eenieder van ons dan, in het diepst van zijn of haar hart, de bevestiging mag horen, zien en beleven een “mens te zijn naar het hart van God’.

De fuif van deze avond is fantastisch. Onze kantinetent zit stampvol soldaten van alle naties, aan de toog is het een gedrang om een Belgisch biertje te bekomen, onze drie muziekmasters brengen de sfeer erin en uit volle borst worden gekende schlagers meegezongen. De Belgen kennen er toch iets van, om met eerder beperkte middelen, sfeer te garanderen en iedereen komt graag naar ons toe. Toch verlaat ik na een half uurtje die gezellige plek want ik kan het niet uithouden in een ruimte met veel mensen waar bijna iedereen sigaretten rookt. Ik snak letterlijk en figuurlijk naar frisse lucht. Dan maar een praatje maken met de mensen die de wacht houden bij de maingate (de hoofdtoegang tot KAIA). Ik vertel hun over de ambiance, de goede muziek, het meezingen en meeswingen in onze kantine, maar vlug stappen we over naar andere onderwerpen, naar de roddelpers bij ons, naar het accident, naar alles wat hen de laatste tijd bezig houdt. Het doet mij deugd hier vrijuit te kunnen praten, dat is zeker onmogelijk in onze party-zaal, van waaruit af en toe flarden muziek tot ons doordringen.

 

Zondag 11 januari

Het is de laatste viering waarin mijn Franse collega Michel voorgaat. Volgende week keert hij terug naar Parijs; morgen komt zijn opvolger aan. Samen met hem vertrekt bijna het hele Franse bataljon, zodat de rotatie op een week rond is. De Franse aalmoezeniers zijn ‘gelukzakken’: zij moeten altijd blijven zolang de zending duurt: met hun mensen komen ze aan en keren ze ook terug. Het Belgisch systeem is uniek in de hele militaire wereld, geloof ik. Als ik goed geïnformeerd ben mag ik nog blijven tot 24 januari.

Het is een doodgewone zondag, tot we ‘s namiddags naar de moeder rijden van het verongelukte meisje. Met kogelvrijvest aan in de jeep, tolk mee, een pandur vooruit bemand met een hele sectie zwaarbewapende soldaten, zo rijden we in de richting van Warehouse. Niet zover er vandaan ligt de woonwijk waar we moeten zijn. Langs een nauwe straat met slijkerige bodem waarin halfweg een ondiepe geul dienst doet als riool, stappen we naar het huis waar wij opgewacht worden door een aantal familieleden. Ons bezoek was aangekondigd, je weet maar nooit. Kolonel Miel, onze tolk, enkele soldaten en ikzelf gaan binnen. De moeder verwelkomt ons; zij draagt haar pas geboren kind op de arm, en andere kinderen vullen de eenvoudige ruimte: lemen muren met een raam, afgeplakt met plastiekstroken, een strooien dak, geschraagd door enkele balken, een kleine ijzeren kachel die niet brandt midden in de ruimte met een kachelbuis door het dak, en de vloer bedekt met tapijten en matten. Geen meubels, geen tafel, geen stoelen, het beddengoed opgestapeld en overdekt met een sprei. Een doorgang naar een andere ruimte is afgesloten met een stuk stof, mogelijks een andere slaapplaats.

Wij begrijpen niets van de conversatie tussen de moeder en de tolk, en een broer - af en toe wordt het gesprek vertaald naar ons toe. Wij hebben wat levensmiddelen mee, en een omslag met 50 €, normaal meer dan het gemiddelde maandloon. De moeder moet verder kunnen terwijl haar man, de kostwinner, in België verblijft. Het wordt ons duidelijk dat het een gezin is van vluchtelingen, met vijf kinderen. Hun inkomen is zeer pover en krap. Hoe knopen zij in Gods naam de eindjes aan elkaar!

We nemen het op ons om het gezin regelmatig te bezoeken en op de hoogte te houden van de toestand van het kind. We zullen haar donderdag afhalen om haar bij ons te laten telefoneren met haar man in het militair ziekenhuis. Zij lijkt zeer verheugd te zijn.

Wanneer we haar huisje verlaten dat tegen een vierkante koer is opgetrokken, gaat ze vliegensvlug naar een ander huisje waar de vrouwen buiten wachten. Wij zien haar praten, maar allen trekken zich terug binnenskamers zodra ze mijn fototoestel zien. Afghaanse vrouwen mogen zich niet laten fotograferen in het openbaar, dit is verboden. Wij respecteren dit!

Eenmaal door het nauwe poortje weer op straat, worden we opgewacht door tientallen kinderen die ons blij omringen en vragen gefotografeerd te worden. Maar tijd voor een fotosessie zit er niet in, wel neem ik enkele foto’s die de sfeer goed weergeven en een idee geven van de woonwijk.

Donderdag kom ik terug mee als we de moeder ophalen!

Op KAIA vernemen we dat minister Flahaut duidelijk gereageerd heeft op de foutieve berichtgeving, en een onderzoekscommissie stuurt om na te gaan hoe het accident kon gebeuren. Hij maakt duidelijk dat de betrokken chauffeur ‘alcohol-vrij’ is. Het doet Willy deugd. Ik vertel hem over ons bezoek en nodig hem uit na te denken ons donderdag al dan niet te vergezellen.

 

Maandag 12 januari - dinsdag 13 januari

Met al wat er de laatste dagen gebeurd is ben ik een beetje achterop geraakt met mijn web-bezigheden. Ik heb honderden foto’s gekregen, wil ze selecteren, op het gepaste formaat brengen en publiceren op het web. Ook heb ik vrijdag mijn post ontvangen, via de Brigade. Een heel pak kerst- en nieuwjaarskaarten én rekeningen om te betalen én tijdschriften... Ik moet dringend brieven beantwoorden, en met sommige briefschrijvers wil ik persoonlijk contact opnemen. Wie e-mail bedacht heeft verdient wel een reuzegroot standbeeld. Het is een prachtig medium om vlug mensen te bereiken, ook al wonen ze de andere kant van de wereld.

Kolonel Miel bericht mij dat er een brief is van de opperaalmoezenier. Hij heeft beslist dat Geert DW met de vlucht van 20 januari aankomt en dat ik zal vertrekken op 3 februari. De kolonel weet goed welke gevoeligheden nu spelen, welke problemen en moeilijkheden de werk- en leefsfeer bepalen en hij vindt het niet opportuun dat ik vertrek. Hij zal proberen een laatste keer voor te stellen om mij de hele zending te laten uitdoen. Ik ken het antwoord al dat zal gegeven worden!

Het grootste stuk van de dag breng ik door achter mijn laptop. Ik ben blij dat dit niet alle dagen het geval is. Maar ‘s avonds ben ik blij dat mijn briefwisseling afgewerkt is, en dat weer nieuwe foto’s op het net staan. Ik ga vroeg slapen, tegen 21.30 uur, maar het is 01.15 uur als ik het licht uitdoe. De ‘Witte Leeuwin’ hield mij in haar ban. Nog 20 bladzijden en het boek is uit. Morgen lees ik de finale.

 

Woensdag 14 januari

Met Michel en Pierre, de nieuwe Franse padré bezoeken we onze Italiaanse collega. De chauffeur van de Franse kolonel, een Afghaan, brengt ons er naar toe. De Italiaanse padré is de ouderdomsdeken van alle Katholieke aalmoezeniers, en in het Italiaanse leger heeft hij de graad van full-kolonel. Wij bombarderen hem tot chef van de aalmoezeniers en hij bloost wanneer wij hem ‘monseigneur’ noemen. Het is een lieve man die behoorlijk Engels en Frans spreekt, zodat we gemakkelijk kunnen converseren. Na het middagmaal, een typisch Italiaans gerechtenbuffet, en een bezoek aan ‘zijn basiliek’ keren we terug. In het voorbijrijden wil Michel nog een bezoek brengen aan een Afghaanse kunstenaar die een klein atelier heeft. Misschien vindt hij wel een mooi geschenk om mee te nemen. Ik ben er graag bij en neem de tijd om al de werken van dichtbij te bekijken en te bewonderen. Zijn schilderstijl is variërend, maar ik vind een paar werken heel boeiend: twee schilderijen die een prachtige impressie weergeven van het Afghaans leven na de oorlog. De mensen die hij uitgetekend heeft herken ik: zo heb ik ze ook ontmoet: elkaar beschermend, met een weemoedige blik in hun ogen, tussen stukgeschoten huizen in een eindeloze leegte. Het bedrag dat hij er voor vraagt heb ik niet bij mij. Misschien kan ik het schilderijtje een andere keer ophalen.

Aan de Maingate zien de wachten dat niemand van ons een wapen ontlaadt. Natuurlijk, padrés dragen geen wapen. Het geeft een goed gevoel zonder escorte te kunnen buiten rijden.

 

Donderdag 15 januari

Ik wil voor Michel een paar CD-roms kopiëren met foto’s van Kabul en Afghanistan, en weer een zestigtal nieuwe foto’s publiceren op het net. Ik druk ook enkele foto’s af voor de Afghaanse moeder die deze middag vanuit mijn kantoortje naar haar man in België zal telefoneren.

Tegen 13.45 uur staan we klaar om de moeder af te halen. Het scenario van escorte bespaar ik jullie, maar even voor 15 uur zijn we terug op KAIA. Zoals de veiligheidsvoorschriften het eisen wordt de moeder die haar baby mee heeft en een broer grondig gefouilleerd bij de Maingate.

Eenmaal in mijn kantoor en verbonden met Neder-over-Heembeek lijkt de conversatie tussen man en vrouw hoog op te lopen. Vooral de man schijnt zich boos te maken over feiten die we nog niet kunnen vermoeden maar die ons straks wel duidelijk zullen worden.

Na het gesprek bieden we haar nog thee aan, maar dat slaat ze af.

Buiten wacht de jeep en de escorte om haar terug te brengen, maar Khalil zegt ons dat ze niet met ons zal mee gaan, maar een taxi zal vragen haar naar huis te brengen. Ik doe haar en haar broer uitgeleide tot aan Maingate, en wacht tot ze een taxi heeft gevonden en ingestapt is. De rit kost minder dan 2€, in Afghaans geld natuurlijk. Wat we niet wisten of konden vermoeden was dat haar man enorm bezwaren had gemaakt omdat ze met militairen (meestal mannen) was meegereden, ook al zat een vrouwelijke kapitein naast haar op de bank. Onze tolk die het telefoongesprek mee gevolgd had sprak zelfs van een zekere jaloezie van haar man ten opzichte van zijn vrouw.

Wij hebben onze les geleerd - andere cultuur, andere regels en voorschriften - alhoewel wij alleen willen helpen en goed zijn voor haar. Een andere keer dat ze mag telefoneren zorgen we er voor dat onze tolk voor haar een taxi vraagt die haar heen en terug brengt.

 

Vrijdag 16 januari

Een normale vrijdag staat mij te wachten: de wekelijkse zondagsviering voorbereiden, mijn kamer een beetje op orde brengen, en hier en daar een babbel slaan op één of andere werkplaats.

Sedert zijn aankomst is Johan, de RMO (raadgever mentale operationaliteit, zeg maar de psycholoog!) druk doende met een onderzoek naar hoe de mensen hun opdracht ervaren, de moeilijkheden waarmee ze te kampen hebben, hoe goed ze zich voelen in hun vel. Elk uur van de dag en een stuk van de avond is hij bezig de gegevens te analyseren en te proberen enkele raadgevingen te formuleren aan het adres van de staf, raadgevingen die er op gericht zijn met kleine dingen de leef- en werksituatie voor de militairen in het algemeen, en voor sommigen in het bijzonder, nog beter en meer aanvaardbaar te maken. Ik ben nieuwsgierig naar de uiteindelijke evaluatie die het gevolg moet zijn van deze bevraging. Een groot aantal mensen hebben er aan deel genomen en velen hebben zonder enige schroom hun menig op papier gezet. Ik doe mijn hoed voor hem af, en voor de wijze waarop hij in alle discretie zijn taak uitoefent.

Het regent vandaag, toch kan je niet zeggen dat het slecht weer is. Op veel plaatsen blijft het water staan, omdat de zandleemgrond zodanig droog en hard geworden is, dat de bovenlaag bijna ondoordringbaar is. Morgen zal het weer terug zonnig en droog zijn.

Tegen 19 uur zijn wij, Belgische officieren en de padré, verwacht in het kwartier van de Fransen om het afscheid mee te maken van de detachementcommandant. Ik heb die man meerdere keren mogen ontmoeten en altijd wou hij een babbeltje slaan met de Belgische padré. In elke zondagsviering was hij aanwezig. Ook hij vertrekt zondagmorgen naar huis, na een opdracht van 4 maanden.

Als ik aankom moet ik door een waterpartij om binnen in de tent te geraken; gemakkelijkheidhalve hebben Franse soldaten houten paletten als een brug over het water gelegd, zodat we toch droogvoets binnen komen. Er zijn natuurlijk speeches van de kolonel en van zijn opvolger, en namens de Afghaanse gezagsdragers wordt ook het woord gevoerd, alles door een tolk in verstaanbare taal voor ieder omgezet. Wat mij opvalt in de speech van de vertrekkende kolonel is de positieve wijze waarop hij spreekt over de samenwerking met de Afghanen, met hun leiders, maar ook met de gewone mensen. De Franse troepen doen inderdaad patrouilles in de dorpen ten noorden van Kabul (Franse sector), en waar ze kunnen wordt hun zending ondersteund met humanitaire hulp. Die manier van werken, van vertrouwen geven aan de plaatselijke bevolking, van zoeken naar wegen van coöperatie, is geen naïeve instelling van onverantwoordelijken, maar toont aan dat de bevolking van Afghanistan, met jaren oorlog en onderdrukking achter de rug, van de aanwezigheid van vredestroepen gebruik wil maken om een eigen kader te creëren om zo zijn lot in eigen handen te nemen. Wie ervan uitgaat dat elke Afghaan die hij ontmoet, een pseudo-terrorist is, een terrorist-in-spe die mogelijks met slechte bedoelingen behept is, en hem dan ook argwanend tegemoet treedt, wie alleen gewapend met mensen onderhandelt en zaken doet, zal door zijn agressieve houding die vaak vernederend en onmenselijk is, meer schade berokkenen dan goed. Naar mijn aanvoelen moeten wij niet het voorbeeld volgen van Amerikaanse, Engelse of Canadese troepen die met veel machtsvertoon overal verschijnen en tonen dat zij de macht in handen hebben, maar blijven wij best de bescheiden rol spelen die de politieke leiders van ons land hebben bepaald: een humanitaire aanwezigheid in Natoverband, met de Afghanen als mede-spelers en niet als vijanden.

Hoor mij nu niet zeggen dat ik pleit voor een argeloosheid, een niet bedacht zijn op mogelijke gevaren, een niet onder ogen willen zien van een mogelijks terroristische aanslag, van een onbeduidende alertheid en waakzaamheid, nee, dit zeg ik niet, ik zeg alleen dat het opbouwen van een goede verstandhouding met de Afghaanse bevolking, gebaseerd op wederzijds respect, van een daadwerkelijke vriendelijkheid en behulpzaamheid, van een niet-agressieve houding in het verkeer en in de ontmoeting met mensen, ons de sympathie van de bevolking zullen opleveren, en deze sympathie van de bevolking voor ons is onze grootste veiligheidsfactor, zij zijn dan in zekere zin onze beschermers ook tegenover mogelijke terroristen, en de acties die ze willen ondernemen. Dan hebben de Afghanen er alle belang bij dat het ons goed gaat, want onze aanwezigheid is ook goed voor hen.

Het wordt een fijne avond met lekkere hapjes en met het beste uit de Franse wijnkelders. Zalig zij die genodigd waren om binnen te treden in het Franse paradijs...

 

Zaterdag 17 januari

Met Pierre en de Afghaanse chauffeur rijden we naar Camp Warehouse voor een uitzonderlijke padrésdag. We rijden namelijk samen met de andere padrés (Canadezen, Denen, Zweden, Duitsers...) naar Bagram voor een ontmoeting met de Mullah’s in het Amerikaanse kamp. We zullen er zijn tegen het middagmaal, en aansluitend is de ontmoeting gepland. Zoals voorheen rijden wij probleemloos en zonder controle het Amerikaanse kamp binnen. De voertuigen en de inzittenden van de Nato-partners zijn betrouwbaar!

Toch duurt het nog een tijdje vooraleer onze Amerikaanse padré ons verwelkomt en ons naar één van de restaurants brengt voor het maal. Maar wachten kunnen wij, militairen, daarvoor willen wij ons zelfs haasten! Ik ben bijna klaar met eten als we al moeten opstappen voor de ontmoeting. Door heen het kamp worden we gebracht naar een andere mess, en wat zien we: daar zitten onze Amerikaanse collega’s aan tafel met de Mullah’s! Was er dan voor ons, niet-Amerikanen, geen plaats in de herberg? Of dienen wij alleen voor het decor, als internationaal achtergrondscherm, terwijl de hoofdrolspelers, de Amerikanen, de enige initiatiefnemers zijn die de Mullahs erkennen en hen uitnodigen voor een gesprek? Ik zet deze gedachten van mij af. ‘Mis, Renaat, je schat het gewoon verkeerd in. Zo zijn de Amerikanen niet!’

Weerom wachten we tot iedereen klaar is met eten. Ondertussen is het reeds na 14 uur, en normaal eindigt de ontmoeting tegen 15 uur. Gaat er nog wat van komen?!

De chef van de Amerikaanse padrés neemt dan het woord, dat onmiddellijk vertaald wordt en hij zegt da wij ons kort gaan voorstellen. Amaai, hoeveel tijd gaat dat kosten, vraag ik mij af, terwijl ik de groep op een 40-tam mensen schat. Zo gezegd, zo gedaan. De Mullah’s bijten de spits af en vertellen van waar ze komen en wat ze doen. Ondertussen doen de tolken hun werk! Als eerste van de niet-Afghanen ben ik aan de beurt, omdat ik  foto’s neem en toevallig in de onmiddellijke nabijheid zit van de chief-chaplain. Nadien komen de anderen en het is 10 voor drie als wij rond zijn. En nu de vragen.

De Chief-chaplain is een charmant man, die in de gunst van de Mullah’s wil komen en door zijn gepaste vraagstelling het weder-antwoord kan geven op wat iemand namens de Mullah’s antwoordde:

Amerika gaat onmiddellijk daadwerkelijke steun verlenen door een vervallen of gebombardeerde moskee te restaureren. Weer verdwijnen wij in het niet van de actoren op de bühne en weer worden wij, niet-Amerikanen, herleid tot getuigen van de goede intenties van Amerika. En wij spelen schitterend onze rol. De twee overige vragen deden er niet meer toe. Wat gezegd moest worden en gehoord, is gezegd ...

Na de ontmoeting wordt nog een groepsfoto gemaakt op de stoep van de mess: Mullah’s en padrés door elkaar, bewijs van verstandhouding en oecumenische geest. Nadien worden de mullah’s en wij mee geloodst naar de kapel, een eenvoudige ruimte zonder religieuze symbolen, maar met een fantastische klankinstallatie en bijpassende drum: waarschijnlijk een polyvalente ruimte! En daar, in een hoek van de ruimte, waar een ander lokaal aangrenst, worden ‘prijzen’ uitgedeeld. De Chief-Chaplain heeft zich laten vereeuwigen met elke Mullah afzonderlijk, en nu krijgt elke Mullah dat uitzonderlijk certificaat. Weer een bewijs van de open geest van Amerika en van zijn humanitaire zending heel de wereld te verbeteren. Leve het Democratisch model van Amerika!

En wij, wij staan er weer beteuterd bij, met lege handen, alsof we een schop onder onze broek gekregen hebben. Wat zijn wij hier in Gods naam komen doen in Baghram!

Maar het is nog niet genoeg, want eenmaal aangekomen aan de pantservoertuigen van de Canadezen die ons naar Bagram brachten, woorden we weer gevraagd, zeg maar gedwongen, ons op te stellen voor een ‘kiekje’. Ik verfoei deze manier van doen, en ik zal in het vervolg beter opletten om niet meer voor aap te staan.

Ik ben blij als we terugrijden naar Kabul, en in de pandur, zonder uitzicht op de buitenwereld, kan ik even indutten naast mijn collega’s. Aangezien niemand iets zegt, vermoed ik dat ze mijn voorbeeld navolgen.

De avondviering in onze kapel maakt alles goed: “Wat er ook gebeurt, jullie zijn mensen naar Mijn hart”!

Nadien breng ik een bezoek aan onze kantine. Onze mannen houden een benefit-fuif ten voordele van het solidariteitsfonds dat we met de Noren, de Duitsers en de Luxemburgers hebben opgericht en waarmee we families en personen willen helpen zoals de familie van Pal Washah, het meisje in het Belgisch hospitaal. Het is een meevaller van opkomst en opbrengst. Bedankt, lieve soldaten, die het initiatief namen voor deze ‘humanitaire actie’. Bedankt voor jullie grootmoedigheid!

 

Zondag 18 januari

Ik slaap uit, tot iets over 8 uur, en ik sla het ontbijt over. Met Michel en Pierre vieren we de eucharistie. Nadien drink ik koffie en ga markten. Het is misschien de laatste kans, want wie weet wat het antwoord zal zijn van onze opper op de brief van de kolonel. Moet ik zaterdag al naar huis vertrekken? We zien wel en wachten af!

Ik breng het grootste deel van de dag door met de marktkramers die zich allen willen laten fotograferen. In een mengelmoes van Duits, Frans en Engels komen we tot gesprek en ik geniet van de eenvoudige hartelijkheid en de vriendelijkheid van deze mensen. Ik beloof hen volgende week de foto’s te bezorgen. Jullie, in België,  zullen ze vroeger kunnen zien via onze website.

Als de zon ondergaat en lange schaduwen werpt op de schaakstukken en in duizend stralen weerspiegelt in het koperen vaatwerk trek ik ons kamp binnen. Deze avond begin ik met het schrijven van de volgende episode van mijn dagboek Kabul. Het zal de voorlaatste aflevering worden!

 

Maandag 19 januari

Vandaag is er een antwoord van de opperaalmoezenier: ik zal de zending niet voleindigen. Ik mag terugkeren op 24 januari of op 4 februari. Wanneer kolonel Miel mij het bericht brengt (hij moet mij daarvan op de hoogte brengen-een mailtje rechtstreeks aan mij kan er niet af) staat hij erbij als een geslagen hond. ‘Ik zou toch willen dat je blijft tot 4 februari’, zegt hij, ‘dan is de laatste maand reeds begonnen en beginnen de mannen al aan de terugkeer te denken’.

Ik ben hem dankbaar voor het enorme vertrouwen dat hij daarmee uitdrukt: “ik zou toch willen dat je blijft ...”

Er is geen padrésdag, vandaag, dus heb ik tijd te over om mensen te zien, mijn dagboek voor te bereiden, mails te beantwoorden... en ik moet toegeven dat ik een hoop mensen moet contacteren:

Gaston, de secretaris van Sporta-Oost-Vlaanderen in verband met de komende Sportabedevaart in Oostakker begin maart, Geert die mij opvolgt als padré in Kabul, een paar nieuwe bataljonscommandanten feliciteren met hun investituur, de nieuwe bisschop van Gent Salesiaan Luk Van Looy: ook hem wens ik een hartelijk ‘herdersschap’ toe; Interelectra in verband met dubbele facturen, en Luc van wie ik vorige week een nieuwjaarskaart kreeg die mij aan het schrikken bracht.

Luc is een oud-student van het college, een prima trompettist, en na zijn universitaire opleiding belast met een verantwoordelijke taak. Hijzelf, Nadine, zijn vrouwtje en zijn twee kinderen zijn mij heel sympathiek. In zijn nieuwjaarswens schrijft hij mij dat zijn familie getroffen wordt door het harde lot  van een kanker. Ik hoef jullie niet te vertellen wat Luc al achter de rug heeft aan chemo en bestralingen. Maar ik voel het optimisme aan dat hij deelt met zijn familie en de grote hoop dat alles goed zal worden. Mijn schrijven is kort:

“Jullie kerst- en nieuwjaarskaart die ik vrijdag ontving, vervulde mij met gemengde gevoelens.

enerzijds was ik heel blij met jullie lieve wensen,

anderzijds maakte de mededeling mij heel stil.

Ik voel mij met jullie heel erg verbonden, ook al ben ik niet dicht bij huis,

ik draag jullie in mijn gebed, in mijn hart.”

En ik beloof hen zo vlug mogelijk te bezoeken van zodra ik thuis ben.

“Houdt er de moed maar in, niet plooien, volhouden ... !

De dag is weer voorbij vooraleer ik er mij rekenschap van geef.

‘Dank u, voor deze fijne avond,

dank u, voor deze volle dag,

dank u dat ik met zoveel mensen tot U komen mag!’

 

Dinsdag 20 januari - woensdag 21 januari - donderdag 22 januari

Er valt niets bijzonders te melden. De gewone dagdagelijkse bezigheden: mail lezen en beantwoorden, mensen opzoeken, luisteren naar vragen en problemen, samen zoeken naar goede oplossingen, ... Vandaag 20 januari, een dag nadat ik onze nieuwe Gentse bisschop gelukwenste, is er al een antwoord van hem. Eigenlijk zou dit niets bijzonders mogen zijn, een bisschop die contact houdt met zijn priesters die, waar ook hun zending ligt, in binnenland of buitenland, en hen een hart onder de riem steekt. Maar als je nog nooit een aanmoediging kreeg voor het werk dat je (al 33 jaar) presteerde, wanneer je eigen ‘herder’ nooit een teken van leven gaf of een blijk van interesse voor wie je bent of voor wat je doet, dan is het bericht van de nieuwe ‘herder’ een hartverwarmend feit; je voelt het aan alsof een nieuwe horizon zich voor je opent, en je stroomt boordevol geluk.

Danke wel, Renaat, voor je mooie wensen, en ik weet zeker dat ik in Kabul zal zijn als ik in de kathedraal bid op 1 februari. Als ge dan terug zijt zien we elkaar wel, de deur zal open staan.

Beste wensen aan de mensen die daar bij u zijn, Vlamingen en anderen.”

Ik bericht iedereen thuis dat ik op 4 februari terugkeer naar huis, en vooraleer het bericht zijn bestemming bereikt, meldt men mij dat het pas op 6 februari zal zijn: ik zal vertrekken op 6 februari en op 8 februari aankomen op Melsbroek. Het zij zo. Amen!.

Vandaag donderdag 22 januari. In Baarle zal veel volk samenstromen voor de uitvaart van Maurice. Hij overleed vorige week in huiselijke kring. Mijn zussen en ook Danny zullen mij vertegenwoordigen bij de afscheidsplechtigheid. Reeds deze morgen gingen mijn eerste gedachten naar Maurice en zijn gezin. Het sombere weer vandaag zet de toon en maakt een mens ‘nachdenklich’. Het gaat mij niet om overal binnen te stappen en goede dag te zeggen. Het wordt een dag-voor-mij en schrijvend zet ik mijn ideeën op papier; beelden flitsen door mijn geest en vervullen mijn gemoed en ik ga zo op in het verwoorden van gevoelens en gedachten dat ook deze dag om is voor ik het besef. Ik keer tot de werkelijkheid terug als Danny mij een berichtje stuurt over de begrafenis:

“Ik ben naar de begrafenis geweest van Hilde's vader. Wij konden nauwelijks binnen. Don en ik hebben het eerste gedeelte van de viering staande gevolgd. Na de verdeling van het prentje konden we plaats nemen. Het was een mooie mis. Ik heb het boekje meegenomen (met de viering). Aan de telefoon zei ik je dat een zekere Alain de mis zou opdragen, maar ik had het briefje van Hilde slecht gelezen. Het moest Alix (Cloutte) zijn. Je hebt trouwens zijn groeten.

Na het halen van het prentje nam ik de tijd om naar de kruisgang te kijken. Na de mis vroeg iemand wat ik ervan vond. Het was hem opgevallen dat ik er interesse voor had. Je hebt eveneens van hem de groeten. Het was meneer Cassiman.

Wat mij ook opviel was de kinderbijbelverhalen achteraan de kerk. Hilde zei dat het jouw idee was. Proficiat! De kinderen worden veel te veel vergeten. 's Avonds lees ik uit de bijbel voor. Mijn kinderen weten al heel veel over de bijbel. Of ze nu gelovig zijn of niet laat ik in het midden, maar het zijn verhalen die ze kunnen gebruiken in het dagelijkse leven.”

Bedankt, Danny, voor je bericht en je getuigenis.

 

Vrijdag 23 januari

Alles staat vandaag in het teken van de komst van de onderzoekscommissie die de omstandigheden waarin het accident gebeurde, moeten achterhalen. Ook een drievoudig team onder leiding van generaal Montens brengt een bezoek aan KAIA. Hun opdracht is zeer specifiek, maar omwille van discretie wil ik hierover niet uitweiden. Én onze Geert komt er aan, die mij als aalmoezenier zal opvolgen en begin maart terug naar België keert. Ik maak dus grote schoonmaak in mijn container. Dit gaat heel gemakkelijk nadat ik de koffers die ik morgen zaterdag naar België opstuur, buiten klaar heb gezet. Alles wat ik niet meer nodig denk te hebben vliegt in de koffers, en William is graag van dienst om alles met de clark te vervoeren naar de loods waar ook het kerstgerief mee ingepakt wordt.

Na de grote schoonmaakbeurt ruikt de container heerlijk fris, maar ik heb er een wee gevoel bij: een stukje van mijn ‘thuis’ is ontmanteld, het begin van de retour général! Nog amper veertien dagen, en mijn tweede zending zit er op.

Tegen 22 uur wachten we op de tarmac de C130 op. Als een zwarte nachtvogel valt het transportvliegtuig uit de donkere hemel, en pas bij het landen steekt hij zijn lichten aan: veiligheid voor alles! Voor zijn volume taxiet hij toch gracieus naar ons toe, maar aan ons voorbij, want zijn plaats is verder op de apron, een verplichte maatregel wanneer er munitie aan boord is. De passagiers worden met minibusjes afgehaald en ik ben al blij als ik, bij de tweede rit, achter het aangedampte glas Geert bemerk. Zoals altijd wordt ook nu iedereen gebrieft over de veiligheidsmaatregelen die in acht moeten genomen worden, en alvorens naar de kantine een verfrissing te gebruiken wordt aan ieder ‘zijn bunker’ toegewezen. Het onderzoeksteam bestaat uit een gerechtelijk substituut en twee leden van de Federale politie. Één van beiden is afkomstig uit Sint-Amandsberg. Hij woonde niet zover van ons ouderlijk huis, en ik ontmoette hem nog. Samen drinken we ons eerste pintje. Morgen begint de commissie aan haar zware taak: ondervragen van mensen, getuigen verhoren, de plaats van het accident onderzoeken en proberen de feiten te reconstrueren. Ze blijven daarvoor een hele week in Kabul.

 

Zaterdag 24 januari

Het programma voor deze dag is aan wijzigingen onderhevig: het contactteam met generaal Montens wil een aantal mensen spreken, en tevens een overzicht krijgen van wat de Belgen op KAIA verrichten. Sommige gesprekken lopen uit en de uurregeling ligt wat overhoop. Ik ook wacht mijn beurt af om gehoord te worden. Ondertussen bezoek ik met Geert de verschillende instanties: het bureel van de CSM, de chef sectie-Personeel, de stafofficieren, het NBC-team, de shift, de NSE en de koks.

In de namiddag haast ik mij de zondagsviering af te werken. Ik geniet weer van de lezingen van dit weekend: Paulus heeft het over het lichaam en de ledematen die op leven en dood aan elkaar gebonden zijn: een beeld om te benadrukken dat de gemeenschap van Jezus (de Kerk) één is in verscheidenheid. Hij schrijft aan de christenen van Corinthe over de specificiteit van iedereen, over de verantwoordelijkheid en de zorg van ieder voor de ander, over die éne die allen samenbrengt en die allen leidt. En dan zie ik Jezus staan in de synagoge van Nazareth, een plaats die mij zeer lief is. Hoe dikwijls was ik er niet met pelgrims samen en hoorden wij in de stilte van deze eerbiedwaardige plaats Jezus zelf aan het woord:

"De Geest van de Heer is over mij gekomen,

omdat Hij mij gezalfd heeft.

Hij heeft mij gezonden

om aan armen de Blijde Boodschap te brengen,

aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken,

en aan blinden dat zij zullen zien:

om verdrukten te laten gaan in vrijheid,

om een genadejaar af te kondigen van de Heer."

Ik vraag mij af hoe ik deze woorden kan vertalen in een taal die onze soldaten begrijpen, die hen ook raakt. Van kindsaf aan laten die woorden mij niet los, ik zag ze een stuk realiteit worden in de manier waarop moeder en vader voor ons leefden; hun keuze voor ‘kleine’ mensen, hun zorg voor wie het moeilijk hadden werden ons, kinderen, met de paplepel in gegeven.

Maar ik maak mij geen zorgen; zo vaak heb ik mogen ervaren dat mij de juiste woorden worden ingegeven, dat ik erin slaag een taal te hanteren die voor mensen ‘open-barend’ is; en ik weet: ik heb er geen verdienste aan, maar Één is er die Zijn Geest schenkt aan wie Hij wil. Dit te kunnen beseffen, dit te mogen ervaren is puur ‘genade’.

De viering deze avond zal voor mij de laatste zijn waarin ik voor mag gaan in Kabul. Vanaf volgende week is het aan Geert. Hij is laaiend enthousiast, dit wil zeggen: vol van Gods Geest. Doe maar, Geert, en wees jezelf!

 

Zondag 25 januari

De zon is al vroeg van de partij en je kunt het merken: de donkere dagen zijn voorbij. Het is zalig om vanuit je bed de zonnebundel te zien voortkruipen op de muur van je container. De eerste lichtstralen vallen altijd op Nero die zich koestert in de Zwarte-woud-zon, nadien op een kleine icoon van Jezus, afgebeeld als leraar. Voortschuivend raakt de zon een poster van Köder aan, zijn Piëta. Dan is het tijd om op te staan, om zon-dag te vieren en te beleven. Geert is blijkbaar al uitgerust en op, want ik zie hem niet meer. Ben ik hem vergeten te zeggen dat we vandaag een uurtje langer kunnen ontbijten?  Wij celebreren met drie in de mis voor de Fransen.

Als je dag zo begint, kan hij niet meer stuk. En ook al zijn er geen croissants meer sinds de Franse bakkers vertrokken zijn, het is zondag, het is marktdag, het is familiedag (in Kleine Brogel), dus ... genoeg om goed gemutst te zijn en iedereen een fijne zondag toe te wensen.

Straks wordt mijn bureeltje in beslag genomen door soldaten die via een speciale lijn naar hun familie kunnen bellen, volgens een uurschema dat is opgesteld. Pas tegen 22 uur kan ik er weer terecht! Dus, nu eerst nog vlug mailen, even ‘de Standaard’ er bij halen, mijn camera op zak steken en ik ben de pijp uit. KAIA is vandaag helemaal voor mij!

Na een afspraak met kapitein Joris van de Meteo kan ik vandaag de controletoren op de burgerluchthaven bezoeken om van daar uit foto’s te nemen van de omgeving. Er is veel vliegverkeer, en dat levert interessant fotomateriaal op. Vooral de pelgrims die naar Mekka op bedevaart vertrekken, en in overvolle vliegtuigen geduwd worden, de lange rijen wachtende mensen, meestal bejaarde mannen, die waarschijnlijk ‘de reis’ van hun leven maken, maar zeer gedisciplineerd hun beurt afwachten, trekken mijn discrete aandacht. Op de koop toe krijg ik nog de kans een zonsondergang vast te leggen om ‘u’ tegen te zeggen. Geniet er maar van als je onze website bezoekt.

Na 23 uur breng ik toch de moed nog op om een paar ‘zondaagse’ telefoontjes te plegen. De voorlaatste voor ik vertrek.

 

Maandag 26 januari

Padrésdag in KMNB-Camp Warehouse. We zijn te gast bij onze Canadese collega, pas aangekomen, en Chief-Chaplain voor ISAF. Het programma stelt niet veel voor, wel worden er nu eindelijk goede afspraken gemaakt voor de komende periode. Ik zal veel missen als ik thuis ben, maar ja, je kunt niet alles hebben!

Eens terug moet ik vliegensvlug met kolonel Miel mee. Scherfwerend vest aan, fototoestel mee, jeep in, en weg... Onderweg legt hij mij uit waarover het gaat: C-OPS, die alle operaties leidt en begeleidt vanuit Evere, wil een actuele toestand zien van alle O.P.’s (observatieposten). Er is geen betere manier om dit te tonen dan fotomateriaal op te sturen. Met grote behendigheid stuurt hij de jeep( zijn voorkeur-wegdragende vierwieler om er mee in zijn Frans vakantiedorp rond te toeren) via Oscar Bravo, Crash-gate, en het mijnenveld naar Oscar Sierra. De zon zit ideaal en belicht op een feeërieke manier het berglandschap van Kabul. De besneeuwde toppen steken scherp af tegen de azuren hemel. Hoe graag was ik nu dit decor binnengestapt om opgenomen te worden in die immense pracht en te wandelen én te luisteren naar de stilte, naar de ‘sound of music’!

We nemen onze tijd voor menig ‘kiekje’, en verder rijdend houden we halt voor een vos die ons stout en zonder verpinken aankijkt en dan langzaam door het struikgewas wordt opgenomen, ons nawuivend met zijn volwassen vossenstaart. Ik heb geluk, een paar beelden leggen dit tafereeltje voor eeuwig vast. Even verder rijden we langs de startbaan, en worden overweldigd door de take-off van een viermotorige machine die zich krachtig verheft en tonnen massa onttrekt aan de aantrekkingskracht van de aarde. Als hij boven ons vliegt kan je gemakkelijk de kentekens onderscheiden. Ik geraak er nooit op uit gekeken.

Vandaag zet ik ook de recentste foto’s op onze website. Straks kan je mee-kijken naar wat hier gebeurt!

 

Dinsdag 27 januari - woensdag 28 januari

De geruchten over de laatste familiedag in Kleine Brogel variëren van ‘het was er zeer goed’ tot ‘een slechte organisatie’. Maar vandaag krijg ik de foto’s binnen die genomen zijn door de mensen van Bevrijding-5de Linie, en ik zie bijna uitsluitend vrolijke gezichten. Ik stuur ze vlug door naar iedereen en zet ze op de ‘common’, dat is een gemeenschappelijke map (op de pc) en die kan bekeken worden door iedereen die een militaire pc heeft.

Met Geert en Johan, de RMO, doen we een rondgang naar enkele O.P.’s, omdat we een paar mensen willen zien, en één sectie vroeg mij hen te fotograferen.

We eindigen onze ronde in het restaurant voor het middagmaal.

In de namiddag horen we van een aanslag op een Canadese patrouille waarbij één Canadees en een burger om het leven komt. Onmiddellijk worden de veiligheidsmaatregelen verscherpt. Er zou een reeks van aanslagen gepland zijn door een zestigtal zelfmoordenaars die naar Kabul zijn uitgezworven en ISAF- en NATO-doelwitten op het oog hebben.

Voor onze soldaten breken moeilijke dagen aan: bijna permanent de O.P.’s bemannen en versterken, meer patrouilles, hier en daar worden geruchten verspreid die aan het scenario van een noodtoestand doen denken, velen lopen er niet gerust bij, anderen houden het hoofd koel en relativeren de situatie. Weer is ‘angst’ een slechte raadgever.

Aangezien we niet meer buiten KAIA kunnen, en de O.P.’s verboden terrein zijn voor wie er niets te zoeken heeft (zelfs de padré wordt geacht de manschappen in hun waakzaamheid niet te hinderen) zet ik nieuwe foto’s klaar voor de website kaboul.be. Sandy mag morgen weer aan het werk schieten.

Op woensdagmorgen wordt ons gevraagd deel te nemen aan een korte plechtigheid op KAIA wanneer de overleden Canadese soldaat zal overgevlogen worden. Tegen 12.15 uur moet iedereen zich klaar houden. Er rest mij nog even tijd om eigen werkzaamheden in orde te brengen. Maar dan komt de mededeling dat er geen plechtigheid zal zijn. Grote verwondering alom. Later horen we van een tweede aanslag waarbij een Britse soldaat om het leven kwam. Via internet en de websites van CNN en van Afghan-daily lezen we de ware toedracht van de feiten en zien we de foto’s die onmiddellijk na de aanslagen genomen zijn. Bij zulke gelegenheden merk je maar hoe afhankelijk je geworden bent van de berichtgeving, en dat je best meerdere bronnen raadpleegt om een genuanceerd oordeel te kunnen vormen.

Gevolg is dat de alarmfase nog wordt verhoogd, en dat iedereen met kogelvrij vest aan en helm op de observaties doet en de controles aan Maingate en de andere O.P.’s.

Het wordt een uithoudingsslag voor onze manschappen, want het ziet er niet naar uit naar de situatie snel zal veranderen. Uiterste waakzaamheid en paraatheid gelden dan ook voor iedereen. Ik hoop dat onze mannen toch voldoende rust zullen krijgen, naar mijn oordeel een ‘must’ om de stress van de situatie (en de onzekerheid, bijna sommigen de angst) de baas te kunnen. Ik neem elke gelegenheid te baat om mensen aan te spreken die even de O.P. verlaten hebben en die bij ons de maaltijden in een razend snel tempo komen gebruiken. Sommigen nemen geen vier minuten tijd om te eten. Ik bewonder ze hoe ze zich van hun opdracht kwijten, en ik zie geen verschil in de houding van infanteristen en van mensen uit de luchtcomponent. Iedereen doet ‘zijn job’ zoals het hoort.

 

Donderdag 29 januari

Mocht pa nog geleefd hebben, dan was hij vandaag 88 jaar. Ma en pa zouden vandaag 66 jaar getrouwd geweest zijn. Ik weet zeker dat elke zus en broer deze gedachten delen. Iedereen vermoedt dat van de andere en het is een ruimte en tijdsoverschrijdende verbondenheid.

Het wordt terug een erg rustige dag, niet voor onze soldaten want de alertheid zit nog in de hoogste fase. Ik heb de tijd om veel fotomateriaal naar Sandy te versturen, de voorlaatste keer vanuit Kabul. Volgende week komen de laatste foto’s op het net, en dan werk ik verder vanuit Leopoldsburg: Geert zal me alle foto’s doormailen en dan is het werk voor mij!

Ik krijg vandaag een zware boterham te verteren. Jullie weten nog dat ik, op vraag van de militairen en kapitein Mieke kaarten liet drukken in Kabul. Die moesten dienen voor de manschappen als kerstkaarten, maar zouden nadien nog kunnen gebruikt worden, aangezien geen enkele tijds- of feestaanduiding vermeld was. Toen de drukker de kaarten bracht, vroeg Mieke mij met de drukker naar de Sectie Personeel te gaan. Deze man beschikt over de financies. De drukker kreeg zijn geld, en ik tekende voor ontvangst. Daarmee heb ik de stommiteit van mijn leven gemaakt. Want ik heb zogezegd de kaarten gekocht, terwijl ik ze nooit in handen had. In de kantine werden ze te koop aangeboden; voor mij was er geen vuiltje aan de lucht en ik vroeg mij ook niet af hoe de verkoop ging en wie het geld incasseerde. Naar mijn mening was het ook onmogelijk dat ik in persoonlijke naam kaarten zou aankopen om ze nadien hier te verkopen. Hiervoor is een toestemming nodig, op papier, zoals alles in het leger geregeld wordt.

Vandaag echter besef ik dat ik enorm naïef en dom was. Ik mocht mijn handtekening nooit op het document gezet hebben waarmee de drukker zijn geld kreeg. Zowel de S1, als de kapitein Mieke en kolonel Miel zeggen mij dat ik deze som terug moet betalen, omdat ik getekend zou hebben voor een voorschot. Hert gaat om een bedrag van ca 915 €.

‘De kaarten zijn voor jou, padré, zeggen ze, je doet er maar mee wat je wilt’!

De kaarten zijn helemaal niet van mij; ik heb me ingezet om goede foto’s te nemen, ben er tweemaal mee naar de drukker geweest, heb een interessante prijs kunnen bedingen maar daarmee is voor mij de kous ook af.

Ik voel het aan al een grove onrechtvaardigheid dat ik dit bedrag heb moeten betalen!

Het leert mij om tweemaal na te denken vooraleer ik mij engageer en dat ik steeds schriftelijke afspraken zal eisen, die mijn rechten veilig stellen.

Feit is: iedereen steekt zijn paraplu op en de padré is de dupe van het spel.

Wat er met de kaarten zal gebeuren, interesseert mij niet; zij behoren mij niet toe, toen niet en nu niet. Ik hoop dat iedereen die er mee verantwoordelijk voor is, mij in geweten recht in de ogen kan zien. En ik overweeg stappen te zetten om mijn eigendom, die op een onrechtmatige wijze en onder druk is toegeëigend, terug te krijgen.

Voor het eerst in KAIA heb ik een enorm slecht gevoel. Ik zie mezelf voortdurend als de idioot die zich voor de ander inzet, die op eigen kosten kerstversiering en glühwein, geluidsinstallatie en ander materiaal naar Kabul bracht, die meer dan 1.300 € investeerde in de website voor de families thuis, en als stank voor dank ook nog mag opdraaien voor het drukken van de kaarten, terwijl zoveel andere oplossingen voor de hand liggen... mocht er goede wil zijn!

Ik kan de kantine niet meer binnengaan, waar ik voortdurend de drukproeven zie hangen en die mij met mijn neus drukken op de stommiteit die ik pleegde.

Deze nacht slaap ik niet!

 

Vrijdag 30 januari - zaterdag 31 januari

Nog altijd is de alarmfase C+, dwz. kogelvrij vest en helm op de stellingen, en geen bezoekers gewenst die de aandacht zouden kunnen afleiden.

Blijkbaar zijn er mensen op de hoogte geraakt van de ‘kaarten-affaire’. Zij willen stappen ondernemen, maar ik raad hen aan wijs te zijn. Voor mij, hier in Kabul, is de zaak geregeld, maar verteerd, dat begrijp je, dat kan niet. Op het graf van grootvader stond: ‘onrecht duldde hij niet’. Van kleinsaf was het voor mij een vertrouwd begrip, meer nog: ik zou proberen waar ik kan tegen het onrecht in te aan. Dit is ook altijd mijn stelling en mijn houding geweest als priester, en wees gerust: je krijgt ‘klappen’ als je voor gerechtigheid opkomt! Het valt mij toch moeilijk om voor mijn eigen recht op te komen. Wat kan ik in Gods naam doen! ...

Tijd brengt raad, en straks thuis wordt alles veel duidelijker!

 

Zondag 1 februari

In Gent wordt vandaag feest gevierd. Salesiaan Luk Van Looy wordt tot bisschop gewijd. Als ik met deze gedachte opsta, zie ik weer de zon door het raam mijn container binnenvallen. Het is hier echt ‘lichtmis’, een mis van licht en deugddoende warmte. Deze avond, om 18 uur, is er voor ons de lichtmisviering, het zelfde uur waarop in Gent de plechtige bijeenkomst van start gaat. Morgen zal ik op Kerknet wel enkele foto’s en verslagen vinden, en wie weet, stuurt één van mijn zussen deze avond nog foto’s toe.

De viering van Lichtmis is sober, geen koor, geen stoet van concelebranten, geen massa aanwezigen, weinig gelovigen, maar met enkele mensen vanuit een verbondenheid bidden en luisteren naar het Woord van alle tijden. Geert gaat voor, en dat geeft mij de gelegenheid mij een beetje in Gent te wanen. En met honderden mensen bid ik om Gods Geest voor onze nieuwe ‘herder’. Denkt hij nu ook aan Kabul, zoals hij schrijft? Ik weet het zeker!

Ik zal deze avond iedereen telefoneren, voor de laatste keer vanuit Kabul.

Aangezien de toestand dezelfde blijft is er geen markt; gisteren was er geen, vandaag was er geen. Ik treur er niet om, maar ik verzamel het laatste fotomateriaal dat ik heb om klaar te zetten op het web.

Het wordt niet laat vooraleer ik naar bed ga.

 

 

 

 

Lieve familie en vrienden, dit was mijn laatste dagboek uit Kabul. Ik denk er aan thuis nog een epiloog te schrijven. Even alles laten bezinken. Het goede zal van zelf naar boven komen, en dat zal ik mij blijven herinneren.

Jullie dank ik voor de afstand die jullie zo kort wisten te houden, door jullie berichtjes, fotootjes, verhaaltjes, anekdotes, plezante tekeningen en vooral door het ‘goede woord’ op het ‘goede moment’.

Ik heb zin om zacht maar hoorbaar het lied aan te heffen: “Jij bent een wonder, weet je dat...!”

Binnen 7 uren vertrekken we richting Baku en Melsbroek. De kist is gepakt, de rugzak en reistas staan klaar, weldra zijn we thuis.

Ik groet jullie allen hartelijk en tot binnenkort!

 

Renaat